Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2024-05-01
ECLI:NL:GHSHE:2024:1535
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,223 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/704
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 april 2023, nummer BRE 21/2453, in het geding tussen belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de minister van Justitie en Veiligheid,
hierna: de minister.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting, zonder bezwaar van de andere partij, een uitspraak van het gerechtshof Den Haag overgelegd. De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft tevens – zonder bezwaar van de andere partij - een stuk overgelegd met een waardebepaling met toepassing van een koerslijst Eurotaxglass’s.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 551 aan BPM voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig BMW 328i met VIN-nummer eindigend op [VIN-nummer] (hierna: de auto).
2.2.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [A BV] van 24 mei 2018. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van € 14.862 en daarvan een bedrag van € 13.500 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 15.000. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat de auto een onbekend schadeverleden heeft en een niet te controleren kilometerstand.
2.3.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door [persoon] , werkzaam bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 15 juni 2018. De hertaxateur heeft geen schade aan de auto geconstateerd. Wel is het volgende opgemerkt:
“De CO2 opgave in Autotelex Pro wijkt af van de CO2 opgave van het aangegeven voertuig. Alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade* worden aangemerkt. Hiervoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend.
*(Bij gebruikersschade is er rekening gehouden met de leeftijd en kilometerstand van het voertuig)”
2.4.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 5.689. Voor het verschil met het op aangifte voldane bedrag aan BPM (€ 551) heeft de inspecteur een naheffingsaanslag van € 5.138 opgelegd. Tevens is bij beschikking € 126 aan belastingrente in rekening gebracht.
2.5.
De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd naar € 4.631, de beschikking belastingrente verminderd, de inspecteur en de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 1.473 respectievelijk € 527, de inspecteur veroordeeld tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 2.266 en bepaald dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 181 aan hem vergoedt.
2.6.
De rechtbank is in eerste instantie uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 15.583 op basis van de koerslijst Eurotaxglass’s met bijstelling markt- en dealersituatie, een nieuwprijs van € 56.074 en een bruto BPM van € 19.553 (uitgaande van een CO2-uitstoot van 222 gr/km). Omdat de toepassing van de afschrijvingstabel tot een lagere heffing leidt, is de rechtbank uiteindelijk daarvan uitgegaan en heeft de rechtbank de naheffingsaanslag verminderd naar € 4.631.
Geschil
Is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd?
Daarbij spelen in het bijzonder de volgende vragen:
Mag de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat worden vastgesteld op een gemiddelde dat wordt afgeleid van een marktonderzoek naar vraagprijzen?
Dient de CO2-uitstoot te worden vastgesteld op 149 gr/km in plaats van 222 gr/km?
Dient de nieuwprijs te worden vastgesteld op € 65.710 in plaats van € 56.074?
Dient de handelsinkoopwaarde verminderd te worden in verband met aanwezige schade aan de auto?
Dient rekening te worden gehouden met een waardevermindering in verband met afwijkende USA-specificaties?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de naheffingsaanslag dan wel vermindering van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert uiteindelijk eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.085.
4Gronden
Ten aanzien van het geschil
a. Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
4.1.
De rechtbank heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 15.583. Deze waarde is gebaseerd op de waarde die volgt uit de koerslijst Eurotaxglass’s, rekening houdend met een bijstelling voor markt- en dealersituatie. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de handelsinkoopwaarde ook mag worden vastgesteld door middel van marktonderzoek waarbij een gemiddelde van door wederverkopers betaalde inkoopprijzen voor een gebruikt motorrijtuig bij koop van een niet-wederverkoper.
4.2.
Het hof stelt vast dat de taxateur van belanghebbende de door hem verdedigde handelsinkoopwaarde heeft bepaald aan de hand van gemiddelde vraagprijzen en dat hij die vraagprijzen heeft gecorrigeerd met 35% om de handelsinkoopwaarde te benaderen. Dit betreft dus niet een marktonderzoek naar betaalde inkoopprijzen. Het is een grove benadering om inkoopprijzen vast te stellen. Daarentegen heeft de inspecteur zich beroepen op een handelsinkoopwaarde die volgt uit de meest gunstige koerslijst, namelijk de koerslijst Eurotaxglass’s.
4.3.
Het hof is van oordeel dat de vaststelling van de handelsinkoopwaarde op basis van een koerslijst een veel zuiverder benadering inhoudt dan die van de taxateur van belanghebbende. De rechtbank is dan ook terecht uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 15.583.
b. CO2-uitstoot
4.4.
Belanghebbende verdedigt dat de inspecteur uitgaat van een te hoge bruto BPM omdat er vergelijkbare auto’s op de Nederlandse markt rijden waarbij de CO2-uitstoot is vastgesteld op 149 gr/km in plaats van 222 gr/km. De auto is van oorsprong bestemd voor de Amerikaanse markt en heeft daarom geen Europese typegoedkeuring. De auto is in eerste instantie geïmporteerd naar Duitsland en daar op kenteken gezet. In Duitsland is de uitstoot van de auto vastgesteld met behulp van de Scandinavische rekenmethode. Volgens belanghebbende had op grond van artikel 10 Wet BPM de uitstoot met behulp van de NEDC1-test moeten worden bepaald. Volgens belanghebbende is in Nederland tenminste één soortgelijke auto geregistreerd met een uitstoot van 149 gr/km. Belanghebbende maakt aanspraak op deze CO2-uitstoot omdat de auto op dezelfde wijze moet worden behandeld als een binnenlandse auto. De inspecteur betoogt dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan de vaststelling door de Duitse autoriteiten en betwist dat de door belanghebbende genoemde auto’s vergelijkbaar is.
4.5.
Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 3 april 2020 heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat bij de registratie van andere personenauto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een lagere CO2-uitstoot in aanmerking is genomen, niet betekent dat artikel 110 VWEU is geschonden. Het is namelijk niet uitgesloten dat auto’s van hetzelfde merk, type en uitvoering een verschillende CO2-uitstoot hebben, temeer omdat de auto oorspronkelijk uit de Verenigde Staten afkomstig is en voor de Amerikaanse markt is geproduceerd. Belanghebbende heeft zijn stelling dat de auto identiek is aan de referentieauto’s tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheden dat de auto’s er hetzelfde uitzien, dezelfde cilinderinhoud en vermogen hebben, maakt nog niet dat sprake is van identieke auto’s. Zoals de inspecteur heeft gesteld verschillen de auto’s in gewicht en hebben auto’s voor de Amerikaanse markt andere motorafstellingen waardoor onder andere de CO2-uitstoot kan verschillen. Dat in het kentekenregister referentievoertuigen zijn geregistreerd met een lagere CO2-uitstoot kan belanghebbende dus niet baten.
4.6.
Verder heeft de Hoge Raad in het genoemde arrest geoordeeld dat de vermelding van de CO2-uitstoot op het Duitse kentekenbewijs volstaat voor de aanname dat het gaat om een goedkeuring als bedoeld in artikel 6a, letter d, Uitvoeringsregeling BPM, in een situatie waarin vast stond dat de daartoe in Duitsland bevoegde instantie op basis van een keuring van de auto de CO2-uitstoot van die auto heeft bepaald. Het hof stelt vast dat voor de onderhavige auto op het Duitse kentekenbewijs een CO2-uitstoot is vermeld van 222 gr/km en dat de inspecteur hieromtrent heeft gesteld dat deze uitstoot in Duitsland conform de geldende voorschriften van de Europese Unie is vastgesteld. Het hof ziet in wat belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Derhalve volstaat de vermelding van de CO2-uitstoot op het Duitse kentekenbewijs voor de aanname dat het gaat om een goedkeuring als bedoeld in artikel 6a, letter d, Uitvoeringsregeling Bpm. Derhalve is de inspecteur bij de berekening van de verschuldigde Bpm terecht uitgegaan van een uitstoot van 222 gr/km.
c. De historische nieuwprijs
4.7.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de historische nieuwprijs moet worden berekend aan de hand van het wettelijke systeem uitgaande van de netto catalogusprijs, te vermeerderen met btw en BPM. De inspecteur heeft zich ter zitting aan dit standpunt geconformeerd, maar wel gesteld dat waar een bepaalde koerslijst wordt gehanteerd, in beginsel de catalogusprijs van die koerslijst moet worden gehanteerd. Vervolgens heeft de inspecteur een berekening overgelegd, waarbij de historische nieuwprijs uit de koerslijst Eurotaxglass’s allereerst wordt verminderd met de daarin verwerkte bruto BPM voor een auto met een CO2-uitstoot van 149 gr/km en vervolgens wordt vermeerderd met de bruto BPM van de onderhavige auto met een CO2-uitstoot van 222 gr/km. De inspecteur berekent aldus een historische nieuwprijs van € 65.710. Belanghebbende heeft zich ter zitting aan deze berekening geconformeerd.
4.8.
Het voorgaande betekent dat de verschuldigde BPM in ieder geval moet worden bepaald op € 4.636 en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd naar € 4.085.
d. Waardevermindering in verband met schade
4.9.
Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met schade, in het bijzonder de gevolgen van waterschade (roestvorming en schade aan stoelbekleding) en lakschade.
4.10.
Het hof acht aannemelijk dat de auto waterschade heeft gehad. Dit blijkt enerzijds uit het Poctra-rapport, maar ook uit de overgelegde foto’s waarop roestvorming is te zien en ook de gevolgen van de waterschade voor de bekleding. Ook is op de foto’s duidelijk te zien dat er sprake is van lakschade die verder gaat dan normale gebruikssporen.
Dictum
Het hof:
verklaart het hoger beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade, het griffierecht en de proceskosten;
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag naar € 3.014;
vermindert de beschikking belastingrente evenredig;
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 274 vergoedt;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.750.
De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, als griffier.
Dictum
De griffier, De voorzitter,
M.A.M. van den Broek T.A. Gladpootjes
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Artikel 3.2 Uitvoeringsregeling Wet BPM.
Onderdelen (b) en (c) van punt 2 van de toelichting bij aanhangsel 2 van Bijlage IV bij Richtlijn 2007/46/EG zoals deze luidt sinds de wijziging daarvan door Verordening (EU) nr. 183/2011.
Regulation No 101 of the Economic Commission for Europe of the United Nations (UN/ECE)
Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703, ECLI:NL:HR:2023:1714 en ECLI:NL:HR:2023:1790.
1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.