Rechtspraak 1999-12-16
ECLI:NL:GHSGR:1999:AV1399
Uitspraak : 16 december 1999 req.nr.hof : 98/298 HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft de volgende beslissing gegeven in de zaak van: 1. De naamloze vennootschap AMSTERDAMSE NEGOTIATIE COMPAGNIE N.V. in liquidatie, (hierna afzonderlijk te noemen: de Vennootschap), gevestigd te Amsterdam, 2. [M. von Saher], (hierna afzonderlijk te noemen: Von Saher), wonende te Greenwich, Connecticut, Verenigde Staten van Amerika, appellanten (hierna gezamenlijk te noemen: Goudstikker), procureur: mr. W. Taekema, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen), zetelende te ’s-Gravenhage, geïntimeerde (hierna te noemen: de Staat), procureur: mr. H.C. Grootveld. Het geding Goudstikker heeft bij beroepschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 19 augustus 1998, 21 grieven aangevoerd tegen de hierna onder 1.8 te noemen beslissing van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) en daarbij een tegen de Staat gericht verzoek ingediend. De Staat heeft een, op 30 september 1998 ingekomen, verweerschrift (met producties) ingediend. De nadere mondelinge toelichting van het beroepschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 18 oktober 1999. Partijen hebben bun standpunten alstoen nader doen uiteenzetten, Goudstikker door prof. mr. R.M.N. Schonis en jhr. mr. R.O.N. van Holthe tot Echten, beiden advocaat te Amsterdam, en de Staat door mr. M. van Rijn, advocaat te 's-Gravenhage, en door zijn procureur, alIen - met uitzondering van de procureur van de Staat - aan de hand van overgelegde pleitnota's. Goudstikker heeft daarbij het petitum van haar beroepschrift gewijzigd als onder 2 te vermelden en nog een aantal producties overgelegd. De Staat heeft eveneens nog producties in het geding gebracht. Beoordeling 1. De achtergrond van het beroepschrift is als voIgt. 1.1. De Vennootschap voerde tot mei 1940 te Amsterdam een internationaal bekende kunsthandel onder de naam “Kunsthandel J. Goudstikker N.V.”. Het aandelenkapitaal in de Vennootschap was aan het eind van de jaren dertig voor het overgrote deel in handen van Jacques Goudstikker, tevens directeur van de Vennootschap. Jacques Goudstikker is in mei 1940 tijdens zijn vlucht vanuit Nederland naar de Verenigde Staten door een ongeluk om het leven gekomen. Zijn echtgenote [D.] en hun zoon [E.] waren zijn enige erfgenamen. 1.2. Op 1 juli 1940 werd tussen de procuratiehouder van de Vennootschap, [T.B.], die met een andere werknemer de leiding van de Vennootschap aan zich had getrokken, enerzijds en de Rijksduitser Aloïs MiedI anderzijds een overeenkomst gesloten waarbij laatstgenoemde het gehele actief van de Vennootschap verwierf. Deze overeenkomst werd op 5 juli 1940 en 13 juli 1940 door middel van nadere overeenkomsten herzien en gedeeltelijk ontbonden, waarna het grootste gedeelte van het actief van de Vennootschap bij overeenkomst van 13 juli 1940 door de Rijksveldmaarschalk Hermann Göring werd verworven. Aloïs Miedl heeft f 550.000 betaald voor het door hem verworven gedeelte van de activa van de Vennootschap, welk gedeelte voornamelijk uit onroerend goed bestond alsook uit een aantal roerende zaken (de zogenaamde "Miedl-transactie"), terwijl Hermann Göring een bedrag van f 2.000.000,- heeft betaald voor de door hem verworven activa van de Vennootschap, voornamelijk bestaande uit schilderijen (de zogenaamde "Göring-transactie). 1.3. Op 31 juli 1945 zijn mrs. [E.J.K.H.] en [W.C.R.L.] in het kader van rechtsherstel benoemd tot beheerders van de Vennootschap. In oktober 1946 is het beheer van de Vennootschap overgedragen aan de inmiddels naar Nederland terugge- keerde weduwe van Jacques Goudstikker, [D.] voornoemd, schoonmoeder van Von Saher, alsmede aan de advocaat mr. [M.M.] en de accountant [E.L.]. Daarop zijn tussen partijen besprekingen en onderhandelingen gevolgd die uiteindelijk hebben geleid tot een akte van dading van 1 augustus 1952 terzake van (in elk geval) de Mied zal ingrijpen in de rechtsbetrekkingen die naar aanleiding van de koopovereenkomst de dato 13 juli 1940 zijn ontstaan in dier voege dat de Staat wordt gelast om alle goederen die Hermann Göring uit het vermogen van de Vennootschap heeft verkregen en die de Staat te zijner beschikking heeft verkregen, aan de Vennootschap ter hand te stellen, alsmede dat aan de Staat wordt gelast om aan scheiding en deling mede te werken van de goederen die Hermann Göring in 1940 uit het vermogen van de Vennootschap heeft verkregen en welke de Vennootschap in mede-eigendom had met derden, en welke goederen thans in mede-eigendom zijn van de Staat en de Vennootschap tezamen, een en ander voor zover voornoemde goederen op de dag van indiening van dit beroepschrift nog bij de Staat aanwezig zijn of voor de Staat worden gehouden, alsmede ervoor zorg te dragen dat alle voornoemde goederen die Hermann Göring van de Vennootschap verkreeg en terzake waarvan de Staat voor de retournering aan de Vennootschap kan zorg dragen aan de Vennootschap binnen vier weken na de te dezen te geven uitspraak aan de Vennootschap ter beschikking te laten stellen, dit alles naar die mate en die grootte hetwelk het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, en voorts al die maatregelen zal bevelen hetwelk het hof in het kader van het rechtsherstel van de Göring-transactie als in dit beroepschrift gedefinieerd voor nuttig c.q. noodzakelijk acht; 2. de Staat zal gelasten binnen vier weken na de door het hof te dezen te wijzen uitspraak aan de Vennootschap te overhandigen een volledige lijst van de aan de Staat bekende goederen, die in 1940 uit het vermogen van de Vennootschap zijn overgedragen aan Hermann Göring, welke de Staat tot op de dag van de te dezen te geven uitspraak (al dan niet in mede-eigendom) onder zich heeft verkregen, en, indien hij die goederen tussentijds heeft verkocht, mede te delen wat de koopsom van die goederen destijds is geweest alsmede de Staat te veroordelen deze koopsom(men) aan de Vennootschap af te dragen, dit alles naar die mate en die grootte hetwelk her hof in goede justitie zal vermenen te behoren; 3. de Staat zal veroordelen in de kosten van het geding." 3. De Staat heeft een aantal verweren gevoerd en primair geconcludeerd dat het hof zich onbevoegd verklaart, subsidiair dat Goudstikker in haar beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, meer subsidiair dat het beroep van Goudstikker wordt verworpen, een en ander met veroordeling van Goudstikker in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de dag waarop het hof uitspraak zal doen. Bevoegdheid van het hof 4. Ten aanzien van zijn bevoegdheid tot kennisneming van het beroepschrift overweegt het hof ais volgt. Maatstaf voor de beoordeling van deze bevoegdheid vormen de steIIingen van het beroepschrift en hetgeen daarbij (na wijziging van het petitum) wordt gevorderd of verzocht. De bevoegdheid van het hof berust, zoals het beroepschrift terecht aangeeft, op na te meiden Rijkswet. 5. Bij Rijkswet van 9 maart 1967, Stb. 163 (hierna: de Rijkswet), houdende regelen in zake de opheffing van de Raad voor het Rechtsherstel (hierna: de Raad), zijn de Raad alsmede de afdelingen van de Raad, behoudens de afdeling effectenregistratie van de Raad, opgeheven. Ingevolge artikel III leden I, 2 en 3 van de Rijkswet zijn de taak en de bevoegdheden van de Raad met betrekking tot alle zaken, uitgezonderd die welke in eerste aanleg zijn behandeld door de afdeling effectenregistratie, overgegaan op het Gerechtshof te 's-Gravenhage. 6. Ingevolge lid 4 van voornoemd artikel III zijn op de rechtsgang voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage, als rechtsopvolger van de Raad, de bepalingen van het Besluit van 17 september 1944 houdende vaststelling van het besluit herstel rechtsverkeer no. E 100 (hierna: Besluit E 100) van overeenkomstige toepassing. 7. Het hof is derhalve rechtsherstelrechter, terwijl op de voor het hof te volgen rechtsgang de bepalingen van het Besluit E Aan zoodanige beslissing wordt geen uitvoering gegeven, wanneer het Nederlandsch Beheersinstituut binnen 30 dagen mededeelt, dat het zijn goedkeuring daaraan onthoudt." Uit deze bepalingen maakt het hof op dat de SNK niet bevoegd was voorwerpen terug te geven zonder goedkeuring van het Nederlandsch Beheersinstituut (hierna: NBI). De ondergeschikte rol van de SNK ten opzichte van het NBI blijkt voorts ook uit de namens Goudstikker tijdens de mondelinge behandeling bij het hof vermelde brief van het NBI van 26 juni 1951. Het is het NBI dat in deze brief haar medewerking onthoudt aan het totstandkomen van minnelijk rechtsherstel inzake de Miedl-transactie. Daarom dient het NBI en niet de SNK te worden beschouwd als de instantie aan wie de uiteindelijke beslissings- en beschikkingsbevoegdheid toekwam. Het hof merkt tenslotte in dit verband op dat ingevolge artikel V lid 3 van de Rijkswet de taak en de bevoegdheden van het NBI, voor zover het Nederland betreft, zijn overgegaan op de Minister van Justitie. 13. Vraag B moet ontkennend worden beantwoord. 14. Nu de SNK niet is (te beschouwen als) een afdeling van de Raad met beschikkingsbe- voegdheid komt het hof tot de slotsom dat het besluit van de Staatssecretaris als rechtsop- volger van de SNK niet is aan te merken als een besluit van een afdeling als bedoeld in artikel 18 lid 5 van het Besluit E 100, zodat daarvan geen hoger beroep openstaat bij het hof en het hof zich onbevoegd zal verklaren om in hoger beroep als rechtsherstelrechter kennis te nemen van het besluit van de Staatssecretaris. Rechtstreeks verzoek 15. Voor zover het beroepschrift moet worden opgevat als een rechtstreeks verzoek van een belanghebbende aan het hof als bedoeld in artikel 21 lid 1 Besluit E 100 overweegt het hof het volgende. 16. Nadat de termijn voor het indienen van deze categorie verzoekschriften reeds een aantal malen was verlengd, is deze termijn bij besluit van het dagelijks bestuur van de Raad voor het rechtsherstel, gepubliceerd in de Staatscourant van 27 december 1950 (Stcrt. no. 251, bIz. 5) uitdrukkelijk voor de laatste maal verlengd en is bepaald dat dergelijke verzoeken uiterlijk vòòr 1 juli 1951 moesten worden ingediend. 17. Het op 19 augustus 1998 bij het hof ingediende verzoek is derhalve niet tijdig ingediend, zodat op die grond in beginsel een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Ambtshalve verlening van rechtsherstel 18. Resteert de vraag of er aanleiding is te oordelen dat zich gewichtige redenen voordoen die zouden moeten leiden tot het ambtshalve verlenen van rechtsherstel. Artikel 21 lid 3 Besluit E 100 bepaalt immers dat de Raad zijn bevoegdheden ook ambtshalve kan uitoefenen na afloop van de daarvoor gestelde en in de Nederlandse Staatscourant bekend gemaakte termijn. De strekking van deze bepaling is dat rechtsherstel kan worden toegepast ook al is daartoe niet door één der daarbij betrokken partijen een verzoek gedaan. 19. Het hof neemt daarbij allereerst in aanmerking dat thans bijna 50 jaar zijn verstreken na het moment waarop voor het laatst verzoeken tot rechtsherstel konden worden ingediend. 20. Voorts is het volgende van belang. Uit de stukken blijkt dat de Vennootschap destijds welbewust en weloverwogen heeft afgezien van het vragen van rechtsherstel terzake van de Göring-transactie. Het hof verwijst hiervoor naar het Memorandum van mr. [M.M.] van 10 november 1949 (als nadere productie 19 door de Staat overgelegd), alsook naar het rapport van mr. A.E.D. von Saher van april 1952 (als nadere productie 25 door de Staat overgelegd). Goudstikker betoogt nu dat de Vennootschap heeft afgezien van het vragen van rechtsher- stel terzake van de Göring-transactie, onder invloed van het standpunt van (de organen van) de Staat, inhoudende dat de Göring-transactie vrijwillig was geschied, en omdat [D.] is misleid door de uitlatingen van de toenmalige directeur van de SNK, Dr. [A.B.D.V.], met betrekking tot de waarde van de schilderijen die onderdeel uitmaakten van deze transacti