Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2020-02-06
ECLI:NL:GHSHE:2020:376
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
16,104 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 6 februari 2020
Zaaknummer : 200.271.026/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/352815 / JE RK 19-1818
in de zaak in hoger beroep van:
[minderjarige]
,
thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg [instelling 1] te [plaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. T. Kemper,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader);
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de machtiging gesloten uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans subsidiair dat deze hooguit voorwaardelijk wordt verleend.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Kemper;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de vader, bijgestaan door mr. B. Frencken;
- de moeder.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de GI d.d. 14 januari 2020.
Beoordeling
3.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
3.2.
[minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan van 9 oktober 2013 tot 9 oktober 2016. Vanaf 1 juni 2018 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juni 2020.
3.3.
Bij beschikking van 19 november 2018 is machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een pleeggezin. [minderjarige] is vervolgens geplaatst behandellocatie [behandellocatie] van Stichting [stichting] , welke plaatsing op of omstreeks 20 november 2019 door Stichting [stichting] is beëindigd.
3.4.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 november 2019 tot 19 december 2019.
3.5.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten aanzien van [minderjarige] met ingang van 2 december 2019 tot en met 31 mei 2020.
3.6.
[minderjarige] kan zich met laatstgenoemde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
[minderjarige] voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] erkent dat sprake is van forse problematiek en dat hulpverlening nodig is, maar de gesloten plaatsing is niet de juiste oplossing. Andere, minder verstrekkende, opties zijn niet geprobeerd. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing verbleef [minderjarige] bij zijn vader en dit is goed gegaan. [minderjarige] staat nu open voor hulpverlening. Hij begrijpt dat hij eerder aan de bel moet trekken als er iets aan de hand is en dat er wat met school moet gebeuren. Eventueel kan de machtiging voorwaardelijk worden opgelegd. [minderjarige] weet nu wat een gesloten plaatsing is en wat de consequenties zijn als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. [minderjarige] is bij [instelling 1] geplaatst terwijl [instelling 2] de beste plek voor hem zou zijn.
3.8.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] is niet bij [instelling 2] geplaatst omdat daar geen plek was. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de plaatsing bij [instelling 1] verliep goed omdat er niets van [minderjarige] werd verwacht.
In het verleden is er veel hulpverlening aangeboden maar dit werd door [minderjarige] afgewezen of stopgezet. [minderjarige] ging niet meer naar school, was dreigend richting zijn omgeving en trok iedere vorm van gezag in twijfel. Als [minderjarige] nu niet de juiste hulp krijgt zal hij risico lopen in de toekomst, zal hij worden bedreigd in zijn ontwikkeling en blijft hij een gevaar voor zijn omgeving. De gesloten plaatsing moet worden voortgezet omdat [minderjarige] daar niet kan weglopen. De ontwikkelingsbedreigingen zoals omschreven in het inleidend verzoek zijn nog aanwezig. De school binnen de gesloten setting is voor nu de enige school waar [minderjarige] naartoe kan.
[minderjarige] bevindt zich nog in de observatieperiode. Op 20 januari aanstaande worden het behandeltraject en de gestelde doelen besproken. Omdat [minderjarige] nog niet is gestart met zijn behandeling is een voorwaardelijke machtiging nog een brug te ver. De GI laat de gesloten plaatsing niet langer duren dan nodig, maar de GI moet eerst zien dat het beter gaat en daarna kan gekeken worden of plaatsing in een open setting mogelijk is.
3.9.
De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
Ten aanzien van [minderjarige] is sprake van een jarenlange aaneenschakeling van grote problemen. Er is van alles geprobeerd, maar dit heeft onvoldoende gebracht. Terug naar ambulante hulpverlening is op dit moment een gepasseerd station. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing ging het goed omdat er geen eisen aan [minderjarige] werden gesteld en hij niets hoefde te doen. Het gaat fout zodra er druk op [minderjarige] wordt uitgeoefend of dreigt te worden uitgeoefend. Doordat nog onduidelijk is welk traject er gevolgd gaat worden is het voor de raad lastig om te adviseren over de plaatsing en over het belang van [minderjarige] .
3.10.
De vader brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De vader is het niet eens met de gesloten plaatsing en hij sluit zich aan bij het appel van [minderjarige] . Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de gesloten plaatsing heeft de vader een gedragsverandering bij [minderjarige] gezien die voortkwam uit een interne motivatie bij [minderjarige] . Het ging goed omdat [minderjarige] dat wilde en niet zozeer omdat er niets hoefde. Omdat er nog geen duidelijkheid is over het te volgen traject, kan niet gezegd worden of deze gesloten plaatsing een goed idee is.
3.11.
De moeder brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De moeder ondersteunt het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft meer nodig dan zijn ouders hem kunnen bieden. Hierdoor is het bij beide ouders geen geschikte plek voor hem. [minderjarige] heeft er baat bij dat hij gesloten is geplaatst, op een plek waar hij zichzelf weer kan vinden en waar hij handvatten krijgt wat hij moet doen als het mis gaat. Dat kan niet vanuit een ambulante setting.
3.12.
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.
3.12.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:
er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;
de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.12.3.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
3.12.4.
Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.A.R.M. van Leuven en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 6 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 6 februari 2020
Zaaknummer : 200.271.026/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/352815 / JE RK 19-1818
in de zaak in hoger beroep van:
[minderjarige]
,
thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg [instelling 1] te [plaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. T. Kemper,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader);
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de machtiging gesloten uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans subsidiair dat deze hooguit voorwaardelijk wordt verleend.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Kemper;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de vader, bijgestaan door mr. B. Frencken;
- de moeder.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de GI d.d. 14 januari 2020.
Beoordeling
3.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
3.2.
[minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan van 9 oktober 2013 tot 9 oktober 2016. Vanaf 1 juni 2018 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juni 2020.
3.3.
Bij beschikking van 19 november 2018 is machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een pleeggezin. [minderjarige] is vervolgens geplaatst behandellocatie [behandellocatie] van Stichting [stichting] , welke plaatsing op of omstreeks 20 november 2019 door Stichting [stichting] is beëindigd.
3.4.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 november 2019 tot 19 december 2019.
3.5.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten aanzien van [minderjarige] met ingang van 2 december 2019 tot en met 31 mei 2020.
3.6.
[minderjarige] kan zich met laatstgenoemde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
[minderjarige] voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] erkent dat sprake is van forse problematiek en dat hulpverlening nodig is, maar de gesloten plaatsing is niet de juiste oplossing. Andere, minder verstrekkende, opties zijn niet geprobeerd. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing verbleef [minderjarige] bij zijn vader en dit is goed gegaan. [minderjarige] staat nu open voor hulpverlening. Hij begrijpt dat hij eerder aan de bel moet trekken als er iets aan de hand is en dat er wat met school moet gebeuren. Eventueel kan de machtiging voorwaardelijk worden opgelegd. [minderjarige] weet nu wat een gesloten plaatsing is en wat de consequenties zijn als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. [minderjarige] is bij [instelling 1] geplaatst terwijl [instelling 2] de beste plek voor hem zou zijn.
3.8.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] is niet bij [instelling 2] geplaatst omdat daar geen plek was. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de plaatsing bij [instelling 1] verliep goed omdat er niets van [minderjarige] werd verwacht.
In het verleden is er veel hulpverlening aangeboden maar dit werd door [minderjarige] afgewezen of stopgezet. [minderjarige] ging niet meer naar school, was dreigend richting zijn omgeving en trok iedere vorm van gezag in twijfel. Als [minderjarige] nu niet de juiste hulp krijgt zal hij risico lopen in de toekomst, zal hij worden bedreigd in zijn ontwikkeling en blijft hij een gevaar voor zijn omgeving. De gesloten plaatsing moet worden voortgezet omdat [minderjarige] daar niet kan weglopen. De ontwikkelingsbedreigingen zoals omschreven in het inleidend verzoek zijn nog aanwezig. De school binnen de gesloten setting is voor nu de enige school waar [minderjarige] naartoe kan.
[minderjarige] bevindt zich nog in de observatieperiode. Op 20 januari aanstaande worden het behandeltraject en de gestelde doelen besproken. Omdat [minderjarige] nog niet is gestart met zijn behandeling is een voorwaardelijke machtiging nog een brug te ver. De GI laat de gesloten plaatsing niet langer duren dan nodig, maar de GI moet eerst zien dat het beter gaat en daarna kan gekeken worden of plaatsing in een open setting mogelijk is.
3.9.
De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
Ten aanzien van [minderjarige] is sprake van een jarenlange aaneenschakeling van grote problemen. Er is van alles geprobeerd, maar dit heeft onvoldoende gebracht. Terug naar ambulante hulpverlening is op dit moment een gepasseerd station. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing ging het goed omdat er geen eisen aan [minderjarige] werden gesteld en hij niets hoefde te doen. Het gaat fout zodra er druk op [minderjarige] wordt uitgeoefend of dreigt te worden uitgeoefend. Doordat nog onduidelijk is welk traject er gevolgd gaat worden is het voor de raad lastig om te adviseren over de plaatsing en over het belang van [minderjarige] .
3.10.
De vader brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De vader is het niet eens met de gesloten plaatsing en hij sluit zich aan bij het appel van [minderjarige] . Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de gesloten plaatsing heeft de vader een gedragsverandering bij [minderjarige] gezien die voortkwam uit een interne motivatie bij [minderjarige] . Het ging goed omdat [minderjarige] dat wilde en niet zozeer omdat er niets hoefde. Omdat er nog geen duidelijkheid is over het te volgen traject, kan niet gezegd worden of deze gesloten plaatsing een goed idee is.
3.11.
De moeder brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De moeder ondersteunt het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft meer nodig dan zijn ouders hem kunnen bieden. Hierdoor is het bij beide ouders geen geschikte plek voor hem. [minderjarige] heeft er baat bij dat hij gesloten is geplaatst, op een plek waar hij zichzelf weer kan vinden en waar hij handvatten krijgt wat hij moet doen als het mis gaat. Dat kan niet vanuit een ambulante setting.
3.12.
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.
3.12.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:
er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;
de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.12.3.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
3.12.4.
Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.A.R.M. van Leuven en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 6 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 6 februari 2020
Zaaknummer : 200.271.026/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/352815 / JE RK 19-1818
in de zaak in hoger beroep van:
[minderjarige]
,
thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg [instelling 1] te [plaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. T. Kemper,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader);
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de machtiging gesloten uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans subsidiair dat deze hooguit voorwaardelijk wordt verleend.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Kemper;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de vader, bijgestaan door mr. B. Frencken;
- de moeder.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de GI d.d. 14 januari 2020.
Beoordeling
3.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
3.2.
[minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan van 9 oktober 2013 tot 9 oktober 2016. Vanaf 1 juni 2018 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juni 2020.
3.3.
Bij beschikking van 19 november 2018 is machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een pleeggezin. [minderjarige] is vervolgens geplaatst behandellocatie [behandellocatie] van Stichting [stichting] , welke plaatsing op of omstreeks 20 november 2019 door Stichting [stichting] is beëindigd.
3.4.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 november 2019 tot 19 december 2019.
3.5.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten aanzien van [minderjarige] met ingang van 2 december 2019 tot en met 31 mei 2020.
3.6.
[minderjarige] kan zich met laatstgenoemde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
[minderjarige] voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] erkent dat sprake is van forse problematiek en dat hulpverlening nodig is, maar de gesloten plaatsing is niet de juiste oplossing. Andere, minder verstrekkende, opties zijn niet geprobeerd. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing verbleef [minderjarige] bij zijn vader en dit is goed gegaan. [minderjarige] staat nu open voor hulpverlening. Hij begrijpt dat hij eerder aan de bel moet trekken als er iets aan de hand is en dat er wat met school moet gebeuren. Eventueel kan de machtiging voorwaardelijk worden opgelegd. [minderjarige] weet nu wat een gesloten plaatsing is en wat de consequenties zijn als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. [minderjarige] is bij [instelling 1] geplaatst terwijl [instelling 2] de beste plek voor hem zou zijn.
3.8.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] is niet bij [instelling 2] geplaatst omdat daar geen plek was. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de plaatsing bij [instelling 1] verliep goed omdat er niets van [minderjarige] werd verwacht.
In het verleden is er veel hulpverlening aangeboden maar dit werd door [minderjarige] afgewezen of stopgezet. [minderjarige] ging niet meer naar school, was dreigend richting zijn omgeving en trok iedere vorm van gezag in twijfel. Als [minderjarige] nu niet de juiste hulp krijgt zal hij risico lopen in de toekomst, zal hij worden bedreigd in zijn ontwikkeling en blijft hij een gevaar voor zijn omgeving. De gesloten plaatsing moet worden voortgezet omdat [minderjarige] daar niet kan weglopen. De ontwikkelingsbedreigingen zoals omschreven in het inleidend verzoek zijn nog aanwezig. De school binnen de gesloten setting is voor nu de enige school waar [minderjarige] naartoe kan.
[minderjarige] bevindt zich nog in de observatieperiode. Op 20 januari aanstaande worden het behandeltraject en de gestelde doelen besproken. Omdat [minderjarige] nog niet is gestart met zijn behandeling is een voorwaardelijke machtiging nog een brug te ver. De GI laat de gesloten plaatsing niet langer duren dan nodig, maar de GI moet eerst zien dat het beter gaat en daarna kan gekeken worden of plaatsing in een open setting mogelijk is.
3.9.
De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
Ten aanzien van [minderjarige] is sprake van een jarenlange aaneenschakeling van grote problemen. Er is van alles geprobeerd, maar dit heeft onvoldoende gebracht. Terug naar ambulante hulpverlening is op dit moment een gepasseerd station. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing ging het goed omdat er geen eisen aan [minderjarige] werden gesteld en hij niets hoefde te doen. Het gaat fout zodra er druk op [minderjarige] wordt uitgeoefend of dreigt te worden uitgeoefend. Doordat nog onduidelijk is welk traject er gevolgd gaat worden is het voor de raad lastig om te adviseren over de plaatsing en over het belang van [minderjarige] .
3.10.
De vader brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De vader is het niet eens met de gesloten plaatsing en hij sluit zich aan bij het appel van [minderjarige] . Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de gesloten plaatsing heeft de vader een gedragsverandering bij [minderjarige] gezien die voortkwam uit een interne motivatie bij [minderjarige] . Het ging goed omdat [minderjarige] dat wilde en niet zozeer omdat er niets hoefde. Omdat er nog geen duidelijkheid is over het te volgen traject, kan niet gezegd worden of deze gesloten plaatsing een goed idee is.
3.11.
De moeder brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De moeder ondersteunt het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft meer nodig dan zijn ouders hem kunnen bieden. Hierdoor is het bij beide ouders geen geschikte plek voor hem. [minderjarige] heeft er baat bij dat hij gesloten is geplaatst, op een plek waar hij zichzelf weer kan vinden en waar hij handvatten krijgt wat hij moet doen als het mis gaat. Dat kan niet vanuit een ambulante setting.
3.12.
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.
3.12.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:
er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;
de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.12.3.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
3.12.4.
Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.A.R.M. van Leuven en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 6 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 6 februari 2020
Zaaknummer : 200.271.026/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/352815 / JE RK 19-1818
in de zaak in hoger beroep van:
[minderjarige]
,
thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg [instelling 1] te [plaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. T. Kemper,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader);
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de machtiging gesloten uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans subsidiair dat deze hooguit voorwaardelijk wordt verleend.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Kemper;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de vader, bijgestaan door mr. B. Frencken;
- de moeder.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de GI d.d. 14 januari 2020.
Beoordeling
3.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
3.2.
[minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan van 9 oktober 2013 tot 9 oktober 2016. Vanaf 1 juni 2018 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juni 2020.
3.3.
Bij beschikking van 19 november 2018 is machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een pleeggezin. [minderjarige] is vervolgens geplaatst behandellocatie [behandellocatie] van Stichting [stichting] , welke plaatsing op of omstreeks 20 november 2019 door Stichting [stichting] is beëindigd.
3.4.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 november 2019 tot 19 december 2019.
3.5.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten aanzien van [minderjarige] met ingang van 2 december 2019 tot en met 31 mei 2020.
3.6.
[minderjarige] kan zich met laatstgenoemde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
[minderjarige] voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] erkent dat sprake is van forse problematiek en dat hulpverlening nodig is, maar de gesloten plaatsing is niet de juiste oplossing. Andere, minder verstrekkende, opties zijn niet geprobeerd. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing verbleef [minderjarige] bij zijn vader en dit is goed gegaan. [minderjarige] staat nu open voor hulpverlening. Hij begrijpt dat hij eerder aan de bel moet trekken als er iets aan de hand is en dat er wat met school moet gebeuren. Eventueel kan de machtiging voorwaardelijk worden opgelegd. [minderjarige] weet nu wat een gesloten plaatsing is en wat de consequenties zijn als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. [minderjarige] is bij [instelling 1] geplaatst terwijl [instelling 2] de beste plek voor hem zou zijn.
3.8.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] is niet bij [instelling 2] geplaatst omdat daar geen plek was. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de plaatsing bij [instelling 1] verliep goed omdat er niets van [minderjarige] werd verwacht.
In het verleden is er veel hulpverlening aangeboden maar dit werd door [minderjarige] afgewezen of stopgezet. [minderjarige] ging niet meer naar school, was dreigend richting zijn omgeving en trok iedere vorm van gezag in twijfel. Als [minderjarige] nu niet de juiste hulp krijgt zal hij risico lopen in de toekomst, zal hij worden bedreigd in zijn ontwikkeling en blijft hij een gevaar voor zijn omgeving. De gesloten plaatsing moet worden voortgezet omdat [minderjarige] daar niet kan weglopen. De ontwikkelingsbedreigingen zoals omschreven in het inleidend verzoek zijn nog aanwezig. De school binnen de gesloten setting is voor nu de enige school waar [minderjarige] naartoe kan.
[minderjarige] bevindt zich nog in de observatieperiode. Op 20 januari aanstaande worden het behandeltraject en de gestelde doelen besproken. Omdat [minderjarige] nog niet is gestart met zijn behandeling is een voorwaardelijke machtiging nog een brug te ver. De GI laat de gesloten plaatsing niet langer duren dan nodig, maar de GI moet eerst zien dat het beter gaat en daarna kan gekeken worden of plaatsing in een open setting mogelijk is.
3.9.
De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
Ten aanzien van [minderjarige] is sprake van een jarenlange aaneenschakeling van grote problemen. Er is van alles geprobeerd, maar dit heeft onvoldoende gebracht. Terug naar ambulante hulpverlening is op dit moment een gepasseerd station. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing ging het goed omdat er geen eisen aan [minderjarige] werden gesteld en hij niets hoefde te doen. Het gaat fout zodra er druk op [minderjarige] wordt uitgeoefend of dreigt te worden uitgeoefend. Doordat nog onduidelijk is welk traject er gevolgd gaat worden is het voor de raad lastig om te adviseren over de plaatsing en over het belang van [minderjarige] .
3.10.
De vader brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De vader is het niet eens met de gesloten plaatsing en hij sluit zich aan bij het appel van [minderjarige] . Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de gesloten plaatsing heeft de vader een gedragsverandering bij [minderjarige] gezien die voortkwam uit een interne motivatie bij [minderjarige] . Het ging goed omdat [minderjarige] dat wilde en niet zozeer omdat er niets hoefde. Omdat er nog geen duidelijkheid is over het te volgen traject, kan niet gezegd worden of deze gesloten plaatsing een goed idee is.
3.11.
De moeder brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De moeder ondersteunt het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft meer nodig dan zijn ouders hem kunnen bieden. Hierdoor is het bij beide ouders geen geschikte plek voor hem. [minderjarige] heeft er baat bij dat hij gesloten is geplaatst, op een plek waar hij zichzelf weer kan vinden en waar hij handvatten krijgt wat hij moet doen als het mis gaat. Dat kan niet vanuit een ambulante setting.
3.12.
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.
3.12.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:
er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;
de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.12.3.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
3.12.4.
Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.A.R.M. van Leuven en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 6 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 6 februari 2020
Zaaknummer : 200.271.026/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/352815 / JE RK 19-1818
in de zaak in hoger beroep van:
[minderjarige]
,
thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg [instelling 1] te [plaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. T. Kemper,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader);
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de machtiging gesloten uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans subsidiair dat deze hooguit voorwaardelijk wordt verleend.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Kemper;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de vader, bijgestaan door mr. B. Frencken;
- de moeder.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de GI d.d. 14 januari 2020.
Beoordeling
3.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
3.2.
[minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan van 9 oktober 2013 tot 9 oktober 2016. Vanaf 1 juni 2018 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juni 2020.
3.3.
Bij beschikking van 19 november 2018 is machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een pleeggezin. [minderjarige] is vervolgens geplaatst behandellocatie [behandellocatie] van Stichting [stichting] , welke plaatsing op of omstreeks 20 november 2019 door Stichting [stichting] is beëindigd.
3.4.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 november 2019 tot 19 december 2019.
3.5.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten aanzien van [minderjarige] met ingang van 2 december 2019 tot en met 31 mei 2020.
3.6.
[minderjarige] kan zich met laatstgenoemde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
[minderjarige] voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] erkent dat sprake is van forse problematiek en dat hulpverlening nodig is, maar de gesloten plaatsing is niet de juiste oplossing. Andere, minder verstrekkende, opties zijn niet geprobeerd. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing verbleef [minderjarige] bij zijn vader en dit is goed gegaan. [minderjarige] staat nu open voor hulpverlening. Hij begrijpt dat hij eerder aan de bel moet trekken als er iets aan de hand is en dat er wat met school moet gebeuren. Eventueel kan de machtiging voorwaardelijk worden opgelegd. [minderjarige] weet nu wat een gesloten plaatsing is en wat de consequenties zijn als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. [minderjarige] is bij [instelling 1] geplaatst terwijl [instelling 2] de beste plek voor hem zou zijn.
3.8.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] is niet bij [instelling 2] geplaatst omdat daar geen plek was. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de plaatsing bij [instelling 1] verliep goed omdat er niets van [minderjarige] werd verwacht.
In het verleden is er veel hulpverlening aangeboden maar dit werd door [minderjarige] afgewezen of stopgezet. [minderjarige] ging niet meer naar school, was dreigend richting zijn omgeving en trok iedere vorm van gezag in twijfel. Als [minderjarige] nu niet de juiste hulp krijgt zal hij risico lopen in de toekomst, zal hij worden bedreigd in zijn ontwikkeling en blijft hij een gevaar voor zijn omgeving. De gesloten plaatsing moet worden voortgezet omdat [minderjarige] daar niet kan weglopen. De ontwikkelingsbedreigingen zoals omschreven in het inleidend verzoek zijn nog aanwezig. De school binnen de gesloten setting is voor nu de enige school waar [minderjarige] naartoe kan.
[minderjarige] bevindt zich nog in de observatieperiode. Op 20 januari aanstaande worden het behandeltraject en de gestelde doelen besproken. Omdat [minderjarige] nog niet is gestart met zijn behandeling is een voorwaardelijke machtiging nog een brug te ver. De GI laat de gesloten plaatsing niet langer duren dan nodig, maar de GI moet eerst zien dat het beter gaat en daarna kan gekeken worden of plaatsing in een open setting mogelijk is.
3.9.
De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
Ten aanzien van [minderjarige] is sprake van een jarenlange aaneenschakeling van grote problemen. Er is van alles geprobeerd, maar dit heeft onvoldoende gebracht. Terug naar ambulante hulpverlening is op dit moment een gepasseerd station. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing ging het goed omdat er geen eisen aan [minderjarige] werden gesteld en hij niets hoefde te doen. Het gaat fout zodra er druk op [minderjarige] wordt uitgeoefend of dreigt te worden uitgeoefend. Doordat nog onduidelijk is welk traject er gevolgd gaat worden is het voor de raad lastig om te adviseren over de plaatsing en over het belang van [minderjarige] .
3.10.
De vader brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De vader is het niet eens met de gesloten plaatsing en hij sluit zich aan bij het appel van [minderjarige] . Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de gesloten plaatsing heeft de vader een gedragsverandering bij [minderjarige] gezien die voortkwam uit een interne motivatie bij [minderjarige] . Het ging goed omdat [minderjarige] dat wilde en niet zozeer omdat er niets hoefde. Omdat er nog geen duidelijkheid is over het te volgen traject, kan niet gezegd worden of deze gesloten plaatsing een goed idee is.
3.11.
De moeder brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De moeder ondersteunt het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft meer nodig dan zijn ouders hem kunnen bieden. Hierdoor is het bij beide ouders geen geschikte plek voor hem. [minderjarige] heeft er baat bij dat hij gesloten is geplaatst, op een plek waar hij zichzelf weer kan vinden en waar hij handvatten krijgt wat hij moet doen als het mis gaat. Dat kan niet vanuit een ambulante setting.
3.12.
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.
3.12.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:
er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;
de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.12.3.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
3.12.4.
Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.A.R.M. van Leuven en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 6 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 6 februari 2020
Zaaknummer : 200.271.026/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/352815 / JE RK 19-1818
in de zaak in hoger beroep van:
[minderjarige]
,
thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg [instelling 1] te [plaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. T. Kemper,
tegen
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: de GI.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader);
- [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, heeft [minderjarige] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en primair te bepalen dat de machtiging gesloten uithuisplaatsing wordt afgewezen, althans subsidiair dat deze hooguit voorwaardelijk wordt verleend.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van [minderjarige] af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Kemper;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] ;
- de vader, bijgestaan door mr. B. Frencken;
- de moeder.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- de brief van de GI d.d. 14 januari 2020.
Beoordeling
3.1.
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.
3.2.
[minderjarige] heeft eerder onder toezicht gestaan van 9 oktober 2013 tot 9 oktober 2016. Vanaf 1 juni 2018 is [minderjarige] opnieuw onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juni 2020.
3.3.
Bij beschikking van 19 november 2018 is machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel een pleeggezin. [minderjarige] is vervolgens geplaatst behandellocatie [behandellocatie] van Stichting [stichting] , welke plaatsing op of omstreeks 20 november 2019 door Stichting [stichting] is beëindigd.
3.4.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant ten aanzien van [minderjarige] een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 21 november 2019 tot 19 december 2019.
3.5.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een machtiging gesloten jeugdhulp verleend ten aanzien van [minderjarige] met ingang van 2 december 2019 tot en met 31 mei 2020.
3.6.
[minderjarige] kan zich met laatstgenoemde beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.7.
[minderjarige] voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] erkent dat sprake is van forse problematiek en dat hulpverlening nodig is, maar de gesloten plaatsing is niet de juiste oplossing. Andere, minder verstrekkende, opties zijn niet geprobeerd. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing verbleef [minderjarige] bij zijn vader en dit is goed gegaan. [minderjarige] staat nu open voor hulpverlening. Hij begrijpt dat hij eerder aan de bel moet trekken als er iets aan de hand is en dat er wat met school moet gebeuren. Eventueel kan de machtiging voorwaardelijk worden opgelegd. [minderjarige] weet nu wat een gesloten plaatsing is en wat de consequenties zijn als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. [minderjarige] is bij [instelling 1] geplaatst terwijl [instelling 2] de beste plek voor hem zou zijn.
3.8.
De GI voert, kort samengevat, het volgende aan.
[minderjarige] is niet bij [instelling 2] geplaatst omdat daar geen plek was. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de plaatsing bij [instelling 1] verliep goed omdat er niets van [minderjarige] werd verwacht.
In het verleden is er veel hulpverlening aangeboden maar dit werd door [minderjarige] afgewezen of stopgezet. [minderjarige] ging niet meer naar school, was dreigend richting zijn omgeving en trok iedere vorm van gezag in twijfel. Als [minderjarige] nu niet de juiste hulp krijgt zal hij risico lopen in de toekomst, zal hij worden bedreigd in zijn ontwikkeling en blijft hij een gevaar voor zijn omgeving. De gesloten plaatsing moet worden voortgezet omdat [minderjarige] daar niet kan weglopen. De ontwikkelingsbedreigingen zoals omschreven in het inleidend verzoek zijn nog aanwezig. De school binnen de gesloten setting is voor nu de enige school waar [minderjarige] naartoe kan.
[minderjarige] bevindt zich nog in de observatieperiode. Op 20 januari aanstaande worden het behandeltraject en de gestelde doelen besproken. Omdat [minderjarige] nog niet is gestart met zijn behandeling is een voorwaardelijke machtiging nog een brug te ver. De GI laat de gesloten plaatsing niet langer duren dan nodig, maar de GI moet eerst zien dat het beter gaat en daarna kan gekeken worden of plaatsing in een open setting mogelijk is.
3.9.
De raad brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
Ten aanzien van [minderjarige] is sprake van een jarenlange aaneenschakeling van grote problemen. Er is van alles geprobeerd, maar dit heeft onvoldoende gebracht. Terug naar ambulante hulpverlening is op dit moment een gepasseerd station. In de periode voorafgaand aan de gesloten plaatsing ging het goed omdat er geen eisen aan [minderjarige] werden gesteld en hij niets hoefde te doen. Het gaat fout zodra er druk op [minderjarige] wordt uitgeoefend of dreigt te worden uitgeoefend. Doordat nog onduidelijk is welk traject er gevolgd gaat worden is het voor de raad lastig om te adviseren over de plaatsing en over het belang van [minderjarige] .
3.10.
De vader brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De vader is het niet eens met de gesloten plaatsing en hij sluit zich aan bij het appel van [minderjarige] . Tijdens het verblijf van [minderjarige] bij de vader voorafgaand aan de gesloten plaatsing heeft de vader een gedragsverandering bij [minderjarige] gezien die voortkwam uit een interne motivatie bij [minderjarige] . Het ging goed omdat [minderjarige] dat wilde en niet zozeer omdat er niets hoefde. Omdat er nog geen duidelijkheid is over het te volgen traject, kan niet gezegd worden of deze gesloten plaatsing een goed idee is.
3.11.
De moeder brengt, kort samengevat, het volgende naar voren.
De moeder ondersteunt het verzoek van de GI. [minderjarige] heeft meer nodig dan zijn ouders hem kunnen bieden. Hierdoor is het bij beide ouders geen geschikte plek voor hem. [minderjarige] heeft er baat bij dat hij gesloten is geplaatst, op een plek waar hij zichzelf weer kan vinden en waar hij handvatten krijgt wat hij moet doen als het mis gaat. Dat kan niet vanuit een ambulante setting.
3.12.
Het hof overweegt het volgende.
3.12.1.
Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw) is de minderjarige in zaken betrekking hebbende op jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.2 Jw bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [minderjarige] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.
3.12.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de rechter op verzoek van onder meer de gecertificeerde instelling een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven.
Gelet op artikel 6.1.2 lid 2 Jw staat ter beoordeling of:
er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en;
de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.
3.12.3.
Een machtiging kan op grond van artikel 6.1.2 lid 3 bovendien slechts worden verleend indien (a) de jeugdige onder toezicht is gesteld, (b) de voogdij over de jeugdige bij een gecertificeerde instelling berust of (c) degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt.
3.12.4.
Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.A.R.M. van Leuven en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 6 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.