Rechtspraak 1998-01-27
ECLI:NL:GHSGR:1998:AA4192
GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE eerste meervoudige belastingkamer 27 januari 1998 nummer 95/2463 UITSPRAAK op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aan-sprakelijkheid X B.V., gevestigd te Z, tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de Belastingdienst, betreffende na te noemen aanslag. 1. Aanslag en bezwaar 1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van / a. 1.2. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij de bestreden uitspraak gehand-haafd. In deze uitspraak heeft de Inspecteur overwogen dat hij belanghebbende niet ontvankelijk acht in haar bezwaar. Bij ambtshalve vermindering van 29 april 1996 is de aanslag ver-minderd naar een belastbaar bedrag van / b. 2. Loop van het geding Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmede is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van / 75. De Inspec-teur heeft een vertoogschrift ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in raadkamer ter zitting van het Gerechtshof van 23 september 1997, gehouden te 's-Gravenhage. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende (...), alsmede, namens de In-specteur, (...), tot zijn bijstand vergezeld van (...). Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden aangemerkt. Ter zitting zijn voorts door de gemachtigde van belanghebbende vier stukken overgelegd, zulks zonder bezwaar van de kant van de wederpartij, aan wie ter zitting de gele-genheid is gegeven van de inhoud daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Voornoemde stukken, waarvan de inhoud eveneens als hier ingelast moet worden aangemerkt, zijn door de griffier gekenmerkt nrs. 1 en met 4. Na de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 25 september 1997 verzocht om een tweede mondelinge behandeling. Bij brief van 2 oktober 1997 heeft het Hof dit verzoek afgewezen. 3. Vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting ver-handelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet vol-doende weersproken, het volgende komen vast te staan: 3.1. Belanghebbende is een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met, tot 30 december 1992, een geplaatst kapitaal van / 25.000, verdeeld in 50 aandelen van nominaal / 500. Tot genoemde datum was de heer A (hierna: A) houder van één aandeel, terwijl de overige aandelen werden gehouden door zijn echtgenote. A was de enige directeur van belanghebbende. De onderneming van belanghebbende bestond uit de handel in nieuwe en gebruikte auto's, onderhoud en reparatie van auto's en verhuur van onroerende zaken. Tot een statutenwijziging op 30 december 1992 was de statutaire naam van belanghebbende D B.V.. 3.2. Belanghebbende was tevens bestuurder van de besloten ven-nootschap met beperkte aansprakelijkheid B B.V. (hierna B B.V.), gevestigd te Q. Gedurende het jaar 1992 tot 30 december 1992 was A houder van alle aandelen in B B.V.. Het geplaatste kapitaal van B B.V. bedroeg / 40.000. In de tachtiger jaren hield B zich ook bezig met de autohandel. Deze activiteiten zijn eind 1988 beëindigd en in de jaren daarna tot begin 1992 bestonden haar activiteiten uit het verhuren van onroerende zaken, waaronder een woonhuis dat was verhuurd aan A en een bedrijfspand verhuurd aan belanghebbende. 3.3. In 1991 heeft belanghebbende met de handel in auto's winst behaald. Begin 1992 heeft zij die handel overgedragen aan B B.V.. Voor deze overdracht heeft belanghebbende geen tegenprestatie bedongen. Vanaf 1 april 1992 heeft de handel in gebruikte auto's nagenoeg geheel voor rekening van B B.V. plaatsgevonden. De verkopers van belanghebbende traden in dienst van B B.V., terwijl deze voor die activiteiten geb te concentreren, terwijl het dealerschap van het merk C door belanghebbende zou worden ge-ëxploiteerd. Toen belanghebbende later dat jaar het C-dealerschap kwijt raakte, werd niet meer de noodzaak gevoeld deze activiteiten gescheiden te houden. Voorts betoogt belang-hebbende dat aan de handel in gebruikte auto's geen goodwill kan worden toegekend en dat belanghebbende noch A zich ervan bewust was dat de overdracht een bevoordeling van B B.V. door belanghebbende inhield. Tenslotte acht belanghebbende het in strijd met het vertrouwensbeginsel dat een veronderstelde winstverschuiving na het fusiemoment in de belastingheffing wordt betrokken. 4.1.2. De Inspecteur voert hiertegenover aan dat de overdracht van de handel in gebruikte auto's tot doel had de verliezen bij B B.V. weg te werken. Een zakelijk handelend ondernemer zou zich de te verwachten winst op deze activiteiten - 1991 was winstgevend - niet hebben laten ontgaan. 4.2. Partijen doen hun vorenomschreven standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stuk-ken, waaronder de eerder vermelde pleitnota's. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toege-voegd. 5. Conclusies van partijen Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag tot één berekend naar een belastbaar bedrag van / d. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 6. Overwegingen omtrent het geschil 6.1. Uit hetgeen onder 3.9 is opgenomen volgt dat belangheb-bende ontvankelijk is in haar bezwaar. 6.2. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur voldoen-de aannemelijk gemaakt dat belanghebbende, door in 1992 de handel in gebruikte auto's aan B B.V. over te dragen zonder daarvoor een vergoeding te bedingen, zich winst heeft laten ontgaan ten gunste van laatstgenoemde en dat belanghebbende en B B.V. - zulks mede omdat belanghebbende bestuurder was van deze vennootschap -, alsmede A als aandeelhouder in belangheb-bende en B B.V. en als directeur van belanghebbende, zich dat bewust moeten zijn geweest. Hetgeen belanghebbende daartegen-over heeft aangevoerd is onvoldoende om te komen tot het oor-deel dat in deze overdracht geen voordeel was begrepen en dat de bewustheid van betrokkenen op het punt van het toekennen van een voordeel ontbrak. 6.3. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat B B.V. per 31 december 1991 een negatief vermogen had van / 91.725 en een compensabel verlies van / 132.025. In de eind 1991 bestaande reorganisatieplannen, die onder meer inhielden dat B B.V. zou worden overgedragen aan belanghebbende en met deze in een fis-cale eenheid zou worden opgenomen, paste, naar de Inspecteur terecht heeft gesteld, niet deze financiële situatie van B B.V., zulks omdat de zogenoemde standaardvoorwaarden voor een fiscale eenheid aanvullende administratieve verplichtingen opleggen, ingeval een van de vennootschappen op het vereni-gingstijdstip aanspraak heeft op voorwaartse verrekening van verliezen en voorts omdat de aandelen B B.V. niet kunnen wor-den aangewend als storting op een of meer door belanghebbende uit te geven aandelen, zolang aan de aandelen B B.V. geen waarde kan worden toegekend. Indien het standpunt van belanghebbende ten deze zou worden gevolgd, zou de overdracht van winstcapaciteit er toe leiden dat de winst behaald met de handel in auto's wordt verrekend met oude ver-liezen van B B.V. en niet in het resultaat van belanghebbende wordt begrepen. Een gevolg van deze winstoverheveling is ge-weest dat de vordering van / 100.156 die A op B B.V. had en waaraan, naar de Inspecteur heeft gesteld en belanghebbende onvoldoende heeft weersproken, eind 1991 geen waarde toekwam, in waarde is toegenomen, terwijl tevens is bereikt dat de aan-vankelijk waardeloze aandelen van A in B B.V. na de winstover-heveling een positieve waarde hadden. 6.4. De stelling van belanghebbende dat aan de handel in ge-bruikte au