Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-14
ECLI:NL:GHSHE:2017:5652
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerken: 16/03878 tot en met 16/03881 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 september 2016, nummers BRE 14/3469 tot en met 14/3472, in het geding tussen belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2008 tot en met 2011. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende zijn de volgende naheffingsaanslagen in de loonheffingen (hierna te noemen: de naheffingsaanslagen), alsmede een boetebeschikking en beschikkingen heffingsrente, opgelegd: Jaar Aanslagnr. Belasting (€) Heffingsrente (€) 2008 [aanslagnummer] .A.01.8500 221.193 30.524 2009 [aanslagnummer] .A.01.9500 321.367 33.382 2010 [aanslagnummer] .A.01.10500 330.695 26.083 2011 [aanslagnummer] .A.01.1501 235.565 12.249 De naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, aan belanghebbende een vergoeding wegens immateriële schade en een proceskostenvergoeding toegekend en de Minister van Justitie en Veiligheid gelast aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden. 1.3. Tegen deze in één geschrift vervatte uitspraken van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. Op 14 juni 2017 heeft het Hof met instemming van partijen een inlichtingencomparitie gehouden te ‘s-Hertogenbosch. Tijdens de inlichtingencomparitie zijn de zaken van belanghebbende gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van [A] B.V (zaaknummers 16/03874 tot en met 16/03877) en [B] B.V. (zaaknummers 16/03882 tot en met 16/03885). Aldaar zijn toen voor J. Swinkels, raadsheer-commissaris, verschenen voor het verstrekken van inlichtingen, namens belanghebbende, de heer [D] en de heer [C] , directeur van belanghebbende, en als gemachtigde van belanghebbende mevrouw [E] , advocaat te [F] , vergezeld van de heer [G] , de heer [H] en mevrouw [J] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [K] , [L] , [M] , [N] en [O] . 1.5. Van het verhandelde tijdens de inlichtingencomparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 1.6. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd. 1.7. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.8. De mondelinge behandeling ter zitting bij dit Hof heeft plaatsgehad op 12 oktober 2017 te ’s-Hertogenbosch. Tijdens deze zitting zijn de zaken van belanghebbende gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken van [A] B.V (zaaknummers 16/03874 tot en met 16/03877) en [B] B.V. (zaaknummers 16/03882 tot en met 16/03885). Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende, de heer [D] , de heer [C] , mevrouw [P] en mevrouw [Q] , en als gemachtigden van belanghebbende mevrouw [R] , mevrouw [E] , beiden advocaat te [F] , de heer [G] , de heer [S] , mevrouw [T] , mevrouw [J] , de heer [U] , en als getuigen/deskundigen mevrouw [V] en de heer [W] , alsmede, namens de Inspecteur, de heren [K] , [M] en [N] , tot bijstand vergezeld door mevrouw [X] en mevrouw [Y] . 1.9. Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd a Daarin staat onder meer: ‘ Overwegende: Dat het [ROC 1] als primair doel heeft passende en zo mogelijk erkende beroepsopleidingen te verzorgen voor toekomstige en zittende beroepsbeoefenaren; (…) Artikel 1 (…) 1.1. (…) partijen zullen samenwerken op het snijvlak van professioneel beroepsmatig functioneren en onderwijs, waarbij uitgangspunt is dat het [ROC 1] zg. Hoofdleverancier is voor de crebo geregistreerde beroepsopleidingen en de onderdelen daarvan (…). (…) 1.6. Bij voldoende (groepsgewijze) deelname is het mogelijk opleidingen in de bol- en of bbl-leerweg inhoudelijk nader af te stemmen, voor zover de wettelijke kwalificatie of deelkwalificatie niet wordt bedreigd. 1.7. Met betrekking tot oc&w-erkend maatwerk zal het [ROC 1] hoofdaannemer zijn als het gaat om opleiding, training, begeleiding en coaching van zittend personeel (…). (…) 1.11. Tussentijdse inhoudelijke bijsturing van opleidingen vindt plaats (…). De crebo-erkenning van de opleidingen mag daarbij niet in gevaar worden gebracht. (…) Artikel 4 (…) 4.1. De mantelovereenkomst wordt aangegaan voor een periode van 3 jaar, met ingang van 1-5-2008 (…).’ 2.5. Door de [Z-concern] Academie werden opleidingen aangeboden aan (werknemers van) belanghebbende en andere groepsmaatschappijen, die in verband daarmee in de aangiften loonheffingen de afdrachtvermindering onderwijs toepasten op basis van het bepaalde in artikel 14, lid 1, van de WVA (hierna: de afdrachtvermindering). In totaal heeft het [Z-concern] de afdrachtvermindering voor 5.833 werknemers geclaimd (zijnde ca. 20% van het totale personeelsbestand van belanghebbende en de andere groepsmaatschappijen): 4.980 werknemers van [A] B.V. en [B] B.V. volgden de opleiding Arbeidsmarktgekwalificeerd Assistent (hierna: AKA); 222 werknemers van belanghebbende volgden de opleiding Sociaal Juridisch Medewerker Arbeidsvoorziening en Personeelswerk (hierna: SJM); 113 werknemers van [A] B.V. volgden de opleiding Assistent Medewerker Voeding/ Voedingsindustrie (hierna: SVO) en 518 werknemers van [A] B.V. en [B] B.V. volgden de opleiding Logistiek Medewerker (hierna: LM). 2.6. Belanghebbende heeft de afdrachtvermindering toegepast in haar aangiften loonheffing over de jaren 2008 tot en met 2011 voor de werknemers, die waren ingeschreven voor de opleiding SJM (hierna: de deelnemers). Genoemde opleiding is geregistreerd in het Centraal Register Beroepsopleidingen (hierna: Crebo) onder het nummer 10026. Uitgangspunt van deze opleiding is praktijkopleiding op de werkvloer. Belanghebbende is door het Kenniscentrum Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven Stichting Ecabo (hierna: Ecabo) erkend als leerbedrijf voor opleidingen als deze. Geen enkele deelnemer heeft de SJM-opleiding afgerond met een erkend diploma of certificaat; de opleiding was niet gericht op het behalen van een diploma of certificaat. 2.7. De SJM-opleiding betreft een opleiding op niveau 4 binnen de zogenaamde BBL-leerweg. Tot de stukken behoort het kwalificatiedossier SJM waarin de doelgroep, de te behalen kwalificaties en de inhoud van de SJM-opleiding zijn beschreven. Onderdeel van dit kwalificatiedossier is voorts een proces-competentiematrix. 2.8.1. Tot de stukken behoort tevens een scholingsprogramma SJM opgesteld door [BB] en [ROC 1] . In dit scholingsprogramma wordt de doelgroep nader beschreven. Als onderdeel van de opleiding SJM is een lespakket ontwikkeld voor de (buitenlandse) werknemers van belanghebbende dat betrekking heeft op de gebieden sociale, persoonlijke en werk gerelateerde vaardigheden en taal. 2.8.2. Over de doelgroep en de praktische vorming op de werkplek staat in het scholingsprogramma SJM onder meer vermeld: ‘ 5.1 Doelgroep organisatie. Eigen Staf Medewerkers [A] Doelstelling en competentieontwikkeling [A] wil door middel van opleiden de kwaliteit en toegevoegde waarde van haar eigen medewerkers voortdurend vergroten en verbeteren. [A] wil er voor zorgen dat alle medewerkers met hun zeer diverse culturele achtergronden elkaar kunnen verstaan, me Wanneer dit middels een scoreformulier wordt vastgelegd kan dit als bewijsstuk dienen dat leren op de werkplek in de praktijk heeft plaatsgevonden. Ook organisatiedocumenten kunnen als belangrijk bewijsstuk dienen om aan te tonen dat leren in de praktijk heeft plaatsgevonden. Voorbeelden hiervan zijn; Verslag functionering/beoordelingsgesprek Etc. Naast de vastgestelde meetinstrumenten kunnen praktijkopdrachten die voorkomen uit de inhoud van een interne scholing met de eventuele daarbij behorende opdrachten onderdeel uit maken van het praktijkleren. De inhoud van de praktijkleermomenten en praktijkopdrachten worden in overleg met de organisatie en trainers vastgesteld. (…)’ 2.9. Tot de stukken behoren (digitale) dossiers van deelnemers aan de opleiding SJM (hierna: deelnemersdossiers). De inhoud van een aantal deelnemersdossiers laat zich als volgt beschrijven. 2.9.1. Het dossier van [UU] (hierna: [UU] ) bevat voor zover van belang de volgende stukken: een POK waarin wordt verwezen naar de BBL-leerweg SJM (Crebocode 10026), die is ondertekend door of namens [UU] , belanghebbende, [ROC 1] en vergezeld gaat van een verklaring van Ecabo, een OOK waarin wordt verwezen naar de BBL-leerweg SJM en welke is ondertekend door of namens [UU] en [ROC 1] , een certificaat van ‘Talengroep Nederland’, een ‘ [Z-concern] Academy – student report’ met daarop een registratie van aanwezigheid bij de lessen, diverse evaluaties van gevolgde lessen en een eindbeoordeling Engelse les, diverse vastleggingen betreffende praktijkopdrachten, trainingen, teambuildingactiviteiten en lessen en tenslotte verslagen van diverse beoordelingsgesprekken. 2.9.2. Het dossier van [VV] (hierna: [VV] ) bevat voor zover van belang de volgende stukken: een POK waarin wordt verwezen naar de BBL-leerweg SJM (Crebocode 10026), die is ondertekend door of namens [VV] , belanghebbende, [ROC 1] en Ecabo en vergezeld gaat van een verklaring van Ecabo, een OOK waarin wordt verwezen naar de BBL-leerweg SJM en welke is ondertekend door of namens [VV] en [ROC 1] , een certificaat van ‘Talengroep Nederland’, een drietal evaluaties van gevolgde lessen, diverse vastleggingen betreffende praktijkopdrachten, trainingen, teambuildingactiviteiten en lessen en tenslotte verslagen van diverse beoordelingsgesprekken. 2.9.3. Het dossier van [WW] (hierna: [WW] ) bevat voor zover van belang de volgende stukken: een POK waarin wordt verwezen naar de BBL-leerweg SJM (Crebocode 10026), die is ondertekend door of namens [WW] , belanghebbende, [ROC 1] en vergezeld gaat van een verklaring van Ecabo, een OOK waarin wordt verwezen naar de BBL-leerweg SJM en welke is ondertekend door of namens [WW] en [ROC 1] , twee certificaten van ‘Talengroep Nederland’, een drietal evaluaties van gevolgde lessen, diverse verslagen van praktijkopdrachten en lessen en tenslotte verslagen van diverse beoordelingsgesprekken. 2.9.4. Het dossier van [XX] (hierna: [XX] ) bevat voor zover van belang de volgende stukken: een POK waarin wordt verwezen naar de BBL-leerweg SJM (Crebocode 10026), die is ondertekend door of namens [XX] , belanghebbende, [ROC 1] en vergezeld gaat van een verklaring van Ecabo, een OOK waarin wordt verwezen naar de BBL-leerweg SJM en welke is ondertekend door of namens [XX] en [ROC 1] , een vijftal certificaten, een ‘ [Z-concern] Academy – student report’ met daarop een registratie van aanwezigheid bij de lessen, een viertal evaluaties van gevolgde lessen, diverse vastleggingen betreffende praktijkopdrachten, trainingen, teambuildingactiviteiten en lessen en tenslotte verslagen van diverse beoordelingsgesprekken. 2.9.5. De praktijkbegeleider die op de praktijkovereenkomst vermeld staat, is tezamen met de betrokken onderwijsinstelling medeverantwoordelijk geweest voor de beoordeling en vastlegging van de beroepspraktijkvorming. 2.10.1. Namens de Inspecteur is in 2009 in verband met de opleidingsactiviteiten een onderzoek ingesteld bij belanghebbende en andere groepsmaatschappijen. De Inspecteur heeft de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde beroepsopleiding, op de grondslag van een in artikel 7.2.8 van die wet bedoelde overeenkomst, gesloten door de in artikel 7.2.9 van die wet genoemde partijen en mede ondertekend door het bestuur van het desbetreffende kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven; (…) 6. De inhoudingsplichtige bewaart een afschrift van de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, bedoelde overeenkomst bij de loonadministratie. 7. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke gegevens de in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, f en g, bedoelde overeenkomsten ten minste dienen te bevatten voor de toepassing van deze wet alsmede welke partij of partijen de administratie voert onderscheidenlijk voeren die voortvloeit uit de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.’. 4.1.3. Artikel 11d van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering luidde: ‘Zolang de inhoudingsplichtige nog niet beschikt over een door alle betrokken partijen getekende overeenkomst als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen a, f en g, van de wet bewaart hij, in afwijking van artikel 14, zesde en achtste lid, van de wet bij de loonadministratie een verklaring van het Regionaal Opleidingscentrum waaruit blijkt dat de desbetreffende leerling de beroepsbegeleidende, de basisberoepsgerichte of de beroepsopleidende leerweg volgt.’ 4.1.4. De relevante artikelen in de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: de WEB) luidden, voor zover hier van belang: ‘ Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) i. beroepsopleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 7.2.4, eindtermen zijn vastgesteld; (…) Artikel 6.4.1. Het Centraal register beroepsopleidingen 1. Het Centraal register beroepsopleidingen is een systematisch geordende verzameling gegevens met betrekking tot de beroepsopleidingen waarvoor eindtermen zijn vastgesteld en de examinering die door de exameninstellingen wordt verzorgd. Onze Minister is belast met de aanleg, het beheer en de bekendmaking van het register en met het verstrekken van informatie uit het register. De bekendmaking en het verstrekken van informatie kunnen digitaal plaatsvinden. (…) Artikel 7.1.2. Opleidingen en onderwijsheden De instelling biedt het onderwijs aan in de vorm van opleidingen. Voor zover het een beroepsopleiding betreft, wordt deze opleiding door de instelling in het maatschappelijk verkeer aangeduid met de naam waaronder deze opleiding is vermeld in het Centraal register. Een opleiding is een samenhangend geheel van onderwijseenheden, gericht op de verwezenlijking van eindtermen dan wel gericht op het behalen van een diploma, gelijkwaardig aan een diploma van scholen, bedoeld in de artikelen 7 tot en met 9 van de Wet op het voortgezet onderwijs, of onderdelen van een dergelijk diploma. Elke opleiding wordt afgesloten met een examen. Elke onderwijseenheid die, onderscheidenlijk elk samenstel van onderwijseenheden dat leidt tot een deelkwalificatie als bedoeld in artikel 7.2.3, wordt afgesloten met een toets. Artikel 7.1.3. Eindtermen Eindtermen zijn als zodanig omschreven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het maatschappelijk en beroepsmatig functioneren dient te beschikken, en die in voorkomende gevallen betekenis hebben voor de doorstroming naar vervolgonderwijs. Artikel 7.2.2. Onderscheid beroepsopleidingen; niveau; leerwegen 1. De volgende beroepsopleidingen worden onderscheiden: de assistentopleiding, de basisberoepsopleiding, de vakopleiding, e middenkaderopleiding, de specialistenopleiding, en andere opleidingen. 2. De in het eers Indien het bevoegd gezag en het betrokken kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven na het sluiten van de in artikel 7.2.8 bedoelde overeenkomst vaststellen dat de praktijkplaats niet of niet volledig beschikbaar is, de begeleiding tekortschiet of ontbreekt, het bedrijf of de organisatie niet langer beschikt over een gunstige beoordeling als bedoeld in het eerste lid, of sprake is van andere omstandigheden die maken dat de beroepspraktijkvorming niet naar behoren zal kunnen plaatsvinden, bevordert het bevoegd gezag, na overleg met het bestuur van het betrokken kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, dat een toereikende vervangende voorziening beschikbaar wordt gesteld. Artikel 7.2.10. Kwaliteitszorgsysteem; beoordeling van praktijkplaatsen Het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de beroepspraktijkvorming in en zorgt ervoor dat bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen eenmaal per vier jaar worden beoordeeld aan de hand van de in dit stelsel ontwikkelde criteria. Indien daartoe door bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat kan controle frequenter plaatsvinden. In geval van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven waarvan de samenstelling van het bestuur voldoet aan artikel 9.2.1, tweede lid, onder b, worden deze criteria vastgesteld op voorstel van de commissie onderwijs-bedrijfsleven. Het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven maakt de in het eerste lid bedoelde criteria bekend. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant . De kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven dragen gezamenlijk zorg voor openbaarmaking van een overzicht van bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid. Tot het verzorgen van de beroepspraktijkvorming voor een opleiding of groep van opleidingen zijn uitsluitend bevoegd de bedrijven en organisaties met een gunstige beoordeling op grond van het eerste lid.’ [ Aanhef en tekst van artikel 7.2.10, eerste lid, van de WEB zoals dit luidde tot en met 31 juli 2008: ] ‘ Artikel 7.2.10. Beoordeling van praktijkplaatsen 1. Het kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven draagt zorg voor een regelmatige beoordeling van bedrijven en organisaties die de beroepspraktijkvorming verzorgen, aan de hand van daartoe door dat kenniscentrum vastgestelde criteria. In geval van een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven waarvan de samenstelling van het bestuur voldoet aan artikel 9.2.1, tweede lid, onder b, worden deze criteria vastgesteld op voorstel van de commissie onderwijs-bedrijfsleven.’ 4.2.1. De Hoge Raad heeft in het arrest van 15 januari 2016, nr. 15/00350, ECLI:NL:HR:2016:38, overwogen: “2.3.2. Belanghebbende maakt aanspraak op de afdrachtvermindering die is voorzien in artikel 14, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (tekst 2010 en 2011; hierna: de Wva). Deze afdrachtvermindering is van toepassing met betrekking tot “de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een [HR: nader aangeduide] beroepsopleiding”. Hierin kan niet de eis worden gelezen dat de werknemer een (volledige) beroepsopleiding volgt. Hetgeen de werknemer moet volgen is ‘de beroepspraktijkvorming’. Wel volgt hieruit dat het moet gaan om een beroepspraktijkvorming die als zodanig deel uitmaakt van de beroepsbegeleidende leerweg van een van de beroepsopleidingen die in voornoemde bepaling worden aangeduid. Het middel moet worden toegegeven dat de positie van een jeugdige werknemer op de arbeidsmarkt vooral verbetert na afronding van een volledige opleiding. Voorts is in de parlementaire geschiedenis steun te vinden voor de opvatting dat de afdrachtvermindering onderwijs alleen kan worden toegepast als een (volledige) beroepsopleiding wordt gevolgd (vgl. Kamerstukken II 1995/96, 24 458, nr. 3, blz. 9-10, en Kamerstukken I 1995/96, 24 458, nr. 122b, blz. 1, en Kamerstukken Hiermee is voldaan aan de eis zoals verwoord hiervoor onder punt b van 4.5. Dat in bedoelde POK’s middels vermelding van het Crebo nummer verwezen wordt naar de (volledige) SJM-opleiding doet aan het voorgaande, anders dan de Inspecteur meent, niet af. Evenmin doet hieraan af dat in de POK’s niet vermeld staat bij welke bedrijven feitelijk de beroepspraktijkvorming wordt uitgevoerd en dat onduidelijk is in hoeverre genoemde (inleen)bedrijven waren erkend door het betrokken Kenniscentrum, daar belanghebbende - door de Inspecteur onweersproken - heeft gesteld dat dit niet vereist was op grond van een speciale erkenningsregeling voor detacheringsorganisaties, welke erkenning belanghebbende ook bezat. De Inspecteur heeft voorts gesteld, dat het feit dat de POK’s ondertekend zijn door een intercedent als praktijkbegeleider, impliceert dat die praktijkbegeleider - gelet op de grote aantallen deelnemers - niet de vereiste praktijkbegeleiding kón verzorgen. Voor zover de Inspecteur hiermee bedoelde te stellen dat daarom belanghebbende geen recht zou hebben op de afdrachtvermindering, faalt die stelling, nu de ondertekening van de POK als zodanig niet betekent, dat de functionaris, die namens de organisatie tekent, ook persoonlijk de praktijkbegeleiding verzorgt. 4.7. Nu vaststaat dat door [ROC 1] aan de deelnemers in het kader van de SJM-opleiding geen diploma’s of certificaten als bedoeld in de artikelen 7.2.3 en 7.4.6 van de WEB zijn uitgereikt, ziet het Hof zich op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad voor de vraag gesteld of de desbetreffende deelnemers de beroepspraktijkvorming hebben gevolgd als bedoeld hierboven onder punt a van 4.5. De bewijslast ter zake rust op belanghebbende. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in die bewijslast is geslaagd en overweegt ter zake het volgende. Vaststaat dat de SJM-opleiding is geregistreerd in het Crebo, dat deze registratie niet is ingetrokken, dat het scholingsprogramma SJM is opgesteld door [ROC 1] en de OOK’s en POK’s eveneens zijn opgesteld door [ROC 1] . Ook staat vast dat [ROC 1] medeverantwoordelijk is geweest voor de beoordeling en vastlegging van de beroepspraktijkvorming.In de door belanghebbende aangeleverde deelnemersdossiers bevinden zich vastleggingen van (aanwezigheid bij) lessen, opdrachten, trainingen en teambuildingactiviteiten, (niet-erkende) certificaten, evaluaties van gevolgde lessen en praktijkopdrachten en vastleggingen van beoordelingsgesprekken ter zake waarvan belanghebbende, door de Inspecteur onvoldoende weersproken, heeft gesteld dat daarin tevens de vervulde praktijkopdrachten aan de orde kwamen. Uit deze documenten blijkt naar het oordeel van het Hof van een aansluiting tussen genoemde lessen, teambuildingactiviteiten en praktijkopdrachten en het scholingsprogramma SJM. Op grond van de overgelegde stukken acht het Hof aannemelijk dat de door de deelnemers gevolgde beroepspraktijkvorming onderdeel heeft uitgemaakt van de SJM-opleiding. Naar het oordeel van het Hof is met dit een en ander voldoende komen vast te staan dat de deelnemers daadwerkelijk beroepspraktijkvorming hebben gevolgd, die behoort tot genoemde opleiding. 4.8. Het Hof leidt uit het in punt 4.2.2 genoemde arrest af dat enkel onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld in geval van frauduleus handelen, de toetsing zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.3.7 en 2.3.8 van dat arrest, tot het oordeel kan leiden, dat de beroepspraktijkvorming niet is gevolgd. Dergelijke bijzondere omstandigheden heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt noch is het Hof daarvan anderszins gebleken. 4.9. Vraag I dient derhalve bevestigend beantwoord te worden, met dien verstande dat belanghebbende heeft aangegeven dat aangaande 40 deelnemers door haar geen POK’s kunnen worden overgelegd, omdat deze niet meer te traceren zijn, maar dat uit de van die deelnemers wel voorhanden zijnde deelnemersdossiers voldoende blijkt van het volgen van de beroepspraktijkvorming. Het Hof wijst er op dat de wet ei