Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-07
ECLI:NL:GHDHA:2026:507
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
11,279 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:507 text/xml public 2026-04-30T09:52:51 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-07 200.322.049/02 en 200.322.418/02 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:507 text/html public 2026-04-02T14:36:42 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:507 Gerechtshof Den Haag , 07-04-2026 / 200.322.049/02 en 200.322.418/02 Relatie tussen moeder en zoon wordt beheerst door het algemene vermogensrecht. Zoon woont met recht en titel in de voormalige bedrijfswoning van moeder. Moeder woont thans in een zorgwoning op het terrein. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie Zaaknummers : 200.322.049/02 en 200.322.418/02 Rolnummer rechtbank : 9916348 RL EXP 22-9062 Arrest van 7 april 2026 In de zaak met zaaknummer 200.322.049/02 van [moeder] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat mr. G.J. Kerver te Den Haag, tegen 1. [zoon] , en 2. [schoondochter] , beiden wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat mr. M.A. Becking te Eindhoven, en in de zaak met zaaknummer 200.322.418/02 van 1. [zoon] , en 2. [schoondochter] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, advocaat mr. M.A. Becking te Eindhoven, tegen [moeder] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat mr. G.J. Kerver te Den Haag. Het hof zal partijen hierna [moeder] en [zoon] noemen. 1 Procesverloop in hoger beroep 1.1 Zowel [moeder] als [zoon] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 oktober 2022 met rolnummer 9916348 RL EXP 22-9062 (hierna: het bestreden vonnis). 1.2 Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.322.049/02 blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding met grieven van 17 januari 2023 waarmee [moeder] in hoger beroep is gekomen van voornoemd bestreden vonnis; - de memorie van antwoord d.d. 14 maart 2023; - de akte van 22 mei 2025 van [moeder] ; - de akte van 22 mei 2025 van [zoon] . 1.3 Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.322.418/02 blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 13 december 2022 waarmee [zoon] in hoger beroep is gekomen van voornoemd bestreden vonnis; - de memorie van grieven tevens wijziging van eis d.d. 18 april 2023; - memorie van antwoord van 29 augustus 2023; - de akte van 22 mei 2025 van [moeder] ; - de akte van 22 mei 2025 van [zoon] . 1.4. Op 22 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn: 1) [dochter] , de dochter van [moeder] die haar moeder vertegenwoordigde aangezien [moeder] om medische redenen niet bij de mondelinge behandeling aanwezig kon zijn, bijgestaan door mr. G.J. Kerver en mr. S. Vermeule, advocaten te Den Haag, 2) [zoon] , bijgestaan door M.A. Becking advocaat te Eindhoven. 1.5. Het hof zal arrest wijzen op de procesdossiers zoals overgelegd voor de mondelinge behandeling, aangevuld met de hiervoor genoemde akten en de overgelegde pleitaantekeningen. 2 Enige achtergrondinformatie 2.1. Op 21 augustus 2021 is overleden [erflater] (hierna: erflater). [moeder] is de langstlevende echtgenote van erflater. [zoon] en [schoondochter] zijn de zoon en schoondochter van erflater. [moeder] is de moeder van [zoon] en [dochter] . 2.2 Erflater heeft op 20 mei 2019 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Op de nalatenschap is de wettelijke verdeling van toepassing. [moeder] heeft derhalve op het moment van overlijden van erflater alle goederen van diens nalatenschap verkregen. 2.3 Tot de nalatenschap van erflater behoren, voor zover in deze zaak van belang, percelen grond aan [adres] (hierna: het terrein). Op het terrein bevinden zich een bedrijfswoning, een loods, een stal en andere aanhorigheden. Sinds april 2021 bevindt zich ook een zorgwoning op het terrein. 2.4. Op het terrein had erflater een onderneming in de vorm van een bloemkwekerij en heeft [zoon] een onderneming in de vorm van een bloemkwekerij. De beide ondernemingen hebben erflater en [zoon] in het verleden gezamenlijk gedreven, thans drijft [zoon] op het terrein zelfstandig een bloemkwekerij. 2.5. In april 2021 is op het terrein een mantelzorgwoning (hierna: de zorgwoning) geplaatst. In de periode van 26 tot 30 april 2021 is erflater met [moeder] van de bedrijfswoning naar de zorgwoning verhuisd en is [zoon] vanuit de eigen woning elders in [woonplaats] naar de bedrijfswoning verhuisd. 2.6. [zoon] heeft behalve de bedrijfswoning een loods en stal in gebruik. [zoon] houdt enkele paarden in een wei op het terrein. 2.7. Tussen [zoon] en [moeder] is een conflict ontstaan dat is uitgemond in de onderhavige procedure. De kantonrechter heeft in zijn inleidende opmerkingen van het bestreden vonnis al uitvoerig stilgestaan bij het bijzondere karakter van het geschil, bij wat partijen verdeeld houdt en bij hun wederzijdse belangen. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat partijen er beter aan zouden doen om hun verschillen van inzicht met elkaar in goed overleg te bespreken en een minnelijke oplossing te zoeken. Uit de mondelinge behandeling heeft het hof begrepen dat het met de geestelijke toestand van [moeder] niet goed gaat en dat [moeder] op basis van haar levenstestament door haar dochter wordt vertegenwoordigd. 3 Vonnis van de kantonrechter van 18 oktober 2022 3.1. De beslissing van de kantonrechter in eerste aanleg luidt als volgt: “De kantontrechter: in conventie - wijst de vorderingen van [zoon en schoondochter] af, in reconventie - veroordeelt [zoon] tot betaling van de huurachterstand van € 5.500, - te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de respectievelijke vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening en tot betaling van een bedrag van € 430,21 als het niet terugbetaalde leningdeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - wijst hetgeen in reconventie meer of anders wordt gevorderd af, In conventie en in reconventie - verdeelt de proceskosten in conventie en in reconventie zodanig tussen partijen dat elke partij de eigen proceskosten draagt.” 4 Vordering in hoger beroep [zoon] (zaaknummer 200.322.418) 4.1. [zoon en schoondochter] vordert in hoger beroep dat het hof, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad: I. verklaart voor recht, zo nodig onder aanvulling of wijziging van de gronden, dat [zoon en schoondochter] enerzijds en [moeder] anderzijds een bijzondere vorm van vruchtgebruik over en weer zijn overeengekomen en aan elkaar hebben verleend, welke kwalificeert als een beperkt zakelijk recht van gebruik en bewoning van de woning en omliggende percelen, staande en gelegen aan de [adres] , althans de overeenkomst op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze; II. [moeder] beveelt om met [zoon en schoondochter] mee te werken aan het verlijden van de akte van vestiging van het recht van gebruik en bewoning ex artikel 3:226 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ten behoeve van de bewoning en omliggende percelen, staande en gelegen aan de [adres] , binnen veertien dagen na betekening van het arrest en indien zij nalatig blijft om aan de veroordeling te voldoen, te oordelen dat het vonnis ex artikel 3:301 lid 2 BW in de plaats komt van die akte, dan wel dat een door [het hof] aan te wijzen vertegenwoordiger de gevorderde medewerking zal verlenen, ten overstaan van een door [zoon en schoondochter] aan te wijzen notaris; III. [moeder] veroordeelt om aan [zoon en schoondochter] te vergoeden de kosten die zij hebben betaald aan de notaris voor het verlijden van de onder II bedoelde akte; IV. [moeder] veroordeelt in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep, vermeerderd met nakosten, met bepaling dat indien [moeder] deze proceskosten niet heeft voldaan binnen veertien dagen na het in deze te wijzen arrest, [moeder] vanaf de vijftiende dag over het bedrag aan proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, zulks tot aan de dag der algehele voldoening. 5 Vordering in hoger beroep [moeder] (zaaknummer 200.322.049/02) 5.1.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:507 text/xml public 2026-04-30T09:52:51 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-07 200.322.049/02 en 200.322.418/02 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:507 text/html public 2026-04-02T14:36:42 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:507 Gerechtshof Den Haag , 07-04-2026 / 200.322.049/02 en 200.322.418/02 Relatie tussen moeder en zoon wordt beheerst door het algemene vermogensrecht. Zoon woont met recht en titel in de voormalige bedrijfswoning van moeder. Moeder woont thans in een zorgwoning op het terrein. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Familie Zaaknummers : 200.322.049/02 en 200.322.418/02 Rolnummer rechtbank : 9916348 RL EXP 22-9062 Arrest van 7 april 2026 In de zaak met zaaknummer 200.322.049/02 van [moeder] , wonende te [woonplaats] , appellante, advocaat mr. G.J. Kerver te Den Haag, tegen 1. [zoon] , en 2. [schoondochter] , beiden wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, advocaat mr. M.A. Becking te Eindhoven, en in de zaak met zaaknummer 200.322.418/02 van 1. [zoon] , en 2. [schoondochter] , beiden wonende te [woonplaats] , appellanten, advocaat mr. M.A. Becking te Eindhoven, tegen [moeder] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, advocaat mr. G.J. Kerver te Den Haag. Het hof zal partijen hierna [moeder] en [zoon] noemen. 1 Procesverloop in hoger beroep 1.1 Zowel [moeder] als [zoon] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 oktober 2022 met rolnummer 9916348 RL EXP 22-9062 (hierna: het bestreden vonnis). 1.2 Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.322.049/02 blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding met grieven van 17 januari 2023 waarmee [moeder] in hoger beroep is gekomen van voornoemd bestreden vonnis; - de memorie van antwoord d.d. 14 maart 2023; - de akte van 22 mei 2025 van [moeder] ; - de akte van 22 mei 2025 van [zoon] . 1.3 Het verloop van de procedure in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.322.418/02 blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 13 december 2022 waarmee [zoon] in hoger beroep is gekomen van voornoemd bestreden vonnis; - de memorie van grieven tevens wijziging van eis d.d. 18 april 2023; - memorie van antwoord van 29 augustus 2023; - de akte van 22 mei 2025 van [moeder] ; - de akte van 22 mei 2025 van [zoon] . 1.4. Op 22 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn: 1) [dochter] , de dochter van [moeder] die haar moeder vertegenwoordigde aangezien [moeder] om medische redenen niet bij de mondelinge behandeling aanwezig kon zijn, bijgestaan door mr. G.J. Kerver en mr. S. Vermeule, advocaten te Den Haag, 2) [zoon] , bijgestaan door M.A. Becking advocaat te Eindhoven. 1.5. Het hof zal arrest wijzen op de procesdossiers zoals overgelegd voor de mondelinge behandeling, aangevuld met de hiervoor genoemde akten en de overgelegde pleitaantekeningen. 2 Enige achtergrondinformatie 2.1. Op 21 augustus 2021 is overleden [erflater] (hierna: erflater). [moeder] is de langstlevende echtgenote van erflater. [zoon] en [schoondochter] zijn de zoon en schoondochter van erflater. [moeder] is de moeder van [zoon] en [dochter] . 2.2 Erflater heeft op 20 mei 2019 bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Op de nalatenschap is de wettelijke verdeling van toepassing. [moeder] heeft derhalve op het moment van overlijden van erflater alle goederen van diens nalatenschap verkregen. 2.3 Tot de nalatenschap van erflater behoren, voor zover in deze zaak van belang, percelen grond aan [adres] (hierna: het terrein). Op het terrein bevinden zich een bedrijfswoning, een loods, een stal en andere aanhorigheden. Sinds april 2021 bevindt zich ook een zorgwoning op het terrein. 2.4. Op het terrein had erflater een onderneming in de vorm van een bloemkwekerij en heeft [zoon] een onderneming in de vorm van een bloemkwekerij. De beide ondernemingen hebben erflater en [zoon] in het verleden gezamenlijk gedreven, thans drijft [zoon] op het terrein zelfstandig een bloemkwekerij. 2.5. In april 2021 is op het terrein een mantelzorgwoning (hierna: de zorgwoning) geplaatst. In de periode van 26 tot 30 april 2021 is erflater met [moeder] van de bedrijfswoning naar de zorgwoning verhuisd en is [zoon] vanuit de eigen woning elders in [woonplaats] naar de bedrijfswoning verhuisd. 2.6. [zoon] heeft behalve de bedrijfswoning een loods en stal in gebruik. [zoon] houdt enkele paarden in een wei op het terrein. 2.7. Tussen [zoon] en [moeder] is een conflict ontstaan dat is uitgemond in de onderhavige procedure. De kantonrechter heeft in zijn inleidende opmerkingen van het bestreden vonnis al uitvoerig stilgestaan bij het bijzondere karakter van het geschil, bij wat partijen verdeeld houdt en bij hun wederzijdse belangen. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat partijen er beter aan zouden doen om hun verschillen van inzicht met elkaar in goed overleg te bespreken en een minnelijke oplossing te zoeken. Uit de mondelinge behandeling heeft het hof begrepen dat het met de geestelijke toestand van [moeder] niet goed gaat en dat [moeder] op basis van haar levenstestament door haar dochter wordt vertegenwoordigd. 3 Vonnis van de kantonrechter van 18 oktober 2022 3.1. De beslissing van de kantonrechter in eerste aanleg luidt als volgt: “De kantontrechter: in conventie - wijst de vorderingen van [zoon en schoondochter] af, in reconventie - veroordeelt [zoon] tot betaling van de huurachterstand van € 5.500, - te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de respectievelijke vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening en tot betaling van een bedrag van € 430,21 als het niet terugbetaalde leningdeel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening; - verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - wijst hetgeen in reconventie meer of anders wordt gevorderd af, In conventie en in reconventie - verdeelt de proceskosten in conventie en in reconventie zodanig tussen partijen dat elke partij de eigen proceskosten draagt.” 4 Vordering in hoger beroep [zoon] (zaaknummer 200.322.418) 4.1. [zoon en schoondochter] vordert in hoger beroep dat het hof, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad: I. verklaart voor recht, zo nodig onder aanvulling of wijziging van de gronden, dat [zoon en schoondochter] enerzijds en [moeder] anderzijds een bijzondere vorm van vruchtgebruik over en weer zijn overeengekomen en aan elkaar hebben verleend, welke kwalificeert als een beperkt zakelijk recht van gebruik en bewoning van de woning en omliggende percelen, staande en gelegen aan de [adres] , althans de overeenkomst op een door het hof in goede justitie te bepalen wijze; II. [moeder] beveelt om met [zoon en schoondochter] mee te werken aan het verlijden van de akte van vestiging van het recht van gebruik en bewoning ex artikel 3:226 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ten behoeve van de bewoning en omliggende percelen, staande en gelegen aan de [adres] , binnen veertien dagen na betekening van het arrest en indien zij nalatig blijft om aan de veroordeling te voldoen, te oordelen dat het vonnis ex artikel 3:301 lid 2 BW in de plaats komt van die akte, dan wel dat een door [het hof] aan te wijzen vertegenwoordiger de gevorderde medewerking zal verlenen, ten overstaan van een door [zoon en schoondochter] aan te wijzen notaris; III. [moeder] veroordeelt om aan [zoon en schoondochter] te vergoeden de kosten die zij hebben betaald aan de notaris voor het verlijden van de onder II bedoelde akte; IV. [moeder] veroordeelt in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep, vermeerderd met nakosten, met bepaling dat indien [moeder] deze proceskosten niet heeft voldaan binnen veertien dagen na het in deze te wijzen arrest, [moeder] vanaf de vijftiende dag over het bedrag aan proceskosten wettelijke rente is verschuldigd, zulks tot aan de dag der algehele voldoening. 5 Vordering in hoger beroep [moeder] (zaaknummer 200.322.049/02) 5.1.
Volledig
[moeder] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad: I. Primair: voor recht verklaart dat [zoon en schoondochter] zonder recht of titel in de woning van [moeder] verblijven; II. Subsidiair: enige overeenkomst tussen [moeder] enerzijds en [zoon en schoondochter] anderzijds met betrekking tot de woning en enige overeenkomst met betrekking tot de overige gronden en aanhorigheden vernietigt; III. Meer subsidiair: enige overeenkomst tussen [moeder] enerzijds en [zoon en schoondochter] anderzijds met betrekking tot de woning en enige overeenkomst met betrekking tot de overige gronden en aanhorigheden ontbindt; IV. Nog meer subsidiair: bepaalt dat enige overeenkomst tussen [moeder] enerzijds en [zoon en schoondochter] anderzijds met betrekking tot de woning en enige overeenkomst met betrekking tot de overige gronden en aanhorigheden zonder nadere opzeggingsgronden opzegbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, dan wel (subsidiair) een door het hof te bepalen opzegtermijn, na het in dezen te wijzen arrest; V. Primair, subsidiair, meer subsidiair: [zoon en schoondochter] veroordeelt om binnen twee maanden dan wel (subsidiair) binnen een door het hof te bepalen termijn na het in deze te wijzen arrest de bedrijfswoning te ontruimen met het hunne en de hunnen en de bedrijfswoning bezemschoon aan [moeder] op te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000, - voor iedere dag dat [zoon en schoondochter] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 150.000, -; VI. Primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair [zoon en schoondochter] veroordeelt om: a. a) binnen een maand dan wel (subsidiair) binnen een door het hof te bepalen termijn na het in dezen te wijzen arrest de overige gronden, bouwwerken en aanhorigheden te ontruimen met het hunne en de hunnen en deze bezemschoon aan [moeder] op te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [zoon en schoondochter] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000, -; b) binnen een maand dan wel (subsidiair) binnen een door het hof te bepalen termijn na het in deze te wijzen arrest de loods te ontruimen met het hunne en de hunnen en de loods bezemschoon aan [moeder] op te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [zoon en schoondochter] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000, -; c) uiterlijk binnen een door het hof te bepalen termijn van ontruiming aan [moeder] af te geven alle sleutels van respectievelijk de woning, stallen, overige aanhorigheden, en de loods alsmede zich formeel uit te schrijven, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [zoon en schoondochter] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000, -; VII. Meer subsidiair een beslissing neemt die het hof redelijk voorkomt; VIII. [zoon en schoondochter] veroordeelt in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 6 Beoordeling in hoger beroep Algemeen 6.1. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. [moeder] heeft haar grieven geformuleerd in haar appeldagvaarding. De grieven van [moeder] bespreekt het hof zoveel mogelijk gezamenlijk. 6.2. [zoon] heeft zijn grieven geformuleerd in een memorie van grieven. Grief 1 van [zoon] is een kerngrief. Het hof bespreekt die ook apart in het onderstaande. 6.3. Het hof gaat in beginsel uit van de feiten zoals die door de kantonrechter zijn vastgesteld tenzij daar specifiek een grief tegen is gericht. 6.4. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden een wel overwogen oordeel heeft gegeven en de grieven van beide partijen geen doel treffen. Het hof zal dat hierna nader toelichten. De onderneming van [zoon] 6.5. Door [moeder] wordt in haar eerste grief aangevoerd dat [zoon] niet op haar terrein een onderneming exploiteert. Door [zoon] is gemotiveerd verweer gevoerd. Hij stelt onder meer dat erflater destijds bij de Raad van State voor een tweede bedrijfswoning heeft gepleit. Voorts heeft [zoon] inzicht gegeven in de aard van de onderneming namelijk bloemenkweken. Gezien hetgeen door [zoon] is gesteld, is het hof ervan overtuigd dat [zoon] een onderneming exploiteert op het terrein van thans alleen [moeder] en dat al jarenlang doet. Verbintenissen 6.6. Verbintenissen kunnen ontstaan uit overeenkomst of uit de wet. Uit de wet geduide bronnen van verbintenissen zijn onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming. Een overeenkomst komt in beginsel tussen partijen tot stand als het aanbod van de ene partij door de andere partij wordt aanvaard. Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling waarbij tussen partijen verbintenissen ontstaan. Van belang is dus onder meer wat de voorwaarden van het aanbod zijn, onder welke omstandigheden het aanbod is gedaan en wat de andere partij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen verwachten over wat het aanbod inhield. De inhoud van de overeenkomst is van belang voor de beantwoording van de vraag of nakoming van die overeenkomst kan worden gevorderd. 6.7. Door het feitelijk handelen van partijen kan er een rechtsbetrekking tussen hen ontstaan. De omvang van die rechtsbetrekking wordt mede bepaald door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval. 6.8. In het onderhavige geschil is sprake van een familierechtelijke betrekking tussen partijen. [zoon] is de zoon van erflater en [moeder] . Naast deze familierechtelijke betrekking hebben partijen in de loop der jaren een aantal handelingen verricht waardoor een situatie is ontstaan waarbij [zoon] in de voormalige bedrijfswoning van [moeder] woont en [moeder] verhuisd is naar een zorgwoning op het terrein waarop ook de bedrijfswoning staat. Feitelijk heeft [zoon] de bloemkwekerij op het terrein van zijn ouders - thans alleen [moeder] - voortgezet. Het hof acht aannemelijk dat de zorgwoning met instemming van alle betrokkenen op het terrein is geplaatst. Hetgeen feitelijk is gebeurd, is gezien de leeftijd van de ouders (erflater en [moeder] ) en het feit dat [zoon] op het terrein zijn onderneming exploiteert, een normale en begrijpelijke gang van zaken mede bezien de familieverhouding die er bestaat. Als de persoonlijke verhoudingen tussen partijen goed zouden zijn gebleven, had geen van partijen een procedure opgestart. 6.9. Wat partijen niet hebben gedaan is hun rechtsbetrekking goed vastleggen (wat zijn de rechten en verplichtingen over en weer?). Door dit niet te doen komt de onduidelijke en daardoor onzekere situatie voor hun beider risico. Op basis van de rechtsbetrekking die er wel is tussen [zoon] en zijn moeder [moeder] , dient die rechtsbetrekking – rekening houdend met de redelijkheid en billijkheid - nader te worden aangevuld of beperkt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van beide partijen. 6.10. In hun eerste grief (zie randnummer 53 en 54 van de memorie van grieven) stelt [zoon] dat er een obligatoire overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [moeder] haar medewerking dient te verlenen tot het vestigen van een zakelijk recht van gebruik en bewoning. Door [moeder] is hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat op basis van de feitelijke gang van zaken tussen partijen niet vastgesteld kan worden dat er een obligatoire overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen tot het vestigen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning. Aan het vestigen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning zijn niet alleen civielrechtelijke gevolgen verbonden maar eveneens fiscaalrechtelijke gevolgen, zoals de overdrachtsbelasting.
Volledig
[moeder] vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad: I. Primair: voor recht verklaart dat [zoon en schoondochter] zonder recht of titel in de woning van [moeder] verblijven; II. Subsidiair: enige overeenkomst tussen [moeder] enerzijds en [zoon en schoondochter] anderzijds met betrekking tot de woning en enige overeenkomst met betrekking tot de overige gronden en aanhorigheden vernietigt; III. Meer subsidiair: enige overeenkomst tussen [moeder] enerzijds en [zoon en schoondochter] anderzijds met betrekking tot de woning en enige overeenkomst met betrekking tot de overige gronden en aanhorigheden ontbindt; IV. Nog meer subsidiair: bepaalt dat enige overeenkomst tussen [moeder] enerzijds en [zoon en schoondochter] anderzijds met betrekking tot de woning en enige overeenkomst met betrekking tot de overige gronden en aanhorigheden zonder nadere opzeggingsgronden opzegbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, dan wel (subsidiair) een door het hof te bepalen opzegtermijn, na het in dezen te wijzen arrest; V. Primair, subsidiair, meer subsidiair: [zoon en schoondochter] veroordeelt om binnen twee maanden dan wel (subsidiair) binnen een door het hof te bepalen termijn na het in deze te wijzen arrest de bedrijfswoning te ontruimen met het hunne en de hunnen en de bedrijfswoning bezemschoon aan [moeder] op te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000, - voor iedere dag dat [zoon en schoondochter] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 150.000, -; VI. Primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair [zoon en schoondochter] veroordeelt om: a. a) binnen een maand dan wel (subsidiair) binnen een door het hof te bepalen termijn na het in dezen te wijzen arrest de overige gronden, bouwwerken en aanhorigheden te ontruimen met het hunne en de hunnen en deze bezemschoon aan [moeder] op te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [zoon en schoondochter] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000, -; b) binnen een maand dan wel (subsidiair) binnen een door het hof te bepalen termijn na het in deze te wijzen arrest de loods te ontruimen met het hunne en de hunnen en de loods bezemschoon aan [moeder] op te leveren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [zoon en schoondochter] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000, -; c) uiterlijk binnen een door het hof te bepalen termijn van ontruiming aan [moeder] af te geven alle sleutels van respectievelijk de woning, stallen, overige aanhorigheden, en de loods alsmede zich formeel uit te schrijven, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [zoon en schoondochter] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000, -; VII. Meer subsidiair een beslissing neemt die het hof redelijk voorkomt; VIII. [zoon en schoondochter] veroordeelt in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 6 Beoordeling in hoger beroep Algemeen 6.1. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. [moeder] heeft haar grieven geformuleerd in haar appeldagvaarding. De grieven van [moeder] bespreekt het hof zoveel mogelijk gezamenlijk. 6.2. [zoon] heeft zijn grieven geformuleerd in een memorie van grieven. Grief 1 van [zoon] is een kerngrief. Het hof bespreekt die ook apart in het onderstaande. 6.3. Het hof gaat in beginsel uit van de feiten zoals die door de kantonrechter zijn vastgesteld tenzij daar specifiek een grief tegen is gericht. 6.4. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden een wel overwogen oordeel heeft gegeven en de grieven van beide partijen geen doel treffen. Het hof zal dat hierna nader toelichten. De onderneming van [zoon] 6.5. Door [moeder] wordt in haar eerste grief aangevoerd dat [zoon] niet op haar terrein een onderneming exploiteert. Door [zoon] is gemotiveerd verweer gevoerd. Hij stelt onder meer dat erflater destijds bij de Raad van State voor een tweede bedrijfswoning heeft gepleit. Voorts heeft [zoon] inzicht gegeven in de aard van de onderneming namelijk bloemenkweken. Gezien hetgeen door [zoon] is gesteld, is het hof ervan overtuigd dat [zoon] een onderneming exploiteert op het terrein van thans alleen [moeder] en dat al jarenlang doet. Verbintenissen 6.6. Verbintenissen kunnen ontstaan uit overeenkomst of uit de wet. Uit de wet geduide bronnen van verbintenissen zijn onrechtmatige daad, onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming. Een overeenkomst komt in beginsel tussen partijen tot stand als het aanbod van de ene partij door de andere partij wordt aanvaard. Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling waarbij tussen partijen verbintenissen ontstaan. Van belang is dus onder meer wat de voorwaarden van het aanbod zijn, onder welke omstandigheden het aanbod is gedaan en wat de andere partij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft mogen verwachten over wat het aanbod inhield. De inhoud van de overeenkomst is van belang voor de beantwoording van de vraag of nakoming van die overeenkomst kan worden gevorderd. 6.7. Door het feitelijk handelen van partijen kan er een rechtsbetrekking tussen hen ontstaan. De omvang van die rechtsbetrekking wordt mede bepaald door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het betreffende geval. 6.8. In het onderhavige geschil is sprake van een familierechtelijke betrekking tussen partijen. [zoon] is de zoon van erflater en [moeder] . Naast deze familierechtelijke betrekking hebben partijen in de loop der jaren een aantal handelingen verricht waardoor een situatie is ontstaan waarbij [zoon] in de voormalige bedrijfswoning van [moeder] woont en [moeder] verhuisd is naar een zorgwoning op het terrein waarop ook de bedrijfswoning staat. Feitelijk heeft [zoon] de bloemkwekerij op het terrein van zijn ouders - thans alleen [moeder] - voortgezet. Het hof acht aannemelijk dat de zorgwoning met instemming van alle betrokkenen op het terrein is geplaatst. Hetgeen feitelijk is gebeurd, is gezien de leeftijd van de ouders (erflater en [moeder] ) en het feit dat [zoon] op het terrein zijn onderneming exploiteert, een normale en begrijpelijke gang van zaken mede bezien de familieverhouding die er bestaat. Als de persoonlijke verhoudingen tussen partijen goed zouden zijn gebleven, had geen van partijen een procedure opgestart. 6.9. Wat partijen niet hebben gedaan is hun rechtsbetrekking goed vastleggen (wat zijn de rechten en verplichtingen over en weer?). Door dit niet te doen komt de onduidelijke en daardoor onzekere situatie voor hun beider risico. Op basis van de rechtsbetrekking die er wel is tussen [zoon] en zijn moeder [moeder] , dient die rechtsbetrekking – rekening houdend met de redelijkheid en billijkheid - nader te worden aangevuld of beperkt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van beide partijen. 6.10. In hun eerste grief (zie randnummer 53 en 54 van de memorie van grieven) stelt [zoon] dat er een obligatoire overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [moeder] haar medewerking dient te verlenen tot het vestigen van een zakelijk recht van gebruik en bewoning. Door [moeder] is hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat op basis van de feitelijke gang van zaken tussen partijen niet vastgesteld kan worden dat er een obligatoire overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen tot het vestigen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning. Aan het vestigen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning zijn niet alleen civielrechtelijke gevolgen verbonden maar eveneens fiscaalrechtelijke gevolgen, zoals de overdrachtsbelasting.
Volledig
Het had dan op de weg van [zoon] gelegen om concreet te stellen wat de voorwaarden waren en zijn voor het vestigen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning waaronder de prijs. [zoon] heeft derhalve niet voldaan aan zijn stelplicht en het hof komt dus ook niet meer toe aan het algemene bewijsaanbod van [zoon] . 6.11. Door [moeder] is ook een aantal grieven gericht tegen het vonnis van de kantonrechter. Zij is het niet eens met de overweging van de kantonrechter dat het niet aannemelijk is dat er geen afspraken zijn gemaakt tussen partijen met betrekking tot de bedrijfswoning en het gebruik van het terrein. Uit het betoog van [moeder] volgt dat [zoon] zonder recht en titel verblijft in de bedrijfswoning en gebruik maakt van het terrein. Ook beroept zij zich op misbruik van omstandigheden in haar derde grief. Erflater had in 2018 al Alzheimer en als gevolg daarvan moest zij veel zorgtaken op zich nemen. Zij had veel aan haar hoofd en de zakelijke verhouding met haar zoon en diens onderneming is aan haar voorbijgegaan. Als gevolg van de huidige situatie zijn er vergaande beperkingen met betrekking tot haar eigendomsrechten en haar woonsituatie. 6.12. Naar het oordeel van het hof wordt het eigendom van [moeder] met betrekking tot het onroerend goed te [woonplaats] niet door [zoon] . betwist. Door het overlijden van erflater en het testament van erflater heeft [moeder] het volledige eigendom van het onroerend goed verkregen. Zoals uit de vorige rechtsoverweging volgt is de zakelijke verhouding tussen [moeder] en haar zoon aan haar voorbijgegaan. Uit het betoog van [moeder] volgt dus ook dat er ook een rechtsbetrekking is tussen haar en haar zoon. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen is de gang van zaken tussen [zoon] enerzijds en [moeder] en erflater anderzijds niet uitzonderlijk. Erflater en [moeder] werden ouder en hadden zorg nodig. Dit volgt ook uit het betoog van [moeder] zelf. Vanuit het kader van die zorgverlening is het handelen van partijen (dat [zoon] is gaan wonen in de bedrijfswoning en dat erflater en [moeder] hun intrek hebben genomen in de zorgwoning) goed te volgen. Van een onaanvaardbare beperking van haar eigendomsrecht is dus geen sprake. Dat [moeder] thans de woonsituatie anders ervaart doet daaraan niet af. 6.13. Uit de vierde grief van [moeder] volgt dat zij van mening is dat er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de overeenkomst tot gebruik van de bedrijfswoning kan worden ontbonden. Door [moeder] wordt ook nog aangevoerd dat [zoon] geen vergoeding betaalt voor het gebruik van de bedrijfswoning. Door [zoon] is gemotiveerd verweer gevoerd. Door [zoon] is onder meer aangevoerd dat: a) als [zoon] met zijn gezin een nieuwe bedrijfswoning en landbouwgrond moet vinden dit volgens [zoon] een paar miljoen euro kost; b) al drie generaties [zoon] op het perceel landbouwgrond werken en erflater ook wenste dat hij het bedrijf zou voortzetten; c) een teler op het bedrijf moet wonen d) een onderdeel van de afspraak was dat beide partijen hun eigen kosten zouden voldoen. Naar het oordeel van het hof zijn er geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het gebruik door [zoon] van de bedrijfswoning moet worden beëindigd. [zoon] heeft genoegzaam aangetoond wat het zwaarwichtige belang is bij de voortzetting van het gebruik van de bedrijfswoning. De bedrijfswoning en de grond zijn voor [zoon] niet alleen een woning maar ook een bron van inkomsten. Als erflater en/of [moeder] een vergoeding hadden willen verkrijgen voor het gebruik van de bedrijfswoning dan hadden zij dit vooraf dienen overeen te komen. Nu zij dit niet hebben gedaan, komt dit voor hun rekening en risico. 6.14. In haar vijfde grief geeft [moeder] aan dat er in ieder geval sprake is van een bruikleenovereenkomst en dat die naar zijn aard opzegbaar is. Op grond van de vergunning dient de mantelzorgwoning na 15 jaar te worden verwijderd. Ook om die reden heeft [moeder] een rechtmatig en gerechtvaardigd en zwaarwegend belang om in de woning te kunnen terugkeren. Door [zoon] is ook tegen deze grief gemotiveerd verweer gevoerd. Naar het oordeel van het hof heeft [moeder] geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat het gebruik van de bedrijfswoning door [zoon] moet worden beëindigd. [zoon] heeft genoegzaam aangetoond welk zwaarwegend belang hij heeft met betrekking tot de voortzetting van het gebruik van de bedrijfswoning. Dit belang weegt zwaarder dan dat van [moeder] nu zij de beschikking heeft over een passende woonruimte. Voorts mocht [zoon] erop vertrouwen dat het gebruik van de woning voor lange duur zou zijn te meer daar er een vergunning was verleend van 15 jaar voor de plaatsing van de zorgwoning. 6.15. In zijn zesde grief stelt [moeder] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de vorderingen ten aanzien van de overige gronden, bouwwerken en aanhorigheden, en de loods zich lenen voor gezamenlijke behandeling en dat (al) deze vorderingen afstuiten op de redelijkheid en billijkheid. Door [zoon] is gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden heeft beslist en neemt die na een eigen afweging over. Er zijn door [moeder] in hoger beroep geen nieuwe rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. Dat er soms spanningen tussen partijen zijn, rechtvaardigt niet dat er een einde moet komen aan de bestaande rechtsverhouding tussen partijen die mede wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. 6.16. Het overige wat partijen over en weer hebben gesteld, behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet relevant is voor het onderhavige oordeel. 7 Proceskosten 7.1. Gezien het feit dat er sprake is van een familierechtelijke verhouding acht het hof het redelijk en billijk dat de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep worden gecompenseerd. 8 Beslissing Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter van 18 oktober 2022 van de rechtbank Den Haag; compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt; wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Volledig
Het had dan op de weg van [zoon] gelegen om concreet te stellen wat de voorwaarden waren en zijn voor het vestigen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning waaronder de prijs. [zoon] heeft derhalve niet voldaan aan zijn stelplicht en het hof komt dus ook niet meer toe aan het algemene bewijsaanbod van [zoon] . 6.11. Door [moeder] is ook een aantal grieven gericht tegen het vonnis van de kantonrechter. Zij is het niet eens met de overweging van de kantonrechter dat het niet aannemelijk is dat er geen afspraken zijn gemaakt tussen partijen met betrekking tot de bedrijfswoning en het gebruik van het terrein. Uit het betoog van [moeder] volgt dat [zoon] zonder recht en titel verblijft in de bedrijfswoning en gebruik maakt van het terrein. Ook beroept zij zich op misbruik van omstandigheden in haar derde grief. Erflater had in 2018 al Alzheimer en als gevolg daarvan moest zij veel zorgtaken op zich nemen. Zij had veel aan haar hoofd en de zakelijke verhouding met haar zoon en diens onderneming is aan haar voorbijgegaan. Als gevolg van de huidige situatie zijn er vergaande beperkingen met betrekking tot haar eigendomsrechten en haar woonsituatie. 6.12. Naar het oordeel van het hof wordt het eigendom van [moeder] met betrekking tot het onroerend goed te [woonplaats] niet door [zoon] . betwist. Door het overlijden van erflater en het testament van erflater heeft [moeder] het volledige eigendom van het onroerend goed verkregen. Zoals uit de vorige rechtsoverweging volgt is de zakelijke verhouding tussen [moeder] en haar zoon aan haar voorbijgegaan. Uit het betoog van [moeder] volgt dus ook dat er ook een rechtsbetrekking is tussen haar en haar zoon. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen is de gang van zaken tussen [zoon] enerzijds en [moeder] en erflater anderzijds niet uitzonderlijk. Erflater en [moeder] werden ouder en hadden zorg nodig. Dit volgt ook uit het betoog van [moeder] zelf. Vanuit het kader van die zorgverlening is het handelen van partijen (dat [zoon] is gaan wonen in de bedrijfswoning en dat erflater en [moeder] hun intrek hebben genomen in de zorgwoning) goed te volgen. Van een onaanvaardbare beperking van haar eigendomsrecht is dus geen sprake. Dat [moeder] thans de woonsituatie anders ervaart doet daaraan niet af. 6.13. Uit de vierde grief van [moeder] volgt dat zij van mening is dat er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de overeenkomst tot gebruik van de bedrijfswoning kan worden ontbonden. Door [moeder] wordt ook nog aangevoerd dat [zoon] geen vergoeding betaalt voor het gebruik van de bedrijfswoning. Door [zoon] is gemotiveerd verweer gevoerd. Door [zoon] is onder meer aangevoerd dat: a) als [zoon] met zijn gezin een nieuwe bedrijfswoning en landbouwgrond moet vinden dit volgens [zoon] een paar miljoen euro kost; b) al drie generaties [zoon] op het perceel landbouwgrond werken en erflater ook wenste dat hij het bedrijf zou voortzetten; c) een teler op het bedrijf moet wonen d) een onderdeel van de afspraak was dat beide partijen hun eigen kosten zouden voldoen. Naar het oordeel van het hof zijn er geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het gebruik door [zoon] van de bedrijfswoning moet worden beëindigd. [zoon] heeft genoegzaam aangetoond wat het zwaarwichtige belang is bij de voortzetting van het gebruik van de bedrijfswoning. De bedrijfswoning en de grond zijn voor [zoon] niet alleen een woning maar ook een bron van inkomsten. Als erflater en/of [moeder] een vergoeding hadden willen verkrijgen voor het gebruik van de bedrijfswoning dan hadden zij dit vooraf dienen overeen te komen. Nu zij dit niet hebben gedaan, komt dit voor hun rekening en risico. 6.14. In haar vijfde grief geeft [moeder] aan dat er in ieder geval sprake is van een bruikleenovereenkomst en dat die naar zijn aard opzegbaar is. Op grond van de vergunning dient de mantelzorgwoning na 15 jaar te worden verwijderd. Ook om die reden heeft [moeder] een rechtmatig en gerechtvaardigd en zwaarwegend belang om in de woning te kunnen terugkeren. Door [zoon] is ook tegen deze grief gemotiveerd verweer gevoerd. Naar het oordeel van het hof heeft [moeder] geen rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld die rechtvaardigen dat het gebruik van de bedrijfswoning door [zoon] moet worden beëindigd. [zoon] heeft genoegzaam aangetoond welk zwaarwegend belang hij heeft met betrekking tot de voortzetting van het gebruik van de bedrijfswoning. Dit belang weegt zwaarder dan dat van [moeder] nu zij de beschikking heeft over een passende woonruimte. Voorts mocht [zoon] erop vertrouwen dat het gebruik van de woning voor lange duur zou zijn te meer daar er een vergunning was verleend van 15 jaar voor de plaatsing van de zorgwoning. 6.15. In zijn zesde grief stelt [moeder] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de vorderingen ten aanzien van de overige gronden, bouwwerken en aanhorigheden, en de loods zich lenen voor gezamenlijke behandeling en dat (al) deze vorderingen afstuiten op de redelijkheid en billijkheid. Door [zoon] is gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden heeft beslist en neemt die na een eigen afweging over. Er zijn door [moeder] in hoger beroep geen nieuwe rechtens relevante feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. Dat er soms spanningen tussen partijen zijn, rechtvaardigt niet dat er een einde moet komen aan de bestaande rechtsverhouding tussen partijen die mede wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. 6.16. Het overige wat partijen over en weer hebben gesteld, behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet relevant is voor het onderhavige oordeel. 7 Proceskosten 7.1. Gezien het feit dat er sprake is van een familierechtelijke verhouding acht het hof het redelijk en billijk dat de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep worden gecompenseerd. 8 Beslissing Het hof: bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter van 18 oktober 2022 van de rechtbank Den Haag; compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt; wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, G.G.B. Boelens en J.B. Backhuijs en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.