Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-14
ECLI:NL:GHDHA:2026:879
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
16,145 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:879 text/xml public 2026-05-04T15:40:52 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 BK-25/319 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:879 text/html public 2026-04-30T11:53:08 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:879 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / BK-25/319 Art. 9 en 10 Wet Bpm. Artikel 110 VWEU. Naheffingsaanslag Bpm. Geen gewekt vertrouwen wegens lang tijdsverloop tussen controle door DRZ en opleggen naheffingsaanslag. Waardeverminderingen wegens schade en schadeverleden zijn niet aannemelijk gemaakt. Vermindering naheffingsaanslag nu partijen het er over eens zijn dat deze moet herberekend, omdat de RDW de CO2-uitstoot van de auto in het kentekenregister heeft aangepast. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/319 Uitspraak van 14 april 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 maart 2025, nummer SGR 23/4835. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 7.490 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 10 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250; - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108; en - draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een (onjuist) bedrag aan griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 13 juni 2025 verweer gevoerd. Van de zijde van belanghebbende is op 17 februari 2026 een nader stuk met bijlage ingekomen. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 5 april 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz E-klasse Coupé 350 (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 875 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2014. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 269 gram/km. Bij de aangifte is geen inkoopfactuur overgelegd. 2.2. Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “Voertuigbeeld RDW”, waarin als keuringsmoment van de auto is vermeld 1 april 2021, als land van herkomst van de auto Bondsrepubliek Duitsland, als CO2-uitstoot 269 gram/km en als tellerstand 84.748 kilometer. 2.3.1. In de aangifte (zie 2.1) is de te betalen belasting berekend op basis van een expertiseverslag van [naam] (het taxatierapport). De auto is op 19 maart 2021 door [naam] getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 83.378. In het taxatierapport van 1 april 2021 is de historische nieuwprijs (historische consumentenprijs incl. opties) van de auto vastgesteld op € 67.387 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van referentievoertuigen) op € 14.060. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport in mindering gebracht een bedrag van in totaal € 12.810 wegens schade (op basis van een schadecalculatie van € 19.577,87 aan reparatiekosten inclusief btw). In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat uiteindelijk bepaald op € 1.250. In het taxatierapport is onder het kopje waardebepaling niet afzonderlijk rekening gehouden met een aftrek wegens een schadeverleden van de auto. In de bij het taxatierapport behorende schadecalculatie is een bedrag van € 3.000 vermeld wegens “waarde vermindering, USA schade voertuig”. 2.3.2. In het taxatierapport is onder “Wat verder nog van belang is of kan zijn” onder meer vermeld: “1. De reparatiekosten werden vastgesteld op basis van zichtbare schade, zonder dat daarbij door ons delen werden gedemonteerd. 2. Er werd door ons geen nader onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de schade dan wel de reden van afwezigheid van gedemonteerde delen en of niet functionerende onderdelen. 3. De in deze rapportage opgegeven waarden zijn door de taxateur naar waarheid vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname. (…)” Verder is in het taxatierapport vermeld: “Algemene indruk REDELIJK Indruk techn. staat GOED Indruk onderstel GOED Indruk carrosserie REDELIJK Indruk interieur REDELIJK Indruk banden GOED” 2.3.3. Voorts is bij het taxatierapport overgelegd een bijlage met informatie afkomstig van de veilingwebsite [website] met daarin vermeld een “TX Salvage vehicle title” en een kilometerstand van 31.117 miles (50.077 kilometer). 2.4. Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende per e-mailbericht van 8 april 2021 verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie op 12 april 2021 om 15.00 uur. DRZ heeft de bevindingen ten aanzien van de auto neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling DRZ) van 15 april 2021. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 79.506, de netto catalogusprijs op € 58.834 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 15.858 (koerslijst Xray (Marge)). De aftrek wegens schade is vastgesteld op € 1.087 (72% van € 1.510), zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 14.771 bedraagt. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 269 gram/km en een opgegeven kilometerstand RDW van 84.748 km. Onder het kopje “Bevindingen/opmerkingen” is in het rapport onderzoek waardebepaling DRZ ten aanzien van een groot aantal in de schadecalculatie van belanghebbende opgevoerde schadeposten vermeld dat sprake is van “geen schade” of dat deze “valt onder gebruikersschade” en zijn ook de daarin vermelde nevenwerkzaamheden besproken en beoordeeld. Tot het dossier behoort een “Calculatie reparatiekosten” opgemaakt door DRZ, die optelt tot het eerdergenoemde bedrag van (afgerond) € 1.510. 2.5.1. Op 29 juni 2022 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer het volgende vermeld: “ Handelsinkoopwaarde (on)beschadigd Nu ik van mening ben dat de door u vastgestelde handelsinkoopwaarde niet als basis voor de bpm-berekening kan dienen, heb ik de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van de koerslijst van XRAY (marge) als volgt vastgesteld: (…) Ik ben van mening dat de koerslijst van de meest vergelijkbare referentieauto beter aansluit bij bovengenoemde auto om de werkelijke waarde vast te stellen. Hierbij is rekening gehouden met gebruikssporen, behorend bij een auto met dezelfde leeftijd en kilometerstand. (…) Nu ik van mening ben dat de handelsinkoopwaarde in het taxatierapport niet als basis voor de bpm berekening kan dienen, heb ik een nieuwe berekening gemaakt op basis van de forfaitaire tabel (de voor u meest gunstige afschrijving) . (…). 2.5.2.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:879 text/xml public 2026-05-04T15:40:52 2026-04-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 BK-25/319 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:879 text/html public 2026-04-30T11:53:08 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:879 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / BK-25/319 Art. 9 en 10 Wet Bpm. Artikel 110 VWEU. Naheffingsaanslag Bpm. Geen gewekt vertrouwen wegens lang tijdsverloop tussen controle door DRZ en opleggen naheffingsaanslag. Waardeverminderingen wegens schade en schadeverleden zijn niet aannemelijk gemaakt. Vermindering naheffingsaanslag nu partijen het er over eens zijn dat deze moet herberekend, omdat de RDW de CO2-uitstoot van de auto in het kentekenregister heeft aangepast. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/319 Uitspraak van 14 april 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 maart 2025, nummer SGR 23/4835. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 7.490 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 10 aan belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder is aangeduid: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 5.024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250; - veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.108; en - draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een (onjuist) bedrag aan griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 13 juni 2025 verweer gevoerd. Van de zijde van belanghebbende is op 17 februari 2026 een nader stuk met bijlage ingekomen. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 5 april 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz E-klasse Coupé 350 (de auto). De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 875 en is door belanghebbende voldaan. De datum van eerste toelating van de auto is 1 juli 2014. De aangifte vermeldt een CO2-uitstoot van 269 gram/km. Bij de aangifte is geen inkoopfactuur overgelegd. 2.2. Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “Voertuigbeeld RDW”, waarin als keuringsmoment van de auto is vermeld 1 april 2021, als land van herkomst van de auto Bondsrepubliek Duitsland, als CO2-uitstoot 269 gram/km en als tellerstand 84.748 kilometer. 2.3.1. In de aangifte (zie 2.1) is de te betalen belasting berekend op basis van een expertiseverslag van [naam] (het taxatierapport). De auto is op 19 maart 2021 door [naam] getaxeerd. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 83.378. In het taxatierapport van 1 april 2021 is de historische nieuwprijs (historische consumentenprijs incl. opties) van de auto vastgesteld op € 67.387 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat aan de hand van referentievoertuigen) op € 14.060. Hierop heeft de taxateur vervolgens in het rapport in mindering gebracht een bedrag van in totaal € 12.810 wegens schade (op basis van een schadecalculatie van € 19.577,87 aan reparatiekosten inclusief btw). In het rapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat uiteindelijk bepaald op € 1.250. In het taxatierapport is onder het kopje waardebepaling niet afzonderlijk rekening gehouden met een aftrek wegens een schadeverleden van de auto. In de bij het taxatierapport behorende schadecalculatie is een bedrag van € 3.000 vermeld wegens “waarde vermindering, USA schade voertuig”. 2.3.2. In het taxatierapport is onder “Wat verder nog van belang is of kan zijn” onder meer vermeld: “1. De reparatiekosten werden vastgesteld op basis van zichtbare schade, zonder dat daarbij door ons delen werden gedemonteerd. 2. Er werd door ons geen nader onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de schade dan wel de reden van afwezigheid van gedemonteerde delen en of niet functionerende onderdelen. 3. De in deze rapportage opgegeven waarden zijn door de taxateur naar waarheid vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname. (…)” Verder is in het taxatierapport vermeld: “Algemene indruk REDELIJK Indruk techn. staat GOED Indruk onderstel GOED Indruk carrosserie REDELIJK Indruk interieur REDELIJK Indruk banden GOED” 2.3.3. Voorts is bij het taxatierapport overgelegd een bijlage met informatie afkomstig van de veilingwebsite [website] met daarin vermeld een “TX Salvage vehicle title” en een kilometerstand van 31.117 miles (50.077 kilometer). 2.4. Naar aanleiding van de aangifte heeft de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) in opdracht van de Inspecteur belanghebbende per e-mailbericht van 8 april 2021 verzocht de auto te tonen voor een hertaxatie op 12 april 2021 om 15.00 uur. DRZ heeft de bevindingen ten aanzien van de auto neergelegd in een rapport (rapport onderzoek waardebepaling DRZ) van 15 april 2021. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 79.506, de netto catalogusprijs op € 58.834 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 15.858 (koerslijst Xray (Marge)). De aftrek wegens schade is vastgesteld op € 1.087 (72% van € 1.510), zodat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat € 14.771 bedraagt. Het rapport onderzoek waardebepaling DRZ vermeldt een CO2-uitstoot van de auto van 269 gram/km en een opgegeven kilometerstand RDW van 84.748 km. Onder het kopje “Bevindingen/opmerkingen” is in het rapport onderzoek waardebepaling DRZ ten aanzien van een groot aantal in de schadecalculatie van belanghebbende opgevoerde schadeposten vermeld dat sprake is van “geen schade” of dat deze “valt onder gebruikersschade” en zijn ook de daarin vermelde nevenwerkzaamheden besproken en beoordeeld. Tot het dossier behoort een “Calculatie reparatiekosten” opgemaakt door DRZ, die optelt tot het eerdergenoemde bedrag van (afgerond) € 1.510. 2.5.1. Op 29 juni 2022 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer het volgende vermeld: “ Handelsinkoopwaarde (on)beschadigd Nu ik van mening ben dat de door u vastgestelde handelsinkoopwaarde niet als basis voor de bpm-berekening kan dienen, heb ik de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van de koerslijst van XRAY (marge) als volgt vastgesteld: (…) Ik ben van mening dat de koerslijst van de meest vergelijkbare referentieauto beter aansluit bij bovengenoemde auto om de werkelijke waarde vast te stellen. Hierbij is rekening gehouden met gebruikssporen, behorend bij een auto met dezelfde leeftijd en kilometerstand. (…) Nu ik van mening ben dat de handelsinkoopwaarde in het taxatierapport niet als basis voor de bpm berekening kan dienen, heb ik een nieuwe berekening gemaakt op basis van de forfaitaire tabel (de voor u meest gunstige afschrijving) . (…). 2.5.2.
Volledig
Met dagtekening 9 september 2022 heeft de Inspecteur vervolgens op basis van het onder 2.4 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 7.490. 2.6. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 2.7. De Rechtbank heeft in haar uitspraak (onder meer) de naheffingsaanslag verminderd overeenkomstig het standpunt van belanghebbende ten aanzien van de historische nieuwprijs (r.o. 13 tot en met 17) en heeft vastgesteld dat het standpunt van belanghebbende omtrent de CO2-uitstoot (zie 2.8) geen behandeling behoeft, nu dit niet leidt tot een lagere naheffingsaanslag (r.o. 19). 2.8. Bij het nadere stuk in hoger beroep heeft de gemachtigde van belanghebbende overgelegd een afschrift van een e-mailwisseling tussen de gemachtigde van belanghebbende en de RDW waarin door de gemachtigde van belanghebbende onder de aandacht van de RDW wordt gebracht dat de CO2-uitstoot van de auto oorspronkelijk in Duitsland onjuist is berekend en genoteerd. Rond 16 september 2024 heeft de RDW om die reden de CO2-uitstoot van de auto in het Nederlandse kentekenregister aangepast en vastgesteld op 265 gram/km. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “ Vertrouwensbeginsel 5. Eiser heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het tijdsverloop tussen de hertaxatie door DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag anderhalf jaar is. Door het lange stilzitten heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat geen naheffingsaanslag meer zou worden opgelegd. 6. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Verweerder handelt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel indien hij (binnen de wettelijke termijn) een naheffingsaanslag oplegt op een later tijdstip dan mogelijk zou zijn geweest. Door het enkele verstrijken van de door eiser genoemde tijd kan immers bij hem niet het in rechte te beschermen vertrouwen zijn opgewekt dat verweerder van naheffing zal afzien.[1] Ontbreken inkoopfactuur 7. Met betrekking tot de stelling van verweerder dat het taxatierapport van eiser geheel buiten beschouwing dient te worden gelaten, merkt de rechtbank op dat zij in het feit dat eiser geen inkoopfactuur heeft overgelegd geen aanleiding ziet om het door verweerder geschetste gevolg daaraan te verbinden. Wel is de rechtbank van oordeel dat door het ontbreken van een inkoopfactuur de bewijskracht van het taxatierapport minder is. Schade 8. De bewijslast dat sprake is van meer schade aan de auto dan door DRZ is vastgesteld, rust op eiser. Eiser verwijst daarvoor naar het taxatierapport. De rechtbank kan aan de foto’s in het taxatierapport niet zien dat sprake is van meer schade aan de auto dan door DRZ is vastgesteld. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ook geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan beleid dat wordt gevoerd door de autobranche en hetzelfde geldt voor verweerder. Waardevermindering wegens schadeverleden 9. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat een extra waardevermindering van € 3.000 moet worden toegepast wegens het schadeverleden van de auto. Voor deze waardevermindering rust de bewijslast op eiser.[2] 10. Eiser heeft niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan, nu een deugdelijke feitelijke op de auto toegesneden onderbouwing ontbreekt. Eiser heeft subsidiair de rechtbank verzocht om de waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto in goede justitie vast te stellen. De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad echter af dat een schatting in goede justitie onvoldoende is om een waardevermindering wegens een schadeverleden in aanmerking te kunnen nemen.[3] Schending artikel 110 VWEU/gelijkheidsbeginsel 11. Eiser stelt subsidiair recht te hebben op een lagere belasting, omdat anders sprake is van een schending van artikel 110 van het VWEU dan wel van het gelijkheidsbeginsel. Exact vergelijkbare auto’s die reeds op Nederlands grondgebied aanwezig zijn, hebben namelijk een lagere CO2-uitstoot (164 gr/km). 12. De stelling van eiser faalt reeds omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er exact vergelijkbare auto’s reeds op Nederlands grondgebied aanwezig zijn met een lagere CO2-uitstoot (164 gr/km). Noch in het beroepschrift, noch in de bijlagen worden referentieauto’s genoemd. Van een schending van artikel 110 van het VWEU is daarom geen sprake. Om dezelfde reden faalt ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Er is immers niet aannemelijk gemaakt dat er gelijke gevallen zijn. Historische nieuwprijs 13. De meer subsidiaire stelling van eiser dat verweerder de historische nieuwprijs onjuist heeft berekend, slaagt. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023[4] dient bij de berekening van de afschrijving immers te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot van de geïmporteerde auto en niet die van de referentieauto. Dat nadien de RDW de CO2-uitstoot van de auto nog heeft aangepast, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, blijkt nergens uit. De rechtbank zal daarom uitgaan van een CO2-uitstoot van 269 gr/km. De historische nieuwprijs dient dan te worden vastgesteld op € 118.538 (netto catalogusprijs conform DRZ € 58.834 + btw 21% € 12.355 + bruto bpm op basis van een uitstoot van 269 gr/km € 47.349). 14. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit ook leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag. 15. Naar de rechtbank begrijpt, stelt verweerder dat een hogere historische nieuwprijs meebrengt dat ook moet worden uitgegaan van een hogere handelsinkoopwaarde. Hij heeft deze stelling evenwel niet met concreet op de auto betrekking hebbende informatie onderbouwd. De enkele stelling dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde communicerende vaten zijn, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat bij nader inzien de handelsinkoopwaarde van de auto door DRZ te laag is vastgesteld. 16. Verweerder heeft subsidiair gesteld dat niet mag worden uitgegaan van de koerslijst, omdat een zelfde auto met deze CO2-uitstoot niet op enige koerslijst voorkomt. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Dat de auto met deze CO2-uitstoot niet voorkomt in de koerslijsten, brengt nog niet mee dat de koerslijstmethode niet kan worden toegepast. Als in de koerslijsten een goede referentieauto is te vinden met een iets andere CO2-uitstoot, dan mag voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde worden uitgegaan van die referentieauto in de koerslijst. 17. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 118.538 en een handelsinkoopwaarde van € 14.771 conform het rapport DRZ komt het afschrijvingspercentage uit op 87,54%.De verschuldigde bpm wordt dan € 5.899. Dat is lager dan het door verweerder berekende bedrag van € 8.365. De naheffingsaanslag dient dan te worden verminderd tot € 5.024 (€ 5.899 -/- € 875). Is de CO2-uitstoot juist vastgesteld? 18. Eiser heeft nog meer subsidiair gesteld dat de CO2-uitstoot is vastgesteld aan de hand van de Scandinavische rekenmethode. De uitkomst van die methode zou moeten zijn 265 gr/km in plaats van 269 gr/km. 19. Nu de subsidiaire stelling van eiser inzake de historische nieuwprijs slaagt en de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een lager bedrag dan het bedrag dat volgt uit eisers nog meer subsidiaire stelling, behoeft deze nog meer subsidiaire stelling geen behandeling meer. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij eiser in deze nog meer subsidiaire stelling ook niet kan volgen. Uit een e-mail van de RDW aan verweerder blijkt dat de RDW de CO2-uitstoot heeft vastgesteld op 269 gr/km (NEDC) op basis van destijds aangeleverde Duitse documenten. Daar komt bij dat eiser in de aangifte ook is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 269 gr/km. Slotsom 20. Gelet op wat hiervoor onder 17 is overwogen, is het beroep gegrond verklaard. ISV 21. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Volledig
Met dagtekening 9 september 2022 heeft de Inspecteur vervolgens op basis van het onder 2.4 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van € 7.490. 2.6. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 2.7. De Rechtbank heeft in haar uitspraak (onder meer) de naheffingsaanslag verminderd overeenkomstig het standpunt van belanghebbende ten aanzien van de historische nieuwprijs (r.o. 13 tot en met 17) en heeft vastgesteld dat het standpunt van belanghebbende omtrent de CO2-uitstoot (zie 2.8) geen behandeling behoeft, nu dit niet leidt tot een lagere naheffingsaanslag (r.o. 19). 2.8. Bij het nadere stuk in hoger beroep heeft de gemachtigde van belanghebbende overgelegd een afschrift van een e-mailwisseling tussen de gemachtigde van belanghebbende en de RDW waarin door de gemachtigde van belanghebbende onder de aandacht van de RDW wordt gebracht dat de CO2-uitstoot van de auto oorspronkelijk in Duitsland onjuist is berekend en genoteerd. Rond 16 september 2024 heeft de RDW om die reden de CO2-uitstoot van de auto in het Nederlandse kentekenregister aangepast en vastgesteld op 265 gram/km. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “ Vertrouwensbeginsel 5. Eiser heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het tijdsverloop tussen de hertaxatie door DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag anderhalf jaar is. Door het lange stilzitten heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat geen naheffingsaanslag meer zou worden opgelegd. 6. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Verweerder handelt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel indien hij (binnen de wettelijke termijn) een naheffingsaanslag oplegt op een later tijdstip dan mogelijk zou zijn geweest. Door het enkele verstrijken van de door eiser genoemde tijd kan immers bij hem niet het in rechte te beschermen vertrouwen zijn opgewekt dat verweerder van naheffing zal afzien.[1] Ontbreken inkoopfactuur 7. Met betrekking tot de stelling van verweerder dat het taxatierapport van eiser geheel buiten beschouwing dient te worden gelaten, merkt de rechtbank op dat zij in het feit dat eiser geen inkoopfactuur heeft overgelegd geen aanleiding ziet om het door verweerder geschetste gevolg daaraan te verbinden. Wel is de rechtbank van oordeel dat door het ontbreken van een inkoopfactuur de bewijskracht van het taxatierapport minder is. Schade 8. De bewijslast dat sprake is van meer schade aan de auto dan door DRZ is vastgesteld, rust op eiser. Eiser verwijst daarvoor naar het taxatierapport. De rechtbank kan aan de foto’s in het taxatierapport niet zien dat sprake is van meer schade aan de auto dan door DRZ is vastgesteld. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ook geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan beleid dat wordt gevoerd door de autobranche en hetzelfde geldt voor verweerder. Waardevermindering wegens schadeverleden 9. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat een extra waardevermindering van € 3.000 moet worden toegepast wegens het schadeverleden van de auto. Voor deze waardevermindering rust de bewijslast op eiser.[2] 10. Eiser heeft niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan, nu een deugdelijke feitelijke op de auto toegesneden onderbouwing ontbreekt. Eiser heeft subsidiair de rechtbank verzocht om de waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto in goede justitie vast te stellen. De rechtbank leidt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad echter af dat een schatting in goede justitie onvoldoende is om een waardevermindering wegens een schadeverleden in aanmerking te kunnen nemen.[3] Schending artikel 110 VWEU/gelijkheidsbeginsel 11. Eiser stelt subsidiair recht te hebben op een lagere belasting, omdat anders sprake is van een schending van artikel 110 van het VWEU dan wel van het gelijkheidsbeginsel. Exact vergelijkbare auto’s die reeds op Nederlands grondgebied aanwezig zijn, hebben namelijk een lagere CO2-uitstoot (164 gr/km). 12. De stelling van eiser faalt reeds omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er exact vergelijkbare auto’s reeds op Nederlands grondgebied aanwezig zijn met een lagere CO2-uitstoot (164 gr/km). Noch in het beroepschrift, noch in de bijlagen worden referentieauto’s genoemd. Van een schending van artikel 110 van het VWEU is daarom geen sprake. Om dezelfde reden faalt ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Er is immers niet aannemelijk gemaakt dat er gelijke gevallen zijn. Historische nieuwprijs 13. De meer subsidiaire stelling van eiser dat verweerder de historische nieuwprijs onjuist heeft berekend, slaagt. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023[4] dient bij de berekening van de afschrijving immers te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot van de geïmporteerde auto en niet die van de referentieauto. Dat nadien de RDW de CO2-uitstoot van de auto nog heeft aangepast, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, blijkt nergens uit. De rechtbank zal daarom uitgaan van een CO2-uitstoot van 269 gr/km. De historische nieuwprijs dient dan te worden vastgesteld op € 118.538 (netto catalogusprijs conform DRZ € 58.834 + btw 21% € 12.355 + bruto bpm op basis van een uitstoot van 269 gr/km € 47.349). 14. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of dit ook leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag. 15. Naar de rechtbank begrijpt, stelt verweerder dat een hogere historische nieuwprijs meebrengt dat ook moet worden uitgegaan van een hogere handelsinkoopwaarde. Hij heeft deze stelling evenwel niet met concreet op de auto betrekking hebbende informatie onderbouwd. De enkele stelling dat de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde communicerende vaten zijn, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat bij nader inzien de handelsinkoopwaarde van de auto door DRZ te laag is vastgesteld. 16. Verweerder heeft subsidiair gesteld dat niet mag worden uitgegaan van de koerslijst, omdat een zelfde auto met deze CO2-uitstoot niet op enige koerslijst voorkomt. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Dat de auto met deze CO2-uitstoot niet voorkomt in de koerslijsten, brengt nog niet mee dat de koerslijstmethode niet kan worden toegepast. Als in de koerslijsten een goede referentieauto is te vinden met een iets andere CO2-uitstoot, dan mag voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde worden uitgegaan van die referentieauto in de koerslijst. 17. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 118.538 en een handelsinkoopwaarde van € 14.771 conform het rapport DRZ komt het afschrijvingspercentage uit op 87,54%.De verschuldigde bpm wordt dan € 5.899. Dat is lager dan het door verweerder berekende bedrag van € 8.365. De naheffingsaanslag dient dan te worden verminderd tot € 5.024 (€ 5.899 -/- € 875). Is de CO2-uitstoot juist vastgesteld? 18. Eiser heeft nog meer subsidiair gesteld dat de CO2-uitstoot is vastgesteld aan de hand van de Scandinavische rekenmethode. De uitkomst van die methode zou moeten zijn 265 gr/km in plaats van 269 gr/km. 19. Nu de subsidiaire stelling van eiser inzake de historische nieuwprijs slaagt en de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een lager bedrag dan het bedrag dat volgt uit eisers nog meer subsidiaire stelling, behoeft deze nog meer subsidiaire stelling geen behandeling meer. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij eiser in deze nog meer subsidiaire stelling ook niet kan volgen. Uit een e-mail van de RDW aan verweerder blijkt dat de RDW de CO2-uitstoot heeft vastgesteld op 269 gr/km (NEDC) op basis van destijds aangeleverde Duitse documenten. Daar komt bij dat eiser in de aangifte ook is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 269 gr/km. Slotsom 20. Gelet op wat hiervoor onder 17 is overwogen, is het beroep gegrond verklaard. ISV 21. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Volledig
Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 14 september 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 13 maart 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, zes maanden. Nu eiser een financieel belang heeft van meer dan € 1.000 heeft eiser recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 13 juni 2023, is de overschrijding deels aan de bezwaarfase en deels aan de beroepsfase toerekenbaar. Proceskostenvergoeding 22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). [1] Vgl. HR 23 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9992. [2] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. [3] HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2-3.6.3. [4] HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Niet langer is tussen partijen in geschil dat de naheffingsaanslag in ieder geval dient te worden verminderd conform het onder 4.2 weergegeven subsidiaire standpunt van belanghebbende. 4.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt: tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht; tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar; primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag; subsidiair tot vaststelling van de CO2-uitstoot op 265 gram/km, de bruto bpm op € 45.453, de historische nieuwprijs op € 116.642, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 14.771 (conform rapport onderzoek waardebepaling DRZ), de verschuldigde bpm op € 5.755 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.880, en tot dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikking. Verder verzoekt belanghebbende het Hof een proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase toe te kennen. 4.3. De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.880 (conform het subsidiaire standpunt van belanghebbende vanwege de aanpassing in het kentekenregister van de CO2-uitstoot voor de auto), dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikking en tot afwijzing van het verzoek om toekenning van proceskosten voor de hoger beroepsfase alsmede afwijzing van het verzoek tot vergoeding van het griffierecht. Beoordeling van het hoger beroep Vertrouwensbeginsel 5.1. Belanghebbende stelt in hoger beroep opnieuw dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd in verband met het lange tijdsverloop tussen het moment van de hertaxatie door DRZ op 12 april 2021 en het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag op 9 september 2022. Door dit lange stilzitten heeft de Inspecteur, aldus belanghebbende, het vertrouwen gewekt dat de door belanghebbende aangegeven bpm juist is en dat hij daarop niet meer zou terugkomen. Ook een impliciete gedraging kan door een redelijk denkende belastingplichtige als een standpuntbepaling van de Belastingdienst worden gezien. De Inspecteur had direct na de hertaxatie door DRZ de naheffingsaanslag op kunnen leggen. Dat is voor belanghebbende ook nog eens van groot belang, omdat belanghebbende de mogelijkheid heeft het voertuig te exporteren indien hij niet tevreden is over het bedrag dat hij op aangifte en naheffing heeft moeten voldoen, waarna de bpm zou worden teruggegeven op de voet van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm). Dit geldt op de voet van artikel 16 Wet bpm ook in het geval geen gebruik van de weg wordt gemaakt. Deze mogelijkheid wordt belanghebbende op deze wijze ontnomen, nu hij immers niet verwacht na anderhalf jaar nog te worden geconfronteerd met een naheffingsaanslag. De Inspecteur betwist dat belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Niet alleen komt belanghebbende, aldus de Inspecteur, geen beroep op het vertrouwensbeginsel toe omdat belanghebbende een aangifte bpm (en een daarbij gevoegd taxatierapport) heeft ingediend waarvan op voorhand al vaststaat dat deze niet aan de wettelijke vereisten voldoet, maar voorts geldt dat door de Inspecteur geen vertrouwen is gewekt en dat geen sprake is van treuzelen of stilzitten zoals gesteld door belanghebbende, hetgeen ook nog eens niet is onderbouwd door belanghebbende. 5.2. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan (artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De Inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is, dat er beleid bestaat dat de Inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de (eventuele) stelling dat hij uit uitlatingen van DRZ of de Inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Sterker nog, ter zitting van het Hof heeft hij verklaard dat dergelijke uitlatingen niet zijn gedaan, maar dat het enkele tijdsverloop (het stilzitten van de Inspecteur) een beroep op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt echter evenmin de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Dat belanghebbende om de door hem genoemde redenen er belang bij zou hebben eerder zekerheid te krijgen over het al dan niet opleggen van een naheffingsaanslag, maakt een en ander niet anders. In het geval belanghebbende die zekerheid wilde, had hij in contact kunnen treden met de Inspecteur om zodoende eerder zekerheid te krijgen. Verder valt op dat belanghebbende dit punt niet in reactie op de kennisgeving van de naheffingsaanslag van 29 juni 2022 en evenmin in het (aanvullend) bezwaarschrift of tijdens het hoorgesprek heeft aangekaart. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Vermindering wegens schade(verleden) 5.3. Belanghebbende stelt dat hij in aanmerking komt voor een vermindering van de handelsinkoopwaarde wegens een schade(verleden) tot het daarvoor in totaal in aanmerking genomen bedrag in het bij de aangifte gevoegde taxatierapport (€ 12.810). Hij stelt daartoe in hoger beroep dat de schade veel hoger is dan het bedrag dat door DRZ in het rapport onderzoek waardebepaling in aanmerking is genomen en stelt dat DRZ ten onrechte geen rekening heeft gehouden met schade aan de knoppen in het interieur, die volgens gemachtigde, anders dan DRZ heeft geoordeeld, niet valt onder normale gebruikssporen voor een auto van zes jaar oud met een kilometerstand van 83.378, meer specifiek een Mercedes-Benz. Verder geldt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een barst in de klep van het middenpaneel. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift foto’s van deze door hem als schade aangemerkte sporen gevoegd. Verder geldt dat in de schadecalculatie door de taxateur rekening is gehouden met een bedrag van € 3.000 wegens het schadeverleden van de auto.
Volledig
Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 14 september 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 13 maart 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, zes maanden. Nu eiser een financieel belang heeft van meer dan € 1.000 heeft eiser recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Aangezien verweerder uitspraak op bezwaar heeft gedaan met dagtekening 13 juni 2023, is de overschrijding deels aan de bezwaarfase en deels aan de beroepsfase toerekenbaar. Proceskostenvergoeding 22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). [1] Vgl. HR 23 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9992. [2] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. [3] HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2-3.6.3. [4] HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Niet langer is tussen partijen in geschil dat de naheffingsaanslag in ieder geval dient te worden verminderd conform het onder 4.2 weergegeven subsidiaire standpunt van belanghebbende. 4.2. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt: tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht; tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar; primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag; subsidiair tot vaststelling van de CO2-uitstoot op 265 gram/km, de bruto bpm op € 45.453, de historische nieuwprijs op € 116.642, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 14.771 (conform rapport onderzoek waardebepaling DRZ), de verschuldigde bpm op € 5.755 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.880, en tot dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikking. Verder verzoekt belanghebbende het Hof een proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase toe te kennen. 4.3. De Inspecteur concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.880 (conform het subsidiaire standpunt van belanghebbende vanwege de aanpassing in het kentekenregister van de CO2-uitstoot voor de auto), dienovereenkomstige vermindering van de rentebeschikking en tot afwijzing van het verzoek om toekenning van proceskosten voor de hoger beroepsfase alsmede afwijzing van het verzoek tot vergoeding van het griffierecht. Beoordeling van het hoger beroep Vertrouwensbeginsel 5.1. Belanghebbende stelt in hoger beroep opnieuw dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd in verband met het lange tijdsverloop tussen het moment van de hertaxatie door DRZ op 12 april 2021 en het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag op 9 september 2022. Door dit lange stilzitten heeft de Inspecteur, aldus belanghebbende, het vertrouwen gewekt dat de door belanghebbende aangegeven bpm juist is en dat hij daarop niet meer zou terugkomen. Ook een impliciete gedraging kan door een redelijk denkende belastingplichtige als een standpuntbepaling van de Belastingdienst worden gezien. De Inspecteur had direct na de hertaxatie door DRZ de naheffingsaanslag op kunnen leggen. Dat is voor belanghebbende ook nog eens van groot belang, omdat belanghebbende de mogelijkheid heeft het voertuig te exporteren indien hij niet tevreden is over het bedrag dat hij op aangifte en naheffing heeft moeten voldoen, waarna de bpm zou worden teruggegeven op de voet van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm). Dit geldt op de voet van artikel 16 Wet bpm ook in het geval geen gebruik van de weg wordt gemaakt. Deze mogelijkheid wordt belanghebbende op deze wijze ontnomen, nu hij immers niet verwacht na anderhalf jaar nog te worden geconfronteerd met een naheffingsaanslag. De Inspecteur betwist dat belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Niet alleen komt belanghebbende, aldus de Inspecteur, geen beroep op het vertrouwensbeginsel toe omdat belanghebbende een aangifte bpm (en een daarbij gevoegd taxatierapport) heeft ingediend waarvan op voorhand al vaststaat dat deze niet aan de wettelijke vereisten voldoet, maar voorts geldt dat door de Inspecteur geen vertrouwen is gewekt en dat geen sprake is van treuzelen of stilzitten zoals gesteld door belanghebbende, hetgeen ook nog eens niet is onderbouwd door belanghebbende. 5.2. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan (artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De Inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is, dat er beleid bestaat dat de Inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de (eventuele) stelling dat hij uit uitlatingen van DRZ of de Inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Sterker nog, ter zitting van het Hof heeft hij verklaard dat dergelijke uitlatingen niet zijn gedaan, maar dat het enkele tijdsverloop (het stilzitten van de Inspecteur) een beroep op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt echter evenmin de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Dat belanghebbende om de door hem genoemde redenen er belang bij zou hebben eerder zekerheid te krijgen over het al dan niet opleggen van een naheffingsaanslag, maakt een en ander niet anders. In het geval belanghebbende die zekerheid wilde, had hij in contact kunnen treden met de Inspecteur om zodoende eerder zekerheid te krijgen. Verder valt op dat belanghebbende dit punt niet in reactie op de kennisgeving van de naheffingsaanslag van 29 juni 2022 en evenmin in het (aanvullend) bezwaarschrift of tijdens het hoorgesprek heeft aangekaart. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Vermindering wegens schade(verleden) 5.3. Belanghebbende stelt dat hij in aanmerking komt voor een vermindering van de handelsinkoopwaarde wegens een schade(verleden) tot het daarvoor in totaal in aanmerking genomen bedrag in het bij de aangifte gevoegde taxatierapport (€ 12.810). Hij stelt daartoe in hoger beroep dat de schade veel hoger is dan het bedrag dat door DRZ in het rapport onderzoek waardebepaling in aanmerking is genomen en stelt dat DRZ ten onrechte geen rekening heeft gehouden met schade aan de knoppen in het interieur, die volgens gemachtigde, anders dan DRZ heeft geoordeeld, niet valt onder normale gebruikssporen voor een auto van zes jaar oud met een kilometerstand van 83.378, meer specifiek een Mercedes-Benz. Verder geldt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een barst in de klep van het middenpaneel. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift foto’s van deze door hem als schade aangemerkte sporen gevoegd. Verder geldt dat in de schadecalculatie door de taxateur rekening is gehouden met een bedrag van € 3.000 wegens het schadeverleden van de auto.
Volledig
Belanghebbende verzoekt het Hof in het geval belanghebbende dit schadeverleden aannemelijk heeft gemaakt en in het geval de aard en omvang van de ex-schade zodanig is dat dit een blijvende waardevermindering rechtvaardigt, rekening te houden met het door zijn taxateur opgevoerde bedrag van € 3.000 dan wel de waardevermindering in goede justitie vast te stellen en daarbij het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.7, toe te passen. 5.4. De Inspecteur stelt dat het taxatierapport van belanghebbende om meerdere redenen niet concludent is en niet kan dienen als bewijs van de gehele daarin geclaimde vermindering wegens schade(verleden). Er is, aldus de Inspecteur, buiten het taxatierapport geen enkel (aanvullend) bewijs ter onderbouwing van de hogere voorgestane vermindering ingebracht, terwijl in het taxatierapport en daarbij horende schadecalculatie ook normale gebruiksschade of slijtage is meegenomen die niet voor aftrek in aanmerking komt. DRZ heeft in het onderzoek waardebepaling per post beargumenteerd weergegeven welke schadeposten wel of niet in aanmerking komen. Voor de waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto verwijst belanghebbende enkel naar de informatie die is te vinden op de veilingwebsite [website] . Uit de foto’s op die website blijkt volgens de Inspecteur echter dat louter sprake is van carrosserieschade (de airbags zijn nog intact) en dat geen sprake is van essentiële schade. De taxateur heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen hiervan zouden zijn op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en heeft juist in het taxatierapport geconcludeerd dat zijn indruk van de technische staat en het onderstel van de auto goed is. Nu de bewijslast van een waardevermindering wegens schadeverleden op belanghebbende rust en deze niet aan die bewijslast heeft voldaan, is er geen aanleiding een waardevermindering toe te passen. Voor een bepaling van een waardevermindering in goede justitie is dan ook geen plaats, aldus de Inspecteur. 5.5. Naar vaste rechtspraak rust de bewijslast voor een waardevermindering als gevolg van (ex-)schade op belanghebbende (HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Belanghebbende heeft ten bewijze van de gebreken en het schadeverleden slechts verwezen naar het onder 2.3.1 bedoelde taxatierapport en de daarbij behorende schadecalculatie. Nadat de auto op 19 maart 2021 is getaxeerd, is een schadecalculatie opgesteld en vervolgens is op 1 april 2021 het rapport van de taxatie opgemaakt. In de bij de aangifte gevoegde taxatierapport is de schade gecalculeerd op € 19.577,87 daarin begrepen € 3.000 wegens het schadeverleden van de auto. In de eindcalculatie zijn onder meer de volgende bedragen opgenomen: € 2.122,55 aan onderdelen, € 4.365 aan spuitkosten en € 5.8845,31 aan bijkomende kosten niet zijnde arbeidskosten. Van het totaalbedrag van € 19.577,87 is een bedrag van € 12.810 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Daargelaten of het bij de aangifte ingediende taxatierapport kan dienen ter onderbouwing van de door belanghebbende vastgestelde waarde, is het Hof van oordeel dat belanghebbende met dit taxatierapport niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat DRZ door rekening te houden met een bedrag van € 1.087 (72% van € 1.510) wegens schade met een te laag bedrag aan schade rekening heeft gehouden en dat sprake is van enige waardevermindering in verband met een schadeverleden. Het enkele opsommen van gebreken onder opgave van de daaraan verbonden reparatiekosten in een taxatierapport is, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet voldoende om schade aannemelijk te maken. De foto’s in het bij de aangifte ingediende taxatierapport ondersteunen deze gebreken en kosten niet. Bovendien is een onderhoudsbeurt geclaimd van (afgerond) € 1.192, wat geen schade is, en zijn de posten “vloermat voorzijde” van € 378 en “refurbish/klein herstel” van diverse interieurdelen opgevoerd voor een bedrag van € 950 zonder enige specificatie of bewijs dat dit nodig zou zijn, laat staan dat dit schade is en geen opfrisbeurt of aanpassingen wegens persoonlijke voorkeuren. De kosten die met de laatste twee ingrepen gemoeid zijn, zijn niet als schade aan te merken en komen niet voor aftrek in aanmerking. Het Hof beoordeelt de op de twee foto’s in het hogerberoepschrift, waar belanghebbende in het bijzonder op wijst, getoonde beschadigingen, waarbij overigens opvalt dat de door de gemachtigde gepresenteerde foto van het middenpaneel geen barst maar een kras lijkt te tonen, als normale gebruikssporen die alleszins kunnen worden verwacht bij een auto van die leeftijd en met die kilometerstand. 5.6. De Inspecteur heeft de in het taxatierapport opgevoerde schade per post gemotiveerd betwist en heeft, conform het onder 2.4 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ € 1.087 wegens schade in aanmerking genomen. In het DRZ-rapport noch in het taxatierapport van de zijde van belanghebbende (zie 2.3.1 en 2.3.2) staat iets waaraan de conclusie kan worden verbonden dat de auto, al dan niet wegens het schadeverleden, blijvende schade of een blijvende waardedaling heeft. Het samenstel van de enkele verwijzing naar het taxatierapport en de daarbij behorende foto’s, de informatie die te vinden is op de veilingwebsite [website] en de foto’s die de gemachtigde van belanghebbende aan het hogerberoepschrift heeft toegevoegd, alsmede het feit dat belanghebbende geen inkoopfactuur, noch aanvullend fotomateriaal, reparatienota’s of aankoopfacturen van de benodigde onderdelen heeft ingebracht die de (blijvende) schade tonen, zijn onvoldoende bewijs. Het Hof neemt daarbij ook in aanmerking de onder 2.3.2 vermelde opmerkingen en kwalificaties van de taxateur omtrent de controle die hij heeft uitgevoerd en de staat van het onderstel en technische staat van de auto. Deze beoordeling is moeilijk te rijmen met de conclusie van belanghebbende dat een aftrek wegens blijvende waardevermindering aan de orde is. Belanghebbende voldoet dan ook niet aan de op hem rustende bewijslast dat aanleiding bestaat voor een hogere aftrek wegens schade dan wel het schadeverleden. Nu niet aan deze bewijslast is voldaan, is alleen om die reden al geen aanleiding voor een bepaling van een waardevermindering in goede justitie wegens een schadeverleden. Anders dan belanghebbende bepleit, heeft de Inspecteur niet de last te bewijzen dat er geen schade is vanwege het schadeverleden van de auto. De Inspecteur is niet gehouden tot een meeromvattend onderzoek aan de auto dan de schouw die DRZ heeft uitgevoerd. Aanpassing CO2-uitstoot van de auto 5.7. Partijen zijn het er over eens dat de naheffingsaanslag in het geval de voorgaande stellingen van belanghebbende falen, dient te worden verminderd tot € 4.880, in verband met het feit dat de RDW de CO2-uitstoot van de auto in het kentekenregister heeft gecorrigeerd naar 265 gram/km (zie 2.8). Het Hof zal de naheffingsaanslag dienovereenkomstig verminderen. Belastingrente 5.8. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd conform de vermindering van de naheffingsaanslag. Slotsom 5.9. Het hoger beroep is gelet op het onder 5.7 overwogene gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof volgt het standpunt van de Inspecteur dat geen proceskostenvergoeding dient te worden toegekend, niet. In de grond waarop het hoger beroep slaagt, ziet het Hof aanleiding om het gewicht van het opgeworpen geschilpunt als zeer licht aan te merken. Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten x € 934 x 0,25 (gewicht van de zaak)). 6.2.
Volledig
Belanghebbende verzoekt het Hof in het geval belanghebbende dit schadeverleden aannemelijk heeft gemaakt en in het geval de aard en omvang van de ex-schade zodanig is dat dit een blijvende waardevermindering rechtvaardigt, rekening te houden met het door zijn taxateur opgevoerde bedrag van € 3.000 dan wel de waardevermindering in goede justitie vast te stellen en daarbij het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:310, r.o. 3.2.7, toe te passen. 5.4. De Inspecteur stelt dat het taxatierapport van belanghebbende om meerdere redenen niet concludent is en niet kan dienen als bewijs van de gehele daarin geclaimde vermindering wegens schade(verleden). Er is, aldus de Inspecteur, buiten het taxatierapport geen enkel (aanvullend) bewijs ter onderbouwing van de hogere voorgestane vermindering ingebracht, terwijl in het taxatierapport en daarbij horende schadecalculatie ook normale gebruiksschade of slijtage is meegenomen die niet voor aftrek in aanmerking komt. DRZ heeft in het onderzoek waardebepaling per post beargumenteerd weergegeven welke schadeposten wel of niet in aanmerking komen. Voor de waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto verwijst belanghebbende enkel naar de informatie die is te vinden op de veilingwebsite [website] . Uit de foto’s op die website blijkt volgens de Inspecteur echter dat louter sprake is van carrosserieschade (de airbags zijn nog intact) en dat geen sprake is van essentiële schade. De taxateur heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen hiervan zouden zijn op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en heeft juist in het taxatierapport geconcludeerd dat zijn indruk van de technische staat en het onderstel van de auto goed is. Nu de bewijslast van een waardevermindering wegens schadeverleden op belanghebbende rust en deze niet aan die bewijslast heeft voldaan, is er geen aanleiding een waardevermindering toe te passen. Voor een bepaling van een waardevermindering in goede justitie is dan ook geen plaats, aldus de Inspecteur. 5.5. Naar vaste rechtspraak rust de bewijslast voor een waardevermindering als gevolg van (ex-)schade op belanghebbende (HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Belanghebbende heeft ten bewijze van de gebreken en het schadeverleden slechts verwezen naar het onder 2.3.1 bedoelde taxatierapport en de daarbij behorende schadecalculatie. Nadat de auto op 19 maart 2021 is getaxeerd, is een schadecalculatie opgesteld en vervolgens is op 1 april 2021 het rapport van de taxatie opgemaakt. In de bij de aangifte gevoegde taxatierapport is de schade gecalculeerd op € 19.577,87 daarin begrepen € 3.000 wegens het schadeverleden van de auto. In de eindcalculatie zijn onder meer de volgende bedragen opgenomen: € 2.122,55 aan onderdelen, € 4.365 aan spuitkosten en € 5.8845,31 aan bijkomende kosten niet zijnde arbeidskosten. Van het totaalbedrag van € 19.577,87 is een bedrag van € 12.810 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. Daargelaten of het bij de aangifte ingediende taxatierapport kan dienen ter onderbouwing van de door belanghebbende vastgestelde waarde, is het Hof van oordeel dat belanghebbende met dit taxatierapport niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat DRZ door rekening te houden met een bedrag van € 1.087 (72% van € 1.510) wegens schade met een te laag bedrag aan schade rekening heeft gehouden en dat sprake is van enige waardevermindering in verband met een schadeverleden. Het enkele opsommen van gebreken onder opgave van de daaraan verbonden reparatiekosten in een taxatierapport is, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet voldoende om schade aannemelijk te maken. De foto’s in het bij de aangifte ingediende taxatierapport ondersteunen deze gebreken en kosten niet. Bovendien is een onderhoudsbeurt geclaimd van (afgerond) € 1.192, wat geen schade is, en zijn de posten “vloermat voorzijde” van € 378 en “refurbish/klein herstel” van diverse interieurdelen opgevoerd voor een bedrag van € 950 zonder enige specificatie of bewijs dat dit nodig zou zijn, laat staan dat dit schade is en geen opfrisbeurt of aanpassingen wegens persoonlijke voorkeuren. De kosten die met de laatste twee ingrepen gemoeid zijn, zijn niet als schade aan te merken en komen niet voor aftrek in aanmerking. Het Hof beoordeelt de op de twee foto’s in het hogerberoepschrift, waar belanghebbende in het bijzonder op wijst, getoonde beschadigingen, waarbij overigens opvalt dat de door de gemachtigde gepresenteerde foto van het middenpaneel geen barst maar een kras lijkt te tonen, als normale gebruikssporen die alleszins kunnen worden verwacht bij een auto van die leeftijd en met die kilometerstand. 5.6. De Inspecteur heeft de in het taxatierapport opgevoerde schade per post gemotiveerd betwist en heeft, conform het onder 2.4 bedoelde onderzoek waardebepaling van DRZ € 1.087 wegens schade in aanmerking genomen. In het DRZ-rapport noch in het taxatierapport van de zijde van belanghebbende (zie 2.3.1 en 2.3.2) staat iets waaraan de conclusie kan worden verbonden dat de auto, al dan niet wegens het schadeverleden, blijvende schade of een blijvende waardedaling heeft. Het samenstel van de enkele verwijzing naar het taxatierapport en de daarbij behorende foto’s, de informatie die te vinden is op de veilingwebsite [website] en de foto’s die de gemachtigde van belanghebbende aan het hogerberoepschrift heeft toegevoegd, alsmede het feit dat belanghebbende geen inkoopfactuur, noch aanvullend fotomateriaal, reparatienota’s of aankoopfacturen van de benodigde onderdelen heeft ingebracht die de (blijvende) schade tonen, zijn onvoldoende bewijs. Het Hof neemt daarbij ook in aanmerking de onder 2.3.2 vermelde opmerkingen en kwalificaties van de taxateur omtrent de controle die hij heeft uitgevoerd en de staat van het onderstel en technische staat van de auto. Deze beoordeling is moeilijk te rijmen met de conclusie van belanghebbende dat een aftrek wegens blijvende waardevermindering aan de orde is. Belanghebbende voldoet dan ook niet aan de op hem rustende bewijslast dat aanleiding bestaat voor een hogere aftrek wegens schade dan wel het schadeverleden. Nu niet aan deze bewijslast is voldaan, is alleen om die reden al geen aanleiding voor een bepaling van een waardevermindering in goede justitie wegens een schadeverleden. Anders dan belanghebbende bepleit, heeft de Inspecteur niet de last te bewijzen dat er geen schade is vanwege het schadeverleden van de auto. De Inspecteur is niet gehouden tot een meeromvattend onderzoek aan de auto dan de schouw die DRZ heeft uitgevoerd. Aanpassing CO2-uitstoot van de auto 5.7. Partijen zijn het er over eens dat de naheffingsaanslag in het geval de voorgaande stellingen van belanghebbende falen, dient te worden verminderd tot € 4.880, in verband met het feit dat de RDW de CO2-uitstoot van de auto in het kentekenregister heeft gecorrigeerd naar 265 gram/km (zie 2.8). Het Hof zal de naheffingsaanslag dienovereenkomstig verminderen. Belastingrente 5.8. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd conform de vermindering van de naheffingsaanslag. Slotsom 5.9. Het hoger beroep is gelet op het onder 5.7 overwogene gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof volgt het standpunt van de Inspecteur dat geen proceskostenvergoeding dient te worden toegekend, niet. In de grond waarop het hoger beroep slaagt, ziet het Hof aanleiding om het gewicht van het opgeworpen geschilpunt als zeer licht aan te merken. Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten x € 934 x 0,25 (gewicht van de zaak)). 6.2.