Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-21
ECLI:NL:GHSHE:2017:5853
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/03747 tot en met 16/03751 Uitspraak op het hoger beroep van de heer [belanghebbende] , h.o.d.n. [A] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 juli 2016, nummer BRE 15/6373 t/m 15/6377 in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikkingen. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 29 januari 2015, onder aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.4501, over de periode 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd ten bedrage van € 18.128. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak met dagtekening 15 augustus 2015 de naheffingsaanslag gehandhaafd. (zaaknummer 16/03748) 1.1.2. Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 een verzoek om teruggaaf omzetbelasting tot een bedrag van € 1.281 gedaan. Bij beschikking met dagtekening 13 februari 2015, met kenmerk [aanslagnummer] .O.01.4211 (hierna: de beschikking eerste kwartaal 2014), heeft de Inspecteur het verzoek afgewezen. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak met dagtekening 14 augustus 2015 de beschikking eerste kwartaal 2014 gehandhaafd. (zaaknummer 16/03747) 1.1.3. Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 oktober 2014 tot en met 31 december 2014, middels een bezwaar tegen de eigen aangifte, op 9 februari 2015 een verzoek om teruggaaf omzetbelasting tot een bedrag van € 1.417 gedaan. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 14 augustus 2015, met kenmerk [aanslagnummer] .B.01.4500, het verzoek afgewezen. (zaaknummer16/03749) 1.1.4. Met dagtekening 21 augustus 2015 met kenmerken [aanslagnummer] .F.01.1507 en [aanslagnummer] .F.01.2508 heeft de Inspecteur aan belanghebbende ambtshalve vermindering verleend van de naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2011 respectievelijk 2012. (zaaknummer 16/03750 respectievelijk 16/03751) 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken op bezwaar (1.1.1 tot en met 1.1.3) respectievelijk de ambtshalve verminderingen (1.1.4) in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende eenmaal griffierecht geheven van € 167. De Rechtbank heeft, in één geschrift vervatte uitspraken, het beroep tegen de uitspraken op bezwaar ongegrond verklaard, en zich onbevoegd verklaard ten aanzien van het beroep tegen de beslissingen op de verzoeken om ambtshalve vermindering. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende eenmaal in de zaak met nummer 16/03747 griffierecht geheven van € 251. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 9 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [B] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [C] , [D] en [E] . 1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. 1.6. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.7. Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. 2 Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende woont in Duitsland. Hij staat vanaf [datum] 2010, onder de handelsnaam [A] , ingeschreven als ondernemer bij de Kamer van Koophandel in Nederland en hij heeft zich op [datum] 2010 bij de Belastingdienst in Nederland aangemeld als ondernemer voor de omzetbelasting. De activiteiten van de eenmanszaak, gevestigd op [adres 1] 30e te [plaats] in Nederla Het bezwaar werd door de Inspecteur afgewezen, omdat aan belanghebbende reeds de gevraagde vooraftrek van € 1.417 is verleend, aangezien deze in mindering is gekomen op de na te heffen omzetbelasting over hetzelfde tijdvak (naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] .F.01.4502). Tegen deze naheffingsaanslag is bezwaar aangetekend, welk bezwaar wordt aangehouden in afwachting van de procedure bij het Hof, zaaknummer16/03749. 2.8. Belanghebbende heeft verzocht om een teruggave van voorbelasting van € 1.281 voor het tijdvak 1 januari 2014 t/m 31 maart 2014. Dit verzoek is afgewezen door de Inspecteur, nu de aftrek van voorbelasting van € 1.281 reeds is verwerkt in de naheffingsaanslag (zie onderdeel 2.6.). Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar tegen het besluit om geen teruggave te verlenen afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep ter zake ongegrond verklaard. 2.9. Tijdens de mondelinge behandeling van de beroepen van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2011 en 2012 op 17 april 2015 bij de Rechtbank, heeft belanghebbende de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar waarin de bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard, ingetrokken. Tijdens die zitting heeft de Inspecteur toegezegd de naheffingsaanslagen over de jaren 2011 en 2012 nogmaals ambtshalve te beoordelen. De Inspecteur heeft vervolgens bij beschikkingen van 21 augustus 2015 ambtshalve verminderingen verleend voor de jaren 2011 en 2012 van € 2.846 respectievelijk € 7.151, ter zake van de omzet die kan worden toegerekend aan de creditcardbetalingen. Belanghebbende is hiertegen in beroep gegaan, ten aanzien van welk beroep de Rechtbank zich niet bevoegd heeft verklaard. 2.10. Hangende het hoger beroep heeft de Inspecteur een ambtshalve vermindering verleend voor het jaar 2014, groot € 1.115 ter zake van omzetbelasting die kan worden toegerekend aan creditcardbetalingen, verminderd met voorbelasting ten aanzien van de verbouwing van het pand aan de [adres 2] 5-5a te [plaats] . 3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. In hoger beroep zijn in geschil de volgende vragen: I. Heeft de Rechtbank zich terecht onbevoegd verklaard met betrekking tot de ambtshalve verminderingen? II. Wat is de plaats van dienst voor de omzetbelasting van de onder 2.2. en 2.3. beschreven dienstverlening door belanghebbende? Meer specifiek is in geschil of belanghebbende de zetel van zijn bedrijfsuitoefening in Nederland heeft dan wel een vaste inrichting voor de omzetbelasting in Nederland heeft, van waaruit deze diensten worden verricht. 3.2.1. Belanghebbende is van mening dat de onder 2.1 tot en met 2.3 beschreven feiten en omstandigheden niet leiden tot een vaste inrichting voor de omzetbelasting in Nederland, en dat de plaats van dienst derhalve in Duitsland is gelegen. 3.2.2. De Inspecteur is van mening dat de onder 2.2. en 2.3 beschreven activiteiten door belanghebbende worden verricht vanuit een zetel of vaste inrichting voor de omzetbelasting in Nederland, en dat de plaats van dienst derhalve in Nederland is gelegen. 3.3. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft belanghebbende hieraan toegevoegd dat hij van mening is dat de plaats van dienst van belanghebbendes activiteiten Duitsland is, en dat, nu in zijn visie belanghebbende niet beschikt over een vaste inrichting voor de omzetbelasting in Nederland, belanghebbende terzake ook geen recht op aftrek van voorbelasting in Nederland heeft. De Inspecteur heeft desgevraagd bevestigd dat de onder 2.10. genoemde ambtshalve vermindering op de naheffingsaanslag in mindering dient te worden gebracht. 3.4. Belanghebbende concludeert in hoger beroep tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de onder 1.1.2 tot en met 1.1.4 vermelde beschikkingen. De Inspecteur concludeert tot vermindering van de naheffi Voor de toepassing van de volgende artikelen wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de in artikel 10 van deze verordening bedoelde zetel van de bedrijfsuitoefening die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de door haar te verrichten diensten te kunnen verstrekken: a. a) artikel 45 van Richtlijn 2006/112/EG; (…) 3. Het hebben van een btw-identificatienummer volstaat niet om te besluiten dat een belastingplichtige een vaste inrichting heeft.’ Stellingen van partijen 4.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de zetel van zijn bedrijf in Duitsland is gelegen, en dat in Nederland geen sprake is van duurzaamheid, omdat het appartement aan de [adres 1] 30e te [plaats] een gehuurd appartement betreft, waarvan de huur of verhuur ieder moment door huurder of verhuurder kan worden opgezegd, en omdat belanghebbende geen gebruik maakt van personeel of technische hulpmiddelen. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat hij volledig afhankelijk en ondergeschikt is aan het laboratorium in Australië, en dat hij consignatiehouder is van goederen die hij in Nederland in opslag neemt van het Australische laboratorium, en dienaangaande mede op basis van het Besluit van 23 november 2003, DGB 2003-6237M (hierna: het Beleidsbesluit) niet beschikt over een vaste inrichting in Nederland. 4.4. De Inspecteur heeft aangevoerd dat de heimelijke DNA-testen (die worden uitgevoerd zonder toestemmingsverklaring van de moeder), die belanghebbende aanbiedt, sinds 2010 in Duitsland verboden zijn, en dat op belanghebbendes internetsite staat vermeld: “Eine Einverständniserklärung der Mutter ist in Holland nicht erförderlich.” Volgens de Inspecteur is de regelgeving in Duitsland voor belanghebbende de reden geweest om zijn bedrijfsactiviteiten vanaf 2010 naar Nederland te verplaatsen. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende op zijn naam en voor zijn rekening en risico diensten verricht jegens particulieren vanuit zijn appartement in [plaats] , en dat belanghebbende hetzij de zetel van zijn bedrijfsuitoefening, hetzij een vaste inrichting voor de omzetbelasting in Nederland heeft. Voor de vraag of sprake is van een voldoende mate van duurzaamheid is het volgens de Inspecteur niet van belang of het pand van waaruit belanghebbende zijn diensten verricht gekocht is of gehuurd, en ook niet of hij de test laat uitvoeren door een laboratorium in Australië. De Inspecteur is voorts van mening dat belanghebbende in Nederland beschikt over een structuur die geschikt is voor het zelfstandig verrichten van diensten door belanghebbende. Over het beroep door belanghebbende op het Beleidsbesluit merkt de Inspecteur op dat belanghebbende geen goederen voor de Australische ondernemer in bewaring heeft. De verbruiksmaterialen worden door het laboratorium kosteloos (reclame) danwel tegen kostprijs (DNA-kits) ter beschikking gesteld aan belanghebbende. Beoordeling door het Hof 4.5. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende kwalificeert als ondernemer voor de omzetbelasting, nu hij uit eigen naam en voor eigen rekening zijn particuliere cliënten in de gelegenheid stelt een vaderschapstest uit te laten voeren (artikel 7 van de Wet en artikel 9 van de Btw-richtlijn). De stelling van belanghebbende dat hij ondergeschikt zou zijn aan het laboratorium in Australië, omdat hij afspraken heeft gemaakt met het laboratorium die erop neerkomen dat belanghebbende een deel van de vergoeding die belanghebbende van zijn cliënten ontvangt, moet doorbetalen aan het laboratorium voor het uitvoeren van de vaderschapstest, waardoor, zo begrijpt het Hof, volgens belanghebbende bij hem de voor het ondernemerschap benodigde zelfstandigheid ontbreekt, mist feitelijke grondslag. 4.6. Voor de bepaling van de plaats van dienst van belanghebbendes activiteiten is artikel 6, lid 2, van de Wet van belang. Dat de implementatie van artikel 45 van de Btw-richtlijn betreft. Zetel van de bedrijfs De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Gelet op onderdeel 3.4 dient de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 17.013 te worden verminderd. 4.12. Met betrekking tot de onder 1.1.2 en 1.1.3 genoemde beschikkingen, heeft de Rechtbank, voor zover van belang, als volgt geoordeeld: ‘2.14.2. De rechtbank is van oordeel dat de aftrek van voorbelasting aan belanghebbende van € 1.285 met betrekking tot het tijdvak 1 januari 2014 t/m 31 maart 2014 reeds is verleend door deze in mindering te brengen op de verschuldigde omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2014 t/m 30 september 2014 (....) en deze naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het afzonderlijke verzoek is dan terecht afgewezen en het bezwaar daartegen is eveneens terecht afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. 2.14.3. Niet gebleken is dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 oktober 2014 t/m 31 december 2014 met aanslagnummer [aanslagnummer] .F01.4502. Deze naheffingsaanslag staat dan onherroepelijk vast. De rechtbank is van oordeel dat dan de aftrek van voorbelasting aan belanghebbende van € 1.417 met betrekking tot het tijdvak 1 oktober 2014 t/m 31 december 2014 reeds is verleend, door deze in mindering te brengen op de verschuldigde omzetbelasting voor hetzelfde tijdvak (…). Het afzonderlijke verzoek is dan terecht afgewezen en het bezwaar daartegen is eveneens terecht afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.’ Het Hof acht deze beslissing van de Rechtbank juist en op goede gronden genomen. Nu partijen in hoger beroep geen andere standpunten hebben ingenomen, zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank op dit punt bevestigen. Slotsom 4.13. De slotsom in zaaknummer 16/03748 is dat het hoger beroep gegrond is. De slotsom in zaaknummers 16/03747 en 16/03749 tot en met 16/03751 is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd. Ten aanzien van het griffierecht 4.14. Nu de uitspraak van de Rechtbank in zaaknummer 16/03748 wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 167 respectievelijk € 251 te vergoeden. Ten aanzien van de kosten van het bezwaar 4.15. Belanghebbende heeft voordat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. 4.16. De Inspecteur heeft bij de uitspraak op het bezwaar geen vergoeding van de kosten van het bezwaar verleend. 4.17. Nu de Inspecteur alsnog concludeert tot een vermindering van de naheffingsaanslag is sprake van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid en acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. 4.18. Het Hof stelt de kosten van het bezwaar, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 1 (punt) x € 246 x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 246. Ten aanzien van de proceskosten 4.19. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep in zaaknummer 16/03748 gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. 4.20. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, voor de behandeling van het beroep bij de Rechtbank op € 990 (= 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor)) en voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof op € 990 (= 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (wegingsfactor)), dat is in totaal op € 1.980. 5 Beslissing Het Hof: verklaart het hoger beroep gegrond; vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor wat betreft de naheffingsaansla