Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-17
ECLI:NL:GHSHE:2017:4534
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer 200.205.794/01 arrest van 17 oktober 2017 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de broer, advocaat: mr. A.S.M. Kunst te Zuidlaren, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in incidenteel hoger beroep, hierna aan te duiden als de zuster, advocaat: mr. K. de Vries te Groningen, 1 Het geding Voor het verloop van het geding in de eerdere feitelijke instanties verwijst het hof naar hetgeen de Hoge Raad dienaangaande in zijn in deze zaak gewezen arrest van 24 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1272) onder rov. 1 heeft overwogen. Bij dit arrest heeft de Hoge Raad de tussen partijen gewezen arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2013 en 5 augustus 2014 vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof. Bij exploot van 28 november 2016 heeft de zuster de broer opgeroepen te verschijnen voor dit hof teneinde voort te procederen in het hoger beroep. Vervolgens heeft de broer een memorie na verwijzing met producties genomen, en de zuster een antwoordmemorie na verwijzing. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 2 Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing in cassatie in principaal en incidenteel hoger beroep 2.1. Mede gelet op hetgeen is overwogen onder rov. 3.1 in het arrest van de Hoge Raad staan de volgende feiten tussen partijen vast. i. i) De moeder van partijen is op [datum] 2005 overleden. ii) De zuster en de broer zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de nalatenschap van de moeder. iii) Als gevolg van de verdeling van de nalatenschap van de vader van partijen in 1965 zijn de zuster en de broer eigenaar geworden van de landerijen en gebouwen van een destijds door de vader geëxploiteerd agrarisch bedrijf. De moeder heeft de exploitatie van het agrarisch bedrijf voortgezet en pachtte het land en de gebouwen van haar kinderen. iv) In 1989 heeft de moeder de exploitatie van het bedrijf beëindigd en heeft de broer de exploitatie van de boerderij in maatschapsverband met een loonbedrijf overgenomen. De broer heeft toen de 50% onverdeelde eigendom van de zuster in de landerijen en de gebouwen gekocht en is daarmee volledig eigenaar van de boerderij geworden. De moeder bleef tot begin 1991 op de boerderij wonen. v) In ieder geval vanaf 1992 was de verhouding tussen de moeder en haar dochter ernstig bekoeld en was er tussen hen geen contact. vi) In de laatste jaren van het leven van de moeder hielp de broer haar bij haar administratie en bij het versturen van haar financiële gegevens naar de accountant. vii) Bij brief van 10 augustus 2007 aan de broer zijn namens de zuster onder meer schenkingen van de moeder aan de broer in 2003, 2004 en 2005 vernietigd, waartoe een beroep is gedaan op de geestestoestand van de moeder. 2.2. Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de omvang en samenstelling van de nalatenschap van de moeder/erflaatster. Deze geschillen betreffen in het bijzonder vermogensverschuivingen tussen de erflaatster en haar beide kinderen en de vraag of de broer opzettelijk tot de nalatenschap behorende goederen heeft verzwegen, heeft zoekgemaakt of verborgen heeft gehouden. De rechtbank Groningen heeft in het bestreden vonnis van 3 maart 2010 op de geschilpunten van partijen beslist en partijen veroordeeld over te gaan tot verdeling van de nalatenschap met inachtneming van die beslissingen en bepaald dat de verdeling zal geschieden ten overstaan van mr. [notaris] , notaris te [plaats] . Partijen hebben uitvoering gegeven aan het bestreden vonnis. 2.3. De broer is in het principaal hoger beroep met 7 grieven (genummerd 1 tot en met 7) opgekomen tegen het bestreden vonnis; de zuster in het incidenteel hoger beroep met 4 grieven (genummerd I tot en met IV). In zijn tussenarrest van 16 juli 2013 heeft het Aan de regel van artikel 7:176 BW bestaat geen behoefte indien van de schenking een notariële akte is opgemaakt: in dat geval mag voorshands ervan worden uitgegaan dat de schenker zonder overijling en ongeoorloofde beïnvloeding is te werk gegaan. Voorts is in artikel 7:176 BW een uitzondering opgenomen voor het geval de in de hoofdregel vervatte verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. Van dit laatste zal de rechter dan wel uitdrukkelijk verantwoording moeten afleggen, ervan uitgaande dat feiten zijn gesteld die deze afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Daarbij valt te denken aan het geval dat alleen de schenker over het bewijsmateriaal beschikt of dat zijn betoog zo onwaarschijnlijk is dat voorlopige aanvaarding ervan de wederpartij in een onredelijke bewijspositie zou brengen. (Vgl. Kamerstukken II, 1981-1982, 17 213, nr. 3, p. 8-9). Zoals de Hoge Raad eerder heeft overwogen, blijkt uit de bewoordingen van artikel 7:176 BW niet dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden de mogelijkheid bestaat om van de in dat artikel ter bescherming van de schenker gegeven bewijslastverdeling af te wijken op de grond dat deze in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn, en daarmee naar de uit de hoofdregel van artikel 150 Rv voortvloeiende bewijslastverdeling terug te keren (ECLI:NL:HR:2007:BA8445, rov. 3.4.3). 2.7. Het hof stelt allereerst vast dat de zuster als rechtsopvolgster onder algemene titel van moeder, en daarmee dus als schenker, beroep doet op vernietigbaarheid van schenkingen van de moeder aan de broer. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de zuster het recht om de schenkingen te vernietigen op grond van artikel 7:176 BW zelfstandig (dus zonder medewerking van de broer) kan uitoefenen. 2.8. Voorts moet ervan worden uitgegaan dat de zuster feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat de schenkingen in kwestie door misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen als bedoeld in artikel 7:176 BW. Het gaat bij de schenkingen in kwestie om schenkingen in 2004 en 2005 in de vorm van effectentransacties. Voor de door de zuster gegeven onderbouwing verwijst het hof naar nrs. 12 en 13 van de inleidende dagvaarding met de daarbij als productie 12 overgelegde brief van 10 augustus 2007, nrs. 35 tot en met 38 van de conclusie van antwoord in reconventie en nrs. 96 e.v. van de memorie na enquête. De Hoge Raad heeft in zijn arrest in deze zaak geoordeeld dat genoemde processtukken geen andere conclusie toelaten dat de zuster heeft voldaan aan haar ingevolge artikel 7:176 BW op haar rustende stelplicht. 2.9. Niet in geschil is dat het bij de aan de orde zijnde schenkingen gaat om schenkingen bij onderhandse akten. Het betreft de akte van 14 december 2004 (in de processtukken aangeduid als document X4), houdende de verklaring van de moeder dat zij de broer een schenking in de vorm van aandelen van beursfondsen ter waarde van € 47.025,- doet, en de akte van 2 maart 2005 (in de processtukken aangeduid als document X2), houdende de verklaring van de moeder dat zij de broer een schenking in de vorm van aandelen van beursfondsen ter waarde van € 47.156,- doet. Er is dus geen sprake van de uitzondering op grond van artikel 7:176 BW dat de bewijslast wordt omgekeerd als van de schenking een notariële akte is opgemaakt. 2.10. De broer heeft zich in zijn memorie na verwijzing op het standpunt gesteld dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat in dit geval wordt afgeweken van de in artikel 7:176 BW gegeven bewijslastverdeling en wordt teruggekeerd naar de hoofdregel van artikel 150 Rv, op grond waarvan de bewijslast op de zuster rust. Het hof overweegt allereerst dat de gevallen waaraan in de parlementaire geschiedenis is gedacht zich niet voordoen. Hier is de situatie niet dat alleen de schenker (de zuster) over het bewijsmateriaal beschikt – juist de begiftigde (de broer Hiertegenover is hetgeen de broer gesteld heeft ten bewijze dat er geen sprake is van misbruik van omstandigheden onvoldoende. De broer heeft aangevoerd dat de moeder de wil tot schenken had om een deel van de latere erfbelasting te voorkomen. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat de moeder zelfstandig woonde en dat hij heeft uitgevoerd wat de moeder zelf wilde zonder druk of beïnvloeding. Niettemin valt in de gegeven omstandigheden niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat de broer geen gebruik heeft gemaakt van de vergeetachtigheid van de moeder. Het hof merkt nog op dat juist voor gevallen als de onderhavige een notariële akte aangewezen is. De broer heeft derhalve niet aan zijn bewijslast voldaan. 2.12. Zoals hiervoor is vermeld, heeft de broer bij zijn memorie na verwijzing verklaringen overgelegd van [derde 1] en [derde 2] . De broer geeft aan dat [derde 1] en [derde 2] bereid zijn hun verklaringen onder ede te bevestigen. Voorts heeft de broer aangeboden om de huisarts [huisarts] onder ede te horen om haar verklaring aan de broer te bevestigen. Het hof acht dit bewijsaanbod niet voldoende specifiek en ter zake dienend nu van [derde 1] , [derde 2] en [huisarts] al schriftelijke verklaringen zijn overgelegd en niet nader is aangegeven in hoeverre zij meer of anders kunnen verklaren dan al uit deze verklaringen blijkt. Het hof heeft daarmee reeds rekening gehouden bij de bewijswaardering. Aan dit bewijsaanbod gaat het hof daarom voorbij. 2.13. De grieven 1 tot en met 3 van de broer en grief I van de zuster zien op de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de effectenoverdrachten. De grieven 1 tot en met 3 van de broer bestrijden, kort weergegeven, het oordeel van de rechtbank in het bestreden vonnis dat de effectenoverdrachten nietig zijn. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat deze grieven ten aanzien van de schenkingen ter waarde van € 47.025,- en € 47.156,- falen. Deze schenkingen heeft de zuster immers rechtsgeldig vernietigd op grond van misbruik van omstandigheden bij eerdergenoemde brief van 10 augustus 2007. Dit leidt ertoe dat te dien aanzien het beroep van de zuster op artikel 3:194 lid 2 BW slaagt. Gegeven de in cassatie niet of tevergeefs bestreden overwegingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft te gelden dat de grieven voor het overige slagen. Met grief I betoogt de zuster dat de broer de bewijslast draagt van zijn stelling dat de effectenoverdrachten rechtsgeldig zijn. Deze grief behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling meer. 2.14. Voorts dient nog beslist te worden over grief IV in het incidenteel appel. Deze grief heeft betrekking op wettelijke rente over de bedragen die de broer volgens de zuster ten onrechte onder zich heeft gehouden. Vast is komen te staan dat het hierbij gaat om de bedragen van € 47.025,- en € 47.156,-. De zuster heeft onvoldoende onderbouwd dat rekening moet worden gehouden met de slotwaarde van de betreffende aandelen. Deze grief is dan ook in zoverre gegrond dat de broer alsnog de verschuldigde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW voor zover het de bedragen van € 47.025,- en € 47.156,- betreft aan de zuster dient te voldoen vanaf 6 november 2007, de datum waarop de broer in elk geval de bedragen onder zich hield, tot de datum van de boedelverdeling op 3 juni 2010. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen in het dictum van dit arrest. 2.15. Voor zover na cassatie en verwijzing aan de orde, heeft de rechtbank in het bestreden vonnis in het dictum onder rov. 6.1 voor recht verklaard dat de zuster in de akte van boedelbeschrijving d.d. 21 mei 2007 een juiste en volledige opgave heeft gedaan van de omvang van de nalatenschap, met dien verstande: a. dat de schenkingen d.d. 2003, december 2004 en maart 2005 aan de broer nietig zijn, en b. dat de vordering op de broer van € 116.000,- ter zake van de levering van effecten in december 2004 aldus moet worden gelezen dat de boedel omvat de effecten, althans de tegenwaarde daarvan per datum boedelverdeling