Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-11-06
ECLI:NL:GHSHE:2023:3690
Strafrecht
Hoger beroep
2,444 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-000746-19
Uitspraak : 6 november 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats te Maastricht, van 18 februari 2019, in de strafzaak met parketnummer 04-990005-09 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953,
wonende te [adres 1] ,
met als bekend postadres in Nederland: [adres 2] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 13 tenlastegelegde feit en is ter zake:
1. medeplegen van het overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3:1 van de Algemene douanewet, betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen, opzettelijk meermalen gepleegd;
2, 3, 4 en 5 telkens: medeplegen van het overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 3:1 van de Algemene douanewet, betrekking hebbend op goederen die ingevolge regelingen van internationaal of nationaal recht worden aangemerkt als strategische goederen, opzettelijk gepleegd;
67 en 8 telkens: medeplegen van valsheid in geschrift;
9 en 10 telkens: medeplegen van opzettelijk afleveren van het valse of vervalste geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst;
11. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
12. opzettelijk een bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 11 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Tevens heeft de rechtbank het klassieke beslag dat op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering was gelegd op de banksaldi/effectenportefeuilles, opgeheven.
Zowel de verdachte als de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Blijkens de akte rechtsmiddel is het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep gericht tegen de partiële vrijspraken van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 11.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft, in het verlengde van de tussen het openbaar ministerie en de verdediging overeengekomen procesafspraken, gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de in dat vonnis opgelegde straffen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 11 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.
De verdediging heeft zich in het verlengde van de tussen het openbaar ministerie en de verdediging overeengekomen procesafspraken gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de bewezenverklaring, kwalificatie en strafbaarheid van feit en de verdachte, en zich geconformeerd aan de door de advocaat-generaal gevorderde straf.
Afdoeningsvoorstel
Het hof stelt vast dat tussen het openbaar ministerie en de verdediging procesafspraken zijn gemaakt, die erop neer komen dat het vonnis van de rechtbank, voor wat betreft de bewezenverklaring, de kwalificatie en de strafbaarheid in stand blijft en derhalve tegen de bewezenverklaring namens de verdachte geen verweer meer wordt gevoerd. Ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde straf zijn de navolgende procesafspraken in de vorm van een afdoeningsvoorstel overeengekomen:
i. Het openbaar ministerie en de heer [verdachte] accepteren de bewezenverklaring zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank Limburg met parketnummer
04/990005-09. Ter zitting zal niet een andere bewezenverklaring worden gevorderd
of verzocht.
Het Openbaar Ministerie eist een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 11
maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren - met aftrek van de tijd die
door [verdachte] in voorarrest is doorgebracht - onder de algemene voorwaarde dat
[verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een
strafbaar feit én een taakstraf voor de duur van 160 uur subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis.
Betrokkene doet afstand van de ingediende (en reeds toegewezen) onderzoekswensen en dient geen nadere onderzoekswensen in. Het openbaar ministerie initieert evenmin nader onderzoek.
Het Openbaar Ministerie heft, voor zover dit nog niet gebeurde, het beslag ex. Artikel 94 Sv op de banksaldi/effectenportefeuilles van de heer [verdachte] op.
Voormelde procesafspraken in de vorm van een afdoeningsvoorstel zijn ter terechtzitting van 23 oktober 2023 integraal besproken in aanwezigheid van de verdachte en de raadsvrouw van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust is van de rechtsgevolgen, gekomen is tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan dit afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Voorts heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat zij de procesafspraken uitdrukkelijk met de verdachte heeft besproken en dat hij wenst mee te werken aan dit afdoeningsvoorstel.
Centraal bij het onderzoek ter terechtzitting stond bovenal de beantwoording van de vragen van artikel 348 en met name van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering. Bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten zijn de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte betrokken.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte richt zich mede tegen de vrijspraak door de eerste rechter van hetgeen aan de verdachte onder feit 13 ten laste werd gelegd. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in zoverre niet ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straffen en de strafmotivering.
Tevens zal het hof de toepasselijke wettelijke voorschriften opnemen onder aanvulling van artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht.
Op te leggen sanctie
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich met anderen schuldig heeft gemaakt aan meerdere exportdelicten door te handelen in strijd met de vergunningplicht, valsheid in geschrifte en het in structureel verband plegen van die feiten.
De verdachte heeft met de medeverdachten welbewust met een in [naam] gevestigde dochteronderneming en andere gelieerde ondernemingen juridische schijnconstructies opgezet om goederen via een omweg aan klanten in Iran te leveren.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 13 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 11 (elf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. dr. M.M. Koevoets, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,
en op 6 november 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.