Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-07-10
ECLI:NL:GHSHE:2023:4290
Strafrecht
Hoger beroep
4,389 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002502-22
Uitspraak : 10 juli 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 november 2022, parketnummer 03-203793-22 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 03-092049-21, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Zuid-Oost, locatie Roermond.
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 1.373,18, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 augustus 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. Ten behoeve van het slachtoffer is tevens de schadevergoedingsmaatregel voor hetzelfde bedrag en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf genoemde datum opgelegd. Ook is de verdachte in de proceskosten veroordeeld tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces tegen verdachte gevoegd met een vordering, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.763,18, bestaande uit een bedrag van € 2.263,18 aan materiële schadevergoeding en € 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.373,18, bestaande uit een bedrag van € 373,18 aan materiële schadevergoeding en € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat in hoger beroep van rechtswege ter beoordeling aan het hof voorligt de vordering tot een bedrag van € 1.373,18.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 1.373,18, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de tenuitvoerlegging zal gelasten van het overige gedeelte van de eerder aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.
Namens de verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 augustus 2022 te Venlo [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] meermalen te slaan en/of hem met kracht vast te pakken en vervolgens naar de grond te duwen en/of te gooien en/of zich op voornoemde [slachtoffer] te laten vallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel, ten gevolge heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 13 augustus 2022 te Venlo [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] meermalen te slaan en hem met kracht vast te pakken en vervolgens naar de grond te duwen en/of te gooien en zich op voornoemde [slachtoffer] te laten vallen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken enkel, ten gevolge heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Dictum
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van één maand.
De verdediging heeft het hof verzocht – gelet op het feit dat door de detentie van de verdachte en de daaropvolgende uitlevering van de verdachte aan Polen er praktische bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van een taakstraf – de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, wel met de kanttekening deze onvoorwaardelijke gevangenisstraf te matigen aangezien dit een zwaardere strafmodaliteit betreft dan een taakstraf zoals door de politierechter was opgelegd.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 13 augustus 2022 te Venlo schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, te weten een driedubbele enkelbreuk. Naar het oordeel van het hof is het bewezenverklaarde een toonbeeld van zinloos geweld met een ernstig gevolg na een onbeduidende aanleiding. Bovendien was verdachte onder invloed van alcohol (dossier, p. 6 en p. 18). Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig geschonden. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 april 2023, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld, in 2021 ook voor een geweldsdelict. Eveneens komt uit het uittreksel Justitiële Documentatie naar voren dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof is namens en door de verdachte naar voren gebracht dat hij momenteel uit anderen hoofde gedetineerd zit in P.I. Zuid-Oost te Roermond en na deze detentie ten behoeve van zijn uitlevering aan Polen in uitleveringsdetentie wordt geplaatst.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Het hof heeft daarbij gelet op het gewelddadige karakter alsmede de ernst van het gevolg van het bewezenverklaarde.
Alle omstandigheden afwegende acht het hof, evenals de advocaat-generaal, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Zoals reeds onder het kopje ‘Omvang van het hoger beroep’ is vastgesteld, heeft de benadeelde partij [slachtoffer] zich in eerste aanleg in het strafproces tegen verdachte gevoegd met een vordering, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van
€ 3.763,18, bestaande uit een bedrag van € 2.263,18 aan materiële schadevergoeding en
€ 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.373,18, bestaande uit een bedrag van € 373,18 aan materiële schadevergoeding en € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat in hoger beroep van rechtswege ter beoordeling aan het hof voorligt de vordering tot een bedrag van € 1.373,18.
De verdediging heeft het hof verzocht de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade te matigen, aangezien het niet duidelijk is of en in welke mate de benadeelde partij momenteel nog lichamelijke en psychische klachten van het tenlastegelegde feit ondervindt.
Het hof is voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 373,18. Dat bedrag heeft betrekking op het verlies van arbeidsvermogen (bestaande uit een nettobedrag van € 287,72), de intake bij de fysiotherapeut (bestaande uit een bedrag van € 47,50), daggeldvergoeding (bestaande uit een bedrag van € 31,00) en de gemaakte reiskosten ten behoeve van een bezoek aan het VieCuri Medisch Centrum (bestaande uit een bedrag van € 6,96).
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de normschending (mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft) en de gevolgen daarvan voor de benadeelde zoals die uit het schade-onderbouwingsformulier naar voren komen, hebben bij de benadeelde partij lichamelijk letsel aan zijn enkel, knieën en hoofd en bijkomend duizeligheid en psychische klachten als gevolg van slaapproblemen veroorzaakt. Het hof houdt bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding rekening met alle relevante omstandigheden van het geval, alsook de bedragen die in soortgelijke gevallen worden toegewezen, en begroot deze naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,00.
Aldus is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 1.373,18, bestaande uit € 373,18 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van het ontstaan van de schade.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.373,18 (duizend driehonderddrieënzeventig euro en achttien cent), bestaande uit € 373,18 (driehonderddrieënzeventig euro en achttien cent) aan materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.373,18 (duizend driehonderddrieënzeventig euro en achttien cent) bestaande uit € 373,18 (driehonderddrieënzeventig euro en achttien cent) aan materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 23 (drieëntwintig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
19 oktober 2022 en die van de immateriële schade op 13 augustus 2022.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 6 juli 2021, parketnummer 03-092049-21, te weten voor de duur van 1 (één) maand, en gelast de tenuitvoerlegging van het overige gedeelte van die eerder opgelegde voorwaardelijke straf, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Aldus gewezen door:
mr. K.J. van Dijk, voorzitter,
mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. Koop, griffier,
en op 10 juli 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.