Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-03-17
ECLI:NL:GHDHA:2026:412
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
3,358 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:412 text/xml public 2026-04-02T13:43:57 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-17 BK-25/409 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:9384, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:412 text/html public 2026-04-01T12:46:35 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:412 Gerechtshof Den Haag , 17-03-2026 / BK-25/409 Art. 220b, lid 1, onderdeel a, Gemeentewet. Aanslagen in de onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning en rioolheffing gebruiker terecht opgelegd. De onroerende zaak is een naar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen praktijkruimte, die aan het begin van het onderhavige kalenderjaar in delen door belanghebbende aan derden in gebruik was gegeven. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/409 Uitspraak van 17 maart 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: D.A.N. Bartels) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland , de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 april 2025, nummer SGR 24/879. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij op één aanslagbiljet bekendgemaakte aanslagen aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag in de van gebruikers geheven onroerende-zaakbelastingen en een aanslag rioolheffing gebruiker van de gemeente Leiden opgelegd (de aanslagen). 1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht van € 50 geheven. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting af.” 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 143 geheven. 1.5. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 17 juni 2025, 26 juni 2025 (met bijlagen), 13 januari 2026, 14 januari 2026, 16 januari 2026 (met bijlagen) en 19 januari 2026 (met bijlagen). De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 28 juli 2025. 1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 februari 2026. De gemachtigde van belanghebbende en de Heffingsambtenaar hebben deelgenomen aan de zitting via een digitale videoverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Met dagtekening 25 februari 2021 heeft de Heffingsambtenaar bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak), voor het kalenderjaar 2021, bepaald naar de waardepeildatum 1 januari 2020, vastgesteld op € 92.000 (de beschikking). Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennelijk ongegrond verklaard (Rechtbank Den Haag 4 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:2724). 2.2. Belanghebbende is gedurende het onderhavige jaar eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een driekamer praktijkruimte, welke onder meer is voorzien van een pantry en een toilet. Belanghebbende heeft de onroerende zaak op 22 januari 2020 in verhuurde staat gekocht. 2.3. Voor het jaar 2021 is belanghebbende – voor zover hier van belang – aangeslagen in de onroerende-zaakbelasting gebruiker niet-woning voor een bedrag van € 473,46 en in de rioolheffing gebruiker voor een bedrag van € 165,51. 2.4. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen (zie 1.2). De in het bezwaarschrift opgenomen gronden zijn alle gericht tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de onroerende zaak. De Verordening 3.1. In de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen (Verordening onroerende-zaakbelastingen Leiden 2021) is onder meer het volgende bepaald: “Artikel 1 Belastingplicht 1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. (…). 2. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker; (…)” 3.2. In de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Leiden houdende regels omtrent de heffing en invordering van rioolheffing (Verordening rioolheffing Leiden 2021) is onder meer het volgende bepaald: “Artikel 1 Definities Deze verordening verstaat onder: a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; voor de toepassing van deze verordening wordt als één perceel aangemerkt: - hetgeen in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt; (…) Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. 2. Met betrekking tot de belasting wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht van het perceel gebruikmaakt. b. Voor de toepassing van onderdeel a, wordt: 1e. (…); 2e. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; (…)” Oordeel van de Rechtbank 4. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser: “5. Eiser heeft in bezwaar noch in de schriftelijk fase van de beroepsprocedure enig inhoudelijke grond tegen de onderhavige aanslagen aangevoerd, anders dan bezwaren tegen de WOZ-waarde die met de onder 3 [zie 2.1, Hof ] genoemde uitspraak onherroepelijk was komen vast te staan. 6. Eerst ter zitting heeft de gemachtigde namens eiser gesteld dat deze in 2021 geen gebruiker was van de praktijkruimte. De rechtbank laat deze stelling als tardief buiten beschouwing. 7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 5.1. De gemachtigde van belanghebbende heeft in het hogerberoepschrift en de nadere stukken volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en grieven waarvan vele niet van toepassing zijn in de onderhavige zaak. Daarom heeft het Hof de gemachtigde ter zitting gevraagd welke hogerberoepsgronden hij concreet in dit geschil aanvoert en verder of hij ermee instemt dat al het andere wat hij in de gedingstukken aanvoert, niet in de beoordeling van het geschil wordt betrokken. Daarop heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat het geschil uitsluitend betrekking heeft op de vraag of de aanslagen ter zake van het gebruik van de onroerende zaak terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. 5.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslagen. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding. 5.3.
Volledig
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het geschil Aanslag onroerende-zaakbelastingen gebruiker niet-woning 6.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij als eigenaar van de onroerende zaak ten onrechte is aangeslagen in de onroerende-zaakbelastingen gebruiker niet-woning. Volgens belanghebbende werd de onroerende zaak in het onderhavige jaar door hem verhuurd en was hij dus niet de gebruiker. 6.2. Volgens de Heffingsambtenaar kan belanghebbende als gebruiker van de onroerende zaak in de zin van artikel 220b, lid 1, onderdeel a, eerste volzin, van de Gemeentewet worden aangemerkt. Ingevolge deze bepaling wordt voor de gebruikersbelasting het gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven. 6.3. Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende op grond van artikel 1, lid 2, letter a, van de Verordening onroerende-zaakbelastingen Leiden 2021, welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 220b, lid 1, onderdeel a, van de Gemeentewet, terecht als belastingplichtige voor de onroerende-zaakbelastingen gebruiker aangemerkt. De onroerende zaak is een naar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen praktijkruimte, die aan het begin van het onderhavige kalenderjaar in delen door belanghebbende aan derden in gebruik was gegeven. Uit een door belanghebbende ingevuld formulier ‘permanente marktanalyse niet-woningen’ en de daarbij gevoegde huurafrekening blijkt dat de onroerende zaak door belanghebbende werd verhuurd aan twee verschillende huurders; de unit ‘ [adres] [a] ’ werd verhuurd aan [naam 1] en de unit ‘ [adres] [b] ’ werd verhuurd aan [naam 2] . Uit informatie die de Heffingsambtenaar heeft verkregen van belanghebbende zelf, alsmede uit foto’s in de door hem overgelegde (verhuur)documentatie uit iWOZ blijkt dat die gebruikers de interne verkeersruimten (toegangsdeur en gangen) en voorzieningen (toilet en pantry) deelden. De door belanghebbende verhuurde units zijn daarmee niet als afzonderlijke onroerende zaken aan te merken, zodat de desbetreffende gebruikers niet belastingplichtig zijn. Belanghebbende heeft geen (concrete) feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. Aanslag rioolheffing 6.4. Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte is aangeslagen in de rioolheffing (gebruikersbelasting). Aan dit standpunt heeft belanghebbende uitsluitend ten grondslag gelegd dat hij geen gebruiker is van de onroerende zaak. Naar het oordeel van het Hof faalt dit standpunt gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 2, letter b, ten tweede, van de Verordening rioolheffing Leiden 2021 – mutatis mutandis – op grond van het hiervoor in 6.3 overwogene, onder de toevoeging dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan aannemelijk is geworden dat het gebruik in de loop van 2021 is geëindigd. Slotsom 6.5. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten 7. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De griffier, de voorzitter, A.S.H.M. Strik R.A. Bosman De beslissing is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.