Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-03-10
ECLI:NL:GHDHA:2026:399
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.340.496/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/628739 / HA ZA 22-382 Arrest van 10 maart 2026 in de zaak van 1 [naam], wonend in [woonplaats], 2. [naam] , wonend in [woonplaats], 3. [naam] , wonend in [woonplaats], 4. [naam] , wonend in [woonplaats], 5. Nijlandia Holding N.V. , gevestigd in Curaçao, 6. Mitasco Corporation N.V. , gevestigd in Curaçao, 7. Malone Ltd. , gevestigd in Valetta (Malta), 8. [naam] , wonend in [woonplaats], 9. [naam] , wonend in [woonplaats], 10. Spin Loop B.V. , gevestigd in Curaçao, 11. Malone Investments SARL , gevestigd in Luxemburg, 12. Sparrhorn Ltd , gevestigd in Malta, 13. Belalp Ltd. , gevestigd in Malta, 14. Delta Tango B.V. , gevestigd in Brasschaat (België), appellanten, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen 1 de Staat der Nederlanden, het ministerie van Veiligheid en Justitie, zetelend in Den Haag, 2. de Kansspelautoriteit , gevestigd in Den Haag, geïntimeerden, advocaat: mr. G.A. Dictus, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna appellanten en de Staat c.s.. 1 De zaak in het kort 1.1 Appellanten 1 tot en met 8 hebben tussen 2007 en 2014 een belang gehad in vennootschappen die vanuit Malta online kansspelen aangeboden. In die periode kon daarvoor in Nederland geen vergunning worden verkregen. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) is in 2019 een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de desbetreffende activiteiten en de betrokkenheid daarbij van appellanten 1-8. In de onderhavige procedure vorderen appellanten onder meer een verklaring voor recht dat het destijds in Nederland geldende totaalverbod in strijd is met EU-recht, alsmede schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen. Daarnaast vorderen zij rectificatie van het door het OM uitgebrachte persbericht. 1.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel en bekrachtigt het vonnis. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 16 april 2024, waarmee appellanten in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2024; de memorie van grieven van appellanten, met bijlagen; de memorie van antwoord van de Staat c.s.; de bijlagen M tot en met DD die appellanten ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling hebben overgelegd. 2.2 Op 9 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten (voor appellanten hebben mrs. De Bont en Prins uit Amsterdam het woord gevoerd en voor de Staat c.s. heeft ook mr. Bitter uit Den Haag het woord gevoerd) hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 1 de zaak samengevat en onder 3 feiten vastgesteld. Appellanten hebben met grief 1 een deel de door de rechtbank gegeven samenvatting bestreden en met grief 2 een deel van de in het vonnis onder 3.2 vermelde feiten. Met inachtneming van die grieven heeft het hof hiervoor een eigen samenvatting gegeven en staat verder in hoger beroep het volgende vast. 3.2 De Wet op de kansspelen (hierna: Wok) verbiedt het om kansspelen aan te bieden, tenzij daarvoor op grond van de Wok een vergunning is verleend. Tot 2021 was het niet mogelijk om voor het online aanbieden van kansspelen een vergunning aan te vragen. Vanaf oktober 2021 is het op grond van de Wet kansspelen op afstand (hierna: Wet Koa) mogelijk om onder voorwaarden een vergunning te krijgen om online kansspelen aan te bieden op de Nederlandse markt. 3.3 In 2019 heeft het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar eisers 1 tot en met 8 wegens het overtreden van de Wok in de periode van 2007 tot 4 maart 2014 en het witwassen van de opbrengst uit de veronderstelde overtredingen van de Wok. Het georganiseerde verband tot vergoeding van de schade die eisers hebben geleden, op te maken bij staat; een bevel jegens de Staat om de inbreuk op het VWEU onmiddellijk te staken en gestaakt te houden, onder andere door die inbreuk te erkennen en alle daarop gebaseerde handelingen jegens eisers te staken, op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 100.000 per dag, tot een maximum van € 5.000.000; een bevel jegens de Staat om het nieuwsbericht van 24 juni 2021 binnen vijf dagen na het vonnis te rectificeren door het plaatsen van een door eisers voorgestelde tekst, waarin staat dat is uitgemaakt dat het in de Wok opgenomen totaalverbod op het aanbieden van online kansspelen in strijd is met artikel 56 VWEU, op straffe van een dwangsom van € 10.000 per dag, tot een maximum van € 100.000; de hoofdelijke veroordeling van de Staat c.s. in de werkelijke kosten van deze procedure met nakosten en rente. 4.2 De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en appellanten in de proceskosten veroordeeld. 5 Vorderingen in hoger beroep 5.1 Appellanten willen dat het hof hun vorderingen alsnog toewijst en de Staat in de kosten van beide instanties veroordeelt. 5.2 De Staat c.s. willen dat het hof het vonnis, al dan niet met verbetering van gronden, bekrachtigt en appellanten in de kosten van het hoger beroep veroordeelt. 6 Beoordeling in hoger beroep Ontvankelijkheid 6.1 De Staat c.s. heeft betwist dat appellanten ontvankelijk zijn in hun vorderingen (onder meer) omdat hun vorderingen uitsluitend zouden strekken ter bescherming van hun belangen bij de strafrechter en zij volgens de Staat c.s. geen ander belang hebben genoemd dan dat zij van de strafvervolging af willen komen. 6.2 Het hof verwerpt dit betoog in ieder geval voor zover het gaat om de op schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidshandelen gerichte vorderingen van appellanten 9 tot en met 14, die geen verdachten zijn. Verder zijn appellanten mede gelet op de in hoger beroep daaraan gegeven nadere onderbouwing ontvankelijk in hun rectificatievordering. Voor appellanten 1-8 geldt bovendien dat zij schadevergoeding vorderen. Die vordering kunnen zij uitsluitend in een procedure bij de burgerlijke rechter instellen. 6.3 Het hof komt dus toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Is het destijds geldende totaalverbod op online kansspelen in strijd met het Unierecht? 6.4 De grieven 3 tot en met 16 leggen aan het hof de vraag voor of het totaalverbod op online kansspelen in strijd is met het Unierecht. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. 6.5 Het hof stelt het volgende voorop. Het totaalverbod om online kansspelen aan te bieden, zoals dat in de relevante periode van 2007 tot 2014 in Nederland op grond van de Wok gold, vormt een beperking op het vrije verkeer van diensten binnen de Europese Unie als bedoeld in art. 56 VWEU. Een zodanige beperking is niettemin toegestaan als deze is gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang. Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat zulke redenen op het gebied van (online) kansspelen kunnen zijn gelegen in het beschermen van consumenten, bestrijden van fraude, voorkomen dat burgers tot geldverkwisting door gokken worden aangespoord en het vermijden van maatschappelijke problemen in het algemeen. Volgens het HvJEU behoort de kansspelregeling tot de gebieden waarop er tussen de lidstaten aanzienlijke morele, religieuze en culturele verschillen bestaan en het, bij gebreke van communautaire harmonisatie op dit gebied, aan elke lidstaat is om overeenkomstig zijn eigen waardesysteem te beoordelen wat noodzakelijk is voor de bescherming van de betrokken belangen (HvJEU 8 september 2009, C-42/07 (ECLI:EU:C:2009:519) Liga Portuguesa en HvJEU 8 september 2010, C-46/08 (ECLI:EU:C:2010:505) Carmen Media), beide arresten met verwijzingen). Uit deze rechtspraak blijkt verder het volgende. 6.6 Een door een lidstaat opgelegde beperking dient te voldoen aan de voorwaarden met betrekking tot de evenredigheid ervan. Daarbij moet worden onde Daarmee was het totaalverbod niet geschikt en dus in strijd met Europees recht. Ook heeft de Staat c.s. de doelstellingen van het totaalverbod niet daadwerkelijk (samenhangend en stelselmatig) nagestreefd, nu dit verbod nauwelijks werd gehandhaafd, vormen van e-commerce online kansspelen wel werden vergund en op grond van een bewuste beleidskeuze alleen aanbieders van online kansspelen die zich niet hielden aan de gemaakte afspraken werden beboet. Het totaalverbod gold ook niet voor eenieder, nu het deelnemen aan in het buitenland georganiseerde kansspelen niet werd verboden. Uit het feit dat de wetgever van oordeel was dat de doelstellingen beter konden worden gerealiseerd met een gereguleerd systeem waarbij wel vergund aanbod werd toegestaan, volgt al dat het totaalverbod niet evenredig was en verder ging dan noodzakelijk was, aldus nog steeds de grieven. 6.11 Volgens de Staat c.s. volgt uit de jurisprudentie van het HvJEU dat lidstaten afhankelijk van het door hen gewenste beschermingsniveau kunnen kiezen voor een totaalverbod op online kansspelen. Met het (toenmalige) Nederlandse online kansspelbeleid werden niet (heimelijk) andere doelstellingen nagestreefd dan de door het HvJEU als dringende reden van algemeen belang erkende consumentenbescherming en criminaliteitsbestrijding. Dat resultaten van het online kansspelbeleid minder goed waren dan gehoopt betekent niet dat het beleid niet geschikt is om de doelstellingen te verwezenlijken. Dat is pas het geval als de maatregel daartoe naar zijn aard niet geschikt is. Een totaalverbod op online-kansspelen is geschikt omdat daarmee het aanbod en daarmee de risico’s op kansspelverslaving en criminaliteit worden verkleind. Een andere opvatting zou meebrengen dat illegale aanbieders zelf door ondermijning van het kansspelbeleid invloed zouden hebben op de mate van geschiktheid en daarmee op de (Europeesrechtelijke) rechtmatigheid ervan. Het EU-recht laat de lidstaten de vrijheid in de loop der tijd hun beleid desgewenst te wijzigen. De Staat c.s. betwisten dat het verbod niet daadwerkelijk werd gehandhaafd en dat een lidstaat niet om capaciteitsredenen een prioriteringsbeleid zou mogen voeren. De mogelijkheid tot handhaving bleef bestaan ook ten opzichte van partijen die zich aan de prioriteringscriteria hielden en heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden. Dat op beperkte schaal e-commerce aanbod werd toegestaan doet geen afbreuk aan de consistentie van het beleid. Anders dan appellanten suggereren is het deelnemen aan een illegaal kansspel in Nederland verboden en is dit alleen anders voor in het buitenland deelnemen aan een kansspel waarvoor geen Nederlandse vergunning is verleend, aldus de Staat c.s.. 6.12 Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat het in de relevante periode van 2007 tot en met 2014 gevoerde Nederlandse (online) kansspelbeleid tot doel had consumenten te beschermen en fraude te bestrijden en er geen andere (verborgen) doelen mee werden nagestreefd. Vast staat dat het hierbij gaat om dringende redenen van algemeen belang die een beperking op het vrije verkeer van diensten kunnen rechtvaardigen. Volgens de aangehaalde rechtspraak van het HvJEU bestaat op het gebied van (online) kansspelen een ruime beleidsvrijheid voor de lidstaten om het door de lidstaat gewenste beschermingsniveau en de wijze waarop de lidstaat dit beschermingsniveau wenst na te streven te bepalen. Volgens het HvJEU is een totaalverbod gelet op de bijzondere kenmerken en risico’s van online-kansspelen in beginsel geschikt om de doelstellingen van consumentenbescherming en fraudebestrijding te verwezenlijken, ook al zou dit ook op andere wijzen kunnen geschieden. Het EU-recht eist op het gebied van (online) kansspelen niet dat uit verschillende mogelijke maatregelen het meest effectieve of minst vergaande stelsel wordt gekozen. Niet, althans onvoldoende, betwist is dat een totaalverbod het aanbod van online kansspelen beperkt en zo (tenminste) bijdraagt aan de verwezenlijking van de geno hebben voldoende toegelicht en onderbouwd, dat de prioriteringscriteria zijn opgesteld om wegens capaciteitsbeperkingen keuzes te kunnen maken tegen wie het eerst handhavend zou worden opgetreden, dat ook werd opgetreden tegen partijen die wel aan deze criteria voldeden en (dus) van een (de facto) gedoogbeleid geen sprake was. Dat de wetgever als gevolg van wildgroei van het online aanbod heeft toegewerkt naar een stelsel van gekanaliseerd legaal aanbod, zoals dat uiteindelijk op grond van de Wet Koa tot stand is gekomen, maakt het voordien bestaande totaalverbod nog niet in strijd met het Unierecht. Aan het voorgaande doet niet af dat de wetgever op een later moment aanleiding heeft gezien om het online gokken te reguleren en in zoverre het totaalverbod af te zwakken. De politieke noodzaak die daarvoor werd gezien - appellanten verwijzen in dat verband naar verklaringen van de heren Teeven en Temmink - brengt niet mee dat de wetgeving die in deze procedure wordt getoetst daarom niet meer in lijn met het bepaalde in art. 56 VWEU kan worden geacht. 6.18 De slotsom is dat de grieven 3 tot en met 16 falen. De vordering tot rectificatie 6.19 Met grief 17 leggen appellanten de toewijsbaarheid van hun vordering tot rectificatie van het hiervoor onder 3.5 weergegeven persbericht aan het hof voor. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is deze vordering niet toewijsbaar op de door appellanten aangevoerde grond dat het strafrechtelijk optreden van de Staat c.s. onrechtmatig is wegens strijd met het Unierecht. Zij hebben evenwel aanvullend hun rectificatievordering gebaseerd op schending van de onschuldpresumptie en schending van hun recht op privacy. Volgens appellanten getuigt de publicatie gelet op de woordkeuze en herleidbaarheid van de berichtgeving niet van de in dit kader vereiste objectiviteit en zorgvuldigheid. 6.20 Naar het oordeel van het hof is de publicatie niet herleidbaar tot de zes verdachten, nu daarin uitsluitend hun leeftijden en geslacht worden vermeld en het feit dat zij zich met het aanbieden van online kansspelen bezig hielden. Dat ingewijden of bekenden van de verdachten op grond van het persbericht mogelijk (kunnen) weten om wie het gaat, maakt dit niet anders. Ten overvloede overweegt het hof hierover nog dat het persbericht in dit opzicht ook voldoet aan de eisen van de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolgen van het College van procureurs-generaal (hierna: de Aanwijzing), nu het persbericht geen (bijzondere) persoonsgegevens als bedoeld in art. 9 en 10 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) bevat. Van schending van de in artikel 6 lid 2 EVRM verankerde onschuldpresumptie is evenmin sprake. Het persbericht maakt voldoende duidelijk dat ten tijde van de berichtgeving (slechts) sprake is van een strafrechtelijke verdenking en een vermoeden. Zo staat in het bericht vermeld dat de desbetreffende personen verdacht worden van overtreding van de wet op de kansspelen, witwassen en deelname aan een criminele organisatie, dat ten aanzien van het witwassen sprake is van een vermoeden en dat zij vermoedelijk online casino kansspelen hebben aangeboden op de Nederlandse markt (curs. hof). Tegen deze achtergrond is ook voldoende duidelijk dat de mededeling dat verdachten hun uitvlucht zochten naar een buitenlandse structuur nog steeds is gedaan in het kader van de als zodanig benoemde verdenking. Tot slot hebben de door appellanten aangehaalde passages uit het persbericht over de prioriteit van de aanpak van witwassen voor het OM en de risico’s van online kansspelen een algemeen karakter en leveren (dus) geen schending van de onschuldpresumptie en/of recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van appellanten 1 tot en met 6 op. De grief faalt derhalve. Bewijsaanbod 6.21 Gelet op de in 6.13 tot en met 6.18 gegeven (rechts)oordelen, is het door appellanten gedane aanbod tot het leveren van (tegen)bewijs niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Conclusie en proceskosten 6.22 De c