Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-12-08
ECLI:NL:GHSHE:2023:4110
Strafrecht
Hoger beroep
2,266 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-002757-21
Uitspraak : 8 december 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 november 2021, in de strafzaak met parketnummer 03-156303-20 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De rechtbank heeft de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [slachtoffer] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, strekkende tot vergoeding van de schade. Tevens heeft de rechtbank het reeds geschorste bevel strekkende tot het ondergaan van voorlopige hechtenis opgeheven.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, de verdachte, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen ter zake van het aan hem tenlastegelegde en hem zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 78 dagen voorwaardelijk onder een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] tot een bedrag van € 135,00 alsmede tot toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 6.728,13, beide hoofdelijk en te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat-generaal heeft tevens de oplegging gevorderd van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] in hun vordering. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen zullen worden teruggegeven aan de beslagene.
De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich niet kan verenigen met het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de tenlastelegging, voor zover deze ziet op het (impliciet cumulatief/alternatief) tenlastegelegde ‘geweld tegen een persoon’ in de tenlastelegging van openlijk geweld als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht, geldig is.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de nacht van 13 op 14 juni 2020 te Weert openlijk, te weten aan de Kloosterstraat en/of [adres 2] in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd
- tegen een persoon, te weten [slachtoffer] en/of
- tegen een of meerdere goed(eren), te weten een of meerdere tuindeur(en) en/of een of meerdere garagedeur(en) en/of een auto (merk BMW met kenteken [kenteken 1] ) en/of een auto (merk Audi A4 met kenteken [kenteken 2] ) en/of een (kinder)fiets (merk Batavus), door op/tegen dit goed/deze goederen te slaan/stompen en/of te schoppen/trappen terwijl hij, verdachte dit goed/deze goederen opzettelijk heeft vernield;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Met betrekking tot de geldigheid van de dagvaarding overweegt het hof dat tenlastegelegd is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk geweld, bestaande uit geweld tegen personen en/of goederen. Het hof merkt de tenlastelegging aan als een impliciet cumulatief-alternatieve tenlastelegging.
Het hof stelt voorop dat de dagvaarding de inleiding vormt van het Nederlandse strafproces. Een van de fundamenten van het strafprocesrecht is dat de terechtzitting plaatsvindt op basis van de dagvaarding. Deze fundering draagt er zorg voor dat alle partijen, de verdachte, het OM en de rechter, op de hoogte zijn van de gronden waarop de vervolging rust. De tenlastelegging dient gedetailleerd een concreet voorval uit het verleden van de verdachte, gespecificeerd naar tijd en plaats te beschrijven. Daarnaast dient een bestanddeel in de dagvaarding voldoende naar de verweten gedraging(en) te worden verfeitelijkt. Zo moet uit die verfeitelijking kunnen volgen op welke gedraging(en) de opsteller van de tenlastelegging heeft gedoeld met de tenlastelegging van een bepaald bestanddeel (vgl. HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1030, NJ 1998/782). In dat licht is van belang of er onder het tenlastegelegde bestanddeel een veelheid van feitelijke gedragingen van uiteenlopend karakter kunnen worden gebracht. Tevens komt betekenis toe aan de aard van het tenlastegelegde bestanddeel in samenhang bezien met het tenlastegelegde delict. Indien en voor zover er sprake is van een wezenlijk bestanddeel, noopt tenlastelegging van een dergelijk bestanddeel tot nadere verfeitelijking afhankelijk van de mate van wezenlijkheid daarvan.
Naar bestendige rechtspraak omvat het bestanddeel ‘geweld’ in de delictsomschrijving van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht een veelheid aan gedragingen. In de tenlastelegging mag (derhalve) naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de enkele vermelding dat sprake is geweest van openlijke in vereniging ‘geweld plegen’ tegen een vernoemd persoon. Daarbij moet worden vermeld waaruit dat geweld/die gewelddadige gedraging(en) tegen die persoon heeft of hebben bestaan (vgl. Hof ’s‑Hertogenbosch 28 augustus 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3355).
Nu de opsteller van de tenlastelegging bedoeld heeft de tenlastegelegde openlijke geweldpleging ten laste te leggen als geweldpleging tegen personen alsmede tegen goederen, doch het bestanddeel ‘geweld’ niet heeft verfeitelijkt ten aanzien van het gebruik daarvan tegen personen, is de dagvaarding naar het oordeel van het hof in zoverre en dus partieel nietig.
Het hof zal aldus uitgaan van de volgende tenlastelegging, welke thans de grondslag van het geding vormt:
hij in of omstreeks de nacht van 13 op 14 juni 2020 te Weert openlijk, te weten aan de Kloosterstraat en/of [adres 2] in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd
- tegen een of meerdere goed(eren), te weten een of meerdere tuindeur(en) en/of een of meerdere garagedeur(en) en/of een auto (merk BMW met kenteken [kenteken 1] ) en/of een auto (merk Audi A4 met kenteken [kenteken 2] ) en/of een (kinder)fiets (merk Batavus), door op/tegen dit goed/deze goederen te slaan/stompen en/of te schoppen/trappen terwijl hij, verdachte dit goed/deze goederen opzettelijk heeft vernield.
Vrijspraak
Het hof stelt het volgende voorop. Voor een veroordeling ter zake van openlijke geweldpleging als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is onder meer vereist dat het geweld ‘in vereniging’ is gepleegd. Van zulks plegen is sprake indien en voor zover er een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld is geleverd (HR 11 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6209, HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AM0208, NJ 2004/144; HR 13 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5755, NJ 2006/449 en HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1328).
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart de dagvaarding partieel nietig;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [slachtoffer] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan de beslagene;
heft op het reeds geschorste bevel strekkende tot het ondergaan van de voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. W.F. Koolen en mr. L.G.J.M. van Ekert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S. van den Akker, griffier,
en op 8 december 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.