Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-11-20
ECLI:NL:GHSHE:2023:3935
Strafrecht
Hoger beroep
24,296 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2023:3935 text/xml public 2026-03-25T19:55:18 2023-11-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2023-11-20 20-000805-19 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:1289, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Cassatie: ECLI:NL:HR:2025:1944 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2023:3935 text/html public 2026-03-25T19:53:22 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2023:3935 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 20-11-2023 / 20-000805-19 Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en bevorderen, een ander tracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaamte zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit tracht te verschaffen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarbij hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Parketnummer : 20-000805-19 Uitspraak : 20 november 2023 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch, van 8 maart 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-993418-16 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1957, wonende te [adres 1] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van: 1. medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en bevorderen, - een ander tracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en - zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit tracht te verschaffen en - vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit; 2 medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod; 3 primair: medeplegen van: poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, feit 1, 2 en 3 primair in voortgezette handeling gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank een mobiele telefoon verbeurd verklaard en de teruggave gelast een twee herenhorloges. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De verdediging heeft zich in de eerste plaats beroepen op art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Daarnaast heeft zij een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat : 1. hij op één of meer tijdstippen in de periode van 4 oktober 2017 tot en met 19 december 2017 te Zegge en/of Schijf en/of Den Haag en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen als bedoeld in artikel 1 lid 5 Opiumwet van een partij van 50 kilogram, in elk geval één of meer hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zichzelf of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en vervoermiddelen heeft voorhanden gehad, waarvan hij wist dat dat/die bestemd is/zijn tot het plegen van dat feit, hebbende hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s): - één of meermalen ontmoetingen/besprekingen gehad met de potentiële koper(s) over de hoeveelheid te leveren cocaïne en de prijs; - één of meermalen (telefonisch) contact onderhouden met de potentiële koper(s) over de voortgang; - afspraken gemaakt over de locatie en de wijze van afleveren/overdracht van de partij cocaïne en het geld; - een locatie geregeld waar de te leveren cocaïne naar toe moest worden gebracht; - een locatie geregeld waar de af te leveren cocaïne door de potentiële kopers kon worden getest; - met het oog op het tonen en/of testen door de potentiële kopers 2 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne geregeld en/of vervoerd en/of voorhanden gehad; - de potentiële koper(s) in de gelegenheid gesteld om de cocaïne te testen; - informatie en instructies gegeven aan de perso(o)nen die mede betrokken waren bij de levering van cocaïne en/of over het in ontvangst nemen van het geld en/of over de wijze waarop dit zou moeten plaatsvinden; - een geprepareerde auto (Volkswagen Multivan) geregeld en/of voorhanden gehad. 2. hij op één of meer tijdstippen op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, - 5 pakketten met (in totaal) ongeveer 5,7 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne, en/of - 5 pakketten met (in totaal) ongeveer 5,6 kilogram (in elk geval een hoeveelheid) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 3. hij op één of meer tijdstippen op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van zijn verdachte en/of één of meer ander(en) voorgenomen misdrijf om (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, van 20 pakketten elk (ongeveer) 1,1 kilogram (in elk geval één of meer een hoeveelhe(i)den) van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, immers hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s): - in een hotelkamer van het [hotel 1] gezeten in afwachting van de komst en/of het tonen van het geld door de koper(s) voor de aankoop van de cocaïne; - voornoemde hoeveelheid cocaïne opgehaald en/of laten ophalen en/of laten overbrengen naar de locatie aan [adres 2] alwaar deze door en/of namens de kopers zou worden getest; - in afwachting gezeten van (een seintje/teken/telefoontje over) de betaling(en) voor de cocaïne waarna deze uitgeleverd en/of overgedragen zou worden aan de kopers, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Volledig
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op 20 december 2017 te Den Haag en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, 20 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram (in elk geval één of meer hoeveelhe(i)den) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Beroep op art. 359a Sv De verdediging heeft in hoger beroep met betrekking tot de start en het verloop van het opsporingsonderzoek – in het verlengde van hetgeen zij daaromtrent ter terechtzitting in eerste aanleg had aangevoerd – naar voren gebracht dat zich een aantal onregelmatigheden heeft voorgedaan, waardoor – zo verstaat het hof – in de kern geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Het hof verstaat het betoog van de verdediging aldus dat zij onder herhaling en nadere toelichting van hetgeen zij in eerste aanleg heeft betoogd omtrent de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek ook in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging heeft bepleit. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Art. 359a Sv – dat ingevolge art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep van toepassing is – houdt, beknopt weergegeven, in dat de strafrechter, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, kan bepalen dat de hoogte van de straf wordt verlaagd, verkregen bewijs wordt uitgesloten, dan wel het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is in zijn strafvervolging indien door het verzuim geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Art. 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht om rechtsgevolgen te verbinden aan vormverzuimen bij het voorbereidend onderzoek, en biedt de mogelijkheid te volstaan met de constatering dat een vormverzuim is begaan. Aan de rechtspraak over de verschillende in art. 359a Sv genoemde rechtsgevolgen ligt als uitgangspunt ten grondslag dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg. Een vormverzuim kan worden omschreven als het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften. Bij de beoordeling van een vermeend vormverzuim houdt de strafrechter rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Voor wat betreft het belang dat door het vormverzuim is geschonden, geldt als uitgangspunt dat het belang van de verdachte geschonden dient te zijn en niet dat van een ander. Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang, zodat een eventuele schending van dit belang als gevolg van een vormverzuim niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a, tweede lid, Sv (vgl. HR 4 januari 2011, LJN BM6673, NJ 2012/145, r.o. 3.2.2). Ter zake van de beoordeling van de ernst van het verzuim zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan en kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van het nadeel is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. De Hoge Raad heeft in bestendige jurisprudentie uitgemaakt dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces, die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM): 'the proceedings as a whole were not fair' (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, r.o. 3.6.5.; HR 13 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2059, r.o. 2.3.3-2.3.4. en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889/1890, r.o. 2.5.2.). Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890, NJ 2021/170). De rechtbank heeft wat betreft die laatste grond, waar het zogenaamde Tallon-criterium onder valt, onder meer het volgende overwogen en beslist: ' Verbod tot uitlokking Ingevolge het zogenoemde verbod tot uitlokking, dat ten aanzien van infiltratie is vastgelegd in artikel 126h, tweede lid, Sv. en ten aanzien van pseudokoop en -dienstverlening in artikel 126i, tweede lid, Sv., mag de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot het plegen of beramen van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Volgens de verdediging is verdachte blootgesteld aan politiële aanmoediging, terwijl hij op dat moment niet bezig was met het plegen van strafbare feiten en evenmin de intentie daartoe had. Verdachte zou door de UC's [hof: undercoveragenten] zijn gebracht tot een strafbaar feit dat hij anders niet zou hebben gepleegd. (…) Bij de verdere beoordeling stelt de rechtbank voorop dat uit de hiervoor weergegeven informatie over de start van het onderzoek volgt dat tegen verdachte al vóór de eerste ontmoeting van verdachte met een UC, UC [verbalisant 9] , op 4 oktober 2017 een verdenking bestond van, kortweg, de productie en de nationale en internationale handel in softdrugs en harddrugs. Daar komt nog bij dat verdachte blijkens zijn strafblad bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 12 maart 2002 ter zake van 13 feiten, waaronder meerdere feiten betreffende de Opiumwet, is veroordeeld tot elf jaar gevangenisstraf. Deze feiten en omstandigheden, bijeengenomen, leiden de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van verdachte voorafgaand aan deze eerste ontmoeting met een UC reeds objectieve vermoedens bestonden dat de verdachte betrokken was bij criminele activiteiten of dat hij was gepredispositioneerd om een strafbaar feit te plegen, zoals bedoeld in de rechtspraak van het EHRM, zie bijvoorbeeld het arrest van 14 februari 2017, zaaknummer 7600/09, rechtsoverweging 32. Uit de verklaringen van UC [verbalisant 9] valt voorts het volgende af te leiden. [verbalisant 9] is in contact gekomen met [medeverdachte 1] , met als opdracht om zicht te krijgen op zijn activiteiten. In de contacten tussen [verbalisant 9] is op enig moment ter sprake gekomen de levering van een grotere hoeveelheid cocaïne. [medeverdachte 1] heeft vervolgens verdachte benaderd om bij te dragen aan de levering van deze hoeveelheid, meer concreet 50 kilo.
Volledig
[verbalisant 9] wist vóór de ontmoeting met verdachte op 4 oktober 2017 enkel dat [medeverdachte 1] een Hollander met de voornaam [verdachte] had benaderd voor de levering, maar wist verder niet wie dit was. Pas op 4 oktober 2017 raakte [verbalisant 9] bekend met de persoon van verdachte. Alstoen had verdachte zich echter, op vragen van [medeverdachte 1] , reeds bereid verklaard om bij te dragen aan de levering van 50 kilo cocaïne. Tijdens de ontmoeting op 4 oktober 2017 neemt verdachte vervolgens actief deel aan de bespreking die gaat over de hoeveelheid en de kwaliteit van de te leveren cocaïne, over de te betalen prijs en de wijze van levering. Ook na de mededeling dat de cocaïne bestemd is voor de andere kant, waarvan verdachte ter terechtzitting van 5 februari 2019 heeft aangegeven dat daar normaliter Engeland mee wordt bedoeld, heeft verdachte de bespreking voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het voorgaande, in het bijzonder de verklaringen van UC [verbalisant 9] , niet aannemelijk geworden dat verdachte is gebracht tot het plegen of beramen van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.' Het hof is van oordeel dat de rechtbank een juiste afweging heeft gemaakt, kan zich met deze overweging van de rechtbank verenigen en maakt deze tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat voor de door de verdediging ingenomen stelling, dat [medeverdachte 1] heeft gefungeerd als een criminele burgerinfiltrant, geen steun te putten is in het strafdossier en ook overigens niet aannemelijk is geworden. Met betrekking tot het punt van de verdediging dat zij ontoelaatbaar is beperkt in het ondervragingsrecht van de betreffende UC's en de begeleiders overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft op dit punt het volgende overwogen: 'Ontoelaatbare beperkingen in het ondervragingsrecht De verdediging heeft betoogd dat zij ontoelaatbaar is beperkt in haar, mede in artikel 6 van het EVRM gegarandeerde , ondervragingsrecht. De rechtbank begrijpt dat dit betoog concreet betrekking heeft op de ondervraging van de UC's en de Nederlandse begeleiders [verbalisant 20] en [verbalisant 21] ten overstaan van de rechter-commissaris (zie p. 9 pleitnota). De rechtbank is van oordeel dat de aan de verdediging geboden gelegenheid tot ondervraging van de UC's en de begeleiders [verbalisant 20] en [verbalisant 21] niet in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het EVRM of met enige andere rechtsregel. De rechtbank stelt daarbij voorop dat artikel 6 van het EVRM geen onbeperkt recht om getuigen te doen horen biedt. Het gaat er om dat er een adequate gelegenheid is geboden om de betrouwbaarheid van getuigen à charge te onderzoeken. De beperkingen in het ondervragingsrecht die de rechtbank in deze zaak heeft aangelegd, zijn objectief gerechtvaardigd en in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de Hoge Raad op dit punt. Voor wat betreft de ondervraging van de UC's diende de verdediging blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 juni 2018 in de gelegenheid te worden gesteld bij het verhoor van de UC's aanwezig te zijn en vragen te stellen over de waarnemingen en bevindingen van de UC's tijdens hun inzet binnen het onderzoek 26Milan. De verdediging is vervolgens ook aanwezig of vertegenwoordigd geweest bij alle verhoren van de UC's. De verdediging heeft het verzoek gedaan om de UC's ook te doen horen over andere onderwerpen, meer concreet over hun inzet in andere (in het bijzonder Belgische) opsporingsonderzoeken en punten die raken aan de rechtmatigheid van hun handelen dan wel het opsporingsonderzoek in zijn geheel. Dat verzoek is afgewezen. Daarbij is voor wat betreft het punt van de rechtmatigheid van belang dat sprake is van opsporingsambtenaren, zodat een begin van aannemelijkheid is vereist van de schending van enige rechtsregel of rechtsbeginsel. De inzet van de UC's in andere opsporingsonderzoeken heeft de rechtbank voorts niet relevant geacht voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. De rechtbank ziet niet in waarom de gewraakte beperking in het ondervragingsrecht van de UC's de toets aan het bepaalde in artikel 6 van het EVRM niet zou kunnen doorstaan. Voor wat betreft de begeleiders [verbalisant 20] en [verbalisant 21] stelt de rechtbank voorop dat uit het dossier kan worden afgeleid dat de begeleiders niet uit eigen waarneming of bevinding kunnen verklaren over de contacten met verdachte en medeverdachten, Het zijn immers de UC's die die contacten hebben gehad. Zoals hiervoor al overwogen is aan de verdediging een adequate gelegenheid geboden om alle UC's te ondervragen over hun waarnemingen en bevindingen tijdens hun inzet binnen het onderzoek 26Milan. Van deze gelegenheid heeft de verdediging ook telkens gebruik gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom op goede gronden geoordeeld dat het ondervragen van de begeleiders ter toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de UC's niet noodzakelijk of in het belang van de verdediging is te achten. Voor zover het verhoor van deze getuigen is verzocht ter toetsing van aspecten van rechtmatigheid heeft de rechtbank, nu ook hier sprake is van opsporingsambtenaren, de maatstaf aangelegd dat sprake moest zijn van een begin van aannemelijkheid van enige onrechtmatigheid. Nu van een dergelijk begin van aannemelijkheid niet was gebleken, is het verzoek ook in zoverre afgewezen. Wel bestond enige onduidelijkheid over de wijze van debriefing en verslaglegging door de UC's aan deze begeleiders. Gelet hierop is het verzoek tot het horen van begeleiders voor wat betreft de wijze van debriefing en verslaglegging toegewezen. Deze verhoren hebben de onduidelijkheid weggenomen en geenszins een begin van aannemelijkheid van enige onrechtmatigheid opgeleverd. Van een rechtens ontoelaatbare beperking van het ondervragingsrecht van [verbalisant 20] en [verbalisant 21] is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van het bovenstaande geen sprake.' Het hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de verdediging in hoger beroep ook nog in de gelegenheid is gesteld om UC [verbalisant 22] te bevragen, waarvan zij gebruik heeft gemaakt. Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat zij door het niet kunnen horen als getuige van [medeverdachte 1] in haar verdediging is beperkt en dat ook daarom geen sprake is van een eerlijk proces, overweegt het hof als volgt . In hoger beroep is door de verdediging verzocht om [medeverdachte 1] als getuige te horen. Dat verzoek is door het hof toegewezen, maar een verhoor heeft niet kunnen plaatsvinden, omdat [medeverdachte 1] in België zelf nog verdachte is, hem een verschoningsrecht toekomt waarop hij zich wenst te beroepen en er geen middelen ten dienste stonden om deze [medeverdachte 1] toch aan een verhoor te laten medewerken. Naar 's hofs oordeel leveren deze omstandigheden een goede reden op voor het niet kunnen bieden van een ondervragingsgelegenheid aan de verdediging. Dat echter leidt niet tot de conclusie dat geen sprake meer is van een eerlijk proces. Van [medeverdachte 1] ligt immers geen de verdachte belastende getuigenverklaring voor die door het hof voor het bewijs wordt gebruikt. Het bewijs tegen de verdachte stoelt vooral op de processen-verbaal van de UC's en de begeleiders. Voor zover de wens van de verdediging verband houdt met het willen toetsen van de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek, merkt het hof op dat de verdediging door het gebrek in het kunnen verhoren van [medeverdachte 1] daar niet in is geschaad, nu zij tot die toetsing genoegzaam in de gelegenheid is gesteld door de betreffende UC's en begeleiders als getuige te horen. De overige punten die de verdediging naar voren heeft gebracht omtrent de rechtmatigheid van de start en het verloop van het opsporingsonderzoek, de verslaglegging van de resultaten van dat onderzoek in het licht van de verbaliseringsplicht van art.
Volledig
152 Sv en de informatie-uitwisseling tussen de Belastingdienst en de Gemeente Rucphen enerzijds en het Openbaar Ministerie anderzijds, hebben het hof niet gebracht tot andere vaststellingen, overwegingen en conclusies dan de rechtbank. Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank naast de hierboven weergegeven citaten op p. 3 t/m p. 13 van het vonnis heeft overwogen, neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne. Het hof komt, net als de rechtbank, tot de conclusie dat geen sprake is geweest van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces, die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd en het verstrekkende oordeel kan dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) – 'the proceedings as a whole were not fair'. Het verweer wordt verworpen. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt daartoe het volgende. Nu de cocaïne in Nederland is geleverd aan een pseudokoper in dienst van de politie, is de mogelijkheid dat de onderhavige verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland zouden worden gebracht nimmer aan de orde geweest. Ook al was de verdachte hiervan niet op de hoogte. De subjectieve beleving van de verdachte ter zake maakt de feitelijke onmogelijkheid dat de verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland zouden worden gebracht immers niet anders (vgl. Gerechtshof Den Haag, 19 juli 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX1951). Van een begin van uitvoering van de voorgenomen uitvoer van cocaïne is derhalve geen sprake geweest, zodat het onder 3 primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. In bovenstaande overweging vindt het hof aanleiding om de verdachte ook van het onder feit 2 tenlastegelegde partieel, dus alleen voor zover dat ziet op de voltooide 'verlengde' uitvoer, vrij te spreken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1. hij in de periode van 4 oktober 2017 tot en met 19 december 2017 te Zegge en Schijf en Den Haag en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet van een partij van 50 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te doen plegen en mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen en zichzelf of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, hebbende hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededaders: - één of meermalen ontmoetingen/besprekingen gehad met de potentiële kopers over de hoeveelheid te leveren cocaïne en de prijs; - éen of meermalen (telefonisch) contact onderhouden met de potentiële kopers over de voortgang; - afspraken gemaakt over de locatie en de wijze van afleveren/overdracht van de partij cocaïne en het geld; - een locatie geregeld waar de te leveren cocaïne naar toe moest worden gebracht; - een locatie geregeld waar de af te leveren cocaïne door de potentiële kopers kon worden getest; - met het oog op het tonen en/of testen door de potentiële kopers 2 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne geregeld en/of vervoerd en/of voorhanden gehad; - de potentiële kopers in de gelegenheid gesteld om de cocaïne te testen; - informatie en instructies gegeven aan de personen die mede betrokken waren bij de levering van cocaïne en/of over het in ontvangst nemen van het geld en/of over de wijze waarop dit zou moeten plaatsvinden; - een geprepareerde auto (Volkswagen Multivan) geregeld en/of voorhanden gehad. 2. hij op 20 december 2017 te Den Haag en Rotterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd - 5 pakketten met in totaal ongeveer 5,7 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, en - 5 pakketten met in totaal ongeveer 5,6 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 3. hij op 20 december 2017 te Den Haag en Rotterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 20 pakketten bevattende elk ongeveer 1 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen A. Bronnen Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het zaaksdossier van de van de Landelijke Eenheid, Team Generieke Opsporing, onderzoek 26Milan, nummer LERCE16006. Het dossier omvat een aantal deeldossiers bevattende een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen- verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden, te weten, voor zover relevant voor wat betreft het bewijs: 1. een algemeen dossier, proces-verbaalnummer LERCE16006-297, opgemaakt en ondertekend d.d. 16 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 1] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 41) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 205); a. een zaaksdossier 1 'levering cocaïne', proces-verbaalnummer LERCE16006- 1079, opgemaakt en ondertekend d.d. 15 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 2] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 48) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 541); b. een zaaksdossier 2 ' [adres 2] ', proces-verbaalnummer LERCE16006-1090, opgemaakt en ondertekend d.d. 14 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 3] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 39) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 411); c. een zaaksdossier 3 'Opiumwet', proces-verbaalnummer LERCE16006-1062, opgemaakt en ondertekend d.d. 12 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 4] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 24) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 386); d. een zaaksdossier 4 'Opiumwet, Wet wapens en munitie, Wet Milieubeheer inzake [medeverdachte 2] ', proces-verbaalnummer LERCE16006-1058, opgemaakt en ondertekend d.d. 12 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 5] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 8) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 30); e. een zaaksdossier 5 'Wet wapens en munitie inzake [medeverdachte 3] ', proces- verbaalnummer LERCE16006-1124, opgemaakt en ondertekend d.d. 13 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 6] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 6) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 25); f. een zaaksdossier 6 'Wet wapens en munitie inzake [verdachte] ', proces- verbaalnummer LERCE16006-1067, opgemaakt en ondertekend d.d. 13 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 7] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 7) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 23); g. een persoonsdossier [verdachte] , proces-verbaalnummer LERCE16006- 1088, opgemaakt en ondertekend d.d. 8 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 8] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 6) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 155); h.
Volledig
een persoonsdossier [medeverdachte 4] , proces-verbaalnummer LERCE16006- 1091, opgemaakt en ondertekend d.d. 8 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 8] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 5) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 55); i. een persoonsdossier [medeverdachte 2] , proces-verbaalnummer LERCE16006- 1092, opgemaakt en ondertekend d.d. 8 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 8] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 5) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 56); j. een persoonsdossier [medeverdachte 5] , proces-verbaalnummer LERCE16006- 1094, opgemaakt en ondertekend d.d. 8 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 8] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 5) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 53); k. een persoonsdossier [medeverdachte 3] , proces-verbaalnummer LERCE16006- 1093, opgemaakt en ondertekend d.d. 8 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 8] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 5) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 54); l. een persoonsdossier [medeverdachte 6] , proces-verbaalnummer LERCE16006- 1132, opgemaakt en ondertekend d.d. 8 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 8] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 5) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 49); m. een persoonsdossier [medeverdachte 7] , proces-verbaalnummer LERCE16006- 1134, opgemaakt en ondertekend d.d. 5 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 8] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 5) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 56); n. een persoonsdossier [medeverdachte 8] , proces-verbaalnummer LERCE16006- 1133, opgemaakt en ondertekend d.d. 5 maart 2018 door verbalisant [verbalisant 8] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 5) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 75); 2. een 1e aanvulling op het einddossier, proces-verbaalnummer LERCE16006-297-1, opgemaakt en ondertekend d.d. 18 april 2018 door verbalisant [verbalisant 2] , met een loopproces-verbaal (p. 1 t/m 30) en doorgenummerde onderliggende stukken (p. 1 t/m 319). Deze aanvulling op het einddossier omvat een verzameling in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden; 3. een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, locatie 's-Hertogenbosch op 5 februari 2019; 4. een proces-verbaal verhoor van getuige ' [verbalisant 9] ' ( [verbalisant 9] ), opgemaakt door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, van 25 oktober 2018. B. Bewijs 1 Ontmoeting op 4 oktober 2017 • Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 4 oktober 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 4-6, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 20] : (p. 4) Ik, begeleider [verbalisant 20] , als zodanig ingeschreven bij het Team Operationeel Support, werkzaam bij het team Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid verklaar het volgende. In het kader van een rechercheonderzoek en het daarin door de officier van justitie afgegeven bevel pseudokoop tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1957 in [geboorteplaats 1] , stond op 4 oktober 2017 de buitenlandse politiële infiltrant [verbalisant 9] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 9] ] onder mijn begeleiding. Over de tijd dat de buitenlandse infiltrant op Nederlands grondgebied was, legde deze een verklaring af aan mij, [verbalisant 20] . 'Ik ben al langer in contact met een man die zich [medeverdachte 1] noemt. Met deze [medeverdachte 1] ben ik op 4 oktober 2017 in de auto gestapt, omdat [medeverdachte 1] mij zou introduceren bij een man die mij een grotere hoeveelheid cocaïne zou kunnen leveren. [medeverdachte 1] vertelde mij dat we onderweg gingen naar Zegge in Nederland en dat we daar een Hollander zouden ontmoeten. Eerder had hij me al verteld dat hij een Hollander kent die onder andere in cocaïne handelt. (p. 5) Ook vertelde hij dat hij de levering van 50 blokken cocaïne al met de Hollander heeft besproken. In Zegge ontmoeten wij in [café 1] een kalende man. De kalende man stelt zich aan mij voor als zijnde [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte [verdachte] ]. Ik vertel [verdachte] dat ik 50 blokken wil kopen. Vervolgens vraagt [verdachte] naar de kwaliteit die ik zoek en noemt daarbij het woord 'Flakes'. Ik vertel dat ik goede kwaliteit wil en vertel dat de blokken bestemd zijn voor 'de andere kant' en dat transport voor mij geen probleem is. Vervolgens informeer ik naar de prijs. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij de prijs mag bepalen, omdat het zijn deal is. [verdachte] zegt dat hij 26,5 betaalt. [medeverdachte 1] zegt hierop: 'Tja als het 26,5 is en 1 puntje voor mij en 1 voor u, [verdachte] , dan is het 28.500'. [verdachte] voegt daaraan toe dat die partij goed is. Ik vraag of 50 kilo geen probleem is en [verdachte] begint me uit te leggen dat hij dan eerst 10 zal leveren en daarna 20, waarna [medeverdachte 1] hem in de rede valt en vertelt dat hij dit al aan mij heeft uitgelegd. Ik zeg dat het voor mij geen probleem is, als het maar allemaal op één dag geleverd wordt. [verdachte] bevestigt dit. Ik vraag [verdachte] of hij in Nederland levert en hij zegt 'ja'. Dan vraag ik hem of ik hem in euro's moet betalen en hij geeft aan dat hij graag euro's wil, omdat hij anders met omwisselen van ponden zit en daar verliest hij op. Vervolgens informeert [verdachte] naar mijn contacten in Engeland. (p. 6) Ik vraag of hij die 50 blokken altijd heeft liggen en [verdachte] vertelt dat hij 3000 heeft dus dat 50 geen probleem zal zijn. [verdachte] vraagt mij of ik die 50 blokken meteen vanuit Nederland ga doorstoten naar Engeland. Ik vertel dat ik dit per boot zal doen. [medeverdachte 1] zegt nog dat de blokken er nu nog zijn, maar dat dit snel kan gaan. Zelfs als ze weg zijn is er geen probleem, want ' [verdachte] heeft meerdere leveranciers', zo vertelt [medeverdachte 1] . 2 Ontmoeting op 6 december 2017 • Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 7 december 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 147-150, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 21] : (p. 147) Ik, begeleider [verbalisant 21] , als zodanig ingeschreven bij het Team Operationeel Support, werkzaam bij het team Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid, verklaar het volgende. In het kader van een rechercheonderzoek en het daarin door de officier van justitie afgegeven bevel infiltratie tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1957 in [geboorteplaats 1] , stonden op 6 december 2017 de buitenlandse politiële infiltranten [verbalisant 9] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 9] ], [verbalisant 10] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 10] ] en [verbalisant 11] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 11] ] onder mijn begeleiding. Kort na zijn inzet verklaarde [verbalisant 9] : Op 6 december 2017 rij ik samen met [verbalisant 10] en [verbalisant 11] naar café [café 1] gelegen in Zegge. (p. 148) [medeverdachte 1] , [verdachte] en een voor mij onbekende persoon zitten al aan tafel. Ik stel mijn 'vrienden' voor. [verbalisant 10] richt zich tot [verdachte] en vraagt hem of het voor [verdachte] geen probleem is om de 50 blokken te leveren. [verdachte] bevestigt de hoeveelheid en zegt dat dit geen enkel probleem is. Hierop vraagt [verbalisant 10] wat de prijs is. [verdachte] zegt dat de prijs 26.000 per blok is. [verdachte] vertelt vervolgens dat die blokken waarover wij vorige keer hebben gesproken al weg zijn. Hij zegt dat er ondertussen andere zijn gekomen van een zeer goede kwaliteit. Hij geeft aan dat deze 26 moeten kosten. [verbalisant 10] vraagt wanneer hij deze blokken kan leveren. [verdachte] zegt dat ze nu kunnen leveren of morgen, want hij kan onmiddellijk over de blokken beschikken.
Volledig
We stellen voor om in de week van 18 december te leveren. [verdachte] zegt dat dit geen probleem kan zijn, de 50 blokken zullen er nog wel zijn. Dan steekt [verbalisant 10] zijn hand uit naar [verdachte] en zegt dat we een deal hebben. We vragen [verdachte] hoe hij de levering verder ziet lopen. [verdachte] zegt: 'Voor mij moet alles vlotjes verlopen en er moeten niet te veel zorgen zijn. Weet, het zijn ook niet mijn blokken en ik moet er dan garant voor staan en niet graag koppijn'. (p. 149) [verbalisant 10] zegt dat we best met 10 kg kunnen beginnen als [verdachte] dit goed vindt. Wanneer het gesprek dan verder gaat over de betaling zegt [verdachte] : 'Kijk je geeft me het geld voor de 10 kg en 15 minuten later heb je de blokken. Dan zien we wel verder en stel voor dat we daarna 20 – 20 leveren'. Wij laten ook vallen dat we het spul willen testen en [verdachte] heeft daar niets op tegen. Vervolgens komt er een andere persoon bij ons staan en deze man wordt door [verdachte] ' [medeverdachte 3] ' genoemd [het hof begrijpt: verdachte [medeverdachte 3] ]. [medeverdachte 3] komt bij ons aan tafel zitten en [verbalisant 11] vraagt of dit wel ok is. Dit is geen probleem voor de onbekende persoon en [verdachte] . We praten verder over de wijze van betaling en komen overeen dat er zal betaald worden in euro's. Dan vraagt [verdachte] aan [verbalisant 10] en [verbalisant 11] : 'Stel je voor dat uw kerel wordt tegengehouden terwijl hij met 10 kg onderweg is? Wie is er dan verantwoordelijk?' [verbalisant 10] zegt dat het onze verantwoordelijkheid is en [verdachte] is hier heel blij mee, want hij zegt dat hij in het verleden daar al veel moeilijkheden mee gehad heeft. Ik zeg [medeverdachte 1] dat ik verantwoordelijk ben voor het geld en dat ik deze buurt niet ken. Ik wil weten waar die plaats is waar we de drugs zullen testen. (p. 150) [medeverdachte 1] begrijpt dit en zegt dat hij het erover zal hebben met [verdachte] . • Een schriftelijk bescheid, opgemaakt d.d. 8 februari 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 116-119, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende een (vertaald) verslag van undercoveragenten [verbalisant 11] en [verbalisant 10] : (p. 116) Voor het doel van de operatie noemen wij ons [verbalisant 11] en [verbalisant 10] . Op 6 december 2017 gingen we samen met [verbalisant 9] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 9] ] naar een ontmoeting met een Nederlandse man genaamd [verdachte] die 50 kilo cocaïne te koop had. We reden in een auto naar café [café 2] in Zegge. Ik, [verbalisant 11] , ging met [verbalisant 9] en [verbalisant 10] naar binnen. Ik volgde [verbalisant 9] naar het achterste deel van het café waar drie mannen aan een grote tafel zaten. [verbalisant 9] stelde [verbalisant 10] en mij voor aan drie mannen die aan een grote tafel zaten. Het signalement van de mannen is als volgt: 1. Een forse blanke man, kaalgeschoren, tussen 55 en 65 jaar oud, informeel gekleed, donkere leren jas. [verbalisant 9] stelde hem aan mij en [verbalisant 10] voor als [verdachte] . 2. Een slanke blanke man, kort donker haar, leeftijd ongeveer 40, gladgeschoren, bruin sweatshirt met logo en eveneens informeel gekleed. [verbalisant 9] stelde hem voor als [medeverdachte 1] . 3. Een blanke man van gemiddeld postuur, kort zwart haar, gladgeschoren, leeftijd tussen 35 en 45. Hij droeg een bril met zwart montuur en was ook informeel gekleed. Ik zal deze blanke man [medeverdachte 9] noemen, want hij heeft nooit zijn naam genoemd. [verbalisant 10] vroeg aan [verdachte] of de 50 kilo cocaïne nog steeds te koop was. (p. 117) [verdachte] en [medeverdachte 9] legden uit dat de eerder besproken partij cocaïne reeds was verkocht, maar dat er een nieuwe partij beschikbaar was, van goede kwaliteit en daarom 26.000 euro per kilo. [verbalisant 10] stak zijn hand uit naar [verdachte] en ze kwamen met een handdruk 26.000 euro per kilo overeen. [verbalisant 10] vroeg naar de beschikbaarheid van de cocaïne en [verdachte] en [medeverdachte 9] zeiden allebei dat die nu klaar lag. [verbalisant 10] vroeg [verdachte] vervolgens hoe hij de cocaïnetransactie wilde uitvoeren en of de cocaïne beschikbaar kon zijn in de week vanaf 18 december 2017. Eerst zei [medeverdachte 9] dat dat niet mogelijk was, maar [verdachte] zei dat het voor die week in orde was. [verdachte] en [medeverdachte 9] zeiden dat ze de transactie wilden uitvoeren in kleine hoeveelheden van 5 kilo per keer en dat de cocaïne zich op maar 15 minuten van het café bevond. [verbalisant 10] en ik legden aan [verdachte] en [medeverdachte 9] uit dat we liever meer per keer wilden hebben, omdat het op die manier erg veel tijd zou kosten om de hele transactie van 50 kilo uit te voeren, met alle risico's van dien, voor ons en het transport. (p. 118) Na een tijd kwamen we overeen dat wij het geld voor 10 kilo vrijmaken. [verdachte] of een medewerker zou ons dan de cocaïne leveren zodat we die konden testen. Als we tevreden waren met de kwaliteit zou het geld worden vrijgegeven door [verdachte] of zijn medewerker. Op deze manier zouden we ook te werk gaan met de volgende 20 kilo en de laatste 20 kilo. [verdachte] zei dat hij nergens kopzorgen over wilde hebben. [verdachte] vroeg ons ook wat onze chauffeur zou zeggen als die zou worden aangehouden met de drugs. [verbalisant 10] en ik waren het met [verdachte] eens dat zodra de cocaïne was getest en aan onze chauffeur was overgedragen, de cocaïne onze verantwoordelijkheid was. Vanaf dat moment was [verdachte] verantwoordelijk voor het geld. [verdachte] ging akkoord met die regeling. Op een bepaald moment tijdens de bespreking kwam een andere blanke man het café binnen en ging bij onze tafel staan, waarbij het gesprek stilviel. We vroegen [verdachte] of we verder konden praten en zowel [verdachte] als [medeverdachte 9] zeiden dat er gerust in het bijzijn van die man kon worden gepraat. Beschrijving van de man in kwestie: ongeveer 1,80 m lang, normaal tot fors postuur, gladgeschoren, tussen 35 en 40 jaar, informeel gekleed, donkerkleurige wollen muts [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3] ]. 3 Ontmoeting op 14 december 2017 • Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 14 december 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 154-159, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 21] : (p. 154) Ik, begeleider [verbalisant 21] , als zodanig ingeschreven bij het Team Operationeel Support, werkzaam bij het team Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid verklaar het volgende. In het kader van een rechercheonderzoek en het daarin door de officier van justitie afgegeven bevel infiltratie tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1957 in [geboorteplaats 1] stond op 14 december 2017 de buitenlandse politiële infiltrant [verbalisant 9] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 9] ] onder mijn begeleiding. Na zijn inzet verklaarde [verbalisant 9] : Op 14 december 2017 (p. 155) ben ik met [medeverdachte 1] naar café [café 3] in Schijf gereden en ontmoet daar [medeverdachte 3] en [verdachte] . Na een kort sociaal gesprek zegt [verdachte] in mijn richting dat hij gehoord heeft dat er gisteren enige onenigheden waren. Ik vertelde [verdachte] dat de optie die is besproken om in een woning de deal te sluiten door de Engelsen niet geaccepteerd wordt en dat we liever in een hotel afspreken. We hebben het over de mogelijkheden om in het [hotel 2] hotel af te spreken en we bespreken in grote lijnen de mogelijkheden voor de levering van de cocaïne. [medeverdachte 3] vertelt vervolgens dat de blokken afkomstig zijn van mensen uit Rotterdam. Hij vertelt dat het zou gaan om twee kerels uit Rotterdam en een kerel uit Den Haag. Een van deze kerels zal maandag om 14.00 uur bij [medeverdachte 3] komen en daarna wil hij wederom afspreken in het café [café 3] om alles verder te bespreken. [medeverdachte 3] stelt voor dat zij dan een hotel zullen kiezen in de buurt van Rotterdam en hij geeft aan dat deze kerel ook over een plaats kan beschikken waar we het spul kunnen testen.
Volledig
[verdachte] vraagt dan aan mij of ik het spul maandag al wil testen. Ik zeg dat ik dat niet wil, omdat het woensdag getest wordt. [medeverdachte 3] is het hier mee eens. Over de gemaakte afspraken zeg ik tegen [verdachte] dat het wellicht wat langer duurt, maar dat ik wil dat alles verloopt zoals we afspreken en dat ik hoop dat hij later niet terugkomt op bepaalde afspraken. [medeverdachte 3] en [verdachte] geven aan dat ze dit snappen. Hierna nemen we afscheid en vertrek ik samen met [medeverdachte 1] . Tijdens de rit heb ik de bijeenkomst nog eens doorgesproken met [medeverdachte 1] , waarop hij mij vertelt dat hij niet begrijpt waarom [verdachte] nu met kerels uit Rotterdam komt opdagen. Volgens [medeverdachte 1] heeft [verdachte] die Marokkaan gedumpt. [verdachte] zou nu zaken doen met [medeverdachte 3] die op zijn beurt contacten heeft met mensen uit Rotterdam. Deze mensen zouden nu over die blokken beschikken. (p. 156) Na de inzet werden door mij, [verbalisant 21] , aan [verbalisant 9] foto's getoond van [verdachte] en [medeverdachte 1] . Daarbij werd [verdachte] herkend als zijnde [verdachte] waarover [verbalisant 9] in deze en eerdere verklaringen gesproken heeft. Daar werd [medeverdachte 1] herkend als zijnde [medeverdachte 1] over wie [verbalisant 9] in deze en de andere verklaringen gesproken heeft. 4 Ontmoetingen op 18 december 2017 • Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 19 december 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 164-166, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 21] : (p. 164) Ik, begeleider [verbalisant 21] , als zodanig ingeschreven bij het Team Operationeel Support, werkzaam bij het team Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid verklaar het volgende. In het kader van een rechercheonderzoek en het daarin door de officier van justitie afgegeven bevel infiltratie tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1957 in [geboorteplaats 1] , stond op 18 december 2017 de buitenlandse politiële infiltrant [verbalisant 9] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 9] ] onder mijn begeleiding. Na zijn inzet verklaarde [verbalisant 9] : Op 18 december 2017 ben ik met [medeverdachte 1] naar café [café 3] in Schijf gegaan. Daar zaten (p. 165) [verdachte] en [medeverdachte 3] al op mij en [medeverdachte 1] te wachten. Ik vertelde aan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] dat ik goed nieuws heb, want mijn Engelsen zijn aangekomen en het geld ook. [verdachte] praat dan even over het feit dat hij weer een plantage wil opstarten in de buurt. [medeverdachte 3] zegt dat hij beter onze handel kan doen, want daar is meer mee te verdienen en hij benadrukt dat je er minder werk mee hebt. Kort hierna komen drie mannen ons kamertje binnen en [medeverdachte 3] zegt dat dit de jongens zijn waar we op zaten te wachten. Man 1: bruine gelaatskleur en spreekt Nederlands met een accent. Normaal postuur en normaal gekleed. Tussen de 48-52 jaar. Deze kerel is volgens mij de man van de drie welke het hoogste in aanzien staat [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 6] ]. Man 2: de oudste van de drie mannen, heeft kort haar en is normaal gebouwd. Deze man stelt ook regelmatig vragen aan mij. Zijn leeftijd was tussen de 55 en 60 jaar [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 7] ]. Man 3: de jongste van de drie, is tussen de 39-45 jaar. Deze man lijkt degene te zijn die een uitvoerende rol heeft [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 4] ]. Na een kort sociaal gesprek zegt man 3 tegen mij dat zij 50 blokken willen leveren, maar dat ze willen beginnen met 2 x 5 kg en daarna 4 x 10 kg. Ik antwoord dat ik liever heb dat we eerst 2 x 5 kg doen, maar daarna 2 x 20 kg. Man 1 kijkt hierop in de richting van [medeverdachte 3] en zegt: 'Kijk ik ken jou en als jij zegt dat dit hier in orde is, dan is het voor mij ok. We weten elkaar te wonen, dus het lijkt me duidelijk'. [medeverdachte 3] antwoordt dat dit geen enkel probleem is voor hem. Man 2 vraagt aan mij hoe lang ik denk over de deal te gaan doen. Ik vertel hem dat ik het graag snel afhandel en precies om die reden eerst 2 x 5 kg voor het vertrouwen wil doen, maar daarna meteen wil overgaan tot 2 x 20 kg. De mannen begrijpen dit wel en daarop vraagt man 3 aan mij of er nog sprake is van een hotel. Ik vertel de mannen dat we inderdaad aan een hotel hebben gedacht, omdat mijn mensen niet in een onbekende woning gaan zitten met het geld. De mannen gaan hier niet mee akkoord, omdat voor hen een hotel niet veilig zou zijn. Hierop ontstaat er een overleg tussen de mannen, waarop man 3 zegt dat we wel een hotel kunnen nemen in Zuid-Holland. Ze geven aan te denken aan hotel [hotel 3] in Rotterdam. Dit hotel zou volgens hen voldoen, omdat je daar de lobby niet hoeft te passeren. Ik vertel de mannen dat ik dit zal overleggen met mijn afnemers. Dan vraagt man 2 of ik al een idee had waar we de blokken gaan testen. We discussiëren kort over alle opties en dan geven de mannen aan dat de blokken getest moeten worden in een woning van een vriend van hen. Man 1 stelt hierbij voor om het geld dan rustig bij hem thuis over te dragen in plaats van in een hotel. Ik geef aan dat dit wat mij betreft onbespreekbaar is. Man 3 probeert nog aan te geven dat ze het bij iemand zullen doen die ze absoluut vertrouwen en geeft aan dat hij dan ook aanwezig zal zijn en dat wij iemand kunnen sturen om te testen. Ik geef aan dat ik het wel wil overwegen, maar dat ik dan wel zo snel mogelijk die plaats moet hebben, want voor mij is het belangrijk dat ik weet waar ik de blokken moet komen halen. Hierop begint man 3 op zijn PGP-telefoon te typen. Man 3 spreekt mij aan en zegt dat de blokken er niet meer zijn. Hij leest een paar PGP-berichten voor, waarin staat dat man 3 met iemand in contact staat aan wie hij uitlegt dat ik een afnemer ben en dat hij deze persoon vraagt of hij woensdag kan leveren. Terwijl hij dit voorleest zegt man 1 ineens dat er geen aanbetaling is gedaan. Hij kijkt hierbij [medeverdachte 3] aan. Ik zeg de mannen dat er volgens mij teveel personen tussen zitten en dat ze daarom een probleem hebben. Man 3 zegt hierop dat ze één team zijn en dat de blokken rechtstreeks van Zuid-Amerika komen. Vervolgens zegt man 3 dat hij net bericht heeft gekregen en dat dit morgen in orde moet zijn. Dit zou hij vernomen hebben van de man met wie hij via PGP in contact staat. Man 1 kijkt [medeverdachte 3] nogmaals aan en zegt dat [medeverdachte 3] hiervoor verantwoordelijk is. Ik zeg dat ik hier niet tevreden mee ben en zeg de mannen dat ik weg ga. • Een schriftelijk bescheid, ongedateerd en opgenomen in de rc-stukken, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende een verslag van undercoveragent [verbalisant 9] : Op 18 december 2017 in de avond heb ik [medeverdachte 3] samen met de Engelse undercoveragenten ontmoet in café [café 4] [het hof begrijpt: in Antwerpen, België]. De Engelsen vragen aan [medeverdachte 3] wie hij eigenlijk wel is en met wie er nu zaken wordt gedaan. [medeverdachte 3] zegt dat hij samenwerkt met [verdachte] en [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] zegt tegen ons dat hij in naam van [verdachte] handelt en dat alles wat hier gezegd wordt direct naar [verdachte] overgaat. [medeverdachte 3] herhaalt: 'De ouwe is van alles op de hoogte en kan ik blindelings vertrouwen'. Vervolgens volgt er een lang gesprek over het transport van de Engelsen. Zij laten heel duidelijk blijken aan [medeverdachte 3] dat ze niet gediend zijn met de manier van werken, want zij hebben het geld naar hier laten komen dat op zich heel wat veiligheidsrisico's met zich brengt en dit kost handen vol met geld. Tevens staat er een transport te wachten om de spullen naar Engeland te vervoeren en dit kost ook veel geld. [medeverdachte 3] begrijpt de situatie. 5 Ontmoetingen op 19 december 2017 • Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 28 december 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 17-19, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 21] : (p.
Volledig
17) Ik, begeleider [verbalisant 21] , als zodanig ingeschreven bij het Team Operationeel Support, werkzaam bij het team Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid verklaar het volgende. In het kader van een rechercheonderzoek en de daarin door de officier van justitie afgegeven bevelen pseudokoop en infiltratie tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1957 in [geboorteplaats 1] , stonden op 19 december 2017 de buitenlandse politiële infiltranten [verbalisant 9] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 9] ] en [verbalisant 12] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 12] ] onder mijn begeleiding. Na zijn inzet verklaarde [verbalisant 9] : Op 19 december 2017 (p. 18) kwamen [verbalisant 12] en ik in mijn auto bij de woning van [medeverdachte 3] . Ik vroeg voor de bevestiging of de 50 blokken aanwezig zijn. [medeverdachte 3] bevestigde dit. [medeverdachte 3] stapte in zijn Dodge en reed voor ons uit naar Scheveningen. We parkeerden de auto en wandelden naar taverne ' [café 5] '. Daar zaten persoon 1, 2 en 3 [het hof begrijpt: (respectievelijk) medeverdachte [medeverdachte 6] , medeverdachte [medeverdachte 7] en medeverdachte [medeverdachte 4] ] op ons te wachten. Dit waren de drie personen die ik gisteren reeds heb ontmoet in Schijf. Ik heb uitgelegd hoe dat ik wil dat het testen van de cocaïne zal gaan. Nummer 3 zegt ons dat de coke al naar de woning is gebracht, zodat wij het dan op ons gemak kunnen testen. Na dit gesprek liep nummer 3 met mij en [verbalisant 12] naar de woning waar de spullen getest zullen worden. Nummer 3 zegt dat zij ook veel zaken doen met kerels uit Liverpool. Bij de woning op [adres 2] bleef nummer 3 staan. Hij wees ons de woning aan en zei dat de spullen in die woning getest zullen worden. Hij vroeg of we de woning binnen willen bekijken en wij wilden dat wel. We liepen naar de woning met [adres 2] waar nummer 3 aanklopte. De deur werd geopend door een kale man met brilletje en ongeveer 52 jaar oud [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 8] ]. Nummer 3 en de kale man kenden, naar eigen zeggen, elkaar al een tiental jaar en doen al die tijd al in deze handel zaken. Volgens nummer 3 was deze kale man een expert in cocaïne en mochten we vragen wat we wilden. Nummer 3 vroeg of we de coke wilden zien. De koerier zou namelijk onderweg zijn en hier binnen enkele ogenblikken kunnen zijn. Ik zei dat ik dat wel wilde. Enkele minuten later kwam een andere man binnen [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ]. Hij droeg een plastic tas en gaf deze aan de kale man. De kale man legde ons uit dat de koerier ongeveer 40 kg kan verstoppen in zijn bestelwagen. De coke zou verstopt zitten in een daarvoor speciaal gemaakte plaats. De twee blokken werden op tafel geplaatst en waren beide in een andere kleur verpakt. De kale zegt dat het hier gaat om 'kroon' en 'tor'. De kale opende een lade waarin gele rubberen handschoenen lagen. Hij deed deze aan. De kale nam een groot mes uit een lade en hij sneed de verpakking rond de blokken open. Het was een typische verpakking voor cocaïne (witte folie dan zwarte rubberen tape en weer doorzichtige folie). De blokken roken heel sterk en toen de kale er met zijn mes een beetje inkerfde zag en rook ik dat het hier waarschijnlijk om cocaïne gaat. (p. 19) De kale stelde voor om het spul uit te koken en te laten zien dat het hier om goede kwaliteit gaat. De kale opende een lade boven hem en nam er materiaal uit om het blok weer in te pakken. De kale vroeg of we 25 van 'tor' en 25 van 'kroon' wilden hebben. Ik zei dat dit een goed idee is en dat hij mag beginnen met 5 van 'tor' en dan 5 van 'kroon'. De volgende dag mag hij dan gemengd leveren 20-20. De kale vroeg aan mij of we transport hebben. Hij keek toen in de richting van de chauffeur en zei dat deze kerel fulltime voor hen rijdt en zich verplaatst met een bestelwagen waar de drugs een perfecte verstopplaats hebben. We vroegen aan de chauffeur hoeveel hij kon vervoeren en hij zei 40 kg. Toen werd er aangebeld. Daarop zei nummer 3: 'Ah [medeverdachte 7] is er ook'. Enkele seconden later komen nummer 1 en nummer 2 binnen. We hebben een kort gesprek over de goede kwaliteit van de cocaïne. Ze vertellen nog even tegen de kale dat er morgen twee personen gaan komen om te testen waaronder [verbalisant 12] en dat ze na het testen de blokken zullen wegbrengen. Nummer 3 zegt dat er 2 tal uur zal zitten tussen de levering van de blokken. Ik zei dat dit veel korter moet en dat ik meer denk aan een periode van 1 uur. De kale zegt dat dit inderdaad beter is en 1 uur moet lukken. Alle aanwezigen zijn akkoord en zeggen dat dit inderdaad beter is, waarna we naar buiten liepen. • Een schriftelijk bescheid, ongedateerd, zaaksdossier 01, dossierpagina's 124- 128, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende een (vertaald) verslag van undercoveragent [verbalisant 12] : (p. 124) Op 19 december 2017 ging ik met [verbalisant 9] naar het huis van een man die volgens [verbalisant 9] [medeverdachte 3] heette. We kwamen aan bij het huis van [medeverdachte 3] , adres [adres 4] . [medeverdachte 3] stapte in een donkerkleurige Dodge Ram pick-up en wij reden achter hem aan naar Scheveningen. Daar aangekomen bracht [medeverdachte 3] ons naar een Italiaans restaurant met de naam [café 5] op het Kurhausplein. Binnen zaten drie mannen aan een tafel bij het raam op ons te wachten. We namen bij de drie mannen plaats. Man nummer 1 in de vijftig, had een klein, rond hoofd en een forse haakneus, donkere ogen, bleke huidskleur. Hij zag er heel verzorgd uit, gladgeschoren met zwart haar, kort aan de zijkanten en op het hoofd met gel naar achteren gekamd. Hij sprak Nederlands met een hard buitenlands accent. Hij droeg een duur uitziend horloge in goud, blauw en zilver om zijn linker pols [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 6] ]. Man nummer 2 was fors gebouwd, leek eind vijftig, begin zestig jaar oud, was rood in het gezicht, met kort grijs haar, dunner bovenop het hoofd. Hij had blauwe ogen en dikke wangen [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 7] ]. Man nummer 3 was ongeveer 40 jaar, normaal postuur, lichte huidskleur, blauwe ogen en kort grijs haar aan de zijkanten, met wat donkerder haar bovenop het hoofd [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 4] ]. (p. 125) Nummer 3 zei dat ze een huis in de buurt hadden waar de cocaïne zou worden getest. Ik werd uitgenodigd om mee naar dat huis te gaan, waar ik mee instemde. Nummer 3 vroeg me of ik voor het transport van de cocaïne vanuit het huis gebruikmaakte van een voertuig met Brits kenteken. Ik zei van niet, maar dat het een plaatselijk kenteken zou zijn om geen aandacht te trekken. [verbalisant 9] en ik vertrokken daarop met nummer 3 en liepen naar het huis. Op weg naar het huis zei ik dat ik hier was om een geschikt hotel te zoeken en te kiezen voor een van de drie huizen die door de groep werden aangeboden voor het testen van de cocaïne. Nummer 3 antwoordde dat dit niet zo was en dat hij dat nooit tegen [medeverdachte 3] had gezegd. Er waren aanvankelijk twee locaties, een in het centrum van Rotterdam en een daar buiten, en nu het huis in Scheveningen. Nummer 3 vroeg of we voor de volgende dag transport nodig hadden. Ik zei nee. Onderweg vroeg nummer 3 of ik binnen wilde in het huis. Ik bevestigde dat. Hij zei dat we een half uur moesten wachten op degene die ervoor zorgde dat de cocaïne aankwam. Toen we tegenover adres [adres 2] stopten, wees nummer 3 naar het huis. Nummer 3 klopte op de deur die geopend werd door een blanke man met een gebruind gezicht en een bril met metalen montuur. Hij was slank maar gespierd, ongeveer 1,77 tot 1,80 m lang. Hij had kort, gemillimeterd grijzend haar, naar boven toe glad geschoren. Hij had iets wat een litteken leek van de voorkant van zijn wijkende haarlijn tot over de bovenkant van zijn hoofd. Ik noem deze man nummer 4 [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 8] ] (p. 126) Hij nodigde ons uit binnen te komen. Nummer 4 vroeg wat ik van de locatie vond. Ik zei dat ik het een heel goede plek vond om de cocaïne te testen.
Volledig
Nummer 4 zei dat de buren in orde waren en geen probleem vormden. Nummer 3 zei dat de groep het liefst in een ontspannen sfeer in een huis werkte. Nummer 4 zei dat zijn chauffeur er binnen een paar minuten zou zijn met twee plakken cocaïne om te bekijken en te testen. Hij zei dat ze graag opnieuw rechtstreeks zaken met ons wilden doen. Kort daarop ging de bel. Nummer 4 stond op en liet de chauffeur de flat binnen, waar de twee plakken cocaïne uit een rood-witte plastic zak werden gehaald en op het keukenaanrecht werden gelegd. De chauffeur was een blanke man met kort zwart haar, haarlijn uitlopend in een punt op het voorhoofd, ongeschoren, bruine ogen, tussen 1,77 en 1,82 m lang, midden of eind dertig. Hij droeg een donkerkleurige sportjas met capuchon met bontvoering. De chauffeur was onvriendelijk en wilde niet praten. Ik zal hem verder nummer 5 noemen [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ]. Nummer 4 gebaarde dat we de keuken in moesten komen om de cocaïne te testen. Hij zei dat er twee merken waren, Crown en Thor, die rechtstreeks uit Colombia kwamen, van hoge kwaliteit en uit hetzelfde lab. Hij opende toen een la onder het aanrecht en haalde er een paar keukenhandschoenen uit. Dat deed ik ook en nummer 4 pakte toen een keukenmes met een geel heft en sneed de plak met Crown open voor inspectie. Ik onderzocht vervolgens de cocaïne op gewicht, stevigheid, kleur en geur. Nummer 4 vroeg of we de cocaïne wilden testen. Ik zei dat ik tevreden was met wat ik zag, maar dat ik het echte testen de volgende dag zou doen. Nummer 4 vroeg welke soort we wilden. [verbalisant 9] zei de helft Thor en de helft Crown. De geopende plak zou een deel van de eerste vijf kilo zijn, dan 5 kg Thor, vervolgens 20 kg Crown, en nog eens 20 kg Thor. (p. 127) Terwijl nummer 4 de plak weer inpakte zei nummer 3 opnieuw dat de groep weer rechtstreeks zaken wilde doen. Zij konden voor transport zorgen. Het was niet de bedoeling dat we de geprepareerde bus van de chauffeur nu persé voor deze transactie zouden gebruiken, maar wel voor toekomstige transacties. Ik vroeg hoeveel erin paste. De chauffeur zei korzelig 40 kg. Er leken geen persoonlijke eigendommen in de flat te zijn en er was geen bestek of servies of glazen zoals normaal in een keuken. Boven het keukenaanrecht zat een la met daarin zilverkleurige ducttape en huishoudfolie. Op dat moment ging de bel en nummer 3 riep dat ' [medeverdachte 7] ' aan de deur stond. Dat sloeg op nummer 2. Nummer 2 kwam vervolgens samen met nummer 1 binnen. Vervolgens ontspon zich een kort gesprek over de kwaliteit van de cocaïne en over hoe laat we zouden beginnen. Er werd afgesproken voor 11.00 uur de volgende dag. We zouden binnen het uur terug zijn. Een en ander was afhankelijk van het geld. Nummer 3 zei dat de 50 kg in de flat zou zijn. Nummer 4 corrigeerde hem, zei dat dat geen goed idee was en ook dat de cocaïne niet in deelpartijen zou worden geleverd, omdat het telkens heen en weer rijden een risico vormde. Nummer 4 wilde niet teveel mensen in huis hebben. Voordat we vertrokken liet nummer 3 aan [verbalisant 9] een sms zien, hij zei dat die van een Engelse groep was waar ze recent cocaïne aan hadden geleverd. Nummer 3 las de tekst in het Engels voor: 'Great quality gear mate, cheers'. Nu iedereen tevreden was verlieten [verbalisant 9] en ik de flat om een hotel te zoeken waar we het geld konden bewaren. Dat werd het [hotel 1] . 6 Ontmoetingen op 20 december 2017 • Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 28 december 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 24-27, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 21] : ( p. 24) Ik, begeleider [verbalisant 21] , als zodanig ingeschreven bij het Team Operationeel Support, werkzaam bij het team Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid verklaar het volgende. In het kader van een rechercheonderzoek en de daarin door de officier van justitie afgegeven bevelen pseudokoop en infiltratie tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1957 in [geboorteplaats 1] , stonden op 20 december 2017 de buitenlandse politiële infiltranten [verbalisant 9] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 9] ], [verbalisant 10] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 10] ] en [verbalisant 11] [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 11] ] onder mijn begeleiding. Na zijn inzet verklaarde [verbalisant 9] : Deze dag omstreeks 10.20 zette ik [verbalisant 10] en [verbalisant 11] af bij het [hotel 1] in Scheveningen en liep ik naar taverne ' [café 5] '. (p. 25) Op het terras zag ik [medeverdachte 3] , [verdachte] en de nummers 1, 2 en 3 samen aan tafel zitten. Ik legde hen uit dat de twee Engelsen, [verbalisant 10] en [verbalisant 11] , al in het hotel zitten. Nummer 2 vroeg om eerst het geld te mogen zien en ik zei hem dat dit niet de afspraak is. Nummer 3 zegt dat de 5 kg coke reeds aanwezig is in de woning. Nummer 1 stelde voor om mee te gaan naar het hotel om het geld te tellen. Vervolgens gingen [medeverdachte 3] , [verdachte] , nummer 1 en ik richting de dijk. Op de dijk moest [verdachte] halt houden en ik zag dat hij er echt niet goed uitzag. Hij heeft een blauwe gelaatskleur en kon niet meer verder lopen. Ik stelde de heren voor dat [verdachte] even op en bankje blijft uitrusten. Ik zou [medeverdachte 3] en nummer 1 afzetten bij de Engelsen op de kamer en dan vervolgens mijn auto gaan halen en [verdachte] oppikken. Even later liepen we de hotelkamer binnen en stel ik nummer 1 voor aan [verbalisant 10] en [verbalisant 11] . Hierna heb ik [verdachte] opgehaald. Samen liepen wij 300 meter terug tot aan de ijspiste. Daar kan hij weer niet verder en ik zeg hem dat hij maar hier op mij moest wachten tot ik terug ben met mijn voertuig. Toen ik het café passeerde waar ik daarnet de heren heb ontmoet, zat daar nog nummer 3 met zijn PGP-telefoon in de hand. Ik zei dat het slecht ging met [verdachte] . Dan komt nummer 2 er ook bij. Beide mannen gingen naar [verdachte] en ik ging mijn voertuig halen. Enkele minuten later stapte [verdachte] bij mij in het voertuig en parkeerde ik mijn voertuig op de parkeerplaats van het hotel. [verdachte] en ik liepen onze kamer 313 binnen. Nummer 1 en [medeverdachte 3] gaan op de stoelen zitten en [verdachte] in een soort schommelstoel. Ik nam plaats aan de tafel en stuurde een sms dat het geld kon komen. [medeverdachte 3] was van het begin tot het einde van deze inzet de man die voortdurend op zijn PGP aan het typen is en welke alles doorspeelde naar zijn contacten in het testhuis. Toen ik bericht kreeg dat het geld er bijna is, verliet ik de kamer en haalde het geld op in een plastic zak. Ik legde deze op de tafel waar [medeverdachte 3] en nummer 1 op de stoelen zitten. Nummer 1 nam de leiding en legde de stapeltjes van 50 euro op tafel en begon zeer professioneel een volledig pakje te tellen. Daarna nam hij enkele andere stapeltjes en controleerde daarvan enkele briefjes op echtheid. Toen nummer 1 zei dat het 'ok' is voor hem, deden ze het geld in een bruine tas welke ze zelf hadden meegenomen. Vervolgens stuurde ik een sms dat ze de spullen konden gaan testen. Omstreeks 12.10 uur kreeg ik de bevestiging dat [verbalisant 13] en [verbalisant 12] de testwoning hebben verlaten met de 5 kg cocaïne. Ik zei tegen de heren dat ze over het geld kunnen beschikken. (p. 26) Nummer 1 en [medeverdachte 3] stonden op en verlieten de hotelkamer met de 130.000 euro cash in de bruine tas. Ondertussen spraken we met [verdachte] verder. Ik vroeg aan [verdachte] of hij nummer 1 kent. [verdachte] zegt dat hij nummer 1 niet kent, maar [medeverdachte 3] wel. [medeverdachte 3] zou die andere gasten 1 en 2 wel zeer goed kennen en nummers 1, 2 en 3 zouden op hun beurt elkaar wel zeer goed kennen. Vervolgens kwamen [medeverdachte 3] en nummer 1 weer binnen. Ze zeiden dat het voor de volgende 5 kg nog 45 minuten zal duren. Nummer 1 zei dat we absoluut verder zaken moeten doen in de toekomst en dat hij spullen kan leveren zoveel als we willen.
Volledig
Hij zou ook een transport ter beschikking hebben die de oversteek naar de UK voor ons kan maken. Als we meer dan 50 blokken bestellen kan de lading alleen vertrekken. Nummer 1 verzekerde ons dat we bij elke beweging op de hoogte gehouden zullen worden tot de spullen in UK afgeleverd zullen worden. Nummer 1 kan naar eigen zeggen zelfs alles leveren en regelen wat onze wensen zijn. Omstreeks 14.05 uur ging ik terug naar beneden om de nieuwe partij geld op te halen en ga ik even later terug de hotelkamer binnen. Ik legde het geld weer op tafel en nummer 1 telde het geld weer op dezelfde professionele manier. Het geld was in orde en ik stuurde de andere collega's weer naar de testwoning. [medeverdachte 3] vertelde wat over zijn duiven en zegt dat hij niet werkt en zich enkel bezighoudt met duiven en deze zaken. Ondertussen waren [verbalisant 13] en [verbalisant 12] terug uit het huis met 5 kg en zei ik tegen de andere heren dat ze mogen vertrekken met het geld. [medeverdachte 3] en nummer 1 verlieten weer de hotelkamer. (p. 27) Omstreeks 15.00 uur kwamen [medeverdachte 3] en nummer 1 weer terug in de hotelkamer. We spraken af dat we nu toch voor 20 moeten gaan. Nummer 1 zei dat zij voor 17.00 uur daar moeten zijn. [verdachte] zei dat ze nu maar die 40 ineens moeten meebrengen want zoals nu duurt het te lang. Nummer 1 zei dat hij daarvoor zal zorgen. Nummer 1 zegt dat het al redelijk druk wordt op de weg en dat zijn chauffeur last krijgt van het verkeer. [medeverdachte 3] zei mij dat de chauffeur onderweg is om de volgende 20 op te halen. [medeverdachte 3] zei dat de 20 er waarschijnlijk tegen 16.30 uur zullen zijn. Ineens ging de hotelkamer open en viel de politie binnen en werden we aangehouden in onze hotelkamer. • Het proces-verbaal verhoor van getuige ' [verbalisant 9] ' ( [verbalisant 9] ), opgemaakt door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, van 25 oktober 2018, pagina 5, inhoudende de verklaring van ' [verbalisant 9] ': De raadsman vraagt mij of het zo is dat [verdachte] niet meer mee wilde het hotel in en helemaal niet meer mee wilde en dat ik hem min of meer onder druk heb gezet mee te gaan. [verdachte] wilde absoluut mee naar het hotel. Maar gelet op zijn fysieke omstandigheden, hij was moeilijk ter been en kon niet meer stappen, hebben wij samen beslist, daar was ook [medeverdachte 3] en nummer 2 bij, dat ik [medeverdachte 3] en nummer 2 eerst naar het hotel zou brengen. Het is absoluut niet zo dat [verdachte] niet wou. De raadsman vraagt mij of ik [verdachte] heb uitgelokt om te bemiddelen bij de partij cocaïne van 50 kilo. Mijn antwoord is nee. • Een schriftelijk bescheid, opgemaakt d.d. 22 december 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 133-135 , voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende een (vertaald) verslag van undercoveragent [verbalisant 11] : (p. 133) Op 20 december 2017 om 10.46 uur werden [verbalisant 10] en ik door [verbalisant 9] afgezet bij het [hotel 1] in Scheveningen. [verbalisant 10] en ik liepen het hotel binnen en gingen naar kamer 313. Om ongeveer 11.00 uur kwam [verbalisant 9] kamer 313 binnen met twee mannen, van wie ik er een herkende, [medeverdachte 3] . De andere man had ik niet eerder gezien. De man in kwestie is tussen de 50 en 55 jaar oud, gladgeschoren, naar achteren gekamd kort zwart haar. De man was informeel maar netjes gekleed en maakte een fitte indruk. Ik noem hem verder de nette man. Even later kwam ook [verdachte] , de man die ik met [verbalisant 10] en [verbalisant 9] had ontmoet in de bar in Zegge om de aankoop van 50 kg cocaïne te bespreken, de hotelkamer binnen. [verbalisant 9] legde uit hoe de transactie zou verlopen en de nette man en [medeverdachte 3] zeiden dat de eerste 5 kg op de testlocatie waren. (p. 134) Daarna zouden er nog eens een partij van 5 kg en twee van 20 kg volgen; in totaal dus 50 kg. [verbalisant 9] verliet kamer 313 om het geld voor de aankoop van de 5 kg te halen. Korte tijd later verscheen [verbalisant 9] weer met een plastic zak met het geld, 130.000 euro, die hij aan de nette man gaf die het geld inspecteerde en met de hand telde. Toen de nette man na een paar minuten tevreden bleek, werd het geld weer in de plastic zak gedaan en vervolgens in de beige tas van [medeverdachte 3] gestopt. [verbalisant 9] werd via een sms op de hoogte gesteld dat de cocaïne was getest en goed was bevonden. De nette man en [medeverdachte 3] konden kamer 313 dus met het geld verlaten. Omstreeks 12.45 uur kwamen de nette man en [medeverdachte 3] terug naar kamer 313. Op een gegeven ogenblik zei de nette man dat hij en zijn partners in de toekomst een volledige dienstverlening konden verzorgen, van het punt van aankoop van de cocaïne tot en met het gebruik van transportmiddelen en het punt van aflevering in het Verenigd Koninkrijk. [verbalisant 10] en ik lieten blijken daar wel enige belangstelling voor te hebben in de toekomst. Ietsjes later vertelden [medeverdachte 3] en de nette man ons dat de volgende 5 kg zich op de testlocatie bevond. [verbalisant 9] verliet daarop kamer 313 om het geld voor die aankoop op te halen. Omstreeks 14.00 uur kwam [verbalisant 9] terug met een plastic zak en gaf die aan de nette man die net zo als de eerste keer de 130.000 euro inspecteerde en telde. Toen de nette man zich weer tevreden over het geld toonde, stopte hij het geld terug in de plastic zak en deed deze in [medeverdachte 3] ' beige tas. Even later kreeg [verbalisant 9] een sms dat de 5 kg goed waren bevonden en de nette man en [medeverdachte 3] verlieten wederom kamer 313 met het geld. (p. 135) Omstreeks 15.00 uur kwamen [medeverdachte 3] en de nette man weer terug naar kamer 313. Blijkbaar zat de volgende 20 kg nog vast in het verkeer, maar zou die over zo'n 30-35 minuten aankomen. De nette man zei dat hij het graag allemaal achter de rug wou hebben om 17.00 uur omdat het donker werd en druk op de weg. Dat vonden wij ook en dus kwamen we overeen dat het totale gewicht van 40 kg, verdeeld over twee partijen van 20 kg die zich in de directe omgeving van het huis bevonden, binnen korte tijd zou aankomen, zodat we geen van allen reistijd kwijt zouden zijn. Omstreeks 16.35 uur ging de deur van kamer 313 open en kwam de politie naar binnen die alle aanwezigen in kamer 313 aanhield. • Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt d.d. 28 december 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 32-34, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 21] : (p. 32) Ik, begeleider [verbalisant 21] , als zodanig ingeschreven bij het Team Operationeel Support, werkzaam bij het team Werken Onder Dekmantel, afdeling Afgeschermde Operaties, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Landelijke Eenheid verklaar het volgende. In het kader van een rechercheonderzoek en de daarin door de officier van justitie afgegeven bevelen pseudokoop en infiltratie tegen verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1957 in [geboorteplaats 1] , stonden op 20 december 2017 de buitenlandse politiële infiltranten [verbalisant 13] [het hof begrijpt: [verbalisant 13] ] en [verbalisant 12] [ [verbalisant 12] ] onder mijn begeleiding. Na zijn inzet verklaarde [verbalisant 13] : (p. 33) Op 20 december 2017 omstreeks 10.00 uur bevond ik mij met [verbalisant 12] op wandelafstand van het pand waar de cocaïne getest moet worden. Het pand was gelegen in [adres 2] . Omstreeks 11.55 uur ontvingen wij het bericht dat wij naar de testwoning konden gaan. Samen met [verbalisant 12] ben ik naar het pand gegaan. We belden aan en werden binnengelaten. Bovenaan werden wij opgewacht door een kale man met een bril. [verbalisant 12] betrad als eerste het appartement en begroette de drie andere mannen die aanwezig zijn in het appartement. Zodra wij binnen waren, wordt de appartementsdeur op slot gedaan door de kale man. Naar mijn waarneming zijn er buiten [verbalisant 12] en ikzelf vier mannen aanwezig in het appartement. Deze vier mannen lijken allen Nederlanders te zijn en kan ik als volgt beschrijven.
Volledig
Man 1: kale man, litteken op het hoofd, zwarte bril, verzorgd, mager, ongeveer 50 jaar en 175 cm lang [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 8] ]. Man 2: grote grijze man, haar in een korte bros, ongeveer 55 jaar, 185 cm lang en 100 kg, verzorgd met een wit hemd, mooi gladgeschoren [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 7] ] Man 3: dikke grijze man met ringbaard, grijs haar in een korte verzorgde snit, ringbaard, grijze trui, ongeveer 45 jaar, 175 cm lang en 100 kg [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 4] ] Man 4: chauffeur, kort afgeschoren haar ongeveer 4 mm, ziet er niet zo verzorgd uit als de drie andere, ongeveer 35 jaar, 180 cm lang en 70 kg, mager maar fit [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ] (p. 34) Op het aanrecht van de kookhoek staat een grote zak van een warenhuis. In deze zak zaten de 5 blokken cocaïne. Ik ging aan tafel zitten, waar de grote grijze en de dikke grijze ook zaten. Tussenin zit de chauffeur, maar die staat regelmatig op en begeeft zich tussen de zitbank en eetkamer. De kale zegt dat er getest moet worden zodat de zaken verder kunnen. [verbalisant 12] ging over tot het testen. De twee grijzen komen kijken en zeggen gezamenlijk dat zij die testers niet kennen. De kale vroeg aan [verbalisant 12] welk blok hij wilde testen. Het is de kale die het aangeduide blok uit de zak haalde, waarna [verbalisant 12] overgaat tot het testen. De kale zegt ook dat indien er een probleem is met een van de andere blokken dat het geen probleem is om die om te wisselen. Tijdens het volgen van de test begon de kale dat hij direct met [verbalisant 12] zaken wil doen, maar dan wel aan de Engelse prijzen. Hij voegt daaraan toe dat hij dan zelf bereid is om 10 kg op krediet mee te geven. De grote grijze zegt aan de kale dat hij het rustig aan moet doen. Ik zit er namelijk bij en hij wil niet onder de pluimen van de Belgen schieten. [verbalisant 12] zegt uiteindelijk dat het goede kwaliteit is en legt hen, op hun vraag, kort uit hoe hij dat ziet. Ik vroeg of dat wij al onze testspullen daar mochten laten. Het is opnieuw de kale die de toestemming geeft, ondanks dat ik de vraag gesteld heb aan de dikke grijze. Wij verlieten het pand omstreeks 12.10 uur. Wij gingen naar de door ons afgesproken plaats om de zak met de 5 blokken cocaïne door te geven aan [verbalisant 22] . Omstreeks 14.12 uur kregen wij opnieuw de vraag om naar het testpand te gaan. Eenmaal binnen waren dezelfde mannen aanwezig, met uitzondering van de chauffeur die twee minuten later komt. Er wordt onmiddellijk op dezelfde manier tot het testen overgegaan. De kale zegt dat wij het allemaal zouden moeten kunnen afhandelen voor de avondspits. Na het testen verlieten wij het pand omstreeks 14.27 uur en hebben de blokken cocaïne aan [verbalisant 22] overgedragen. • Een schriftelijk bescheid, ongedateerd, zaaksdossier 01, dossierpagina's 140- 142, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende een (vertaald) verslag van undercoveragent [verbalisant 12] : (p. 140) Mijn opdracht was om met [verbalisant 13] op 20 december 2017 naar Scheveningen te gaan om een monster van 50 kg cocaïne te testen op het adres [adres 2] . Het testen en overnemen van de cocaïne zou plaatsvinden telkens nadat de volgende hoeveelheden cocaïne zouden zijn afgeleverd op het adres [adres 2] : 1 x 5 kg, 1 x 5 kg, 1 x 20 kg en 1 x 20 kg. Rond 11.55 uur kwamen we aan op adres [adres 2] . Ik liep de buitentrap op en belde aan bij het toegangssysteem met camera. De deur werd opengedrukt en ik ging het huis binnen gevolgd door [verbalisant 13] . Ik ging de tweede trap op en klopte op de deur, die werd geopend door een kale man met bril die ik de vorige dag, 19 december 2017, in het huis had ontmoet en die ik in mijn verslag nummer 4 heb genoemd. Verder waren in de woning de chauffeur (nummer 5), de oudere Nederlandse man genaamd [medeverdachte 7] (nummer 2) en man nummer 3. Nummer 4 zei dat we haast moesten maken met de test. (p. 141) Ik liep vervolgens naar het aanrecht om de cocaïne te testen, die in een plastic zak zat verdeeld. Nummer 4 bevestigde dat het cocaïne van de partij 'Crown' was en dat er ook de plak bij zat die ik had geopend toen ik de vorige dag met [verbalisant 9] in het huis was geweest. Ik nam mijn kit van de tafel en koos een plak uit om te testen. Ik zei tegen nummer 4 dat ik kon zien dat de cocaïne van hoge kwaliteit was. Terwijl ik de plak weer in cellofaan wikkelde en vervolgens met zwarte ducttape dichtplakte, stelden nummer 2 en nummer 4 me vragen over de testkit die ze nooit eerder hadden gezien. Nummer 4 wilde duidelijk rechtstreeks zaken doen. Zijn groep kon de cocaïne leveren en voor alle transport zorgen. Nummer 4 was duidelijk geïnteresseerd in rechtstreekse toegang tot de markt in het Verenigd Koninkrijk om zo het voordeel te hebben van de prijzen in het Verenigd Koninkrijk en bood daarom 10 kg op krediet aan als deel van de volgende transactie. Toen ik klaar was ruimde ik de gebruikte testspullen op, deed mijn handschoenen uit en vroeg of ik mijn uitrusting in de flat achter kon laten. Nummer 4 was daarmee akkoord en zei dat hij de gebruikte testspullen zou weggooien. Vervolgens vroeg ik [verbalisant 13] om de 5 plakken te pakken en klaar te maken voor transport. Ik vertelde dat we nu zouden vertrekken, dat we de anderen zouden doorgeven dat de cocaïne goed was en dat we dan binnen het uur terug zouden komen. Nummer 2 vroeg me iets over het transport. Ik zei dat dat wel goed zat. We verlieten het huis met [verbalisant 13] om de cocaïne op de Amsterdamsestraat rond 12.10 uur over te dragen aan de koerier. (p. 142) Rond 14.12 uur kwamen [verbalisant 13] en ik weer bij [adres 2] aan om de volgende 5 kg cocaïne te testen, belde wederom aan, werd naar binnen gezoemd, ging de trap op, klopte aan en werd binnengelaten door nummer 4. Nummer 2 en 3 waren ook in de flat. Nummer 5 kwam korte tijd later binnen. Nummer 4 wees op de cocaïne die in een plastic zak op het aanrecht lag. Ik zei dat ik zag dat die van het merk 'Thor' was, telde de plakken, en nam er een uit om op dezelfde manier te testen. Deze plakken waren in krimpfolie gewikkeld en onder een laag doorzichtig plastic zat roodachtig papier bedrukt met een plaatje waarop een aantal hamers te zien waren. Nummer 4 zei dat hij het met krimpfolie had verpakt om het kant en klaar voor transport te maken. Ik voerde de test uit, die wees op een hoge concentratie cocaïne. Nummer 2 vroeg welke bestemming de cocaïne had. Ik antwoordde: Londen. Nummer 4 zei tegelijkertijd: Londen en Zuidwest-Engeland. Dat bleek prima, want nummer 4 zei dat hij recent een hoeveelheid cocaïne had geleverd aan een misdaadgroep in Noord-Engeland en dat het goed was dat dat niet botste, met mogelijke gevolgen voor de marktprijs. Ik vroeg [verbalisant 13] om de plakken cocaïne te pakken. Ik gaf aan dat mijn transport soepel verliep, maar dat mijn terugkeer afhing van het tellen van het geld. Nummer 4 vroeg of ik mijn mensen kon vragen om het geld direct te tellen. [verbalisant 13] en ik verlieten het huis rond 14.27 uur, waarna we de cocaïne op de Amsterdamsestraat weer mee gaven aan de koerier. 7 Bevindingen observatieteam op actiedag • Een proces-verbaal van observatie, opgemaakt d.d. 21 december 2017, zaaksdossier 01, dossierpagina's 181-190, voor zover – kort en zakelijk weergegeven – inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 23] , [verbalisant 24] , [verbalisant 25] , [verbalisant 26] , [verbalisant 27] , [verbalisant 28] , [verbalisant 29] , [verbalisant 30] , [verbalisant 31] , [verbalisant 32] , [verbalisant 33] , [verbalisant 34] , [verbalisant 35] en [verbalisant 36] : (p. 181) Op 20 december 2017 hebben wij tussen 08.15 uur en 18.15 uur geobserveerd en daarbij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan en/of handelingen verricht. 08:15 uur ( [verbalisant 25] ): In overleg met de aanvragende dienst werd een onderzoek ingesteld in de directe omgeving van de woning [adres 2] teneinde de bezoekers van dit pand onder observatie te kunnen nemen.
Volledig
11:29 ( [verbalisant 31] ): Ik zag dat twee mannen, nader NN1 [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 7] ] en NN2 [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 4] ] genoemd, de trap opliepen in de richting van de woning. 11:56 ( [verbalisant 31] ): Ik zag dat twee mannen, nader NN3 en NN4 [het hof begrijpt: undercoveragenten [verbalisant 13] en [verbalisant 12] ] genoemd, de trap opliepen in de richting van de woning. 12:11 ( [verbalisant 31] ): Ik zag dat NN3 en NN4 de woning verlieten, waarna zij wegliepen. Ik zag dat NN4 een blauwe plastic tas van de Albert Heijn in zijn hand droeg. 12:13 ( [verbalisant 29] / [verbalisant 36] ): Wij zagen dat NN3 en NN4 ter hoogte van de [bedrijf] , gevestigd aan [adres 3] spraken met een onbekend gebleven man, nader NN5 [het hof begrijpt: undercoveragent [verbalisant 22] ] genoemd. Wij zagen dat NN4 de blauwe plastic tas overhandigde aan NN5, welke deze tas in een zwarte rugtas stopte. Wij zagen dat NN3 en NN4 gezamenlijk wegliepen van NN5, waarna ook NN5 zijn weg vervolgde op een motor, merk en kenteken onbekend. 12:14 ( [verbalisant 31] ): Ik zag dat NN1 de woning verliet, waarna hij wegliep. 12:20 ( [verbalisant 23] / [verbalisant 24] / [verbalisant 37] ): Wij zagen dat NN1 op de [adres 18] te Den Haag [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 2] 1971 te [geboorteplaats 2] , wonende [adres 5] , nader [medeverdachte 3] genoemd, en een onbekend gebleven man, nader NN6 [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 6] ] genoemd, ontmoette, waar zij met elkaar spraken. Wij zagen dat [medeverdachte 3] een beige tas in zijn hand droeg. Wij zagen dat zij vervolgens gezamenlijk doorliepen. (p. 182) 12.25 ( [verbalisant 31] ) Ik zag dat NN1, [medeverdachte 3] en NN6 ter hoogte van de woning stil stonden. Ik zag dat NN6 de tas, genoemd in sub 12:20, in zijn hand droeg en dat hij gebruik maakte van een mobiele telefoon. Ik zag dat NN6 de trap in de richting van de woning opliep. Ik zag dat [medeverdachte 3] samen met NN1 ter hoogte van de woning op de [adres 2] bleven staan. 12:30 ( [verbalisant 31] ) Ik zag dat NN6 de trap afliep, komend uit de richting van de woning. Ik zag dat hij de beige tas, sub 12:20, in zijn hand droeg. Ik zag dat NN6 samen met [medeverdachte 3] wegliep in de richting van de [adres 15] te Den Haag. Ik zag dat NN1 de trap op liep, gaande in de richting van de woning. 12:34 ( [verbalisant 31] ) Ik zag dat een onbekend gebleven persoon, nader NN7 [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2] ] genoemd, de woning verliet en de [adres 16] te Den Haag inliep. 12:35 ( [verbalisant 36] ) Ik zag dat een bestelbus, merk Volkswagen, type Transporter, kleur grijs, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , nader Volkswagen [kenteken 1] genoemd, wegreed vanuit de [adres 16] te Den Haag. 12:54 ( [verbalisant 31] ) Ik zag dat NN1 en NN2 de trap afliepen, komend uit de richting van de woning. Ik zag dat NN1 op de [adres 2] te Den Haag gebruik maakte van een mobiele telefoon. (p. 183) 13.45 ( [verbalisant 31] ) Ik zag dat NN1 en NN2 de trap opliepen, gaande in de richting van de woning. 13:55 ( [verbalisant 25] / [verbalisant 33] ) Wij zagen dat de Volkswagen [kenteken 1] op de [adres 16] te Den Haag werd geparkeerd, waarna NN7 als bestuurder uitstapte. Wij zagen dat hij de schuifdeur aan de linkerzijde van de Volkswagen opende, waarna hij voorover in de bestelbus boog. Wij zagen dat hij een gedeeltelijk gevuld tasje met blauwe hengsels vanuit de bestelbus pakte en hiermee wegliep. ( [verbalisant 32] / [verbalisant 34] ) Wij zagen dat NN7 de trap opliep, gaande in de richting van de woning. 14:03 ( [verbalisant 32] / [verbalisant 34] / [verbalisant 25] / [verbalisant 33] ) Wij zagen dat NN7 de trap afliep, komende uit de richting van de woning, wij zagen dat hij niets meer zichtbaar bij zich droeg. Wij zagen dat hij op de [adres 16] te Den Haag als bestuurder in de Volkswagen [kenteken 1] stapte, waarna hij wegreed. Ik zag dat NN7 als bestuurder van de Volkswagen [kenteken 1] op de [adres 17] te Den Haag reed, waar hij parkeerde. Ik zag dat NN7 uitstapte. 14:08 ( [verbalisant 26] ) Ik zag dat NN7 in snackbar ' [café 6] ' zat, gevestigd [adres 6] . Ik herkende NN7 als zijnde: [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] 1971 te [geboorteplaats 3] , wonende [adres 7] , nader [medeverdachte 2] genoemd. 14:15 ( [verbalisant 26] ) Ik zag dat [medeverdachte 2] als bestuurder in de Volkswagen [kenteken 1] stapte, waarna hij wegreed. 14:17 ( [verbalisant 27] ) Ik zag dat NN3 en NN4 de trap opliepen, gaande in de richting van de woning. 14:18 ( [verbalisant 25] / [verbalisant 33] ) Wij zagen dat de Volkswagen [kenteken 1] in de [adres 16] te Den Haag werd geparkeerd. Wij zagen dat [medeverdachte 2] als bestuurder uitstapte en met een wit gedeeltelijk gevuld plastic tasje, wegliep in de richting van de woning. ( [verbalisant 27] ) Ik zag dat [medeverdachte 2] de trap opliep, gaande in de richting van de woning. (p. 184) 14:26 ( [verbalisant 27] ) Ik zag dat NN3 en NN4 de woning verlieten, waarna zij wegliepen. Ik zag dat NN4 een gedeeltelijk gevulde rood/wit gekleurde tas met zich mee droeg. 14:28 ( [verbalisant 36] ) Ik zag dat NN3 en NN4 op [adres 3] , ter hoogte van de [bedrijf] aldaar, contact maakte met NN5. Ik zag dat NN4 de tas sub 14:26, overhandigde aan NN5 welke deze tas in een motortas stopte. De observatie op hen alle drie werd beëindigd. 14:37 ( [verbalisant 28] ) Ik zag dat [medeverdachte 3] samen met NN6 op de [adres 18] te Den Haag liep. Ik zag dat NN6 een tas en een wit papier in zijn hand droeg. 14:40 ( [verbalisant 27] ) Ik zag dat NN6 diverse handgebaren maakte in de richting van NN1, welke in de woning achter het raam zat en naar beneden keek. Ik zag dat NN6 de trap opliep, gaande in de richting van de woning. Ik zag dat [medeverdachte 3] op de [adres 2] te Den Haag wat heen en weer liep. 14:45 ( [verbalisant 25] / [verbalisant 33] ) Wij zagen dat [medeverdachte 2] op de [adres 16] te Den Haag liep. Wij zagen dat hij een zwart/wit gekleurd tasje, welke voor ongeveer driekwart was gevuld, in zijn hand droeg. Wij zagen dat hij de schuifdeur opende aan de linkerzijkant van de Volkswagen, [kenteken 1] . Wij zagen dat hij voorover boog in de Volkswagen en dat hij zonder tasje weer terug kwam. Wij zagen dat hij als bestuurder in de Volkswagen stapte, waarna hij wegreed. ( [verbalisant 27] ) Ik zag dat [medeverdachte 3] met een mobiele telefoon foto's maakte van passerende auto's op de [adres 2] te Den Haag. 14:47 ( [verbalisant 27] ) Ik zag dat NN6 de trap afliep, komend uit de richting van de woning. Ik zag dat hij wegliep in de richting van [medeverdachte 3] . 14:50 ( [verbalisant 27] ) Ik zag dat NN1 en NN2 de trap afliepen, komend uit de richting van de woning. (p. 185) 15:38 ( [verbalisant 32] / [verbalisant 34] ) Wij zagen dat [medeverdachte 2] als bestuurder van de Volkswagen [kenteken 1] op de Sinclair Lewisplaats te Rotterdam reed, waar hij parkeerde. 15:45 ( [verbalisant 38] ) Ik zag dat [medeverdachte 2] op de Sinclair Lewisplaats te Rotterdam, gebruik maakte van een mobiele telefoon. 15:53 ( [verbalisant 34] ) Ik zag dat een personenauto een Hyundai, type X35, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , nader Hyundai [kenteken 2] genoemd, parkeerde naast [medeverdachte 2] en de Volkswagen [kenteken 1] , op de Sinclair Lewisplaats te Rotterdam. Ik zag dat een negroïde man als bestuurder, nader NN8 [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 5] ] genoemd, uit de Hyundai [kenteken 2] stapte. Ik zag dat NN8 het linker achterportier van de personenauto opende. Ik zag dat [medeverdachte 2] de linkerzijschuifdeur van de Volkswagen opende. Ik zag dat [medeverdachte 2] voorover de Volkswagen in boog en diverse malen onbekend gebleven goederen pakte en deze overhandigde aan NN8, welke deze goederen op de achterbank van de personenauto legde. Ik zag dat [medeverdachte 2] en NN8 de portieren van beide voertuigen sloten, waarna zij afzonderlijk van elkaar wegreden. 16:08 ( [verbalisant 30] ) Ik zag dat NN8 als bestuurder van de Hyundai [kenteken 2] op de [adres 8] te Rotterdam parkeerde.