Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-12-14
ECLI:NL:GHSHE:2017:5584
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 16/03581 Uitspraak op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de Inspecteur, en het incidenteel hoger beroep van mevrouw [belanghebbende] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 21 juli 2016, nummer BRE 15/3212 betreffende de hierna vermelde navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2010 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 225.003. Tevens is bij beschikking € 7.007 heffingsrente in rekening gebracht. De navorderingsaanslag - en naar het Hof begrijpt de beschikking - zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.820. Daarnaast is de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 992 en is de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 aan deze te vergoeden. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep en belanghebbende incidenteel hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en de Inspecteur heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep van belanghebbende. 1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 10 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] en [B] , namens de Inspecteur, alsmede namens belanghebbende [C] . 1.5. Het Hof heeft aan het slot van de zitting het onderzoek gesloten. 1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 2 Feiten Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan. 2.1. Belanghebbende is op [datum 1] 1972 in gemeenschap van goederen gehuwd met [D] (hierna: de ex-echtgenoot). 2.2. Op [datum 2] is de echtscheiding tussen belanghebbende en haar toenmalige echtgenoot door de rechtbank te ’s-Hertogenbosch uitgesproken waarna op [datum 3] 2010 de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 2.3. Bij echtscheidingsconvenant van 12 november 2009 is de huwelijksgemeenschap en het pensioenvermogen verdeeld. Tot de huwelijksgemeenschap hebben, voor zover van belang, de echtelijke woning en een lijfrentepolis behoord. In het echtscheidingsconvenant is onder meer het volgende opgenomen: “De ondergetekenden: (…) samen te noemen “partijen”; Nemen in aanmerking (…) - dat voor het geval de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken en de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, partijen de gevolgen van deze echtscheiding op de hieronder omschreven wijze met elkaar hebben geregeld. (…) Artikel 4 DE ECHTELIJKE WONING EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE RECHTEN EN LASTEN 4.1 Tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoort de onroerende zaak staande en gelegen aan de [adres] 1 te [E] , kadastraal bekend gemeente [E] , sectie [--] , nummer [000] , groot 6.93 are. (…) 4.2 De in artikel 4.1 omschreven onroerende zaak wordt voor de daaraan volgens het taxatierapport van Makelaarskantoor [F] d.d. 19 november 2007 toegekende waarde van € 565.000,00 (bijlage 2) toegedeeld aan de vrouw onder de verplichting om de op deze woning rustende hypothecaire lening, voor zover het betreft het bedrag € 118.824,00, voor haar rekening te houden en deze te voldoen als Bij het echtscheidingsconvenant is een bijlage gevoegd van de verdeling van de huwelijksgemeenschap en het pensioenvermogen. De pensioenrechten minus een belastinglatentie van 20% zijn op in totaal € 777.453 gewaardeerd. Hiervan is € 229.544 aan belanghebbende toegerekend en € 547.909 aan de ex-echtgenoot. De lijfrentepolis minus een belastinglatentie van 20% is op € 158.405 gewaardeerd. Hiervan is € 68.659 aan belanghebbende toebedeeld (80% van € 85.824) en € 89.746 (80% van € 112.182) aan de ex-echtgenoot. De woning is gewaardeerd op € 525.449 (minus de hypotheekschuld en plus de waarde van de spaarpolis) en aan belanghebbende toebedeeld. Volgens de bijlage is het totale vermogen in het kader van de echtscheiding op een zodanige wijze verdeeld dat ieder van de echtgenoten een vermogen ontvangt met een totale waarde van afgerond € 800.000. 2.5. In zijn aan de Inspecteur gerichte brief van 3 juni 2013 schrijft belanghebbendes gemachtigde: “U geeft aan dat uit u informatie blijkt dat de totale alimentatie over 2010 € 203.400 bedraagt. Hierbij gaat u er onder andere vanuit dat een bedrag ad. € 169.726 aangegeven had moeten worden in verband met bedragen die voldaan zouden zijn in verband met de verrekening van pensioen- en lijfrenterechten. In het kader van de verdeling van het vermogen zijn echter geen bedragen over en weer betaald, maar is het volledige vermogen dusdanig verdeeld dat ieder 50% toebedeeld heeft gekregen.” 2.6. Met dagtekening 24 april 2012 heeft belanghebbende haar aangifte IB/PVV voor 2010 ingediend. In de aangifte is als ontvangen alimentatie een bedrag van € 30.910 vermeld. De Inspecteur heeft de primitieve aanslag overeenkomstig de aangifte opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.187. 2.7. Met dagtekening 23 november 2013 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd, waarbij het eerder vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning is verhoogd met een bedrag van € 171.816, naar € 225.003. De correctie bestaat uit een bedrag van € 2.090 aan meer genoten alimentatie en een bedrag van € 169.726 aan periodieke uitkeringen op grond van het in artikel 3:102, lid 3, van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) bepaalde. De Inspecteur heeft laatstgenoemde correctie gemotiveerd met de stelling dat de pensioenrechten en lijfrente bij de echtscheiding zodanig zijn verdeeld dat de ex-echtgenoot voor een bedrag van € 169.726 is overbedeeld in die zin dat die verdeling zodanig was dat de ex-echtgenoot meer heeft verkregen dan de helft van de pensioenrechten en lijfrente. Deze ‘overbedeling’ heeft in de berekening van de Inspecteur voor een bedrag van € 159.183 (50% van € 777.453 = € 388.727 - € 229.544) betrekking op de pensioenrechten en voor een bedrag van € 10.543 (50% van € 158.405 = € 79.202 - € 68.659) op de lijfrente. Belanghebbende is voor haar ‘onderbedeling’ met betrekking tot de pensioenrechten en lijfrenten gecompenseerd door een ‘overbedeling’ van de andere vermogensbestanddelen van de boedel, in het bijzonder het woonhuis, aldus de Inspecteur. 3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. In geschil is de hoogte van de navorderingsaanslag over het jaar 2010. In het bijzonder houdt partijen in hoger beroep verdeeld of belanghebbende in het onderhavige jaar, op grond van artikel 3:102, lid 3, van de Wet IB belast dient te worden met een bedrag van € 159.183 in verband met de verrekening van pensioenrechten en met een bedrag van € 10.543 terzake van de verrekening van een lijfrente. 3.2. De Inspecteur is van mening dat voornoemde bedragen in het jaar 2010 bij belanghebbende terecht zijn belast omdat zij in het kader van het echtscheidingsconvenant pensioen- en lijfrenterechten heeft verrekend. Belanghebbende is de opvatting toegedaan dat de verdeling van de pensioenrechten onbelast is. Voorts is zij subsidiair van mening dat de verdeling van de pensioen- en lijfrenterechten reeds in 2009 heeft plaatsgevonden zodat ook hierom de in geschil zijnde navor De WVPS regelt dat bij echtscheiding de gedurende het huwelijk tot het moment van scheiding opgebouwde aanspraken op een ouderdomspensioen worden verevend, ongeacht het huwelijksgoederenregime. Aanspraken op nabestaandenpensioen worden verevend op grond van de Pensioenwet. De WVPS kent drie vormen van verevening. De verevening volgens de standaardmethode (artikelen 2 en 3 van de WVPS) leidt er toe dat de aanspraken op te verevenen pensioenrechten gelijkelijk worden verdeeld. De in artikel 4 van de WVPS opgenomen alternatieve methode biedt de ex-partners de mogelijkheid bij huwelijkse voorwaarden of bij echtscheidingsconvenant af te wijken van de verdeling van de pensioenrechten overeenkomstig de standaardmethode. De derde en laatste methode is opgenomen in art. 5 WVPS en biedt de mogelijkheid om de aanspraak van de vereveningsgerechtigde op het deel van het ouderdomspensioen tezamen met zijn aanspraak op het bijzonder nabestaandenpensioen met toestemming van het uitvoeringsorgaan om te zetten in een eigen aanspraak op ouderdomspensioen (conversie). Het deel van het ouderdomspensioen dat wordt omgezet, hoeft niet noodzakelijkerwijs de helft van het te verevenen ouderdomspensioen te zijn. Partijen hebben de vrijheid zelf te bepalen welk deel van het te verevenen ouderdomspensioen geconverteerd wordt. A prima facie zou uit het in 2.3 genoemde convenant afgeleid kunnen worden dat in de situatie van belanghebbende en haar ex-echtgenoot pensioenrechten zijn verevend volgens een combinatie van de alternatieve verdelingsmethode en conversie. Zie echter hierna. 4.6. Indien partijen kiezen voor de alternatieve methode waarbij de vereveningspercentages afwijken van de standaardverdeling bij helfte is er geen aanleiding tot een correctie bij de verdeling van de boedel volgens de huwelijksgemeenschap. Er ontstaat dan geen onder- of overbedeling met betrekking tot de te verdelen boedel naar aanleiding van afwijkende vereveningsafspraken. Nu de pensioenverevening van rechtswege plaatsvindt, hoeft bij scheiding en deling van enige gemeenschap in geval van echtscheiding geen rekening te worden gehouden met pensioenrechten. Dit betekent vanuit civielrechtelijk oogpunt dus geen ruil van vermogensbestanddelen bij de boedelverdeling, omdat de pensioenrechten daar geen onderdeel van uitmaken, tenzij de voormalige echtelieden hebben afgezien van de toepassing van de WVPS. 4.7. Het Hof stelt vast dat belanghebbende en haar ex-echtgenoot niet hebben afgezien van de toepassing van de WVPS, maar desondanks zijn overgegaan tot pensioenverrekening, waarbij belanghebbende een deel van haar pensioenaanspraken heeft afgestaan in ruil voor het aan haar toebedelen van het woonhuis. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende de in lid vier van artikel 3:102 van de Wet IB bedoelde lijfrenten en andere inkomensvoorzieningen daarbij heeft verkregen. 4.8. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende en haar ex-echtgenoot feitelijk een situatie hebben gecreëerd waarin de pensioenaanspraken, die civielrechtelijk geen deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap, worden uitgeruild met een vermogensbestanddeel het woonhuis dat daartoe wel heeft behoord. Derhalve is belanghebbende overgegaan tot pensioenverrekening zoals bedoeld in artikel 3:102, lid 3, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB, omdat in wezen de uitgangspunten van de WVPS worden verlaten. Er dient derhalve € 159.183 aangemerkt te worden als een bij belanghebbende te belasten periodieke uitkering. 4.9. De Inspecteur heeft, naar uit het proces-verbaal van de zitting volgt, ter zitting van de Rechtbank gesteld dat indien de pensioenrechten op grond van de WVSP zijn verdeeld, deze niet op grond van artikel 3:102, lid 3, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB belast kunnen worden. 4.10. Belanghebbende stelt met een beroep op het vertrouwensbeginsel dat de Inspecteur aan die stelling dient te worden gehouden. Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Ingeval sprake zou zijn geweest van een verdeling van de pensioenre