ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4607
GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE
Sector Civiel recht
Zaaknummer : 200.093.268/01
beschikking van 17 april 2012
inzake
[Naam],
wonende te Rotterdam,
verzoeker,
nader te noemen: [appellant],
advocaat: mr. A.P. Hovinga te Rotterdam,
tegen
de volgende verweerders:
1. K.S.R. International BVBA,
gevestigd te Kalmthout (België),
niet verschenen,
hierna te noemen: KSR,
2. Goltens Rotterdam B.V.,
gevestigd te Spijkenisse,
hierna te noemen: Goltens,
advocaat: mr. R. Gruben te Voorburg,
3. Damen Shiprepair Rotterdam B.V.,
gevestigd te Schiedam,
hierna te noemen: Damen,
advocaat: mr. J.C. Rous te Rotterdam,
4. Zürich Insurance Ireland Limited Netherlands Branch,
gevestigd te 's-Gravenhage,
hierna te noemen: Zürich,
advocaat: mr. J.C. Rous te Rotterdam,
5. HDI-Gerling Verzekeringen N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat: mr. R. Gruben te Voorburg,
hierna te noemen: HDI.
Verweerders worden hierna gezamenlijk KSR c.s. genoemd.
1. Bij verzoekschrift met producties, binnengekomen ter griffie op 30 augustus 2011, heeft [appellant] een verzoek inzake een deelgeschil ex artikel 1019w e.v. Rv aanhangig gemaakt. Mr. Hovinga heeft bij brieven van 10, 15, 29 februari 2012 nadere producties aan de zijde van [appellant] in het geding gebracht. Damen en Zürich hebben bij brieven van 9 en 17 januari 2012 van mr. P.C. Knijp (advocaat te Rotterdam) producties overgelegd, gevolgd door een verweerschrift dat op 6 maart 2012 is binnengekomen. Van Goltens en HDI is op 30 januari 2012 een verweerschrift binnengekomen.
De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft, tegelijk met de comparities van partijen in de zaken met de zaaknummers 200.093.303/01 (Damen tegen [appellant]) en 200.093.156/01 ([appellant] tegen KSR c.s.), op 8 maart 2012 plaatsgevonden, ter gelegenheid waarvan door mr. Hovinga notities zijn overgelegd. Behalve KSR zijn alle partijen ter zitting verschenen.
2. Het hof gaat bij de beoordeling van dit deelgeschil uit van de navolgende feiten:
2.1 [appellant], geboren op 14 juni 1959, is op 26 november 2007 bij KSR voor de duur van 1 jaar in dienst getreden in de functie van pijpfitter/lasser.
2.2 In november 2007 lag ms. "Team Anemonia" ter reparatie in een droogdok van de scheepswerf van Damen te Schiedam.
2.3 Op 27 november 2007 heeft er op het dek van dit schip, bij het verwijderen van een afsluiter van de stoomleidingen daarvan, een arbeidsongeval plaatsgevonden, waarbij [appellant] gewond is geraakt aan zijn rechter hand/pols.
2.4 Bij het verwijderen van die afsluiter en stoomleidingen heeft een kraanmachinist, die in dienst was van Damen, assistentie verleend met behulp van een walkraan.
2.5 Naar aanleiding van de melding van het ongeval bij de Arbeidsinspectie heeft de Inspecteur van de Arbeidsinspectie een ongevallen boeterapport opgemaakt.
2.6 Direct na het ongeval is [appellant] opgenomen in het ziekenhuis en is hij aan zijn hand en pols geopereerd.
2.7 In het kader van het door haar uitgevoerde onderzoek heeft de Arbeidsinspectie vastgesteld dat op 27 november 2007 artikel 16, lid 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, in verbinding met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, is overtreden en heeft zij KSR een boete opgelegd.
2.8. Zürich en HDI zijn de AVB verzekeraars van respectievelijk Damen en Goltens.
2.9 [appellant] heeft KSR c.s. in januari 2009 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, sector kanton, en gevraagd:
a) een verklaring voor recht dat KSR, Goltens en Damen c.s. ieder voor zich maar ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle gevolgen van het bedrijfsongeval van 27 november 2007 en gehouden zijn de schade die [appellant] dienaangaande geleden heeft en/of nog zal lijden te vergoeden.
b) een verklaring voor recht dat HDI en Zürich gehouden zijn om telkens op basis van de toepasselijke polis de schade van [appellant] ten gevolge van het bedrijfsongeval rechtstreeks aan hem te voldoen.
2.10. Bij eindvonnis van 17 juni 2011 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat KSR en Damen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het [appellant] op 27 november 2007 overkomen ongeval en hen veroordeeld de schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden. Voorts heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Damen voor deze schade aanspraak kan maken op de toepasselijke aansprakelijkheidsverzekering afgesloten bij Zürich en dat Zürich gehouden is de schade rechtstreeks aan [appellant] te voldoen. De vorderingen tegenover de andere gedaagden (Goltens en HDI) zijn afgewezen.
2.10 Damen en Zürich zijn bij exploot van 26 augustus 2011 van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen. De zaak (met zaaknummer 200.093.303/01) is aangebracht op de rol van 6 september 2011.
2.11 [appellant] is bij exploot van 11 augustus 2011 eveneens van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen en heeft hierbij KSR c.s. (KSR, Goltens, Damen, Zürich en HDI) gedagvaard tegen de zitting van 6 september 2006. In deze procedure (met zaaknummer 200.093.268/01) zijn tot nu toe alleen Damen en Zürich verschenen.
3.1 [appellant] verzoekt het hof thans in deelgeschil:
a) een beslissing te nemen met betrekking tot de schuldvraag en daarbij te oordelen dat KSR, Goltens en Damen ieder voor zich maar ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle gevolgen van het bedrijfsongeval van 27 november 2007 en dat KSR, Goltens en Damen gehouden zijn om de schade die [appellant] dienaangaande geleden heeft en/of nog zal lijden te vergoeden.;
b) tevens "te beslissen dat HDI en Zürich gehouden zijn om op basis van de toepasselijke polis de schade van [appellant] ten gevolge van het bedrijfsongeval van 20 juli 2009 (waarvoor het hof leest: 27 november 2007) rechtstreeks aan hem te voldoen, dit op basis van art. 7:954 BW."; en
c) de juridische kosten van [appellant] (over de periode vanaf 23 juni 2011 tot en met de zitting) te begroten op € 8.220,56 inclusief BTW.
3.2 [appellant] heeft de in rov. 2.1. tot en met 2.8. genoemde feiten aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Voorts stelt [appellant] - samengevat - het volgende.
[appellant] heeft KSR, Goltens en Damen en de verzekeraars van laatstgenoemde in rechte betrokken. De kantonrechter heeft KSR en Damen hoofdelijk veroordeeld. [appellant] heeft na het vonnis van 17 juni 2011 om een voorschot aan Damen en Zürich gevraagd. Deze hebben hier niet op gereageerd. Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat Goltens niet aansprakelijk is. Voor de aansprakelijkheid van Damen heeft de kantonrechter "de verkeerde afslag genomen." Het vonnis is bovendien niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [appellant] is daarom in hoger beroep gekomen.
De drie werkgevers weigeren aansprakelijkheid te erkennen maar verwijzen wel naar elkaar. [appellant] wil de schade graag met zijn vijf tegenpartijen regelen (feitelijk met beide verzekeraars). De schaderegeling kan dan worden beëindigd met het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Echter, gezien het standpunt van gedaagden ten aanzien van de aansprakelijkheid is de discussie al in een vroeg stadium doodgelopen. De procedure heeft tot dusverre ook nog geen oplossing gebracht.
Het deelgeschil is in dit geval een adequate oplossing om de discussie weer vlot te trekken. Zodra over de aansprakelijkheid een oordeel is geveld kan [appellant] op zinvolle wijze verder praten met de werkgevers, aldus [appellant]. [appellant] heeft voorts aangevoerd dat het deelgeschil niet ziet op de hoogte van de schade.
3.3 Damen en Goltens (en hun AVB-verzekeraars Zürich resp. HDI die hierna niet afzonderlijk zullen worden genoemd nu zij ieder hetzelfde standpunt innemen als hun verzekerde) hebben ieder gemotiveerd verweer gevoerd.
4. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt het hof het volgende. Volgens artikel 1019x lid 1 Rv wordt het verzoek gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen. Volgens lid 2 van dat artikel wordt indien de zaak ten principale reeds aanhangig is, het verzoek gedaan aan de rechter voor wie de zaak ten principale reeds aanhangig is. Nu de zaken met de zaaknummers 200.093.303/01 en 200.093.156/01 als de zaken ten principale in de zin van genoemd artikel dienen te worden beschouwd, deze in eerste aanleg door de kantonrechter bij eindvonnis waren afgedaan en door de appellanten beide ter rolle van 6 september 2011 aanhangig zijn gemaakt, heeft [appellant] het verzoek terecht bij dit hof ingediend. [appellant] is mitsdien ontvankelijk in zijn verzoek.
5.1 Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat er geen sprake is van een gezamenlijk verzoek, maar van een eenzijdig verzoek van [appellant]. Vastgesteld wordt dat het verzoek in essentie ziet op dezelfde vraag als aan de orde gesteld in de beide bij het hof aanhangige bodemprocedures, te weten of KSR c.s. aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval. [appellant] heeft expliciet aangegeven dat het verzoek geen betrekking heeft op de hoogte van de schade (of een in dat kader te vragen voorschot), maar alleen ziet op de aansprakelijkheid.
5.2 Het hof is mede gelet op het voorgaande van oordeel dat het verzoek van [appellant] in dit geval in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Dit deelgeschil doorkruist het hoger beroep in de bodemprocedures tussen partijen. In de beide bodemprocedures is nog niet van grieven gediend tegen het vonnis van de kantonrechter. Indien het hof in het deelgeschil een oordeel zou geven over de vorenbedoelde vraag, is dat een bindende eindbeslissing in laatste feitelijke instantie. Daaraan zou het hof derhalve in de bodemprocedures in beginsel gebonden zijn.
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.W. van Rijkom, I.M. Davids en P.M. Verbeek en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2012 in aanwezigheid van de griffier.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 1019x — Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
- Artikel 1019z — Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
- Artikel 1019aa — Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
- Artikel 1019w — Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
- Artikel 954 — Burgerlijk Wetboek Boek 7