Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 1997-04-25
ECLI:NL:GHSHE:1997:AA4403
BELASTINGKAMER Nr. 96/1463 HET GERECHTSHOF TE 's_HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's_Hertogenbosch, zevende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid douane te P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de beschikking inzake zijn verzoek om vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit belasting op personenauto's en motorrijwielen (hierna: het Besluit). 1. Ontstaan en loop van het geding Bij de beschikking heeft de Inspecteur belanghebbendes verzoek afgewezen. De Inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegen de beschikking gemaakte bezwaar. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer ter zitting van het Hof van 22 november 1996 te Q. Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Met het oog op de mondelinge behandeling van de zaak heeft belanghebbende bij brief van 13 november 1996 drie bescheiden in het geding gebracht, zulks zonder bezwaar van de wederpartij. Belanghebbende heeft voorts ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur ter zitting een afschrift van een verklaring van B, voorzitter van de raad van bestuur van C N.V., d.d. 13 december 1991 overgelegd. Het Hof heeft op 5 december 1996 te 's-Hertogenbosch mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal daarvan zijn op 17 december 1996 met ontvangstbevestiging aan partijen verzonden. De Inspecteur heeft tijdig verzocht om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. 2. Feiten 2. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende is werknemer van D B.V. te Z (Nederland). Hij is tevens tegen een vergoeding van thans ongeveer ƒ 86.000,-- als gedelegeerd bestuurder werkzaam bij C N.V. te R (België). 2.2 C N.V. is een dochtervennootschap van D B.V.. Naast C N.V. behoren nog dochtervennootschappen in Engeland, Duitsland en Frankrijk tot het concern. Belanghebbende verricht ook voor laatstbedoelde vennootschappen werkzaamheden. 2.3. Belanghebbende bezat in 1990 50 van de 28000 aandelen in C N.V.. Ten tijde van de eerder genoemde mondelinge behandeling bezat belanghebbende geen aandelen meer in C N.V.. Belanghebbende heeft nimmer aandelen in D B.V. gehad. 2.4. C N.V. heeft aan belanghebbende een in België geregistreerde personenauto ter beschikking gesteld van het merk BMW, type 730i, met Belgisch kenteken (hierna ook: de personenauto), waarbij het belanghebbende is toegestaan deze ook voor privé-doeleinden te gebruiken. 2.5. Het geschatte gebruik van de personenauto per maand is als volgt: in totaal ± 3000 km, waarvan ± 400 km voor privé-doeleinden, ± 600 km voor woon/werkverkeer en ± 2000 km voor werkzaamheden buiten Nederland, waaronder werkzaamheden voor de in Duitsland en Frankrijk gevestigde dochtervennootschappen van D B.V.. 2.6. De Inspecteur heeft belanghebbende vrijstelling van BPM als bedoeld in artikel 3 van het Besluit verleend. 2.7. Op 30 november 1990 zijn tijdens een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van C N.V. haar statuten gewijzigd. Voorzover te dezen van belang luiden krachtens resolutie 14 van evenbedoelde vergadering de artikelen 8, 11, 12, 13 en 14 van de gewijzigde statuten als volgt: " ARTIKEL 8.Benoeming en ontslag van bestuurders De vennootschap wordt bestuurd doo Zijn ruime vertegenwoordigings-bevoegdheid houdt niet tevens in dat hij bevoegd is zelfstandig, buiten de raad van bestuur om, beslissingen te nemen. Hij beroept zich op § 9.5 van de Leidraad BPM (tekst vanaf 1 oktober 1993), waarin is bepaald dat de personenauto of het motorrijwiel hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland, indien het gebruik voor meer dan 50% zowel zakelijk als buiten Nederland plaatsvindt. De door hem op 13 november 1996 aan het Hof en de Inspecteur verzonden stukken hebben hun belang verloren. De Inspecteur heeft ter zitting nog het volgende naar voren gebracht. Hij leest in de statuten niet dat besluiten inzake de aanschaf en registratie van een personenauto zijn voorbehouden aan de aandeelhoudster van C N.V.. Belanghebbende besluit daarover zelf, althans heeft - als de raad van bestuur daarover als college gaat - daarop als lid van die raad invloed als bedoeld in artikel 2, lid 1, onderdeel c, van het Besluit. Belanghebbendes ruime vertegenwoordigingsbevoegdheid houdt tevens in dat hij bevoegd is zelfstandig, buiten de raad van bestuur om, beslissingen te nemen. Belanghebbende heeft zijns inziens belang bij registratie van de personenauto in België. Belanghebbende gebruikt de personenauto in het buitenland zijns inziens grotendeels voor werkzaamheden ten behoeve van andere buitenlandse dochtervennootschappen dan de Belgische dochtervennootschap van D B.V.. In zoverre valt dit gebruik zijns inziens niet onder "de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland" als bedoeld in artikel 2, lid 1, onderdeel a, van het Besluit. 3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het Hof begrijpt, tot verlening van vrijstelling van BPM als bedoeld in artikel 2 van het Besluit. De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en handhaving van de beschikking. 4. Overwegingen omtrent het geschil 4.1. Uit het slot van het eerste lid van artikel 3 van het Besluit ("een en ander mits de eigenaar of houder niet een werknemer is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c.") leidt het Hof af dat naar de bedoeling van de besluitgever een bestuurder van een vennootschap die in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land de personenauto of het motorrijwiel wordt geregistreerd, in aanmerking kan komen voor de vrijstelling van artikel 2 van het Besluit. De vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als een werknemer gaat derhalve op in de vraag of hij in beginsel geen invloed kon uitoefenen op de beslissing in welk land de personenauto werd geregistreerd. 4.2. Belanghebbende heeft, daarnaar ter zitting gevraagd, geen besluit inzake de aanschaf en registratie van de personenauto van de algemene vergadering van aandeelhouders van C N.V. kunnen noemen. Zulks in aanmerking genomen houdt het Hof het ervoor dat zodanig besluit niet is genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders, ofschoon aan haar, gelet op artikel 12 van de statuten van C N.V., het toekennen aan haar bestuurders van een vaste bezoldiging, waaronder voordelen in natura, lijkt te zijn voorbehouden. 4.3.1. Het Hof acht aannemelijk dat het hier een aangelegenheid betreft waarover de raad van bestuur van C N.V. als college heeft besloten. De aanschaf en registratie van een personenauto als de onderwerpelijke zijn naar 's Hofs oordeel bezwaarlijk te rekenen tot het intern dagelijks bestuur van de vennootschap, dat de raad van bestuur ingevolge artikel 14, derde volzin, kan opgedragen aan een of meer van zijn leden. 4.3.2. Het gaat hier derhalve om de vraag of belanghebbende in de raad van bestuur van C in beginsel geen invloed kon uitoefenen op de beslissing in welk land de aan hem ter beschikking te stellen personenauto zou worden geregistreerd. Belanghebbende had belang bij registratie in Nederland ter vermijding van de uit artikel 1, vierde lid, van de Wet op de belasti