Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2017-10-19
ECLI:NL:GHSHE:2017:4529
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Kenmerk: 14/00524 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 21 maart 2014, nummer AWB 13/4315, in het geding tussen belanghebbende, en de ontvanger van de Belastingdienst, hierna: de Ontvanger, betreffende de hierna vermelde beschikking aansprakelijkstelling. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De Ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking van 2 oktober 2012 met nummer [nummer 1] aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 16.059 betreffende aan [A] B.V. (hierna: [A] ) opgelegde naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2006, 2007 en 2008, (hierna samen: de naheffingsaanslagen) welke beschikking (hierna: de beschikking), na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Ontvanger met dagtekening 11 juli 2013 is gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 318. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking verminderd tot een bedrag van € 7.526, de Ontvanger veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.460 en gelast dat de Ontvanger het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 vergoedt. 1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 493. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De eerste zitting heeft plaatsgehad op 23 januari 2015 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, de heren [B] en [C] , beiden verbonden aan [D] te [plaats 1] , en namens de Ontvanger, de heren [E] en [F] . 1.5. Partijen hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van de Ontvanger behorende bijlage. Het Hof heeft ter zitting aan partijen een afschrift overgelegd van het zesde faillissementsverslag van [A] met dagtekening 8 juni 2011. 1.6. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat, teneinde de Ontvanger de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op de te dezer zitting door belanghebbende ingenomen nieuwe stelling met betrekking tot de adressering en de verzending van de naheffingsaanslagen over de jaren 2006 en 2007 en de gelegenheid te geven om afschriften van deze naheffingsaanslagen in te brengen. Voorts is de Ontvanger in de gelegenheid gesteld om een overzicht in te brengen betreffende de ondernomen stappen ter zake van het verhaal van de naheffingsaanslagen op de bestuurder van [A] . 1.7. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden. 1.8. De Ontvanger heeft vervolgens bij brief met dagtekening 2 februari 2015 nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Belanghebbende heeft op deze inlichtingen gereageerd bij brief met dagtekening 23 februari 2015. Vervolgens heeft de Ontvanger bij brief van 9 april 2015 gereageerd en heeft belanghebbende bij brief van 19 mei 2015 op die laatste brief gereageerd. 1.9. Een tweede zitting heeft plaatsgehad op 21 mei 2015. Beide partijen zijn te dezer zitting niet verschenen, waarvan zij voor de zitting het Hof kennisgegeven hebben. Van deze zitting is geen proces-verbaal opgemaakt. 1.10. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Ontvanger een nader stuk ingediend (brief met dagtekening 21 juli 2015). Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij. 1.11. Een derde zitting heeft plaatsgehad op 19 mei 2016 te ‘s-Hertogenb Op basis van de bevindingen van dit onderzoek zijn, voor zover in de onderhavige procedure relevant, de volgende naheffingsaanslagen (hierna: de naheffingsaanslagen) aan [A] opgelegd: periode Aanslagnummer Dagtekening Bedrag loonheffingen 01-01-2006 tot en met 31-12-2006 [aanslagnummer 4] A.01.6510 07-12-2011 € 242.359 01-01-2007 tot en met 31-12-2007 [aanslagnummer 4] A.01.7500 07-12-2011 € 209.299 01-01-2008 tot en met 31-12-2008 [aanslagnummer 4] A.01.8500 07-12-2011 € 119.186 2.4. De duplicaten van betreffende naheffingsaanslagen die tot de stukken van het onderhavige geding behoren, vermelden het navolgende toezendadres: “ [adres 1] 4 [postcode 1] [plaats 2] ”. Het duplicaat van de naheffingsaanslag ter zake van het jaar 2006 dat tot de stukken van het geding in de zaak met kenmerk 14/00995 van een andere belanghebbende behoort, vermeldt het navolgende toezendadres: “ [adres 2] 4 [postcode 2] [plaats 3] ”. 2.5. De Ontvanger heeft bij schrijven met dagtekening 9 april 2015 het navolgende overzicht “Beheer van relaties” overgelegd, waaruit blijkt dat betreffende naheffingsaanslagen verzonden hadden dienen te worden naar de [adres 1] 4 te [plaats 2] : Adressoort Postcode Huisnr Straatnaam Plaats Ing. dat Verv. dat 1 02 [postcode 2] 4 [adres 2] [plaats 3] 01-09-2005 2 02 ECON 001 [postcode 2] 4 [adres 2] [plaats 3] 01-09-2005 27-07-2011 3 04 LB 001 [postcode 3] 73 [adres 3] [plaats 4] 25-05-1998 01-04-2002 4 10 LB 001 [postcode 4] 208 POSTBUS [plaats 5] 03-05-2005 01-09-2005 5 11 OB 001 [postcode 4] 208 POSTBUS [plaats 5] 23-02-2005 01-09-2005 6 25 [postcode 1] 4 [adres 1] [plaats 2] 18-11-2011 7 30 [postcode 5] 68 [adres 4] [plaats 5] 04-08-2009 21-06-2011 8 38 ICT 001 [postcode 2] 4 [adres 2] [plaats 3] 15-09-2008 04-08-2009 2.6. Belanghebbende is bij beschikking met dagtekening 2 oktober 2012 met toepassing van artikel 34 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de IW), artikel 60 van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 51 van de Zorgverzekeringswet aansprakelijk gesteld voor een bedrag van in totaal € 16.059 ter zake van bovengenoemde naheffingsaanslagen (zie onderdeel 2.3) en na te noemen naheffingsaanslagen: Tijdvak Aanslagnummer Dagtekening Bedrag loonheffingen 01-07-2008 tot en met 31-07-2008 [aanslagnummer 4] A.01.8070 01-10-2008 € 11.114 01-08-2008 tot en met 31-08-2008 [aanslagnummer 4] A.01.8080 22-10-2008 € 10.148 01-10-2008 tot en met 31-10-2008 [aanslagnummer 4] A.01.8100 24-12-2008 € 5.631 01-11-2008 tot en met 30-11-2008 [aanslagnummer 4] A.01.8110 23-01-2009 € 5.390 01-12-2008 tot en met 31-12-2008 [aanslagnummer 4] A.01.8120 24-02-2009 € 5.504 2.7. Van het in het jaar 2006 door [A] verschuldigde bedrag aan loonheffingen van € 518.508 heeft [A] een bedrag van € 242.359 niet voldaan. Ter zake van het jaar 2007 luiden deze bedragen € 445.676 respectievelijk € 209.299 en ter zake van het jaar 2008 € 253.789 respectievelijk € 149.612. 2.8. In voornoemde beschikking met dagtekening 2 oktober 2012 wordt ter zake van de onderbouwing van het bedrag van € 16.059, waarvoor belanghebbende in totaal aansprakelijk is gesteld, verwezen naar het “Rapport inzake een onderzoek in het kader van aansprakelijkheid ex artikel 34 juncto 35 Invorderingswet 1990 bij [A] B.V.” met dagtekening 12 juli 2012 (hierna: het rapport aansprakelijkstelling). In het rapport aansprakelijkstelling is opgenomen dat belanghebbende ter zake van het jaar 2006 aansprakelijk is gesteld voor een bedrag van € 11.418, ter zake van het jaar 2007 voor een bedrag van € 4.297 en ter zake van het jaar 2008 voor een bedrag van € 344. 2.9. De Ontvanger heeft op basis van omzetgegevens van belanghebbende, van overige inleners die bedragen hebben gestort op de G-rekening van [A] en van inleners die overigens bekend zijn bij de Belastingdienst de navolgende omzetgegevens van [A] over de jaren 2006, 2007 en 2008 gereconstrueerd, waarbij de Ontvanger heeft vastgesteld dat het totaal daarvan hoger uitkomt dan hetgeen [A] op aangiften (omzetbelasting) he Voorts heeft de Ontvanger tijdens het onderzoek ter zitting op 23 januari 2015 toegezegd de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de aan [A] ter zake van het jaar 2008 opgelegde naheffingsaanslagen met aanslagnummers [aanslagnummer 4] A.01.8500 (zie onderdeel 2.3), [aanslagnummer 4] A.01.8070, [aanslagnummer 4] A.01.8080, [aanslagnummer 4] A.01.8100, [aanslagnummer 4] A.01.8110 en [aanslagnummer 4] A.01.8120 (zie onderdeel 2.6) te laten vallen. 2.16. Met betrekking tot de aansprakelijkstelling van andere inleners voor de loonbelastingschulden van [A] ter zake van de jaren 2005 tot en met 2008 heeft de Ontvanger, bij brieven met dagtekening 6 juni 2016 en 24 oktober 2016 nadere inlichtingen verstrekt. 3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:1. Zijn de naheffingsaanslagen tijdig aan [A] opgelegd en op de juiste wijze aan haar verzonden? 2. Heeft de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur) onvoldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de naheffingsaanslagen aan [A] respectievelijk heeft de Ontvanger onvoldoende voortvarend gehandeld bij het aansprakelijk stellen van belanghebbende, waardoor belanghebbende in haar verdediging is geschaad? 3. Heeft de Ontvanger, gelet op de financiële situatie van [A] , onzorgvuldig gehandeld door ter zake van de naheffingsaanslagen geen zekerheidstelling van [A] te verlangen, waardoor belanghebbende is benadeeld? 4. Heeft de Ontvanger, gelet op de financiële situatie van [A] , onzorgvuldig gehandeld door in het jaar 2007 de G-rekening te deblokkeren voor een bedrag van € 27.500? 5. Heeft de Ontvanger voldoende stappen ondernomen om de bestuurder(s) van [A] aansprakelijk te stellen voor de onderhavige naheffingsaanslagen? 6. Is de aansprakelijkstelling van belanghebbende in strijd met doel en strekking van de IW? 7. Dient de aansprakelijkstelling van belanghebbende te worden verminderd in verband met een hogere totale omzet van [A] dan waar de Ontvanger vanuit is gegaan? 8. Heeft de Ontvanger in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door slechts inleners van personeel van [A] in een onderzoek te betrekken waarbij het belang meer dan € 500 bedraagt? 9. Heeft belanghebbende naast de in onderdeel 2.14. opgenomen vermindering recht op een aanvullende vermindering van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk is gesteld? Belanghebbende is van mening dat de vragen 1 en 5 ontkennend en de vragen 2 tot en met 4 en 6 tot en met 9 bevestigend beantwoord moeten worden. De Ontvanger is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Op de eerste zitting van 23 januari 2015 heeft belanghebbende bevestigd dat de aansprakelijkstelling is gematigd tot een bedrag van € 7.526, met dien verstande dat het bedrag van de aansprakelijkstelling na matiging voor de onderhavige jaren gebaseerd is op berekenwijze 1. De Ontvanger heeft te dezer zitting de aansprakelijkstelling met betrekking tot het jaar 2008 laten varen. 3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan tijdens de onderzoeken ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal. 3.3. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, tot vernietiging van de uitspraak van de Ontvanger en tot vernietiging van de beschikking. Belanghebbende concludeert subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, tot vernietiging van de uitspraak van de Ontvanger en tot vermindering van de beschikking naar een bedrag van € 6.339. De Ontvanger concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van de beschikking naar een De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de naheffingsaanslag (artikel 5, eerste lid, van de AWR), mits de aanslag niet is gedagtekend op een dag voorafgaande aan de terpostbezorging (arrest Hoge Raad 18 april 2014, nr. 13/04796, ECLI:NL:HR:2014:930, BNB 2014/182). De naheffingsaanslagen over de tijdvakken 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 en 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 (zie onderdeel 2.3.) zijn opgelegd met dagtekening 7 december 2011. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslagen reeds op 5 december 2011 zijn verzonden, waardoor als datum van vaststelling van de naheffingsaanslagen de datum van dagtekening (7 december 2011) heeft te gelden. Redengevend voor dit oordeel zijn de tot de gedingstukken behorende rapporten van 30 januari 2015, met bijlagen, van de heer [P] , behandelfunctionaris bij de Belastingdienst Centrale Administratie te Apeldoorn, waarin wordt gerapporteerd over zijn onderzoek naar de verzending van de naheffingsaanslagen. Uit deze rapporten volgt dat de naheffingsaanslagen op 28 november 2011 zijn aangemaakt en geregistreerd met dagtekening 7 december 2011, dat de naheffingsaanslagen zijn opgenomen in een samengevoegde partij documenten, genaamd C51093 en C52093 SUB/NH Naheff. aanslagLH48 met RUNID [nummer 4] en generatienummer g: [nummer 2] , dat die partij documenten op 5 december is aangeboden aan Post NL en dat die partij met verkooporder [nummer 3] zonder problemen is verzonden. Voorts is in het rapport vermeld dat de Belastingdienst Centrale Administratie in het kalenderjaar 2011 contractueel met Post NL is overeengekomen dat partijen documenten van het soort als RUNID [nummer 4] en generatienummer g: [nummer 2] worden bezorgd binnen 48 uur na aanbieding. De naheffingsaanslagen zijn derhalve, nu de loonbelastingschuld ultimo 2006 respectievelijk ultimo 2007 is ontstaan en de naheffingsaanslagen op 7 december 2011 zijn vastgesteld, binnen de vijfjaarstermijn van artikel 20, derde lid, van de AWR opgelegd. 4.6. Het Hof is voorts van oordeel dat de Ontvanger met de door hem verstrekte gegevens en toelichting daarop, aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen over de jaren 2006 en 2007 zijn verzonden naar het juiste adres van [A] , namelijk het door [A] opgegeven verplichte toezendadres en dat het vermelde adres op een in een andere procedure overgelegd duplicaat-aanslagbiljet berust op een vergissing. 4.7. De eerste klacht van belanghebbende faalt. Vraag 2: Heeft de Inspecteur onvoldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de naheffingsaanslagen aan [A] respectievelijk heeft de Ontvanger onvoldoende voortvarend gehandeld bij het aansprakelijk stellen van belanghebbende, waardoor belanghebbende in haar verdediging is geschaad? 4.8. Belanghebbende heeft gesteld dat zij in haar verdediging is geschaad, omdat de Inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de naheffingsaanslagen respectievelijk omdat de Ontvanger onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de beschikking aansprakelijkstelling aan belanghebbende. Het Hof verwerpt dit standpunt. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre zij in haar verdediging is geschaad. Dit geldt temeer nu vaststaat dat zij – afgezien van werknemer de heer [N] – geen gegevens heeft vastgelegd omtrent de identiteit van de ingeleende krachten. Belanghebbende heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat bij haar door het tijdsverloop informatie verloren is gegaan die zou hebben kunnen leiden tot een (verdere) matiging van de aansprakelijkstelling. 4.9. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat de Inspecteur reeds voor de jaren 2004 en 2005 wist dat onvoldoende afdrachten van loonheffing door [A] hadden plaatsgevonden en om die reden ook voor latere jaren eerder onderzoek had moeten plaatsvinden, verwerpt het Hof dat standpunt. Het geschil over de jaren 2004 e Het Hof is van oordeel dat een en ander niets zegt over de situatie ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur te lang heeft gewacht met het instellen van een boekenonderzoek en dat daardoor verhaalsmogelijkheden zijn verdwenen, verwerpt het Hof dit standpunt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaande aan het faillissement aanleiding bestond voor het instellen van een boekenonderzoek. 4.12. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat van handelen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel geen sprake is. Vraag 4: Heeft de Ontvanger, gelet op de financiële situatie van [A] , onzorgvuldig gehandeld door in het jaar 2007 de G-rekening te deblokkeren voor een bedrag van € 27.500? 4.13. De Rechtbank heeft in haar uitspraak voorts geoordeeld: “2.13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de deblokkering van de G-rekening heeft geleid tot meer onbetaalde loonbelastingschulden dan nu het geval is. Belanghebbende heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat hij is benadeeld door deblokkering van de G-rekening.” 4.14. Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat dit oordeel van de Rechtbank onjuist is, omdat met het geld van de G-rekening (een deel van) de door [A] verschuldigde loonheffingen had kunnen worden betaald, waardoor belanghebbende voor een lager bedrag aansprakelijk zou zijn gesteld. Belanghebbende voert aan dat uit het interne document van de Belastingdienst, genaamd “Invorderingsbehandelplan”, blijkt dat de Ontvanger alle reden had om het saldo op de G-rekening niet vrij te geven. 4.15. De Ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat op het moment van de deblokkering van de G-rekening van [A] er geen (geformaliseerde) loonbelastingschuld open stond. 4.16. De deblokkering van de G-rekening waar belanghebbende op doelt, is geschied in maart 2007. De aansprakelijkstelling van belanghebbende betreft onbetaald gebleven naheffingsaanslagen over de jaren 2006, 2007 en 2008. Deze naheffingsaanslagen zijn aan [A] opgelegd met dagtekeningen variërend van 1 oktober 2008 tot 7 december 2011. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die zich op het standpunt stelt dat zij is benadeeld door de handelwijze van de Ontvanger, dit aannemelijk maakt. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de enkele stelling dat als gevolg van het vrijgeven van het saldo op de G-rekening in maart 2007 er nadien minder liquide middelen beschikbaar waren voor het voldoen van de (nog te formaliseren) loonheffingenschuld, niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze zij is benadeeld. Immers, de Ontvanger heeft onweersproken gesteld dat op het moment van de deblokkering van de G-rekening van [A] er geen (geformaliseerde) loonbelastingschuld open stond, zodat deblokkering van de G-rekening geoorloofd was. Een eventueel vermoeden van mogelijke onjuistheden in de loonadministratie ter zake van [A] aan de zijde van de Ontvanger, wat daar ook van zij, maakt dat niet anders. Voorts heeft te gelden dat belanghebbende aansprakelijk is gesteld voor dat deel van de niet-betaalde loonheffingen dat is toe te rekenen aan de omzet die belanghebbende behaald heeft door middel van de door haar ingeleende arbeidskrachten. Daarop zijn de daadwerkelijk door belanghebbende gedane stortingen op de G-rekening van [A] in mindering gebracht. Uit de herberekening van de aansprakelijkstelling kan vervolgens worden afgeleid dat voor de onderhavige jaren de berekening van de (herziene) aansprakelijkstelling volgens artikel 34, derde lid, van de IW (berekenwijze 1) tot de meest gunstige uitkomst leidt (zie onderdeel 2.12.2 en onderdeel 2.13). Dat is de berekening waarbij wordt uitgegaan van het verschuldigde bedrag aan loonheffingen verminderd met de daadwerkelijk door belanghebbende op de G-rekening gestorte bedragen. Een eventueel positief saldo op de In het onderhavige geval heeft de Inspecteur dat niet kunnen vaststellen in verband met het ontbreken van het grootste deel van de financiële administratie van [A] . Voor de onderhavige jaren heeft de Inspecteur de juistheid van door [A] ingediende loonaangiften dus niet kunnen vaststellen en evenmin de identiteit van de op die aangiften vermelde werknemers. Het gevolg daarvan is dat de Inspecteur de belastingschuld heeft bepaald met toepassing van het anoniementarief. De uitlener heeft een deel van de verschuldigde loonbelasting niet voldaan. Het past binnen het wettelijke systeem dat de inlener hiervoor aansprakelijk gesteld wordt en dat slechts indien aan de hiertoe in de Leidraad Invordering 2008 gestelde voorwaarden wordt voldaan matiging van de aansprakelijkstelling kan plaatsvinden. Belanghebbende is daar ten aanzien van één ingeleende werknemer in geslaagd en dat heeft geleid tot een vermindering van de aansprakelijkstelling. Van strijd met doel en strekking van de wettelijke regeling is geen sprake. Vraag 7: Dient de aansprakelijkstelling van belanghebbende te worden verminderd in verband met een hogere totale omzet van [A] dan waar de Ontvanger vanuit is gegaan? 4.23. Belanghebbende stelt dat bij de bepaling van de omvang van de aansprakelijkheid van belanghebbende de totaalomzet van [A] te laag is vastgesteld. Belanghebbende betoogt in dat verband dat niet uitgesloten is dat de totale omzet van [A] hoger is geweest, met als gevolg dat het aandeel van belanghebbende daarin en daarmee de omvang van haar aansprakelijkstelling, lager dient te worden vastgesteld. 4.24. De Ontvanger heeft zich tegen voornoemd betoog verweerd met de stelling dat bij de berekening van het aandeel van belanghebbende in de totale omzet en daarmee van de omvang van haar aansprakelijkstelling, bij gebrek aan een deugdelijke administratie van [A] , is uitgegaan van de opgave van omzetgegevens van de inleners van personeel van [A] , welk bedrag hoger uitkwam dan de totale omzet zoals door [A] op aangifte is aangegeven. 4.25. De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen: “2.12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ontvanger aannemelijk gemaakt dat belanghebbende aansprakelijk kan worden gesteld voor een bedrag van € 7.526. De rechtbank hecht geloof aan de verklaringen van de ontvanger ter zitting, dat gerekend is met de werkelijke omzetgegevens, zoals door de inleners zijn verstrekt en dat sprake is van een verschrijving in het verweerschrift. […]” 4.26. Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd, dat het bewijs dat sprake is van een verschrijving in het verweerschrift ontbreekt en het geloof dat door de Rechtbank gehecht is aan de verklaring van de Ontvanger ter zitting, ongefundeerd is. Het Hof oordeelt dienaangaande als volgt. 4.27. De Ontvanger heeft in reactie op vragen van belanghebbende reeds in de bezwaarfase een onderbouwing gegeven van de berekening van het aansprakelijkheidsaandeel van belanghebbende (en de vermindering daarvan). In hoger beroep heeft de Ontvanger zijn standpunt herhaald, inhoudende dat de door de inleners verstrekte omzetgegevens de basis hebben gevormd voor bepaling van de verdeelsleutel voor de aansprakelijkstelling en niet, zoals in het verweerschrift bij de Rechtbank is vermeld, het totaal van de omzetbelastingaangiften van [A] . Ter zitting van 23 januari 2015 heeft de Ontvanger een overzicht overgelegd van de omzetbedragen per inlener. Dit overzicht vermeldt totaalbedragen gelijk aan de totale omzet waarvan de Ontvanger is uitgegaan bij de berekening van de aansprakelijkstelling. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met de stelling dat er mogelijk meer omzet is gerealiseerd bij andere inleners. 4.28. Het Hof is van oordeel dat de Ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat de omzetbedragen waarvan hij is uitgegaan, zijn gebaseerd op de omzetgegevens die afkomstig zijn van de inleners. Belanghebbende heeft vervolgens gesteld dat er mogelijk meer inleners zijn waardoor de totale omzet van [A] hoger is, maar Voor de toepassing van de meerderheidsregel concludeert het Hof dat niet in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Voorts acht het Hof de omstandigheid dat er wellicht enkele inleners ten onrechte niet aansprakelijk zijn gesteld onvoldoende om strijd op te leveren met het zorgvuldigheidsbeginsel. 4.34. Gelet op het voorgaande faalt de klacht van belanghebbende. Vraag 9: Heeft belanghebbende naast de in onderdeel 2.14. opgenomen vermindering recht op een aanvullende vermindering van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk is gesteld? 4.35. Artikel 34, eerste lid, van de IW bepaalt: “Ingeval een werknemer met instandhouding van de dienstbetrekking tot zijn inhoudingsplichtige, de uitlener, door deze ter beschikking is gesteld aan een derde, de inlener, om onder diens toezicht of leiding werkzaam te zijn, is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting welke de uitlener verschuldigd is in verband met het verrichten van die werkzaamheden door die werknemer alsmede voor de omzetbelasting welke de uitlener, dan wel – in geval doorlening plaatsvindt – de in het tweede lid bedoelde doorlener verschuldigd is in verband met dat ter beschikking stellen. In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de inlener niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting of van omzetbelasting opgelegde bestuurlijke boete.” 4.36. Het ligt op de weg van de Ontvanger om de feiten te stellen waarop de aansprakelijkstelling en naheffingsaanslagen steunen, en deze bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken. Dat neemt echter niet weg dat indien een aansprakelijkgestelde zich in het kader van zijn verweer beroept op hem ontlastende omstandigheden, zoals in het onderhavige geval op matiging van het bedrag waarvoor aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden, de bewijslast te dier zake, in geval van betwisting, bij hem rust (Hoge Raad 20 december 2013, nr. 12/02987, ECLI:NL:HR:2013:1775). 4.37. De Rechtbank heeft voorts overwogen (overweging 2.12, tweede volzin): “De ontvanger heeft het bedrag van de aansprakelijkstelling na overlegging van de vereiste gegevens van werknemer [N] gematigd op grond van artikel 34, § 8, tweede lid, van de Leidraad invordering 2008. Het gematigde bedrag is vervolgens verminderd met de betalingen op de G-rekening van [A] . De rechtbank acht deze berekeningswijze juist. Belanghebbendes stelling dat het bedrag van de aansprakelijkstelling met 90% dient te worden verminderd, aangezien 90% van de uren betrekking heeft op werknemer [N] , faalt. Matiging op grond van artikel 34 § 8, tweede lid, van de Leidraad invordering 2008 leidt namelijk niet tot vermindering van de volledige loonheffingen.” 4.38. Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat dit oordeel van de Rechtbank is gebaseerd op een onjuiste vaststelling van de feiten, omdat de aansprakelijkstelling voor het jaar 2006, zowel vóór als na de matiging, is berekend aan de hand van berekening 2 (op basis van restschuld, zonder rekening te houden met stortingen op de G-rekening). Deze stelling heeft belanghebbende op de eerste zitting ingetrokken, aangezien bij de herziening van de berekening waarbij een matiging is toegepast, ook voor het jaar 2006 berekening 1 als de meest gunstige methode is toegepast. 4.39. Voor het overige heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij in aanmerking komt voor een verdergaande matiging. Voor zover belanghebbende beoogt te stellen dat de beleidsmatige voorwaarden voor matiging in strijd zijn met de Wet Bescherming Persoonsgegevens, en dat om die reden matiging moet plaatsvinden verwerpt het Hof dit standpunt. Volgens de wettelijke regeling is belanghebbende op grond van artikel 34, eerste lid, van de IW aansprakelijk voor de niet voldane loonheffingen. De Staatssecretaris van Financiën heeft op beleidsmatige gronden besloten om de aansprakelijkstelling te matigen in het geval de inlener zelf maatregelen heeft genomen om op controlee