Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2022-10-06
ECLI:NL:GHSHE:2022:3731
Strafrecht
Hoger beroep
1,410 tokens
Inleiding
Parketnummer : 20-001557-21
Uitspraak : 6 oktober 2022
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 18 juni 2021 in de strafzaak met parketnummer 02-004454-21, tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van smaad veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00 waarvan € 300,00 voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] .
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan het klachtvereiste en het openbaar ministerie daarom ontvankelijk is in de strafvervolging.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ondanks het feit dat de formele klacht niet tijdig is ingediend, het openbaar ministerie tot vervolging mag overgaan, indien uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende blijkt dat het de bedoeling van de klachtgerechtigde, aangeefster [benadeelde] , is geweest dat wordt overgegaan tot strafrechtelijke vervolging. De advocaat-generaal heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat uit het dossier voldoende is gebleken dat aangeefster [benadeelde] , vervolging wenst.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 269, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna telkens: Sr) vindt de vervolging van een verdachte ter zake van smaad(-schrift) en belediging, strafbaar krachtens artikel 261 Sr respectievelijk artikel 266 Sr, alleen plaats op een tegen hem/haar gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd. De klacht dient ingevolge artikel 66 Sr te worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.
Ingevolge artikel 164, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna telkens: Sv), geschiedt een klacht mondeling of schriftelijk bij een bevoegde ambtenaar door de klachtgerechtigde persoon en bestaat een klacht uit een aangifte met een verzoek tot vervolging. Artikel 164 Sv strekt ertoe te doen vaststaan dat de klachtgerechtigde persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen.
Het hof leidt uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af dat het ontbreken van een formele klacht niet zonder meer hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, mits vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst en van die wens binnen de klachttermijn van drie maanden na kennisneming van het delict is gebleken (vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2242 en HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR: 2022:799).
Hiervan is in het onderhavige geval niet gebleken. Het hof stelt op grond van het procesdossier vast dat aangeefster [benadeelde] op 23 juli 2020 aangifte heeft gedaan ter zake van “belediging” op 15 juli 2020. Het hof stelt voorts vast dat de aangifte van belediging geen klacht inhoudt ter zake van smaad(-schrift) of belediging. Het hof stelt tevens vast dat noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat aangeefster [benadeelde] binnen drie maanden na de dag waarop zij kennis heeft gekregen van het gepleegde feit strafvervolging tegen de verdachte wenste. Pas op 10 november 2020, dus na ommekomst van de termijn van 3 maanden, is door verbalisant [verbalisant] van aangeefster een mondelinge klacht ontvangen ter zake van “bedreiging smaad”. Een kennelijke mutatie uit juli 2020 waarin (slechts) is opgenomen dat de hulpofficier van justitie, zijnde verbalisant [verbalisant] , een klacht opmaakt - zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting mondeling naar voren heeft gebracht – duidt er niet op dat door aangeefster [benadeelde] een klacht is ingediend, dan wel dat zij vervolging wenste. De inhoud van de mutatie leidt derhalve niet tot een ander oordeel.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.
Dictum
Het hof:
verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging.
Aldus gewezen door:
mr. S. Riemens, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. A.C. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffier,
en op 6 oktober 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.