Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2022-12-06
ECLI:NL:GHSHE:2022:4859
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
1,782 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.259.962/01
arrest van 6 december 2022 strekkende tot AANVULLING in de zin van artikel 32 Rv van het arrest, gewezen op 30 augustus 2022
in de zaak van
[appellante]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M. Littooij te Breda,
tegen
Bear Brothers B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. F.B. Keulen te Nieuwegein,
in aanvulling op het door het hof gewezen arrest van 30 augustus 2022 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/343349/HA ZA 18-222 tussen partijen gewezen vonnis van 20 februari 2019.
1Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
een formulier H-16 namens [appellante] met bijbehorende brief van mr. M. Littooij van 19 oktober 2022;
een brief namens Bear Brothers van mr. F.B. Keulen van 15 november 2022.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
2Het verzoek en het verweer
2.1.
Bij genoemd (eind)arrest heeft het hof het in hoger beroep bestreden vonnis vernietigd en partijen over en weer (in conventie en in reconventie) onder meer veroordeeld tot betaling van bedragen aan elkaar. Na verrekening resteert een door [appellante] aan Bear Brothers te betalen bedrag. Op grond van het vernietigde vonnis heeft [appellante] al een bedrag betaald aan Bear Brothers, maar meer dan waartoe zij per saldo op grond van het arrest van 30 augustus 2022 gehouden is.
2.2.
Bij brief van 19 oktober 2022 heeft mr. Littooij namens [appellante] opgemerkt dat [appellante] in het petitum onder haar memorie van grieven heeft gevorderd dat Bear Brothers bij vernietiging van het bestreden vonnis zal worden veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen [appellante] op grond van het bestreden vonnis aan Bear Brothers heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente. [appellante] voert aan dat tussen partijen een discussie is ontstaan over de vraag of Bear Brothers bij terugbetaling rente verschuldigd is over het aan [appellante] per saldo terug te betalen bedrag. [appellante] merkt op dat het hof weliswaar heeft beslist dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen, maar dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de bij memorie van grieven gevorderde terugbetaling van het onverschuldigd betaalde en de daarover te rekenen wettelijke rente worden afgewezen. [appellante] voert aan dat het hof kennelijk heeft verzuimd om op deze vordering te beslissen en verzoekt om een aanvulling van het arrest van 30 augustus 2022 op voet van artikel 32 Rv. in die zin, dat het hof deze vordering alsnog zal toewijzen, voor zover mogelijk met bepaling van 18 april 2018 als datum waarop de verrekening van vorderingen heeft plaatsgevonden.
2.3.
Bear Brothers heeft bij brief van haar advocaat van 15 november 2022 aangevoerd dat het hof alle vorderingen van [appellante] , voor zover niet toegewezen, heeft afgewezen, doordat in het dictum van het arrest van 30 augustus 2022 is bepaald dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen, zodat van een verzuim om op dit onderdeel van het gevorderde te beslissen geen sprake is.
Beoordeling
3.1.
Het hof verwijst naar de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake de aanvulling van rechterlijke beslissingen op voet van artikel 32 Rv., meer in het bijzonder naar HR 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:72) en HR 01 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM9435). Ook in een geval waarin in het dictum van een uitspraak in het algemeen is opgenomen dat het meer of anders gevorderde wordt afgewezen, is een aanvulling mogelijk indien de rechter tot de conclusie komt dat hij daarbij een (deel van de) vordering of een (deel van het) verzoek over het hoofd heeft gezien en die afwijzing daarop dan ook geen betrekking heeft. Doorgaans zal dit daaruit blijken dat er in het geheel geen motivering voor een afwijzing valt te ontdekken in de uitspraak.
3.2.
In het onderhavige geval heeft het hof in het lichaam van zijn arrest niets overwogen ten aanzien van de gevorderde terugbetaling van een na vernietiging mogelijk onverschuldigd betaald bedrag. Het hof heeft opnieuw recht gedaan op de vorderingen in eerste aanleg en heeft daarbij inderdaad over het hoofd gezien dat [appellante] daarnaast bij memorie van grieven een vordering in het petitum heeft opgenomen tot terugbetaling van een (mogelijk) onverschuldigd betaald bedrag. Op die vordering is verder inhoudelijk door Bear Brothers geen verweer gevoerd.
3.3.
Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals hiervoor aangehaald, is het hof van oordeel dat het arrest van 30 augustus 2022 aanvulling behoeft in die zin dat Bear Brothers zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellante] op grond van het vernietigde vonnis meer aan Bear Brothers heeft voldaan dan waartoe zij op grond van het arrest van 30 augustus 2022 is gehouden. [appellante] heeft hierover de wettelijke rente gevorderd vanaf het moment van betaling tot aan het moment van terugbetaling. Omdat [appellante] de renteschade pas is gaan lijden door de betaling, komt haar de wettelijke rente toe vanaf die dag van betaling en zal ook dat onderdeel aldus (en zoals gevorderd) worden toegewezen. Voor zover [appellante] in haar brief van 19 oktober 2022 anders verzoekt, wordt dat afgewezen.
3.5.
Het voorgaande voert dan tot na te melden beslissing. Het hof merkt daarbij op dat in de kamersamenstelling mr. Frakes is vervangen door mr. Stienissen, omdat mr. Frakes niet langer werkzaam is bij het hof.
4De uitspraak
Het hof, in aanvulling op zijn arrest van 30 augustus 2022:
veroordeelt Bear Brothers om aan [appellante] terug te betalen al hetgeen [appellante] op grond van het vernietigde vonnis meer aan Bear Brothers heeft betaald dan waartoe zij op grond van dit arrest gehouden is, vermeerderd met de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf de dag van betaling aan Bear Brothers tot aan de dag van terugbetaling aan [appellante] ;
bepaalt dat deze aanvulling onder vermelding van de datum van 6 december 2022 wordt vermeld op het afschrift van de minuut van het arrest van 30 augustus 2022;
wijst af het door [appellante] bij brief van 19 oktober 2022 meer of anders verzochte.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.J.M. Cremers en G.J.S. Bouwens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 december 2022.
griffier rolraadsheer