Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2019-08-27
ECLI:NL:GHSHE:2019:3208
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
2,285 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.254.865/01
arrest van 27 augustus 2019
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
verder: [appellant] ,
advocaat: mr. J.M.E. Hamming te Drachten,
tegen:
1 [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
verder: [geintimeerden c.s.] ,
advocaat: mr. J. Bolt te Groningen,
in het geding na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 25 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:96).
Procesverloop
Bij exploot van 18 februari 2019 hebben [geintimeerden c.s.] de zaak aanhangig gemaakt bij dit hof. Partijen hebben elk een memorie na verwijzing genomen. [appellant] heeft vervolgens de gedingstukken overgelegd, waarna het hof uitspraak heeft bepaald. Het procesdossier dat door [appellant] is overgelegd, bevat in strijd met het procesreglement van het hof aantekeningen. Het hof zal daar geen acht op slaan.
Beoordeling
3.1
In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad de relevante omstandigheden van het geschil als volgt weergegeven (r.o. 3.1):
( i) [geintimeerden c.s.] zijn sinds 15 november 2001 eigenaar van een boerderij met erf en laan (hierna: het pad) in [vestigingsplaats] . In de leveringsakte is een erfdienstbaarheid van uitweg gevestigd ten laste van het pad en ten behoeve van een tweetal kadastrale percelen in de gemeente Bierum, om op de minst bezwarende wijze te komen van en te gaan naar de openbare weg.
(ii) Een deel van het pad van [geintimeerden c.s.] (met een lengte van circa 1.000 meter) is voorzien van semiverharding (puin), het resterende deel (met een lengte van circa 220 meter) bestaat uit een betonverharding.
(iii) Medio 2009 heeft [appellant] de eigendom verkregen van een aantal percelen land die grenzen aan het erf van [geintimeerden c.s.] Op het moment van verkrijging waren deze percelen begroeid met een productiebos. Deze percelen behoorden tot de heersende erven ten behoeve waarvan de hiervoor onder (i) genoemde erfdienstbaarheid van uitweg is gevestigd. [appellant] heeft later meer percelen aangekocht, waardoor hij ook over een alternatieve ontsluiting van zijn percelen beschikt.
(iv) In februari 2010 heeft [appellant] opdracht gegeven het productiebos op de door hem aangekochte percelen te kappen en het hout af te voeren. Vervolgens is grond aangebracht op de percelen. Als gevolg van genoemde werkzaamheden is schade aan het pad ontstaan.
( v) Partijen hebben op 30 maart 2010 een stuk papier ondertekend, waarop een plattegrond van de boerderij van [geintimeerden c.s.] is getekend met de omliggende percelen, die (deels) eigendom zijn van [appellant] (hierna: de akte). Voorts staat daarop het volgende:
“Aankoop Grond fam. [geintimeerden] vs [appellant] . +/- 1 ha a € 3,- /m 2 30-03-‘10”
(vi) De door [geintimeerden c.s.] ingeschakelde deskundige ing. [deskundige aan de zijde van appellant] heeft de schade aan het pad onderzocht. Hij heeft de herstelkosten van het pad begroot op € 38.900,-- (exclusief btw).
(vii) Medio oktober 2010 heeft een loonbedrijf het pad op afschot gebracht. De nota van € 960,63 is door [geintimeerden c.s.] voldaan.
Het gaat in dit hoger beroep thans nog om twee kwesties, de schade aan het pad, vermeld onder (iv), en de verkoop van een perceel, vermeld onder (v).
De schade aan het pad
3.2
In het tussenarrest van 16 mei 2017 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden geconcludeerd dat de grief van [geintimeerden c.s.] op het punt van de breukvorming in het met beton verharde deel van het pad en op het vergelijkbare punt van taludverzakking sprake is van schade aan het pad in die zin dat dientengevolge eerder onderhoud nodig is (r.o. 4.1 - 4.8) en dat het betwisten van aansprakelijkheid voor elke schade door [appellant] wordt verworpen (r.o. 4.9). In het eindarrest van 12 september 2017 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden de totale schade aan het toegangspad die nog voor rekening van [appellant] komt begroot op € 4.200,= (r.o. 2.1 - 2.5).
3.3
De wijze waarop het hof Arnhem-Leeuwarden deze schade heeft begroot is door [geintimeerden c.s.] in cassatie met succes aangevochten. Uit de memories na verwijzing blijkt dat beide partijen ervan uitgaan dat voor de begroting van deze schade een deskundigenbericht nodig is. Het hof zal deze aanpak volgen en een onderzoek door een deskundige bepalen ter beantwoording van de volgende vragen:
Kunt u op basis van de arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden (afgezien van de begroting van de schade) vaststellen welke schade is ontstaan op het punt van de breukvorming in het met beton verharde deel van het pad en op het vergelijkbare punt van taludverzakking;
Welk bedrag is naar uw oordeel gemoeid met het herstel van de door u vastgestelde schade?
Wat acht verder nog van belang om op te merken?
Het hof gaat ervan uit dat de benoeming van één deskundige volstaat. Partijen kunnen zich bij akte gelijktijdig uitlaten over de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige. Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige voor te leggen vragen. Het hof is voornemens de kosten van de deskundige voorshands ten laste van [geintimeerden c.s.] als eisende partij te brengen. Deze akte is uitsluitend bestemd voor het uitlaten over het voorgenomen deskundigenbericht.
De verkoop van een perceel
3.4
In het vonnis van 16 oktober 2013 is de rechtbank Noord-Nederland ervan uitgegaan dat het stuk dat partijen op 30 maart 2010 hebben ondertekend dwingende bewijskracht heeft ten aanzien van de door [geintimeerden c.s.] gestelde koopovereenkomst op grond waarvan [appellant] het perceel kadastraal bekend Bierum [sectieletter + sectienummer] , groot 8.000 m², aan [geintimeerden c.s.] dient te leveren tegen een koopsom van € 24.000,= (r.o. 5.12). [appellant] is in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen deze voorshands bewezen geachte stelling. Dit tegenbewijs heeft [appellant] naar het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis van 14 januari 2015 niet geleverd (r.o. 5.6). De rechtbank heeft daarom [appellant] veroordeeld om mee te werken aan de levering van het perceel voor de overeengekomen koopsom van € 24.000,= k.k., op verbeurte van een dwangsom.
3.5
De grieven van [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank over de bewijskracht van de akte, de bewijslastverdeling en de bewijswaardering heeft het hof Arnhem-Leeuwarden in het tussenarrest van 16 mei 2017 geslaagd geoordeeld en de daarmee samenhangende vordering van [geintimeerden c.s.] niet toewijsbaar geoordeeld (r.o. 4.10 - 4.13). Het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden over de bewijskracht van de akte van 30 maart 2010 en de bewijslastverdeling is door [geintimeerden c.s.] in cassatie met succes aangevochten. De Hoge Raad heeft beslist, kort gezegd, dat tegen de desbetreffende eindbeslissingen van de rechtbank geen hoger beroep meer open stond op het moment dat [appellant] daartegen opkwam, zodat het hof Arnhem-Leeuwarden aan die eindbeslissingen was gebonden.
3.6
In zijn memorie na verwijzing hebben [geintimeerden c.s.] aangevoerd dat uit de getuigenverklaring van [appellant] over de koopovereenkomst en uit de originele akte niet blijkt dat sprake was van een voorwaardelijke koopovereenkomst, in die zin dat deze eerst zou gelden wanneer het probleem met het pad zou zijn opgelost. [appellant] heeft in zijn memorie na verwijzing aangevoerd dat ook nu vaststaat dat de beslissing van de rechtbank over de bewijskracht van de akte een onaantastbare eindbeslissing is, de inhoud van de akte voor uitleg vatbaar is. De getuigenverklaring van [geïntimeerde 2] in eerste aanleg acht [appellant] leugenachtig, wat volgens hem juist bijdraagt aan het door hem geleverde tegenbewijs. Dat tegenbewijs acht hij door zijn eigen getuigenverklaring in voldoende mate geleverd, waarbij hij er op wijst dat de beperking van artikel 164 lid 2 Rv niet voor hem geldt, aangezien de bewijslast op [geintimeerden c.s.] en niet op hemzelf rustte.
3.7
Het hof overweegt hierover het volgende. [appellant] heeft gelijk dat de bewijslast van het bestaan van de koopovereenkomst op [geintimeerden c.s.] rust zodat de beperking van artikel 164 lid 2 Rv voor de bewijskracht van de verklaringen van partijgetuigen op hun verklaringen van toepassing is en niet op die van hemzelf. Het hof heeft overigens geen aanleiding om te veronderstellen dat de rechtbank bij de waardering van het geleverde tegenbewijs dit over het hoofd heeft gezien.