Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2019-11-27
ECLI:NL:GHSHE:2019:4352
Strafrecht
Rekestprocedure
4,436 tokens
Dictum
gegeven op het schriftelijke verzoek van 29 oktober 2019, ingekomen ter griffie van het hof op 30 oktober 2019, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met parketnummer 20-003528-18, in hoger beroep aanhangig bij de achtste meervoudige strafkamer van dit gerechtshof, ingediend namens:
[verzoeker]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1967,
thans verblijvende in de penitentiaire inrichting – het Huis van Bewaring ‘Arnhem-Zuid’ te Arnhem, raadslieden: mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen enmr. R. Zilver, advocaat te Utrecht,
hierna te noemen: ‘verzoeker’,
strekkende tot wraking van mr. W.E.C.A. Valkenburg, mr. S. Riemens en mr. G.J. Schiffers, respectievelijk voorzitter en raadsheren in de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, hierna gezamenlijk te noemen: ‘het hof’ of ‘de raadsheren’.
Procesverloop
1.1.
Het hof heeft ter terechtzitting van 8 oktober 2019 de strafzaak onder parketnummer 20-003528-18 voor regie behandeld. De verdediging heeft toen diverse onderzoekswensen ingediend en verzocht om opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis. Na een onderbreking is het onderzoek op 29 oktober 2019 te 13.00 uur hervat en heeft het hof de beslissingen op de onderzoekswensen en de verzoeken met betrekking tot de voorlopige hechtenis medegedeeld. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens geschorst.
1.2.
Daarna hebben mrs. Schuurman en Zilver namens verzoeker het onderhavige verzoek tot wraking ingediend, welk verzoek op 30 oktober 2019 ter griffie van het hof is ingekomen.
1.3.
De raadsheren hebben allen schriftelijk verklaard niet in de wraking te berusten.
1.4.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter openbare, maar deels ook achter gesloten deuren gehouden, zitting van 13 november 2019 behandeld. Bij die gelegenheid zijn verzoeker, bijgestaan door mr. S. Schuurman en mr. L. de Leon (waarnemend voor mr. Zilver), alsmede advocaat-generaal mr. G.Th. Sta verschenen.
1.5.
Na sluiting van de behandeling ter zitting heeft de wrakingskamer besloten dat op 27 november 2019 op het wrakingsverzoek zal worden beslist.
2Het standpunt van verzoeker
2.1.
Het hof heeft het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Daartoe is overwogen dat het bestreden vonnis niet evident onjuist is, zodat er geen reden is om de voorlopige hechtenis op te heffen. Daarmee heeft het hof in de visie van verzoeker niet alleen een eindoordeel over de juistheid van het bestreden vonnis gegeven, maar ook over de door de verdediging ingebrachte bewijsstukken. Immers, de verdediging heeft camerabeelden ter beschikking gesteld die – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – geen andere feitelijke conclusie rechtvaardigen dan dat verzoeker een legale autohandel dreef. Aldus is de objectieve schijn van vooringenomenheid gewekt.
2.2.
Namens verzoeker wordt voorts gesteld dat de raadsheren in de motivering van het afwijzen van bepaalde onderzoekswensen blijk hebben gegeven van vooringenomenheid, althans dat de schijn daarvan is gewekt. In dat kader is door de raadslieden het volgende naar voren gebracht.
2.2.1.
Ter onderbouwing van het verzoek tot het horen van verbalisant [verbalisant] heeft de verdediging een brief overgelegd, afkomstig van verbalisant [verbalisant] en gericht aan [betrokkene 1] , waarin verzoeker zwart wordt gemaakt en onwaarheden worden geschreven. Volgens de raadslieden heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat nergens uit blijkt dat deze brief daadwerkelijk door verbalisant [verbalisant] is opgesteld en overhandigd, terwijl door officier van justitie mr. Mos in reactie op een ingediende klacht als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering is erkend dat de brief door verbalisant [verbalisant] is geschreven en aan [betrokkene 1] is overhandigd. Volgens verzoeker staat de herkomst van de brief dan ook vast. Het hof heeft het horen van verbalisant [verbalisant] afgewezen nu het hof vooralsnog niet de noodzaak is gebleken om deze getuige te horen. Nu het hof de verdediging te dezen a priori niet serieus neemt en gelooft, maar de advocaat-generaal op basis van één enkele uitlating wel, is de schijn van vooringenomenheid gewekt.
2.2.2.
Het hof heeft het niet noodzakelijk geacht om mr. [advocaat] als getuige te horen, reeds omdat een eventuele poging van [betrokkene 2] om, door tussenkomst van mr. [advocaat] , in contact te komen met verzoeker niet in strijd behoeft te zijn met een eventuele eerdere afpersing en/of mishandeling van [betrokkene 2] . De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het zoeken van contact door [betrokkene 2] met verzoeker haaks staat op een bewezenverklaring van de vermeende afpersing. Door het verzoek tot het horen van mr. [advocaat] met voormelde motivering af te wijzen heeft het hof over dit verweer reeds een eindoordeel gegeven.
2.2.3.
Met betrekking tot de verzoeken tot het horen van [getuige 1] en [getuige 2] heeft het hof overwogen dat daartoe geen noodzaak bestaat, nu een registratie van een kenteken van een auto of een tenaamstelling van een boot niets behoeft te zeggen over de vraag wie daarop de rechthebbende is. Het hof heeft gelijkluidend geoordeeld over de wens van de verdediging om onderzoek bij het CJIB te laten verrichten naar verkeersboetes die zijn geregistreerd op kentekens zoals die in de bewezenverklaring van de rechtbank zijn genoemd. De verdediging heeft aangevoerd dat deze motivering ingaat tegen de wettelijke veronderstelling dat de tenaamgestelde vermoed wordt de rechthebbende van die goederen te zijn. Door de verzoeken om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen af te wijzen volgt het hof in wezen de verklaring van [slachtoffer] . Hij heeft verklaard dat genoemde goederen op naam van derden zijn gesteld terwijl die derden niet de daadwerkelijke rechthebbenden op die goederen zijn. Door de getuigenverklaring van [slachtoffer] te volgen loopt het hof vooruit op een eindoordeel, zowel over de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaring als de tenlastegelegde afpersing.
2.2.4.
De verdediging heeft het hof verzocht om een rapport door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) te laten opmaken over het letsel bij [slachtoffer] , teneinde te kunnen vaststellen of dit letsel is ontstaan tijdens de uitoefening van een vechtsport. Het hof heeft ook deze onderzoekswens afgewezen, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken omdat zich in het dossier al een NFI-rapport bevindt met betrekking tot dit letsel. In dit rapport, dat blijkens de motivering door het hof kennelijk als richtinggevend wordt geacht, is de getuigenverklaring van [slachtoffer] , waarin wordt gesproken over het slaan met een stok, tot uitgangspunt genomen. Door het NFI is geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat het letsel bij een vechtsport is ontstaan. De lezing van verzoeker, inhoudende dat het letsel op laatstgenoemde wijze moet zijn ontstaan, wordt daarmee zonder nadere motivering terzijde geschoven. Het oordeel van het hof dat het opmaken van een nadere letselrapportage niet noodzakelijk is, is daarom zo onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.
2.2.5.
Het verzoek tot het horen van getuige [getuige 3] is door het hof afgewezen met de motivering dat het hof zulks niet noodzakelijk acht. Het hof heeft daarbij opgemerkt dat het wel wil aannemen dat [betrokkene 3] ook legale activiteiten heeft verricht, zodat er sprake is van vermenging van legale en illegale geldstromen. Het hof gaat er dus op voorhand van uit dat er voor wat betreft het door verzoeker geleende geld van [betrokkene 3] sprake is van geld dat van misdrijf afkomstig is. De vervolgconclusie zal dan luiden dat verzoeker dit geld heeft witgewassen. Verzoeker stelt dat redelijk denkende rechters niet tot een dergelijke beslissing hadden kunnen komen. Door op deze wijze het getuigenverzoek af te wijzen is de objectieve schijn gewekt dat de raadsheren bevooroordeeld zijn, hetgeen volgens de raadslieden overigens reeds uit de bewoordingen van de motivering blijkt.
2.2.6.
Teneinde aan te kunnen tonen dat fraude middels het administratiesysteem van [bedrijf] niet mogelijk is, heeft de verdediging verzocht om de administratie van zonnestudio [bedrijf] over 2015 ter beschikking te krijgen. Het hof heeft dat niet noodzakelijk geacht en het daartoe strekkende verzoek afgewezen.
Beoordeling
5.1.
De wrakingskamer neemt voor zijn beoordeling de ook tijdens de zitting aan de orde gekomen arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770) tot uitgangspunt. In laatstgenoemd arrest overweegt de Hoge Raad als volgt:
“4.2.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 14, eerste lid, IVBPR dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (vgl. HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7956).
4.2.2. In het Nederlandse systeem van strafvordering kan een procespartij bij de behandeling van een strafzaak een beroep doen op zulke uitzonderlijke omstandigheden. Bij gegrondbevinding van dat beroep zal de rechter op wie dat beroep ziet, zich onttrekken aan de behandeling van de strafzaak. Bij verwerping van het beroep kan de desbetreffende procespartij een rechtsmiddel aanwenden tegen de eindbeslissing en in het kader daarvan het beroep herhalen. Indien dat beroep op bedoelde uitzonderlijke omstandigheden alsnog wordt gehonoreerd, leidt dat tot terugwijzing van de zaak naar het eerder oordelende gerecht. (Vgl. bijvoorbeeld HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1502, NJ 2000/335.)
4.2.3. Daarnaast voorziet art. 512 Sv in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook bij de beoordeling van zo een verzoek dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, en dat slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte of het openbaar ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het openbaar ministerie dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, dit vermoeden moet wi
jken.
4.2.4. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. (Vgl. het heden uitgesproken arrest ECLI:NL:HR:2018:1
413.).”
5.2.
Tegen deze achtergrond overweegt de wrakingskamer als volgt.
5.3.
De wrakingskamer stelt vast dat het hof als motivering van de afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis heeft overwogen dat er “(…) geen sprake [is] van een evident onjuist vonnis, zodat er geen reden is om de voorlopige hechtenis op te heffen. De ernstige bezwaren én de gronden die hebben geleid tot het laatst verleende bevel tot verlenging van de gevangenhouding zijn ook nu nog onverkort aanwezig en er is sprake van een veroordelend vonnis waardoor de ernstige bezwaren alleen nog maar zijn toegenomen, terwijl de situatie van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich naar het oordeel van het hof op dit moment nog niet voordoet.”
Het hof heeft derhalve onder meer de toetsingsmaatstaf van het ‘evident onjuiste vonnis’ aangelegd. Daarbij toetst de appelrechter marginaal of sprake is van een apert onjuist vonnis en dus niet, zoals in het hiervoor onder 2.1 weergegeven betoog van de raadslieden ligt besloten, in volle omvang of het bestreden vonnis (op onderdelen) feitelijke onjuistheden bevat. Dit geldt temeer indien het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt behandeld in het kader van de behandeling van een zaak voor regie, zoals in het onderhavige geval. Uit de hiervoor aangehaalde bewoordingen blijkt voorts dat het hof de beslissing om de voorlopige hechtenis te laten voortduren niet uitsluitend heeft gestoeld op het veroordelend vonnis, maar tevens op de aanwezigheid van ernstige bezwaren en andere gronden voor de voorlopige hechtenis. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet met vrucht worden gesteld dat het hof reeds een inhoudelijk eindoordeel over de juistheid van het bestreden vonnis en bijgevolg over de door de verdediging ingebrachte camerabeelden heeft gegeven, dan wel dat de indruk van een dergelijk eindoordeel redelijkerwijs kan zijn gewekt.
5.4.
Het hof heeft het verzoek om verbalisant [verbalisant] te horen afgewezen, omdat de noodzaak daartoe vooralsnog niet is gebleken. Deze motivering kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet tot de gevolgtrekking leiden dat de raadsheren blijk hebben gegeven van een (schijn van) vooringenomenheid jegens verzoeker, zoals namens hem is gesteld (zie hiervoor onder 2.2.1). Er valt namelijk op geen enkele wijze in deze motivering van de beslissing te lezen dat reeds voor het hof vaststaat dat de litigieuze brief van [verbalisant] niet door haar zou zijn opgesteld en overhandigd. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat het hof in dit verband bevel heeft gegeven tot het opmaken van een aanvullend proces-verbaal over de gang van zaken met betrekking tot deze brief. Voorts heeft het hof overwogen dat vooralsnog niet de noodzaak is gebleken om deze getuige te horen, zodat de onverkorte en definitieve afwijzing van dit verzoek, waarop het wrakingsverzoek in zoverre kennelijk is gebaseerd, berust op een onjuiste lezing van de beslissing van het hof.
5.5.
De verdediging heeft voorts betoogd, zoals hiervoor onder 2.2.2 is weergegeven, dat het hof door afwijzing van het verzoek om mr. [advocaat] als getuige te horen vooruitloopt op een bewezenverklaring van afpersing van [betrokkene 2] door verzoeker. Anders dan de verdediging is de wrakingskamer van oordeel dat die conclusie niet uit de door het hof gebezigde motivering tot afwijzing kan worden getrokken, temeer nu het hof daarin spreekt van een ‘eventuele eerdere afpersing en/of mishandeling’.
5.6.
Aan de hiervoor onder 2.2.3 en 2.2.4 genoemde wrakingsgronden ligt de premisse ten grondslag dat het hof bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden met betrekking tot de tenaamstelling van een auto en boot, alsmede voor wat betreft het letsel bij [slachtoffer] , de getuigenverklaring van deze [slachtoffer] tot uitgangspunt neemt. Deze stelling mist feitelijke grondslag, nu uit de gegeven motivering redelijkerwijs niet kan worden afgeleid dat het hof de verklaring van [slachtoffer] volgt en daarmee vooruit loopt op een eindoordeel.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot wraking van de raadsheren af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, diens raadslieden, het Openbaar Ministerie en de raadsheren wier wraking was verzocht.
Aldus gegeven door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. drs. P.C. van der Vegt, leden, bijgestaan door mr. J.N. van Veen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2019.