Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-08-18
ECLI:NL:GHDHA:2026:2757
Art. 3.90, 5.19 en 5.23 Wet IB 2001, art. 19 Uitvoeringsbesluit IB 2001, Besluit pensioenen internationale organisaties. Keramiekactiviteiten en handel in opties en aandelen vormen geen bronnen van inkomen; geen objectieve voordeelsverwachting. Oud-werknemer EOB. Op grond van het Besluit pensioenen internationale organisaties is een derde van het pensioendeel van een uitkering niet belast in box 1. De overige emolumenten zijn volledig belast in box 1. De waarde in het economische verkeer van het niet in box 1 belaste deel wordt bepaald met toepassing van art. 19 Besluit inkomstenbelasting 2001. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/816 Uitspraak van 18 augustus 2026 in het geding tussen: [X] te [Z] , [buitenland] , belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 oktober 2025, nummer SGR 24/7058. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een aanslag in de inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2020 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 192.013 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 10.236 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). 1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de tegen de aanslag en de belastingrentebeschikking gemaakte bezwaren afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft als volgt beslist: “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uitwerk en woning van € 148.493 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.772 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.248; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 143. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 20 november 2026. De Inspecteur heeft een nader stuk aangeduid als verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 5 juni 2026. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 7 juli 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1958 en is in het onderhavige jaar binnenlandse belastingplichtige voor de inkomstenbelasting. 2.2. Op 1 april 1990 is belanghebbende in dienst getreden bij het Europees Octrooibureau (EOB) in Rijswijk. 2.3. Belanghebbende is in 2011 ziek geworden en heeft vanaf 1 juli 2011 geen werkzaamheden meer verricht voor het EOB. De dienstbetrekking tussen belanghebbende en het EOB is blijven voortbestaan. Vanaf juli 2011 ontvangt belanghebbende als ‘permanent employee’ een ‘invalidity allowance’ van het EOB. 2.4. Met ingang van 1 januari 2016 is de dienstbetrekking tussen belanghebbende en het EOB geëindigd. Vanaf 1 januari 2016 ontvangt belanghebbende een ‘retirement pension for health reasons’ (RPHR). In 2020 ontving belanghebbende de volgende bedragen uit hoofde van het RPHR: Pensioen € 130.531 Allowances € 7.832 Tax adjustment € 54.374 Totaal € 192.737 2.5. Op 23 augustus 2022 is het Besluit pensioenen internationale organisaties gepubliceerd (besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 augustus 2022, nr. 2022-206968, Stcrt. 2022, 21897; het Besluit). Gepensioneerden die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen ontvangen van onder meer het EOB op basis van een zogenoemde Gecoördineerde Pensioenregeling kunnen met een beroep op het Besluit twee derde van hun uitkering als inkomen uit werk en woning (box 1) aangeven. De waarde in het economische verkeer van de resterende één derde van de aanspraak uit hoofde van de Gecoördineerde Pensioenregeling wordt als bezitting in box 3 aangegeven. Een ontvangen ‘allowance’ of ‘tax adjustment’ wordt geheel aangegeven als inkomen uit werk en woning (box 1). De tekst van het Besluit luidt, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt: “4.2 Verwerking in de aangifte Gepensioneerden die een uitkering ontvangen uit de Gecoördineerde Pensioenregeling of de pensioenregeling van EOB kunnen de voornoemde uitgangspunten als volgt hanteren bij het doen van aangifte. Ten minste twee derde (2/3) deel van de jaarlijkse pensioenuitkering (exclusief allowances en tax adjustment) wordt aangegeven als inkomen uit werk en woning (box 1). Een ontvangen allowance of tax adjustment uitkering wordt geheel aangegeven als inkomen uit werk en woning (box 1). De waarde van het resterende één derde (1/3) deel van het pensioen wordt als bezitting in box 3 aangegeven. (…)” 2.6. Bij het vaststellen van de aanslag IB voor het jaar 2019 heeft de Inspecteur abusievelijk, zonder voorafgaand verzoek van belanghebbende, het Besluit toegepast op het ontvangen RPHR. In een brief van 28 maart 2023 in het kader van de beoordeling van de aangifte IB voor het jaar 2019 schreef de Inspecteur onder andere: “Ik heb besloten om de genoemde uitgangspunten van het Besluit in uw situatie toe te passen.” 2.7. In een brief van 31 augustus 2023, waarin de Inspecteur een eerste oordeel gaf over de aangifte IB voor het jaar 2020, schreef de Inspecteur onder andere: “U hebt voor het jaar 2020 geen nieuwe aangifte ingediend waarin u om toepassing van het beleidsbesluit hebt verzocht. (…) Wilt u alsnog gebruik willen maken van het BB voor het jaar 2020?” 2.8. De Inspecteur heeft bij belanghebbende in 2019 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2018 van belanghebbende. In het boekenonderzoek is onder andere opgemerkt: “[Belanghebbende] heeft in 2019 een oud schoolgebouw in [buitenland] gekocht. De intentie is om aldaar een Summer school te vestigen. Het schoolgebouw zal eerst ingrijpend verbouwd moeten worden. Het is de bedoeling om in [buitenland] dan cursussen keramiek en dergelijke te gaan geven aan Nederlanders en [buitenland] . [Belanghebbende] denkt erover om aldaar wellicht een B&B te vestigen.” 2.9. Met ingang van 2019 geeft belanghebbende resultaat uit overige werkzaamheden aan. Voor het jaar 2019 is een negatief resultaat van € 29.939 aangegeven. Voor het jaar 2020 is een negatief resultaat van € 78.044 aangegeven. Het resultaat van het jaar 2020 is als volgt samengesteld: Winst uit onderneming € 18.491 Verlies uit onderneming € 66.131 Huisvesting € 25.588 Bankkosten € 2.028 Belastingadvies € 512 Investering materiaal € 2.276 Totaal kosten € 96.535 Saldo resultaat -/- € 78.044 2.10. De posten ‘Winst uit onderneming’ en ‘Verlies uit onderneming’ in bovenstaande opsomming betreffen inkomsten en verliezen uit handel in aandelen en opties. De overige kosten zien voornamelijk op de (voorbereiding van) activiteiten van belanghebbende op het gebied van keramiek, waartoe hij in 2019 een schoolgebouw in [buitenland] heeft gekocht (de keramiekactiviteiten). Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder: “9. Niet langer is in geschil dat eiser voor het jaar 2020 in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit pensioenen Internationale Organisaties[1]. Tussen partijen is ook niet in geschil dat dit betekent dat € 149.217 van de ontvangen RPHR tot het box 1-inkomen moet worden gerekend en een bedrag van € 578.385 tot de grondslag van het box 3-inkomen. Verder is niet in geschil dat het box 1-inkomen aldus moet worden vastgesteld op € 148.493 (€ 149.217 + € 2.365 – € 2.208 – € 881) en het box 3-inkomen op € 20.772 (na voorkoming van dubbele belastingheffing en na aftrek van het heffingvrije vermogen). Het beroep is reeds hierom gegrond verklaard. Bron van inkomen 10. Van een bron van inkomen is sprake als wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel om voordelen te behalen en het behalen van dat voordeel redelijkerwijs kan worden verwacht. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.[2] 11. Nu eiser een negatief resultaat in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk dient te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door eiser beoogde voordeel ook in redelijkheid kon worden verwacht. 12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in 2020 objectief bezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel uit de activiteiten. Eiser heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waaraan hij in 2020 de verwachting kon ontlenen dat met de activiteiten, in weerwil van de structureel negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. Uit de stelling van eiser dat het opbouwen van voldoende kennis in keramiek vele jaren kost en de vergelijking met de biotechnieksector, waarin ook sprake kan zijn van jarenlang geen verkoop en winst, maar van investering in onderzoek en kennisvergaring met als gevolg uitgaven en verliesjaren, kan slechts worden opgemaakt dat sprake is geweest van investeringen. Eiser heeft daarmee niet voldoende geconcretiseerd dat een positief resultaat kon worden verwacht. Voorgaande geldt ook voor de gemaakte kosten voor huisvestiging die zien op, naar de rechtbank begrijpt, de ingebruikname van een schoolgebouw in [buitenland] . Met de stellingen dat eisers (voorbereidend) werk door persoonlijke omstandigheden is vertraagd en dat het BTW-nummer is ingetrokken, maakt eiser evenmin aannemelijk dat positieve resultaten konden worden verwacht. 13. Met betrekking tot de beleggingsactiviteiten heeft eiser tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat deze activiteiten kwalificeren als een bron van inkomen. De rechtbank ziet geen reden om anders te oordelen dan gerechtshof Den Haag inzake de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 van eiser.[3] 14. Het voorgaande betekent dat de aftrek ROW terecht is geweigerd. Het beroep is in zoverre ongegrond. (…) [1] Besluit pensioenen Internationale Organisaties van 19 augustus 2022, nr 2022-206968,Stcrt. 2022, 21897. [2] Hoge Raad 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad 15 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8348. [3] Gerechtshof Den Haag 4 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1036.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden van € 78.044 niet in aftrek heeft toegelaten bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning. Voorts is in geschil of toepassing van de uitgangspunten van het Besluit ertoe leidt dat € 149.217 tot het inkomen uit werk en woning in box 1 moet worden gerekend en of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog is vastgesteld. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover die ziet op de scholingsuitgaven, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, behoudens voor zover die ziet op de scholingsuitgaven, en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van, naar het Hof begrijpt, € 49.964 (€ 128.008 -/- € 78.044) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. 4.3. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Bron van inkomen 5.1. Belanghebbende stelt dat de handel in aandelen en opties en (het voorbereiden van) de keramiekactiviteiten in [buitenland] bronnen van inkomen zijn en dat de belastbare resultaten daaruit als resultaat uit overige werkzaamheden in mindering komen op het inkomen uit werk en woning. Keramiekactiviteiten 5.2. Belanghebbende kan de negatieve resultaten van deze activiteiten alleen in aanmerking nemen indien deze voortvloeien uit een bron van inkomen. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald (vgl. HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5321 en HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8763). Tussen partijen is in geschil of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en of belanghebbende met deze activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer. 5.3. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van de feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390). 5.4. Niet in geschil is dat belanghebbende met de keramiekactiviteiten beoogde voordeel te behalen (subjectief oogmerk). In geschil is of deze activiteiten plaatsvonden in het economische verkeer en of belanghebbende daaruit naar objectieve maatstaven beoordeeld voordeel kon verwachten. Die laatste vraag zal het Hof als eerste beoordelen. 5.5. Omdat belanghebbende negatieve resultaten uit de keramiekactiviteiten in [buitenland] in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door belanghebbende met die activiteiten beoogde voordeel ook objectief beoordeeld kon worden verwacht. 5.6.1. Belanghebbende stelt dat hij volgens plan heeft gewerkt om voldoende vaardigheden op te bouwen om een actief, levensvatbaar en winstgevend bedrijf op te kunnen starten en te runnen. Hij heeft voldoende kennis op het gebied van keramiek, en ook tekenen en schilderen, opgedaan om een bedrijf te kunnen runnen. De Inspecteur extrapoleert slechts de jaren met negatieve resultaten om te stellen dat er nooit iets positiefs uit zal komen. Dat is niet juist of eerlijk, aldus belanghebbende. Ook maakt hij een vergelijking met wetenschappelijk onderzoek, meer in het bijzonder ‘biotech’-research, waar het vaak voorkomt dat jarenlang onderzoek moet worden gedaan om vindingen te kunnen commercialiseren. De vergelijking van ‘biotech’-research met de keramiekactiviteiten is volgens hem relevant. Belanghebbende stelt verder dat de voordeelsverwachting kan worden afgeleid uit het feit dat hij een schoolgebouw in [buitenland] heeft gekocht. Dat doe je volgens hem niet als er geen winstverwachting zou zijn. Voorts voert belanghebbende persoonlijke omstandigheden aan waardoor het voorbereidend werk is vertraagd. Belanghebbende stelt ook dat hij is tegengewerkt, doordat de Inspecteur zijn btw-nummer heeft ingetrokken. Zonder btw-nummer kan hij geen inkopen doen en klanten aantrekken. 5.6.2. Hetgeen in 5.6.1 is aangevoerd is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de keramiekactiviteiten een bron van inkomen zijn. Uit de door belanghebbende genoemde feiten en omstandigheden kan op geen enkele manier worden afgeleid dat naar objectieve maatstaven beoordeeld verwacht mag worden dat de keramiekactiviteiten op enig moment voordeel gaan opleveren. Het zijn slechts stellingen die niet worden onderbouwd met cijfermatig of ander materiaal waarmee het behalen van voordeel en de termijn waarop dat naar objectieve maatstaven verwacht mag worden wordt geconcretiseerd. De negatieve resultaten uit het verleden verschaffen dat inzicht ook niet en feiten en omstandigheden uit latere jaren die kunnen bijdragen aan een oordeel over een objectieve voordeelsverwachting in 2020 zijn gesteld noch gebleken. Het enkele feit dat belanghebbende van de in 2020 gemaakte kosten betaalbewijzen heeft overgelegd en dat de Inspecteur die niet heeft betwist, maakt niet dat sprake is van een bron van inkomen. Hetzelfde geldt voor het ter zitting gestelde dat de keramiekactiviteiten steeds meer aandacht krijgen en dat het aantal klanten toeneemt, nu dit op geen enkele manier is onderbouwd. Het Hof komt tot het oordeel dat de keramiekactiviteiten geen bron van inkomen zijn. 5.6.3. Nu een objectieve voordeelsverwachting niet aannemelijk is geworden, vormen de keramiekactiviteiten geen bron van inkomen. De daarmee behaalde negatieve resultaten komen niet als resultaat uit overige werkzaamheden in mindering op het inkomen uit werk en woning. In het midden kan blijven of de kermamiekactiviteiten in het economische verkeer plaatsvinden. 5.6.4. Belanghebbende verzoekt het Hof nog uitspraak te doen op zijn verzoek van 28 april 2025 om, indien hij in latere jaren kan aantonen dat sprake is van een bron van inkomen, dit met terugwerkende kracht ook te laten gelden voor het jaar 2020. Het Hof is niet bevoegd om in de onderhavige uitspraak te bepalen dat als de keramiekactiviteiten in latere jaren een bron van inkomen vormen, dit ook zal gelden voor het jaar 2020, aangezien de aanslag inkomstenbelasting 2020 en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking de enige besluiten van de Inspecteur zijn die in deze procedure ter beoordeling voorliggen. Belanghebbendes verzoek komt om die reden niet voor inwilliging in aanmerking. Handel in aandelen en opties 5.6.5. Indien mede acht wordt geslagen op de conclusies van partijen, moet het geschilpunt over de handel in aandelen en opties kennelijk aldus worden begrepen, dat belanghebbende betoogt dat de inkomsten daaruit resultaat uit overige werkzaamheden vormen, terwijl de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat de waarde van de aandelen en opties tot de grondslag sparen en beleggen behoort. Voor de beoordeling van dit geschilpunt is maatgevend of de werkzaamheden van belanghebbende naar hun aard en omvang onmiskenbaar zijn gericht op het behalen van - redelijkerwijs te verwachten - voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan. Zonder nadere verklaring, die ontbreekt, is echter niet aannemelijk te achten dat belanghebbendes handel in aandelen en opties een normaal actief vermogensbeheer te boven gaat. De enkele omstandigheid dat deze activiteiten een voordeel van € 18.941 hebben opgeleverd is daartoe onvoldoende, zeker nu daartegenover een verlies van € 66.131 staat. Hetzelfde geldt voor de stelling dat sprake is van bedrijfsmatige beleggingsactiviteiten, nu op geen enkele manier is onderbouwd waaruit het bedrijfsmatige karakter van de handel in opties en aandelen kan worden afgeleid. Dat de Inspecteur dit volgens belanghebbende niet heeft weersproken, wat daarvan ook van zij, maakt dit niet anders, omdat een bedrijfsmatig karakter van een activiteit niet zonder meer veronderstelt dat de werkzaamheden van belanghebbende naar hun aard en omvang onmiskenbaar waren gericht op het behalen van - redelijkerwijs te verwachten - voordelen die het bij normaal actief vermogensbeheer te verwachten rendement te boven gaan. Ook belanghebbendes stelling dat hij in 2023, 2024 en 2025 winst heeft behaald met de handel in aandelen en opties maakt niet dat sprake is van een bron van inkomen die in box 1 in de heffing dient te worden betrokken. Waar het om gaat is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aandraagt op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat het aannemelijk is dat belanghebbende meer doet dan normaal actief vermogensbeheer. Belanghebbende heeft dienaangaande niets aangevoerd en voldoet aldus niet aan de bewijslast die op hem rust, nu hij een negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking wenst te nemen. De (handel in) aandelen en opties behoren derhalve tot de grondslag sparen en beleggen. Belastingheffing RPHR (box 1) 5.7. Net als voor de Rechtbank verschillen partijen in hoger beroep niet van mening dat de uitgangspunten van het Besluit moeten worden toegepast. Wel verschillen zij van mening over de cijfermatige uitwerking daarvan. Belanghebbende stelt dat twee derde van zijn belastbaar inkomen uit werk en woning zoals dat door de Inspecteur bij de aanslag is vastgesteld, belastbaar is in box 1, te weten € 128.008 (2/3 x 192.013). Voorts is belanghebbende van mening dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) nihil zou moeten bedragen wegens het in aanmerking nemen van schulden. 5.8. De Inspecteur is van mening dat twee derde van het pensioengedeelte van de RPHR (€ 130.531) tot het inkomen uit werk en woning gerekend moet worden, te weten € 87.021. Daarnaast behoren de ‘tax adjustment’ (€ 54.374) en de ‘allowances’ (€ 7.832) voor het geheel tot het inkomen uit werk en woning. In totaal wordt derhalve € 149.217 van de RPHR van € 192.737 tot het inkomen uit werk en woning gerekend. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 148.493 (€ 149.217 (RHPR) + € 157 (belastbaar inkomen uit eigen woning) -/- 881 (persoonsgebonden aftrek)). Voorts is de Inspecteur van mening dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen terecht door de Rechtbank op € 20.772 is vastgesteld. 5.9. Schematisch kunnen de posities van partijen als volgt worden weergegeven. Belanghebbende Inspecteur Box 1 Pensioen € 130.531 € 130.531 Besluit (1/3e belast in box 3) - -/- € 43.510 € 130.531 € 87.021 Tax adjustment € 54.374 € 54.364 Allowances € 7.832 € 7.832 € 192.737 € 149.217 Eigen woning € 157 € 157 Specifieke zorgkosten -/- € 881 -/- € 881 € 192.013 € 148.493 Besluit (1/3e belast in box 3) -/- € 64.005 - Belastbaar inkomen uit werk en woning € 128.008 € 148.493 Box 3 Bank- en spaartegoeden binnenland € 1.242 € 1.242 Bank en spaartegoeden buitenland € 2.436 € 2.436 Aandelen, obligaties e.d. € 824.599 € 824.599 Onroerende zaken in het buitenland € 350.000 € 350.000 Rechten op periodieke uitkeringen € 578.385 € 578.385 Aftrekbare schulden (na drempel) € 1.876.461 -/- € 1.150.716 Rekenfout -/- € 6.290 -/- € 6.290 Grondslag sparen en beleggen -/- € 119.799 € 599.656 Heffingvrij vermogen -/- € 61.692 -/- € 61.692 Rendementsgrondslag € 0 € 537.964 Voordeel uit sparen en beleggen € 0 € 20.772 RPHR – box 1 5.10. Het Hof stelt voorop dat belanghebbende uitgaat van een verkeerde grondslag voor de berekening van het gedeelte van de RPHR dat op grond van het Besluit niet tot het inkomen uit werk en woning wordt gerekend. Belanghebbende gaat daarbij uit van het belastbaar inkomen uit werk en woning (€ 192.013). Tot het belastbaar inkomen uit werk en woning behoren echter ook het belastbaar inkomen uit eigen woning (€ 157) en de persoonsgebonden aftrek (€ 881). Beide posten hebben niets van doen met de belastbaarheid van het RPHR. Nadat het Hof dit ter zitting aan belanghebbende heeft toegelicht, heeft belanghebbende zijn standpunt aangepast in die zin dat een derde van € 192.737, door het Hof berekend op € 64.245, niet tot het inkomen uit werk en woning wordt gerekend. 5.11. Het Hof volgt belanghebbende echter niet in dit (gewijzigde) standpunt. Belanghebbende gaat er ten onrechte van uit dat op grond van het Besluit een derde deel van de gehele RPHR (€ 192.737) niet tot het inkomen uit werk en woning wordt gerekend. In onder meer paragraaf 4.2 van het Besluit (zie 2.5) is immers bepaald dat alleen het pensioendeel voor een derde deel niet tot het inkomen uit werk en woning (box 1) wordt gerekend. De ‘tax adjustment’ (€ 54.374) en de ‘allowances’ (€ 7.832) worden voor het geheel tot het inkomen uit werk en woning gerekend. Belanghebbendes berekening berust dus op een onjuiste lezing van het Besluit. Het gelijk is in zoverre dus, zoals ook de Rechtbank heeft geoordeeld, aan de Inspecteur. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 148.493. RPHR – box 3 5.12. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat zelfs als de door de Inspecteur berekende waarde van de aftrekbare schuld van € 1.150.716 juist is, de rendementsgrondslag nihil is. Belanghebbende komt tot deze uitkomst door het nominale bedrag van het deel van de RPHR dat op grond van het Besluit niet als inkomen uit werk en woning wordt belast als bezitting in aanmerking te nemen bij de bepaling van de grondslag sparen en beleggen van box 3. 5.13. Deze wijze van waardering kan naar het oordeel van het Hof echter niet worden gevolgd. Ingevolge artikel 5.19, lid 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) worden bezittingen (en schulden) in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. In artikel 5.23 Wet IB 2001 is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld ten behoeve van de waardering van bezittingen (en schulden). De Staatssecretaris van Financiën heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door in artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (Uitvoeringsbesluit IB 2001) regels neer te leggen voor de bepaling van de waarde in het economische verkeer van (rechten op) periodieke uitkeringen. De Inspecteur heeft de waarde in het economische verkeer van het deel van de RPHR dat bij de bepaling van de grondslag sparen en beleggen van box 3 in aanmerking wordt genomen met toepassing van artikel 19 Uitvoeringsbesluit IB 2001 bepaald op € 578.385. Belanghebbende heeft deze uitkomst niet betwist en het Hof heeft geen reden om te denken dat dit bedrag te hoog is vastgesteld. De Inspecteur heeft derhalve terecht een bedrag van € 578.385 in aanmerking genomen bij de bepaling van de grondslag sparen en beleggen, zodat de grondslag sparen en beleggen terecht is bepaald op € 599.656, de rendementsgrondslag op € 537.964 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 20.772. Slotsom 5.14. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, T.A. de Hek en C. Maas, wegens verhindering van de griffier T. van Hout buiten zijn aanwezigheid. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. De voorzitter, M.J.M. van der Weijden De beslissing is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. De Inspecteur en belanghebbende gaan uit van marginaal verschillende bedragen aan ‘tax adjustment’. Deze verschillen zijn voor de beslechting van het geschil niet relevant. In het verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur aangegeven dat er enkele rekenfouten in de berekening van de rendementsgrondslag zitten, waaronder dit bedrag, maar dat hij daar niet op terugkomt. In hoger beroep heeft de Inspecteur gesteld dat er een fout in de berekening is gemaakt en dat de waarde € 587.385 moet zijn, maar dat hij hierop niet terug zal komen.