Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2023-08-08
ECLI:NL:GHSHE:2023:2569
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Hoger beroep
2,530 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.320.795/01
arrest van 8 augustus 2023
gewezen in het incident niet-ontvankelijkheid in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans te Goes,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
eisers in het incident,
advocaat: mr. S.J.M. Peters te Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,
op het bij exploot van dagvaarding van 27 december 2022 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 september 2022, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen appellant – [appellant] – als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerden – [geïntimeerden] – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep met één productie;
de akte niet-ontvankelijkheid met producties, genummerd 24 tot en met 28, van de zijde van [geïntimeerden] ;
de antwoordakte niet-ontvankelijkheid van de zijde van [appellant] .
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
Beoordeling
In het incident
3.1.
[geïntimeerden] stelt dat [appellant] niet-ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Partijen hebben volgens [geïntimeerden] in eerste aanleg afgesproken dat zij de onderhavige zaak ex artikel 96 Rv aan de kantonrechter zouden voorleggen. Bij voornoemde afspraak hebben partijen geen voorbehoud van hoger beroep gemaakt. [geïntimeerden] stelt dat partijen daarmee feitelijk (impliciet) afstand hebben gedaan van hun recht hoger beroep in te stellen. Een redelijke uitleg van de overeenkomst die partijen hiertoe hebben gesloten, brengt dit met zich mee. Weliswaar heeft [geïntimeerden] tijdens de procedure in eerste aanleg tegen het insteken van de procedure als een artikel 96 Rv-procedure bezwaar gemaakt, maar hij laat die bezwaren nu varen dan wel trekt hij deze in. Dat de kantonrechter de zaak in eerste aanleg heeft verwezen naar de sector civiel maakt volgens [geïntimeerden] niet dat daarmee hoger beroep weer openstaat. [geïntimeerden] verzoekt het hof om [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in dit hoger beroep met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure.
3.2.
[appellant] voert daartegen aan dat hij er juist op mocht vertrouwen dat hoger beroep mogelijk is. [geïntimeerden] heeft volgens hem in eerste aanleg de stelling ingenomen dat hij niet gebonden wil zijn aan een overeenkomst ex artikel 96 Rv. [geïntimeerden] gaf toen aan dat zijn gemachtigde niet bevoegd was een dergelijke verstrekkende overeenkomst ex artikel 96 Rv aan te gaan, waardoor er sprake is van een ongeldige rechtshandeling en geen afstand is gedaan van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. Die stelling handhaaft [geïntimeerden] niet meer, maar hij wil nu profijt trekken van diezelfde overeenkomst. Mocht het hof menen dat toch een overeenkomst tot stand is gekomen, dan is volgens [appellant] sprake van schuldeisersverzuim van [geïntimeerden] omdat hij zich nadien heeft verzet tegen behandeling van de zaak door de kantonrechter. In dat geval kan [geïntimeerden] geen nakoming vorderen dan wel zich anderszins beroepen op een rechtsgevolg uit deze overeenkomst. Gelet op het vorenstaande maakt [geïntimeerden] volgens [appellant] misbruik van procesbevoegdheid en vordert [appellant] [geïntimeerden] te veroordelen in de kosten van het incident.
3.3.
In het bestreden vonnis is door de kantonrechter in de rechtsoverwegingen 3.1. tot en met 3.3. het volgende overwogen:
“3.1. Partijen zijn het erover eens dat de zaak een vordering van onbepaalde waarde betreft en dat de kamer voor andere zaken dan kantonzaken in beginsel (absoluut) bevoegd is van de zaak kennis te nemen.
3.2.
Blijkens de door [appellant] in het geding gebrachte stukken (producties 18 en 19 bij de dagvaarding) is tussen partijen overeengekomen het onderhavige geschil op grond van artikel 96 Rv aan de kantonrechter ter beslissing voor te leggen.
Partijen kunnen zich op de voet van het artikel 96 Rv in alle zaken die slechts rechtsgevolgen betreffen die ter vrije bepaling van partijen staan, samen tot een kantonrechter van haar keuze wenden en diens beslissing inroepen. Artikel 96 Rv bepaalt echter ook dat het geding wordt gevoerd op de wijze als door de kantonrechter bepaald.
[appellant] heeft zich kennelijk niet gestoord aan die bepaling, nu hij zonder tussenkomst van de kantonrechter heeft besloten de procedure aan te brengen door het uitbrengen van een dagvaarding.
Nog afgezien van de stelling van [geïntimeerden] over de totstandkoming van de afspraak tussen partijen, is de kantonrechter van oordeel dat – nu de zaak niet in overeenstemming met de bedoeling van art. 96 Rv is voorgelegd – de zaak dient te worden verwezen naar de absoluut bevoegde rechter.
3.3.
De kantonrechter zal dan ook de zaak in de staat en stand waarin deze zich bevindt verwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht.”
3.4.
Het hof overweegt als volgt.
3.5.
De vraag die voorligt, is of de procedure zoals deze is gevoerd voor de rechtbank is behandeld op de voet van artikel 96 Rv.
In de brief van 6 april 2021 van de voormalig gemachtigde van [appellant] aan de voormalig gemachtigde van [geïntimeerden] is aangegeven dat de procedure (in eerste aanleg) in beginsel aanhangig gemaakt moet worden bij de rechtbank. In die brief wordt het voorstel gedaan om de zaak ex artikel 96 Rv voor te leggen aan de kantonrechter. De voormalig gemachtigde van [geïntimeerden] bericht aan de voormalig gemachtigde van [appellant] bij brief van 9 april 2021 dat zijn cliënten instemmen met dat voorstel. Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze briefwisseling, dat partijen zijn overeengekomen de procedure conform artikel 96 Rv te voeren. Aan dat voornemen moet vervolgens volgens artikel 96 Rv wel uitvoering worden gegeven. Het hof is van oordeel dat partijen dat niet hebben gedaan.
3.6.
[appellant] heeft eenzijdig en zonder verder overleg met [geïntimeerden] én de kantonrechter de zaak bij dagvaarding bij de kantonrechter aangebracht. In artikel 96 lid 1 Rv staat expliciet dat partijen zich samen tot de kantonrechter moeten wenden. Het enkele feit dat de dagvaarding refereert aan de overeenkomst ex artikel 96 Rv is daartoe onvoldoende. Om de procedure ex artikel 96 Rv toch werking te laten hebben, zal conform het tweede lid van artikel 96 Rv [geïntimeerden] de kantonrechter moeten berichten dat ingestemd wordt met het op die wijze voeren van de procedure. Daarvan is niet gebleken. Sterker nog, [geïntimeerden] heeft in eerste aanleg juist de bevoegdheid van de kantonrechter ex artikel 96 Rv betwist. Bovendien heeft de kantonrechter overwogen dat nu de zaak niet in overeenstemming met de bedoeling van artikel 96 Rv is voorgelegd, de zaak dient te worden verwezen naar de absoluut bevoegde rechter.
3.7.
Dat brengt het hof tot het oordeel dat partijen weliswaar voorafgaande aan de procedure een artikel 96 Rv-overeenkomst zijn overeengekomen, maar dat noch partijen, noch de kantonrechter daaraan uitvoering hebben gegeven. De kantonrechter heeft de zaak gelet hierop conform de normale verwijzingsregels (art. 71 en 93 Rv) naar de rechtbank verwezen, zodat de zaak daar verder behandeld kon worden. Van de vervolgens door de rechtbank gegeven vonnissen staan ingevolge de gewone regels (artikel 332 Rv) hoger beroep open.
3.8.
Dit leidt ertoe dat de vordering in het incident tot het niet-ontvankelijk verklaren van [appellant] in deze hoger beroepsprocedure wordt afgewezen. De beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden.
In de hoofdzaak
3.9.
Nu gelet op het vorenstaande [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep zal in deze zaak verder worden geprocedeerd. Het hof ziet aanleiding om in deze zaak een mondelinge behandeling na aanbrengen (verder: MBnA) te gelasten. Het doel is het beproeven van een minnelijke regeling of de doorverwijzing naar mediation. Voorts kan de mondelinge behandeling worden benut om informatie uit te wisselen en om eventuele instructies met betrekking tot de zaak te geven. De geplande duur van de zitting is anderhalf uur.
Voor nadere informatie over de gang van zaken verwijst het hof naar de site van het hof op www.rechtspraak.nl (deelsite Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, onder ‘Meer regels en procedures’).
Dictum
Het hof:
in het incident
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 5 september 2023 voor akte partijen uitlaten omtrent mondelinge behandeling na aanbrengen en opgave verhinderdata voor de komende vijf maanden;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 augustus 2023.
griffier rolraadsheer