Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-02-24
ECLI:NL:GHDHA:2026:199
Civiel recht
Hoger beroep
28,058 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:199 text/xml public 2026-05-19T11:02:41 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-24 200.334.546/02 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:184, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:199 text/html public 2026-05-19T11:01:36 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:199 Gerechtshof Den Haag , 24-02-2026 / 200.334.546/02 De zaak gaat over een conflict tussen de vermogende Moeder en haar Zoon. Het hof oordeelt dat de Zoon leningen moet terugbetalen. Ook moet de Zoon een deel van betalingen vanaf rekeningen van de Moeder, waartoe hij gemachtigd was, terugbetalen. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.334.546/02 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/610941 / HA ZA 21-393 Publicatie vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2023:184 Arrest van 24 februari 2026 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats 1] , hierna te noemen: de Zoon, appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, verweerder in het incident, advocaat: mr. J. de Vries, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen 1 [naam 1] Stamrecht B.V., gevestigd in Den Haag, hierna te noemen: Stamrecht BV, geïntimeerde 1 in het principaal hoger beroep, appellante 1 in het incidenteel hoger beroep, 2. [geïntimeerde 2] , wonend in [woonplaats 2] , hierna te noemen: de Moeder, eiseres in het incident, geïntimeerde 2 in principaal hoger beroep en appellante 2 in incidenteel hoger beroep, hierna samen te noemen: Moeder cs, advocaat: mr. R. Beele, kantoorhoudend in Alphen aan den Rijn. 1 De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over een conflict tussen de vermogende Moeder en haar Zoon. Het hof oordeelt dat de Zoon leningen moet terugbetalen. Ook moet de Zoon een deel van betalingen vanaf rekeningen van de Moeder, waartoe hij gemachtigd was, terugbetalen. Het hof wijst de overige vorderingen af. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 11 april 2023, waarmee de Zoon in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2023 (hierna: het vonnis of het bestreden vonnis); het herstelexploot van 17 oktober 2023, waarbij Moeder cs zijn opgeroepen om op 12 december 2023, vertegenwoordigd door een advocaat, ter zitting van het hof te verschijnen. het door de Moeder op 31 oktober 2023 uitgebrachte anticipatie-exploot, waarbij de Zoon en de Stamrecht BV zijn opgeroepen om op 14 november 2023, vertegenwoordigd door een advocaat, ter zitting van het hof te verschijnen; de e-mail van de griffie van het hof van 14 november 2023 aan de toenmalige advocaat van de Zoon, mr. J.P. Sars, naar aanleiding van het anticipatie-exploot. In deze e-mail heeft het hof aan mr. Sars gevraagd of hij voornemens was om zich in deze zaak te stellen, met het antwoord hierop van dezelfde datum: “Wij zijn niet voornemens ons te stellen.” de vermelding in het administratief systeem van het hof dat op 14 november 2023 verstek is verleend tegen appellant, dat appellant op 28 november 2023 niet is verschenen en evenmin instructies heeft gegeven, waarna de zaak op die datum ambtshalve is geroyeerd; de oproeping door de Moeder, gericht aan de Zoon en Stamrecht BV, tot hervatting procedure, tevens betekening akte houdende ontslag van instantie, met oproeping om op 2 april 2024 te verschijnen; de akte van Moeder cs, waarin zij een incident tot niet-ontvankelijkheid opent; de antwoordakte inzake een verzoek tot ontslag van instantie van de Zoon; de antwoordconclusie in het incident tevens memorie van grieven van de Zoon, met bijlagen; de memorie van antwoord, tevens grieven in het incidenteel appel, met bijlagen; de memorie van antwoord in het incidenteel appel, met bijlagen; de wijziging procesvertegenwoordiger van de Zoon; de brief van 23 december 2025 van mr. Beele met bijlage a tot en met c; de bijlage (notitie voorafgaand aan mondelinge behandeling), die Moeder cs op 13 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd; de bijlagen 41 tot en met 83 en een kopie van het proces-verbaal mondelinge behandeling eerste aanleg, die de Zoon op 14 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd. 2.2 Op 26 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak (met verlengde spreektijd) toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Het hof heeft ter zitting de volgende beslissingen genomen: - de weigering van de door de Zoon gevraagde vermeerdering van eis (bij H-formulier naar de griffie van het hof gezonden op donderdag 22 januari 2026 na sluitingstijd van de griffie; dus ontvangen op 23 januari 2026); - de verwerping van het verweer van de Moeder dat de wederpartij de voornoemde producties 41 tot en met 83 (wegens de grote omvang ervan in strijd met de goede procesorde) te laat heeft overgelegd. - zijn voorlopig oordeel dat geen ontslag van instantie zal worden verleend. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De Moeder, geboren in [jaar 1] , heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk met de heer [naam 2] , te weten de Zoon ( [appellant] ), geboren in [jaar 2] , en een dochter ( [naam 3] / [naam 3] ), geboren in [jaar 3] . Moeder is in 1990 hertrouwd met de heer [naam 1] (geboren in [jaar 4] ), die zelf uit een eerder huwelijk drie kinderen had en ook nog twee kinderen uit een andere relatie. [appellant] en [naam 3] hebben de achternaam [achternaam] aangenomen. [naam 1] heeft in 1985 [naam 1] Stamrecht B.V. (de in deze procedure genoemde Stamrecht BV) opgericht om zijn pensioenrechten in onder te brengen. Hij is op [overlijdensdatum] overleden. 3.2 De Moeder is samen met de kinderen en kleinkinderen van [naam 1] tot zijn erfgenaam benoemd. Daarbij is de wettelijke verdeling van toepassing verklaard, zodat de Moeder alle goederen van de ruime nalatenschap van [naam 1] heeft verkregen. Daar tegenover staat dat de Moeder de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening moet nemen en dat de overige negen erfgenamen een geldvordering hebben verkregen ten laste van de Moeder, overeenkomend met de waarde van zijn/haar erfdeel. 3.3 De Moeder is sinds 10 augustus 2012 aandeelhouder en bestuurder van Stamrecht BV en alleen en zelfstandig bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Haar vermogen is (grotendeels) in de vennootschap ingebracht. De Zoon is vanaf 17 oktober 2018 eveneens bestuurder van Stamrecht BV en alleen en zelfstandig bevoegd om Stamrecht BV te vertegenwoordigen. Hij heeft toen ook een prioriteitsaandeel in de vennootschap verworven. 3.4 De Zoon is vanaf 21 oktober 2016 gemachtigd tot (i) de bankrekeningen van vennootschap en (ii) de privé-rekeningen van de Moeder (onder meer tot haar rekening bij ABN AMRO eindigend op … 924). De machtiging is feitelijk geëffectueerd op 6 maart 2017. Daarna hebben in de periode 2017-2019 in ieder geval voor een bedrag van € 255.479,70 opnames van de bankrekening bij ABN AMRO eindigend op… 924 plaatsgehad. Ook is van deze rekening een bedrag van in totaal € 536.978,- overgemaakt/contant betaald in verband met de aankoop van na te noemen pand in Portugal. Een deel van dit bedrag, te weten € 315.000,- betrof de koopsom ervan. Het resterende bedrag van € 221.978,15 is aangewend voor de verbouwing en inrichting van het pand en de aanleg van een zwembad. Het pand is thans eigendom van de Zoon. De biologische vader van de Zoon en ex-echtgenoot van de Moeder, de heer [naam 2] , drijft aldaar met zijn huidige partner een B&B. 3.5 Tussen 2014 en 2018 zijn onderstaande geldleningen aan de Zoon verstrekt. Hiervan zijn later de hierna beschreven aktes opgemaakt. 3.6 Geldlening 1 : (in het vonnis weergegeven in overweging 2.6) Op 30 januari 2014 hebben de Moeder en Zoon een schriftelijke overeenkomst van geldlening getekend, waarbij de Moeder € 50.000,-- heeft geleend aan de Zoon ter financiering van de verbouwing en inrichting van het pand ‘De Hulle’ in [woonplaats 1] , tegen een jaarlijkse rente van 4%.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:199 text/xml public 2026-05-19T11:02:41 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-02-24 200.334.546/02 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2023:184, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:199 text/html public 2026-05-19T11:01:36 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:199 Gerechtshof Den Haag , 24-02-2026 / 200.334.546/02 De zaak gaat over een conflict tussen de vermogende Moeder en haar Zoon. Het hof oordeelt dat de Zoon leningen moet terugbetalen. Ook moet de Zoon een deel van betalingen vanaf rekeningen van de Moeder, waartoe hij gemachtigd was, terugbetalen. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.334.546/02 Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/610941 / HA ZA 21-393 Publicatie vonnis : ECLI:NL:RBDHA:2023:184 Arrest van 24 februari 2026 in de zaak van [appellant] , wonend in [woonplaats 1] , hierna te noemen: de Zoon, appellant in principaal hoger beroep, geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, verweerder in het incident, advocaat: mr. J. de Vries, kantoorhoudend in Amsterdam, tegen 1 [naam 1] Stamrecht B.V., gevestigd in Den Haag, hierna te noemen: Stamrecht BV, geïntimeerde 1 in het principaal hoger beroep, appellante 1 in het incidenteel hoger beroep, 2. [geïntimeerde 2] , wonend in [woonplaats 2] , hierna te noemen: de Moeder, eiseres in het incident, geïntimeerde 2 in principaal hoger beroep en appellante 2 in incidenteel hoger beroep, hierna samen te noemen: Moeder cs, advocaat: mr. R. Beele, kantoorhoudend in Alphen aan den Rijn. 1 De zaak in het kort 1.1 De zaak gaat over een conflict tussen de vermogende Moeder en haar Zoon. Het hof oordeelt dat de Zoon leningen moet terugbetalen. Ook moet de Zoon een deel van betalingen vanaf rekeningen van de Moeder, waartoe hij gemachtigd was, terugbetalen. Het hof wijst de overige vorderingen af. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 11 april 2023, waarmee de Zoon in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2023 (hierna: het vonnis of het bestreden vonnis); het herstelexploot van 17 oktober 2023, waarbij Moeder cs zijn opgeroepen om op 12 december 2023, vertegenwoordigd door een advocaat, ter zitting van het hof te verschijnen. het door de Moeder op 31 oktober 2023 uitgebrachte anticipatie-exploot, waarbij de Zoon en de Stamrecht BV zijn opgeroepen om op 14 november 2023, vertegenwoordigd door een advocaat, ter zitting van het hof te verschijnen; de e-mail van de griffie van het hof van 14 november 2023 aan de toenmalige advocaat van de Zoon, mr. J.P. Sars, naar aanleiding van het anticipatie-exploot. In deze e-mail heeft het hof aan mr. Sars gevraagd of hij voornemens was om zich in deze zaak te stellen, met het antwoord hierop van dezelfde datum: “Wij zijn niet voornemens ons te stellen.” de vermelding in het administratief systeem van het hof dat op 14 november 2023 verstek is verleend tegen appellant, dat appellant op 28 november 2023 niet is verschenen en evenmin instructies heeft gegeven, waarna de zaak op die datum ambtshalve is geroyeerd; de oproeping door de Moeder, gericht aan de Zoon en Stamrecht BV, tot hervatting procedure, tevens betekening akte houdende ontslag van instantie, met oproeping om op 2 april 2024 te verschijnen; de akte van Moeder cs, waarin zij een incident tot niet-ontvankelijkheid opent; de antwoordakte inzake een verzoek tot ontslag van instantie van de Zoon; de antwoordconclusie in het incident tevens memorie van grieven van de Zoon, met bijlagen; de memorie van antwoord, tevens grieven in het incidenteel appel, met bijlagen; de memorie van antwoord in het incidenteel appel, met bijlagen; de wijziging procesvertegenwoordiger van de Zoon; de brief van 23 december 2025 van mr. Beele met bijlage a tot en met c; de bijlage (notitie voorafgaand aan mondelinge behandeling), die Moeder cs op 13 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd; de bijlagen 41 tot en met 83 en een kopie van het proces-verbaal mondelinge behandeling eerste aanleg, die de Zoon op 14 januari 2026 ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd. 2.2 Op 26 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak (met verlengde spreektijd) toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Het hof heeft ter zitting de volgende beslissingen genomen: - de weigering van de door de Zoon gevraagde vermeerdering van eis (bij H-formulier naar de griffie van het hof gezonden op donderdag 22 januari 2026 na sluitingstijd van de griffie; dus ontvangen op 23 januari 2026); - de verwerping van het verweer van de Moeder dat de wederpartij de voornoemde producties 41 tot en met 83 (wegens de grote omvang ervan in strijd met de goede procesorde) te laat heeft overgelegd. - zijn voorlopig oordeel dat geen ontslag van instantie zal worden verleend. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 De Moeder, geboren in [jaar 1] , heeft twee kinderen uit een eerder huwelijk met de heer [naam 2] , te weten de Zoon ( [appellant] ), geboren in [jaar 2] , en een dochter ( [naam 3] / [naam 3] ), geboren in [jaar 3] . Moeder is in 1990 hertrouwd met de heer [naam 1] (geboren in [jaar 4] ), die zelf uit een eerder huwelijk drie kinderen had en ook nog twee kinderen uit een andere relatie. [appellant] en [naam 3] hebben de achternaam [achternaam] aangenomen. [naam 1] heeft in 1985 [naam 1] Stamrecht B.V. (de in deze procedure genoemde Stamrecht BV) opgericht om zijn pensioenrechten in onder te brengen. Hij is op [overlijdensdatum] overleden. 3.2 De Moeder is samen met de kinderen en kleinkinderen van [naam 1] tot zijn erfgenaam benoemd. Daarbij is de wettelijke verdeling van toepassing verklaard, zodat de Moeder alle goederen van de ruime nalatenschap van [naam 1] heeft verkregen. Daar tegenover staat dat de Moeder de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor haar rekening moet nemen en dat de overige negen erfgenamen een geldvordering hebben verkregen ten laste van de Moeder, overeenkomend met de waarde van zijn/haar erfdeel. 3.3 De Moeder is sinds 10 augustus 2012 aandeelhouder en bestuurder van Stamrecht BV en alleen en zelfstandig bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Haar vermogen is (grotendeels) in de vennootschap ingebracht. De Zoon is vanaf 17 oktober 2018 eveneens bestuurder van Stamrecht BV en alleen en zelfstandig bevoegd om Stamrecht BV te vertegenwoordigen. Hij heeft toen ook een prioriteitsaandeel in de vennootschap verworven. 3.4 De Zoon is vanaf 21 oktober 2016 gemachtigd tot (i) de bankrekeningen van vennootschap en (ii) de privé-rekeningen van de Moeder (onder meer tot haar rekening bij ABN AMRO eindigend op … 924). De machtiging is feitelijk geëffectueerd op 6 maart 2017. Daarna hebben in de periode 2017-2019 in ieder geval voor een bedrag van € 255.479,70 opnames van de bankrekening bij ABN AMRO eindigend op… 924 plaatsgehad. Ook is van deze rekening een bedrag van in totaal € 536.978,- overgemaakt/contant betaald in verband met de aankoop van na te noemen pand in Portugal. Een deel van dit bedrag, te weten € 315.000,- betrof de koopsom ervan. Het resterende bedrag van € 221.978,15 is aangewend voor de verbouwing en inrichting van het pand en de aanleg van een zwembad. Het pand is thans eigendom van de Zoon. De biologische vader van de Zoon en ex-echtgenoot van de Moeder, de heer [naam 2] , drijft aldaar met zijn huidige partner een B&B. 3.5 Tussen 2014 en 2018 zijn onderstaande geldleningen aan de Zoon verstrekt. Hiervan zijn later de hierna beschreven aktes opgemaakt. 3.6 Geldlening 1 : (in het vonnis weergegeven in overweging 2.6) Op 30 januari 2014 hebben de Moeder en Zoon een schriftelijke overeenkomst van geldlening getekend, waarbij de Moeder € 50.000,-- heeft geleend aan de Zoon ter financiering van de verbouwing en inrichting van het pand ‘De Hulle’ in [woonplaats 1] , tegen een jaarlijkse rente van 4%.
Volledig
Blijkens deze overeenkomst hoefde de eerste vijf jaar geen aflossing betaald te worden maar alleen rente. Indien de Zoon, na aanmaning, nalatig zou blijven in het betalen van een termijn, was de hoofdsom onmiddellijk opeisbaar. De Zoon woont in ieder geval sindsdien met zijn gezin in ‘De Hulle’. Hij woont daar ook thans nog. 3.7 Geldlening 2 : (in het vonnis overwegingen 2.8, 2.12 en 2.13) De Moeder heeft op 29 december 2017 het pand ‘De Hulle’ in eigendom overgedragen aan de Zoon voor een door de Zoon te betalen koopsom van € 600.000,-. Deze koopsom (met notariskosten) is door Stamrecht BV aan de Zoon verstrekt in de vorm van een geldlening ten bedrage van € 614.690,-. Tot zekerheid hiervan heeft de Zoon aan de Moeder op dezelfde dag een recht van hypotheek verleend. Bij latere hypotheekakte van 27 september 2019 is het door de Zoon geleende bedrag van € 614.690,- verminderd tot een bedrag van € 514.690,- en is Stamrecht BV in plaats van de Moeder als schuldeiser/de hypotheeknemer vermeld. De verlaging van de hypotheeksom hield verband met een schenking van € 100.000,- van de Moeder aan de Zoon. 3.8 In februari 2021 heeft de Zoon deze geldlening op schrift gesteld (producties 3 en 4 inleidende dagvaarding). Deze is telkens (met goedschrift in de zin van artikel 158 lid 1 Rv) getekend op 12 februari 2021 door de Zoon (enerzijds als schuldenaar in privé en anderzijds als schuldeiser, namelijk als zelfstandig bevoegd bestuurder van Stamrecht BV). In deze twee leningsovereenkomsten is een door schuldenaar maandelijks te betalen rente opgenomen, terwijl bij niet-betaling de lening vervroegd opgeëist kon worden. 3.9 Begin maart 2021 is door Moeder cs aanspraak gemaakt op verschuldigde rente en aflossing terzake Geldlening 2 (samen tot dan toe een bedrag van € 64.282,32). De Zoon heeft hieraan niet voldaan. 3.10 De Zoon heeft op 16 maart 2021 ‘ter vervanging van de op 12 februari 2021 getekende aktes’ omtrent de lening (koopsom ‘De Hulle’; lening 2) nieuwe leningsovereenkomsten opgesteld (producties G7 en G8 conclusie van antwoord), met hemzelf als ondertekenaar, zowel in privé als qq (namelijk als schuldenaar alsook als schuldeiser Stamrecht BV). Ook in deze aktes staat een verplichting om maandelijks rente te betalen (artikel 2.4) en is voorzien in een opzegmogelijkheid bij niet-nakoming van de verplichtingen uit overeenkomst (artikel 2.7). 3.11 Geldlening 3 : (in het vonnis deels weergegeven in overweging 2.9) Op 15 januari 2018 is ten titel van geldlening een bedrag van € 315.000,- verstrekt voor de aankoop van een pand in Portugal. Het geld is toen vanaf de bankrekening van Moeder eindigend op [nummer 1] overgemaakt naar de Portugese advocaat van de Zoon. Het pand staat op naam van de Zoon. 3.12 De geldlening is op 16 februari 2021 (productie 8 inl dagvaarding) schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst van geldlening met de Zoon als schuldenaar en Stamrecht BV als schuldeiser. De Zoon heeft deze overeenkomst zowel privé als qq getekend. De Zoon moest blijkens deze akte maandelijks rente betalen, terwijl de looptijd van de lening vijf jaar was. De lening moest daarom uiterlijk 15 januari 2023 helemaal zijn afgelost, waarna alle verplichtingen van schuldenaar dadelijk opeisbaar waren. 3.13 De Zoon heeft op 16 maart 2021 een gewijzigde leningsakte opgesteld (productie G9 bij conclusie van antwoord). Een verschil met de eerdere akte van 16 februari 2021 was met name dat de opeisbaarheid van de rente blijkens deze akte pas bij de aflossing (15 januari 2023) ontstond. Genoemde productie G9 in het dossier is niet ondertekend. 3.14 De leningen zijn inmiddels opgeëist. De Moeder heeft op 25 januari 2021 de machtiging tot de bankrekeningen ingetrokken. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 Moeder cs heeft de Zoon gedagvaard en (in conventie) kort samengevat en in hoger beroep van belang, gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad: I. Terugbetaling van geldlening 2 aan Stamrecht BV, verminderd met het schenkingsbedrag van € 100.000,- en de daarover vervallen rente; aldus een bedrag in hoofdsom van € 517.262,93 , met rente. II. Terugbetaling aan de Moeder dan wel Stamrecht BV van een bedrag in hoofdsom van € 826.680,90 , met rente. Dit bedrag is opgebouwd uit: (a) geldlening 3, (b) betaalde kosten van € 221.978,15 voor verbouwing en inrichting pand Portugal, (c) verschuldigde rente en (d) onterechte opnames door de Zoon vanaf de bankrekening van de Moeder ten bedrage van € 255.479,70. III. Terugbetaling aan de Moeder van geldlening 1, met rente, tot een bedrag van € 75.365,95 . 4.2 De Zoon heeft (in reconventie), kort samengevat en na eiswijziging, gevorderd: A. Een bedrag van € 18.000 aan rente over het schenkingsbedrag van € 100.000. B. Storting door de Moeder van agio ten bedrage van € 1.001.998,80 + p.m. ten behoeve van Stamrecht BV. C. Een verklaring voor recht dat de Moeder niet bevoegd was om deze procedure te starten en beslagen te leggen en dat de Moeder ten opzichte van de Zoon aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade, op te maken bij staat. D. Teruglevering door de Moeder aan de Zoon van de thans door de Moeder bewoonde flat aan de [adres] in [woonplaats 2] voor een bedrag van € 200.000,-. E. Opheffing van de beslagen onder verbeurte van een dwangsom. F. Afwijzing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. 4.3 De rechtbank heeft de vorderingen I, IId (tot € 254.979,70) en III in conventie toegewezen, met veroordeling van de Zoon in de proceskosten. De rechtbank heeft de Moeder in conventie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering met betrekking tot geldlening 3 en het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft vordering A in reconventie toegewezen tot een bedrag van € 4.500, het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De rechtbank heeft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.4 De rechtbank heeft daartoe onder meer en voor zover in dit hoger beroep van belang, samengevat, als volgt overwogen: Deze zaak betreft geen geschil tussen twee bestuurders. Stamrecht BV treedt op als schuldeiser en de Zoon als schuldenaar (overweging 4.4) De Zoon heeft nog gesteld dat partijen de bedoeling hadden de geldleningen voor ‘De Hulle’ (geldlening 2) kwijt te schelden. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, aangezien Stamrecht B.V. dit heeft betwist, de stelling niet is onderbouwd en in de processtukken geen aanknopingspunt is te vinden voor deze bedoeling (overweging 4.5). [hof: Grief I van de Zoon] Nu de Zoon geen rente heeft betaald over de geldlening 2, is deze onmiddellijk opeisbaar en moet de Zoon de lening plus rente terugbetalen (overwegingen 4.8 en 4.9). Onvoldoende is onderbouwd dat geldlening 3 (Portugal) door de Moeder is verstrekt. De rechtbank zal ook de voorwaardelijk door Stamrecht BV ingestelde vordering afwijzen, aangezien deze nog niet opeisbaar is, maar pas op 15 januari 2023 (overwegingen 4.12 en 4.13). [hof: grief 4 van de Zoon (voor de zekerheid) en grief I van Moeder cs (hierna voor de duidelijkheid: grief A)] De rechtbank zal de vordering van de Moeder, dan wel Stamrecht BV ter grootte van € 221.978,15 voor kosten verbouwing en inrichting pand in Portugal afwijzen, onder meer omdat deze nog niet opeisbaar is (overweging 4.14). [hof: grief II van Moeder cs (hierna voor de duidelijkheid: grief B)] De gevorderde boeterente zal bij gebrek aan grondslag worden afgewezen (overweging 4.15). De Moeder stelt dat de Zoon voor € 255.479,70 ongerechtvaardigd is verrijkt doordat hij de aan hem verstrekte volmacht om vanaf haar bankrekening betalingen ten behoeve van haar te verrichten, heeft misbruikt. De volmacht hield, aldus de Moeder, in dat deze bestemd was om financiële zaken voor haar te regelen en dat de Zoon dus vanaf die bankrekening betalingen ten behoeve van haar kon verrichten. De achtergrond van deze constructie was dat zij soms niet de geestelijke en lichamelijke kracht had om haar zaken te behartigen en voor zichzelf op te komen. De Moeder heeft dit onderbouwd met een verklaring van haar huisarts. Dit alles is door de Zoon niet betwist. De Zoon heeft volgens de Moeder vanaf haar bankrekening betalingen ten behoeve van zichzelf verricht.
Volledig
Blijkens deze overeenkomst hoefde de eerste vijf jaar geen aflossing betaald te worden maar alleen rente. Indien de Zoon, na aanmaning, nalatig zou blijven in het betalen van een termijn, was de hoofdsom onmiddellijk opeisbaar. De Zoon woont in ieder geval sindsdien met zijn gezin in ‘De Hulle’. Hij woont daar ook thans nog. 3.7 Geldlening 2 : (in het vonnis overwegingen 2.8, 2.12 en 2.13) De Moeder heeft op 29 december 2017 het pand ‘De Hulle’ in eigendom overgedragen aan de Zoon voor een door de Zoon te betalen koopsom van € 600.000,-. Deze koopsom (met notariskosten) is door Stamrecht BV aan de Zoon verstrekt in de vorm van een geldlening ten bedrage van € 614.690,-. Tot zekerheid hiervan heeft de Zoon aan de Moeder op dezelfde dag een recht van hypotheek verleend. Bij latere hypotheekakte van 27 september 2019 is het door de Zoon geleende bedrag van € 614.690,- verminderd tot een bedrag van € 514.690,- en is Stamrecht BV in plaats van de Moeder als schuldeiser/de hypotheeknemer vermeld. De verlaging van de hypotheeksom hield verband met een schenking van € 100.000,- van de Moeder aan de Zoon. 3.8 In februari 2021 heeft de Zoon deze geldlening op schrift gesteld (producties 3 en 4 inleidende dagvaarding). Deze is telkens (met goedschrift in de zin van artikel 158 lid 1 Rv) getekend op 12 februari 2021 door de Zoon (enerzijds als schuldenaar in privé en anderzijds als schuldeiser, namelijk als zelfstandig bevoegd bestuurder van Stamrecht BV). In deze twee leningsovereenkomsten is een door schuldenaar maandelijks te betalen rente opgenomen, terwijl bij niet-betaling de lening vervroegd opgeëist kon worden. 3.9 Begin maart 2021 is door Moeder cs aanspraak gemaakt op verschuldigde rente en aflossing terzake Geldlening 2 (samen tot dan toe een bedrag van € 64.282,32). De Zoon heeft hieraan niet voldaan. 3.10 De Zoon heeft op 16 maart 2021 ‘ter vervanging van de op 12 februari 2021 getekende aktes’ omtrent de lening (koopsom ‘De Hulle’; lening 2) nieuwe leningsovereenkomsten opgesteld (producties G7 en G8 conclusie van antwoord), met hemzelf als ondertekenaar, zowel in privé als qq (namelijk als schuldenaar alsook als schuldeiser Stamrecht BV). Ook in deze aktes staat een verplichting om maandelijks rente te betalen (artikel 2.4) en is voorzien in een opzegmogelijkheid bij niet-nakoming van de verplichtingen uit overeenkomst (artikel 2.7). 3.11 Geldlening 3 : (in het vonnis deels weergegeven in overweging 2.9) Op 15 januari 2018 is ten titel van geldlening een bedrag van € 315.000,- verstrekt voor de aankoop van een pand in Portugal. Het geld is toen vanaf de bankrekening van Moeder eindigend op [nummer 1] overgemaakt naar de Portugese advocaat van de Zoon. Het pand staat op naam van de Zoon. 3.12 De geldlening is op 16 februari 2021 (productie 8 inl dagvaarding) schriftelijk vastgelegd in een overeenkomst van geldlening met de Zoon als schuldenaar en Stamrecht BV als schuldeiser. De Zoon heeft deze overeenkomst zowel privé als qq getekend. De Zoon moest blijkens deze akte maandelijks rente betalen, terwijl de looptijd van de lening vijf jaar was. De lening moest daarom uiterlijk 15 januari 2023 helemaal zijn afgelost, waarna alle verplichtingen van schuldenaar dadelijk opeisbaar waren. 3.13 De Zoon heeft op 16 maart 2021 een gewijzigde leningsakte opgesteld (productie G9 bij conclusie van antwoord). Een verschil met de eerdere akte van 16 februari 2021 was met name dat de opeisbaarheid van de rente blijkens deze akte pas bij de aflossing (15 januari 2023) ontstond. Genoemde productie G9 in het dossier is niet ondertekend. 3.14 De leningen zijn inmiddels opgeëist. De Moeder heeft op 25 januari 2021 de machtiging tot de bankrekeningen ingetrokken. 4 Procedure bij de rechtbank 4.1 Moeder cs heeft de Zoon gedagvaard en (in conventie) kort samengevat en in hoger beroep van belang, gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad: I. Terugbetaling van geldlening 2 aan Stamrecht BV, verminderd met het schenkingsbedrag van € 100.000,- en de daarover vervallen rente; aldus een bedrag in hoofdsom van € 517.262,93 , met rente. II. Terugbetaling aan de Moeder dan wel Stamrecht BV van een bedrag in hoofdsom van € 826.680,90 , met rente. Dit bedrag is opgebouwd uit: (a) geldlening 3, (b) betaalde kosten van € 221.978,15 voor verbouwing en inrichting pand Portugal, (c) verschuldigde rente en (d) onterechte opnames door de Zoon vanaf de bankrekening van de Moeder ten bedrage van € 255.479,70. III. Terugbetaling aan de Moeder van geldlening 1, met rente, tot een bedrag van € 75.365,95 . 4.2 De Zoon heeft (in reconventie), kort samengevat en na eiswijziging, gevorderd: A. Een bedrag van € 18.000 aan rente over het schenkingsbedrag van € 100.000. B. Storting door de Moeder van agio ten bedrage van € 1.001.998,80 + p.m. ten behoeve van Stamrecht BV. C. Een verklaring voor recht dat de Moeder niet bevoegd was om deze procedure te starten en beslagen te leggen en dat de Moeder ten opzichte van de Zoon aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade, op te maken bij staat. D. Teruglevering door de Moeder aan de Zoon van de thans door de Moeder bewoonde flat aan de [adres] in [woonplaats 2] voor een bedrag van € 200.000,-. E. Opheffing van de beslagen onder verbeurte van een dwangsom. F. Afwijzing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. 4.3 De rechtbank heeft de vorderingen I, IId (tot € 254.979,70) en III in conventie toegewezen, met veroordeling van de Zoon in de proceskosten. De rechtbank heeft de Moeder in conventie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering met betrekking tot geldlening 3 en het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft vordering A in reconventie toegewezen tot een bedrag van € 4.500, het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De rechtbank heeft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4.4 De rechtbank heeft daartoe onder meer en voor zover in dit hoger beroep van belang, samengevat, als volgt overwogen: Deze zaak betreft geen geschil tussen twee bestuurders. Stamrecht BV treedt op als schuldeiser en de Zoon als schuldenaar (overweging 4.4) De Zoon heeft nog gesteld dat partijen de bedoeling hadden de geldleningen voor ‘De Hulle’ (geldlening 2) kwijt te schelden. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, aangezien Stamrecht B.V. dit heeft betwist, de stelling niet is onderbouwd en in de processtukken geen aanknopingspunt is te vinden voor deze bedoeling (overweging 4.5). [hof: Grief I van de Zoon] Nu de Zoon geen rente heeft betaald over de geldlening 2, is deze onmiddellijk opeisbaar en moet de Zoon de lening plus rente terugbetalen (overwegingen 4.8 en 4.9). Onvoldoende is onderbouwd dat geldlening 3 (Portugal) door de Moeder is verstrekt. De rechtbank zal ook de voorwaardelijk door Stamrecht BV ingestelde vordering afwijzen, aangezien deze nog niet opeisbaar is, maar pas op 15 januari 2023 (overwegingen 4.12 en 4.13). [hof: grief 4 van de Zoon (voor de zekerheid) en grief I van Moeder cs (hierna voor de duidelijkheid: grief A)] De rechtbank zal de vordering van de Moeder, dan wel Stamrecht BV ter grootte van € 221.978,15 voor kosten verbouwing en inrichting pand in Portugal afwijzen, onder meer omdat deze nog niet opeisbaar is (overweging 4.14). [hof: grief II van Moeder cs (hierna voor de duidelijkheid: grief B)] De gevorderde boeterente zal bij gebrek aan grondslag worden afgewezen (overweging 4.15). De Moeder stelt dat de Zoon voor € 255.479,70 ongerechtvaardigd is verrijkt doordat hij de aan hem verstrekte volmacht om vanaf haar bankrekening betalingen ten behoeve van haar te verrichten, heeft misbruikt. De volmacht hield, aldus de Moeder, in dat deze bestemd was om financiële zaken voor haar te regelen en dat de Zoon dus vanaf die bankrekening betalingen ten behoeve van haar kon verrichten. De achtergrond van deze constructie was dat zij soms niet de geestelijke en lichamelijke kracht had om haar zaken te behartigen en voor zichzelf op te komen. De Moeder heeft dit onderbouwd met een verklaring van haar huisarts. Dit alles is door de Zoon niet betwist. De Zoon heeft volgens de Moeder vanaf haar bankrekening betalingen ten behoeve van zichzelf verricht.
Volledig
De Moeder heeft hiervoor geen toestemming gegeven en was hiervan niet op de hoogte, omdat zij niet wist hoe zij toegang moest krijgen tot haar digitale bankomgeving en geen papieren bankafschriften had (de Zoon haalde de bankafschriften steeds bij haar thuis op). De Zoon heeft in het licht van de door de Moeder gegeven onderbouwing onvoldoende betwist dat de betreffende betalingen aan hem of ten behoeve van hem zijn gedaan. Hij heeft nog aangevoerd dat iedere overboeking in overleg met de Moeder is gedaan, maar hij heeft dat niet verder onderbouwd, hoewel dat wel van hem gevergd had mogen worden. Er is geen rechtvaardiging aan te wijzen voor de gestelde betalingen en de Zoon is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de Moeder (overwegingen 4.16, 4.17, 4.18 en 4.19). [hof: grief 2 van de Zoon] De Zoon moet geldlening 1 terugbetalen. Zijn stelling dat deze is kwijtgescholden of omgezet in een lening, is tegenover de ontkenning door de Moeder niet behoorlijk onderbouwd (overwegingen 4.20 en 4.21). [hof: grief 3 van de Zoon]. De Moeder moet op grond van de schenkingsakte rente betalen over de schenking van € 100.000,- van de Moeder aan de Zoon, echter slechts tot de inbreng van de schenking bij hypotheekakte van 27 september 2019. Dit betreft een bedrag van € 4.500,-. (overweging 4.27). Het in reconventie meer of anders gevorderde moet worden afgewezen. Dit leidt tot de volgende veroordelingen, die uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard. De Zoon moet de proceskosten in conventie dragen. De proceskosten in reconventie zullen gecompenseerd worden. [hof: (veeg)grief 5 van de Zoon]. 5 Vorderingen in hoger beroep In het incident 5.1 De Moeder heeft na de appeldagvaarding van de Zoon en haar anticipatie-exploot een incident opgeworpen tot niet-ontvankelijkverklaring van de Zoon in zijn hoger beroep. 5.2 De Zoon concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Moeder in het incident, althans tot afwijzing van deze vorderingen. In de hoofdzaak 5.3 In de hoofdzaak concludeert de Zoon tot vernietiging van het vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van de Moeder, met veroordeling van de Moeder in de proceskosten van beide instanties. Hij heeft daartoe (in het principaal appel) de hiervoor aangeduide vijf grieven aangevoerd. 5.4 Moeder cs heeft incidenteel appel ingesteld. Haar twee grieven hebben betrekking op de afwijzing van (A) het verstrekte aankoopbedrag van het huis in Portugal omdat dit nog niet opeisbaar was (lening 3) en (B) de afwijzing van het bedrag van € 221.978,15 dat volgens haar ten onrechte is besteed aan de verbouwing en inrichting ervan. 6 Beoordeling in hoger beroep Het incident. 6.1 Volgens Moeder cs zijn er twee redenen waarom de Zoon niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, te weten: I) de rolraadsheer heeft ten onrechte geen ontslag van instantie verleend; dit moet alsnog gebeuren; en II) de Zoon heeft ondubbelzinnig in het vonnis berust in de zin van artikel 334 Rv. Ad I) Geen ontslag van instantie 6.2 Het hof verwerpt het beroep op ontslag van instantie en licht dit hierna toe. Moeder cs heeft het appelexploot op grond van artikel 127 lid 1 Rv (bij wijze van anticipatie) op 14 november 2023 op de rol laten inschrijven. Omdat de Zoon niet verscheen (ook niet twee weken later, hoewel hij van het anticipatie-exploot op de hoogte was) is de zaak op 28 november 2023 ambtshalve geroyeerd/doorgehaald – dit is overigens slechts een administratieve maatregel. De situatie van artikel 127 lid 2 Rv deed zich toen niet voor omdat er geen ontslag van instantie was gevorderd. 6.3 Deze vordering heeft Moeder cs pas in het voorjaar van 2024 ingesteld toen de Zoon bij exploot was opgeroepen om op 2 april 2024 te verschijnen. Omdat de Zoon vervolgens tijdig bij advocaat is verschenen, was er op dat moment evenmin aanleiding om op grond van artikel 127 lid 2 (slot) het gevorderde ontslag van instantie toe te wijzen. 6.4 Het beroep van Moeder cs op ECLI:NL:HR: 2022:1387 is niet relevant. Hierin heeft de Hoge Raad uitgelegd (eenvoudig weergegeven) dat verschijning bij advocaat betekent dat de advocaat zich (ook) bij de griffie moet stellen/melden, zodat de griffier dit kan inschrijven. In artikel 127 lid 2 Rv staat in dit verband slechts dat bij een vordering tot ontslag van instantie de wederpartij op de voet van artikel 123 Rv van de rechter een termijn krijgt om zich te stellen. Zoals uit het voorgaande volgt was in 2023 voor de rechter een dergelijke verwijzing niet aan de orde, omdat een vordering daartoe ontbrak. Ad II : Geen berusting 6.5 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is berusting in een rechterlijke uitspraak het te kennen geven aan de wederpartij van de wil om zich bij die uitspraak neer te leggen en aldus afstand te doen van het recht om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Van berusting kan volgens deze rechtspraak dan ook slechts sprake zijn indien de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt of een houding heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt. 6.6 De vraag of sprake is van berusting vereist een waardering van de verklaringen en de houding van een partij in het licht van de omstandigheden van het geval. Deze waardering is sterk feitelijk van aard. De regel dat de berusting ondubbelzinnig moet blijken, betekent dat berusting niet snel mag worden aangenomen. Het enkele feit dat een partij uitvoering geeft aan het vonnis, of voorstellen doet omtrent een alternatieve wijze van voldoening aan het vonnis, levert geen berusting op. Dit geldt ook als zonder sommatie of uitnodiging aan het vonnis wordt voldaan en daarbij geen voorbehoud wordt gemaakt. 6.7 In dit geval is de Zoon in hoger beroep gegaan. Daarna is hij niet verschenen op het anticipatie-exploot, ook niet twee weken later, hoewel hij van de anticipatie op de hoogte was. Volgens de Zoon was hij indertijd bereid om zich bij het vonnis neer te leggen, mits een regeling tussen partijen tot stand zou komen. Dit is niet gelukt. 6.8 Voormelde gang van zaken, die Moeder cs niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, levert geen ondubbelzinnige berusting op, zodat het beroep hierop door Moeder cs zal worden verworpen. Dit betekent dat het hof de hoofdzaak zal beoordelen. De Hoofdzaak Grief 1 van de Zoon (geldlening 2) 6.9 Deze grief gaat over de toegewezen vordering van Stamrecht BV tot terugbetaling door de Zoon van de geldlening van € 614.690,- (minus de schenking van € 100.000 met rente over het schenkingsbedrag) ten behoeve van de aankoop van ‘De Hulle’. Volgens de Zoon moet Stamrecht BV (ex artikel 150 Rv) bewijzen dat de geldleningen geldige en afdwingbare leningsovereenkomsten zijn en dat hierover wilsovereenstemming bestond.Hij heeft deze wil nooit gehad. De Moeder zou de koopsom uiteindelijk schenken of kwijtschelden. De Moeder heeft dit zelf voorgesteld. Dit blijkt, aldus nog steeds de Zoon, uit de e-mail van [naam 4] van 18 november 2013 en de verklaringen van mr. Kapma en de heer [naam 5] (DTS Tax Solutions B.V.) van 21 juni 2024. 6.10 Het hof verwerpt deze grief en overweegt daartoe het volgende. 6.11 Tussen Stamrecht BV en de Zoon zijn schriftelijke geldleningsovereenkomsten tot stand gekomen voor de aankoop van ‘de Hulle’ (zie overweging 3.8). Dit betreft meerzijdige rechtshandelingen. Op grond van de artikel 157 Rv leveren deze onderhandse aktes tussen partijen, behoudens tegenbewijs, dwingend bewijs op van de waarheid van de inhoud ervan. De omstandigheid dat de leningsovereenkomsten pas later werden opgemaakt en ondertekend, doet in dit geval niet af aan de juridische waarde ervan. 6.12 Aan eventueel door de Zoon te leveren tegenbewijs komt het hof niet toe, aangezien de Zoon zijn stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd.
Volledig
De Moeder heeft hiervoor geen toestemming gegeven en was hiervan niet op de hoogte, omdat zij niet wist hoe zij toegang moest krijgen tot haar digitale bankomgeving en geen papieren bankafschriften had (de Zoon haalde de bankafschriften steeds bij haar thuis op). De Zoon heeft in het licht van de door de Moeder gegeven onderbouwing onvoldoende betwist dat de betreffende betalingen aan hem of ten behoeve van hem zijn gedaan. Hij heeft nog aangevoerd dat iedere overboeking in overleg met de Moeder is gedaan, maar hij heeft dat niet verder onderbouwd, hoewel dat wel van hem gevergd had mogen worden. Er is geen rechtvaardiging aan te wijzen voor de gestelde betalingen en de Zoon is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de Moeder (overwegingen 4.16, 4.17, 4.18 en 4.19). [hof: grief 2 van de Zoon] De Zoon moet geldlening 1 terugbetalen. Zijn stelling dat deze is kwijtgescholden of omgezet in een lening, is tegenover de ontkenning door de Moeder niet behoorlijk onderbouwd (overwegingen 4.20 en 4.21). [hof: grief 3 van de Zoon]. De Moeder moet op grond van de schenkingsakte rente betalen over de schenking van € 100.000,- van de Moeder aan de Zoon, echter slechts tot de inbreng van de schenking bij hypotheekakte van 27 september 2019. Dit betreft een bedrag van € 4.500,-. (overweging 4.27). Het in reconventie meer of anders gevorderde moet worden afgewezen. Dit leidt tot de volgende veroordelingen, die uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard. De Zoon moet de proceskosten in conventie dragen. De proceskosten in reconventie zullen gecompenseerd worden. [hof: (veeg)grief 5 van de Zoon]. 5 Vorderingen in hoger beroep In het incident 5.1 De Moeder heeft na de appeldagvaarding van de Zoon en haar anticipatie-exploot een incident opgeworpen tot niet-ontvankelijkverklaring van de Zoon in zijn hoger beroep. 5.2 De Zoon concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de Moeder in het incident, althans tot afwijzing van deze vorderingen. In de hoofdzaak 5.3 In de hoofdzaak concludeert de Zoon tot vernietiging van het vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van de Moeder, met veroordeling van de Moeder in de proceskosten van beide instanties. Hij heeft daartoe (in het principaal appel) de hiervoor aangeduide vijf grieven aangevoerd. 5.4 Moeder cs heeft incidenteel appel ingesteld. Haar twee grieven hebben betrekking op de afwijzing van (A) het verstrekte aankoopbedrag van het huis in Portugal omdat dit nog niet opeisbaar was (lening 3) en (B) de afwijzing van het bedrag van € 221.978,15 dat volgens haar ten onrechte is besteed aan de verbouwing en inrichting ervan. 6 Beoordeling in hoger beroep Het incident. 6.1 Volgens Moeder cs zijn er twee redenen waarom de Zoon niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, te weten: I) de rolraadsheer heeft ten onrechte geen ontslag van instantie verleend; dit moet alsnog gebeuren; en II) de Zoon heeft ondubbelzinnig in het vonnis berust in de zin van artikel 334 Rv. Ad I) Geen ontslag van instantie 6.2 Het hof verwerpt het beroep op ontslag van instantie en licht dit hierna toe. Moeder cs heeft het appelexploot op grond van artikel 127 lid 1 Rv (bij wijze van anticipatie) op 14 november 2023 op de rol laten inschrijven. Omdat de Zoon niet verscheen (ook niet twee weken later, hoewel hij van het anticipatie-exploot op de hoogte was) is de zaak op 28 november 2023 ambtshalve geroyeerd/doorgehaald – dit is overigens slechts een administratieve maatregel. De situatie van artikel 127 lid 2 Rv deed zich toen niet voor omdat er geen ontslag van instantie was gevorderd. 6.3 Deze vordering heeft Moeder cs pas in het voorjaar van 2024 ingesteld toen de Zoon bij exploot was opgeroepen om op 2 april 2024 te verschijnen. Omdat de Zoon vervolgens tijdig bij advocaat is verschenen, was er op dat moment evenmin aanleiding om op grond van artikel 127 lid 2 (slot) het gevorderde ontslag van instantie toe te wijzen. 6.4 Het beroep van Moeder cs op ECLI:NL:HR: 2022:1387 is niet relevant. Hierin heeft de Hoge Raad uitgelegd (eenvoudig weergegeven) dat verschijning bij advocaat betekent dat de advocaat zich (ook) bij de griffie moet stellen/melden, zodat de griffier dit kan inschrijven. In artikel 127 lid 2 Rv staat in dit verband slechts dat bij een vordering tot ontslag van instantie de wederpartij op de voet van artikel 123 Rv van de rechter een termijn krijgt om zich te stellen. Zoals uit het voorgaande volgt was in 2023 voor de rechter een dergelijke verwijzing niet aan de orde, omdat een vordering daartoe ontbrak. Ad II : Geen berusting 6.5 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is berusting in een rechterlijke uitspraak het te kennen geven aan de wederpartij van de wil om zich bij die uitspraak neer te leggen en aldus afstand te doen van het recht om daartegen een rechtsmiddel in te stellen. Van berusting kan volgens deze rechtspraak dan ook slechts sprake zijn indien de in het ongelijk gestelde partij na de uitspraak jegens de wederpartij heeft verklaard dat zij zich bij de uitspraak neerlegt of een houding heeft aangenomen waaruit dit in het licht van de omstandigheden van het geval ondubbelzinnig blijkt. 6.6 De vraag of sprake is van berusting vereist een waardering van de verklaringen en de houding van een partij in het licht van de omstandigheden van het geval. Deze waardering is sterk feitelijk van aard. De regel dat de berusting ondubbelzinnig moet blijken, betekent dat berusting niet snel mag worden aangenomen. Het enkele feit dat een partij uitvoering geeft aan het vonnis, of voorstellen doet omtrent een alternatieve wijze van voldoening aan het vonnis, levert geen berusting op. Dit geldt ook als zonder sommatie of uitnodiging aan het vonnis wordt voldaan en daarbij geen voorbehoud wordt gemaakt. 6.7 In dit geval is de Zoon in hoger beroep gegaan. Daarna is hij niet verschenen op het anticipatie-exploot, ook niet twee weken later, hoewel hij van de anticipatie op de hoogte was. Volgens de Zoon was hij indertijd bereid om zich bij het vonnis neer te leggen, mits een regeling tussen partijen tot stand zou komen. Dit is niet gelukt. 6.8 Voormelde gang van zaken, die Moeder cs niet, althans niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, levert geen ondubbelzinnige berusting op, zodat het beroep hierop door Moeder cs zal worden verworpen. Dit betekent dat het hof de hoofdzaak zal beoordelen. De Hoofdzaak Grief 1 van de Zoon (geldlening 2) 6.9 Deze grief gaat over de toegewezen vordering van Stamrecht BV tot terugbetaling door de Zoon van de geldlening van € 614.690,- (minus de schenking van € 100.000 met rente over het schenkingsbedrag) ten behoeve van de aankoop van ‘De Hulle’. Volgens de Zoon moet Stamrecht BV (ex artikel 150 Rv) bewijzen dat de geldleningen geldige en afdwingbare leningsovereenkomsten zijn en dat hierover wilsovereenstemming bestond.Hij heeft deze wil nooit gehad. De Moeder zou de koopsom uiteindelijk schenken of kwijtschelden. De Moeder heeft dit zelf voorgesteld. Dit blijkt, aldus nog steeds de Zoon, uit de e-mail van [naam 4] van 18 november 2013 en de verklaringen van mr. Kapma en de heer [naam 5] (DTS Tax Solutions B.V.) van 21 juni 2024. 6.10 Het hof verwerpt deze grief en overweegt daartoe het volgende. 6.11 Tussen Stamrecht BV en de Zoon zijn schriftelijke geldleningsovereenkomsten tot stand gekomen voor de aankoop van ‘de Hulle’ (zie overweging 3.8). Dit betreft meerzijdige rechtshandelingen. Op grond van de artikel 157 Rv leveren deze onderhandse aktes tussen partijen, behoudens tegenbewijs, dwingend bewijs op van de waarheid van de inhoud ervan. De omstandigheid dat de leningsovereenkomsten pas later werden opgemaakt en ondertekend, doet in dit geval niet af aan de juridische waarde ervan. 6.12 Aan eventueel door de Zoon te leveren tegenbewijs komt het hof niet toe, aangezien de Zoon zijn stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd.
Volledig
Weliswaar komt uit de door de Zoon overgelegde processtukken naar voren dat er plannen zijn gemaakt om vermogensbestanddelen van de Moeder op een fiscaalvriendelijke manier uiteindelijk (bij overlijden van de Moeder) terecht te laten komen bij de Zoon en dochter [naam 3] , maar de Zoon heeft onvoldoende gesteld om te onderbouwen dat deze leningen (nu al) zijn omgezet in schenkingen en/of zijn kwijtgescholden. Het hof legt dit hierna (in overwegingen 6.13, 6.14 en 6.15) verder uit. 6.13 [naam 4] heeft hieromtrent in de betreffende e-mail van 18 september 2013 geschreven dat de Moeder (toen de Zoon volgens de plannen 80% van ‘De Hulle’ zou kopen) vanaf 2014 tot en met 2016 jaarlijks belastingvrije schenkingen zou doen (ter vermindering van de koopsom) totdat een bedrag van € 385.980,- was bereikt. Ook staat in de bijlage vermeld ‘ afhankelijk van het advies van de fiskalist is de hypotheek rente vrij of wordt er een marktrente afgesproken die elk jaar kwijtgescholden wordt. ’ en ‘ er wordt een contract opgemaakt van eigenaren ivm onderhoud veranderingen aan het onroerend goed etc etc hiervoor graag input van [naam 6] alsook van [appellant] . [appellant] betaald 80% van het onderhoud en [naam 6] betaald 20% van het onderhoud, gemeenschappelijke verzekeringen etc etc. ’ Aangezien de Zoon ‘de Hulle’ pas in 2017 heeft gekocht (en voormelde plannen toen niet in die vorm een vervolg hebben gekregen) faalt naar het oordeel van het hof reeds hierom het beroep op deze e-mail. De Zoon heeft niet 80% maar 100% van de eigendom van ‘de Hulle’ verkregen en ook van een onderhoudscontract of het hierop volgende advies van de fiscalist of de input van de Moeder of de Zoon is geen bewijs overgelegd. Hier komt bij dat noch in de stellingen van de Zoon noch overigens in het dossier een concrete aanwijzing is aangetroffen dat de plannen voor de betreffende belastingvrije schenkingen feitelijk zijn uitgevoerd. 6.14 Mr. Kapma (de fungerend notaris) schrijft in zijn e-mail van 28 december 2017 aan de Moeder en de Zoon (en aan anderen): “Als ik de e-mail wisseling van de afgelopen dagen samenvat, dan gaan we morgen het volgende doen: 1. Overdracht van De Hulle aan [appellant] ; 2. Koopsom wordt schuldig gebleven, alleen overdrachtsbelasting en kosten worden aan notariskantoor betaald (…); 3. Schuldig gebleven koopsom wordt omgezet in een geldlening (…); 4. Voor de geldlening wordt hypotheekrecht gevestigd; 5. Er wordt in deze fase nog niet kwijtgescholden op de geldlening; 6. De geldlening wordt ingebracht in de bestaande stamrecht BV van [geïntimeerde 2] , evenals een trits bankrekeningen. (….)” Mr. Kapma schrijft hierin dus uitdrukkelijk: “Er wordt in deze fase nog niet kwijtgescholden op de geldlening ”. Ook volgens mr. Kapma was kwijtschelding of schenking toen niet aan de orde. Concrete aanwijzingen van schenking/kwijtschelding hierná zijn in het dossier niet aangetroffen. Sterker nog, (slechts) eerdervermelde schenking van € 100.000,- van de Moeder aan de Zoon is verwerkt in de nadere hypotheekakte van 27 september 2019 (zie overweging 3.7), niet méér dan dat. 6.15 De heer [naam 5] (DTS Tax Solutions B.V.) schrijft in zijn brief van 21 juni 2024 onder meer: [hof: PvL = de Moeder; MvL = de Zoon; AvL = [naam 3] ; VLs = [naam 1] ] “Wij hebben meerdere malen gesproken over methoden om vermogen en vermogensbestanddelen over te dragen van [naam 6] (PvL) naar haar kinderen, [appellant] (MvL) en [naam 3] (AvL). Dit werd door PvL geïnitieerd, met als reden dat haar andere kinderen (van [appellant] senior (VLs), voldoende middelen hebben verkregen bij het overlijden van VLs. Hierbij was de bedoeling dat PvL via [naam 1] Stamrecht BV, geld zou lenen aan MvL en AvL om eigen woningen en vastgoed te kopen. De meerwaarde van de woningen zou dan toekomen aan MvL en AvL. De renteopbrengsten zouden dan dekkend kunnen zijn om in levensonderhoud van PvL te voorzien. In geval van overlijden van PvL zou MvL/PvL de controle over het vermogen behouden. Dit zodat de andere erfgenamen, wel vermogen kregen in de vorm van aandelen in [naam 1] Stamrecht BV, maar niet de leningen konden opeisen.” en “De door mij verstrekte adviezen (in mijn hoedanigheid als belastingadviseur) werden besproken met MvL en PvL. Eén onderdeel was het inbrengen van PvL’s vermogen in de stamrecht BV ten einde de heffing van inkomstenbelasting anders te regelen. Van box 3 naar box 2. Dit is in samenspraak met Notaris Bernard Kapma gedaan, die de structuur nog duidelijk heeft uitgelegd, alvorens deze werd opgezet. Het was de bedoeling dat de erfgenamen van PvL [hof: bedoeld wordt de erfgenamen van [naam 1] (zijn kinderen en kleinkinderen)] niet de hypothecaire vorderingen op MvL en AvL zouden kunnen opeisen. Vandaar dat MvL gedeeltelijke controle kreeg over [naam 1] Stamrecht BV. (…)” Uit deze brief blijkt naar het oordeel van het hof zonneklaar dat aan de Zoon en [naam 3] geld geleend zou worden om eigen woningen en vastgoed te kunnen kopen. Bij overlijden van de Moeder zouden de Zoon en [naam 3] de controle behouden (en de erfgenamen van [naam 1] zouden niet aan het geld kunnen komen). Over schenkingen wordt met geen woord gerept. De Zoon en [naam 3] zouden louter kunnen profiteren van de winst op het vastgoed, terwijl de Moeder van de rente-inkomsten (uit de verstrekte leningen) zou kunnen leven. De Zoon miskent dit alles. Hier komt bij dat volstrekt onduidelijk is gebleven hoe in de uitleg van de Zoon (evenredig) voor [naam 3] werd voorzien. De Moeder heeft (onder meer bij de Mondelinge behandeling van 26 januari 2026) aangegeven dat de verdeling tussen de Zoon en [naam 3] heel ongelijk was geworden. De Zoon heeft hier slechts vaagheden tegenover gesteld. Grief 3 van de Zoon (geldlening 1). 6.16 Het hof verwerpt deze grief eveneens. Ook hierbij geldt dat sprake is van een meerzijdige rechtshandeling waarbij de Moeder aan de Zoon geld heeft geleend voor de verbouwing en inrichting van ‘De Hulle’. Ook hier is sprake van een schriftelijke overeenkomst die tussen partijen dwingend bewijs van de juistheid ervan oplevert. 6.17 De stelling van de Zoon, (mede met een beroep op, samengevat, de afgesproken ‘Estate-planning’) inhoudende dat deze gelden zijn geschonken, dan wel kwijtgescholden, wordt door het hof, met verwijzing naar het voorgaande (met name de dwingende bewijskracht van de akte van geldlening) verworpen. Uit deze stellingen volgt niet dat sprake is van schenking dan wel kwijtschelding van de leningen. Het hof komt onder deze omstandigheden bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing niet toe aan het opdragen van tegenbewijs aan de Zoon. De grief 4 van de Zoon en grief A van Moeder cs (pand Portugal), geldlening 3 6.18 Het hof zal deze grieven samen behandelen. 6.19 De Zoon heeft blijkens akte(n) van geldlening (in de zin van artikel 157 lid 2 Rv) voor de aankoop van het pand in Portugal een bedrag van € 315.000,- geleend van Stamrecht BV (zie overwegingen 3.11 en 3.12), met een renteverplichting en een aflossingsverplichting, te betalen uiterlijk op 15 januari 2023. 6.20 Ook hier betoogt de Zoon dat geen sprake was van een geldlening en dat Moeder cs moet bewijzen dat het om een geldlening ging. Deze stellingen falen. Het hof verwijst hiervoor naar het voorgaande, met name de dwingende bewijskracht tussen partijen van de geldleningsakte van 16 februari 2021 tussen de Zoon en Stamrecht BV (genoemd in overweging 3.12). Aan tegenbewijs wordt niet toegekomen. In de stellingen van de Zoon is geen aanwijzing te vinden voor een schenking of kwijtschelding, laat staan bij leven van de Moeder. Grief 4 van de Zoon faalt. Grief A van Moeder cs slaagt in zoverre. 6.21 Voor de volledigheid wijst het hof er nog op dat het hof ervan uitgaat dat voormelde overeenkomst van geldlening van 16 februari 2021 geldt, reeds aangezien de in overweging 3.13 genoemde gewijzigde overeenkomst van geldlening van 16 maart 2021 niet is ondertekend.
Volledig
Weliswaar komt uit de door de Zoon overgelegde processtukken naar voren dat er plannen zijn gemaakt om vermogensbestanddelen van de Moeder op een fiscaalvriendelijke manier uiteindelijk (bij overlijden van de Moeder) terecht te laten komen bij de Zoon en dochter [naam 3] , maar de Zoon heeft onvoldoende gesteld om te onderbouwen dat deze leningen (nu al) zijn omgezet in schenkingen en/of zijn kwijtgescholden. Het hof legt dit hierna (in overwegingen 6.13, 6.14 en 6.15) verder uit. 6.13 [naam 4] heeft hieromtrent in de betreffende e-mail van 18 september 2013 geschreven dat de Moeder (toen de Zoon volgens de plannen 80% van ‘De Hulle’ zou kopen) vanaf 2014 tot en met 2016 jaarlijks belastingvrije schenkingen zou doen (ter vermindering van de koopsom) totdat een bedrag van € 385.980,- was bereikt. Ook staat in de bijlage vermeld ‘ afhankelijk van het advies van de fiskalist is de hypotheek rente vrij of wordt er een marktrente afgesproken die elk jaar kwijtgescholden wordt. ’ en ‘ er wordt een contract opgemaakt van eigenaren ivm onderhoud veranderingen aan het onroerend goed etc etc hiervoor graag input van [naam 6] alsook van [appellant] . [appellant] betaald 80% van het onderhoud en [naam 6] betaald 20% van het onderhoud, gemeenschappelijke verzekeringen etc etc. ’ Aangezien de Zoon ‘de Hulle’ pas in 2017 heeft gekocht (en voormelde plannen toen niet in die vorm een vervolg hebben gekregen) faalt naar het oordeel van het hof reeds hierom het beroep op deze e-mail. De Zoon heeft niet 80% maar 100% van de eigendom van ‘de Hulle’ verkregen en ook van een onderhoudscontract of het hierop volgende advies van de fiscalist of de input van de Moeder of de Zoon is geen bewijs overgelegd. Hier komt bij dat noch in de stellingen van de Zoon noch overigens in het dossier een concrete aanwijzing is aangetroffen dat de plannen voor de betreffende belastingvrije schenkingen feitelijk zijn uitgevoerd. 6.14 Mr. Kapma (de fungerend notaris) schrijft in zijn e-mail van 28 december 2017 aan de Moeder en de Zoon (en aan anderen): “Als ik de e-mail wisseling van de afgelopen dagen samenvat, dan gaan we morgen het volgende doen: 1. Overdracht van De Hulle aan [appellant] ; 2. Koopsom wordt schuldig gebleven, alleen overdrachtsbelasting en kosten worden aan notariskantoor betaald (…); 3. Schuldig gebleven koopsom wordt omgezet in een geldlening (…); 4. Voor de geldlening wordt hypotheekrecht gevestigd; 5. Er wordt in deze fase nog niet kwijtgescholden op de geldlening; 6. De geldlening wordt ingebracht in de bestaande stamrecht BV van [geïntimeerde 2] , evenals een trits bankrekeningen. (….)” Mr. Kapma schrijft hierin dus uitdrukkelijk: “Er wordt in deze fase nog niet kwijtgescholden op de geldlening ”. Ook volgens mr. Kapma was kwijtschelding of schenking toen niet aan de orde. Concrete aanwijzingen van schenking/kwijtschelding hierná zijn in het dossier niet aangetroffen. Sterker nog, (slechts) eerdervermelde schenking van € 100.000,- van de Moeder aan de Zoon is verwerkt in de nadere hypotheekakte van 27 september 2019 (zie overweging 3.7), niet méér dan dat. 6.15 De heer [naam 5] (DTS Tax Solutions B.V.) schrijft in zijn brief van 21 juni 2024 onder meer: [hof: PvL = de Moeder; MvL = de Zoon; AvL = [naam 3] ; VLs = [naam 1] ] “Wij hebben meerdere malen gesproken over methoden om vermogen en vermogensbestanddelen over te dragen van [naam 6] (PvL) naar haar kinderen, [appellant] (MvL) en [naam 3] (AvL). Dit werd door PvL geïnitieerd, met als reden dat haar andere kinderen (van [appellant] senior (VLs), voldoende middelen hebben verkregen bij het overlijden van VLs. Hierbij was de bedoeling dat PvL via [naam 1] Stamrecht BV, geld zou lenen aan MvL en AvL om eigen woningen en vastgoed te kopen. De meerwaarde van de woningen zou dan toekomen aan MvL en AvL. De renteopbrengsten zouden dan dekkend kunnen zijn om in levensonderhoud van PvL te voorzien. In geval van overlijden van PvL zou MvL/PvL de controle over het vermogen behouden. Dit zodat de andere erfgenamen, wel vermogen kregen in de vorm van aandelen in [naam 1] Stamrecht BV, maar niet de leningen konden opeisen.” en “De door mij verstrekte adviezen (in mijn hoedanigheid als belastingadviseur) werden besproken met MvL en PvL. Eén onderdeel was het inbrengen van PvL’s vermogen in de stamrecht BV ten einde de heffing van inkomstenbelasting anders te regelen. Van box 3 naar box 2. Dit is in samenspraak met Notaris Bernard Kapma gedaan, die de structuur nog duidelijk heeft uitgelegd, alvorens deze werd opgezet. Het was de bedoeling dat de erfgenamen van PvL [hof: bedoeld wordt de erfgenamen van [naam 1] (zijn kinderen en kleinkinderen)] niet de hypothecaire vorderingen op MvL en AvL zouden kunnen opeisen. Vandaar dat MvL gedeeltelijke controle kreeg over [naam 1] Stamrecht BV. (…)” Uit deze brief blijkt naar het oordeel van het hof zonneklaar dat aan de Zoon en [naam 3] geld geleend zou worden om eigen woningen en vastgoed te kunnen kopen. Bij overlijden van de Moeder zouden de Zoon en [naam 3] de controle behouden (en de erfgenamen van [naam 1] zouden niet aan het geld kunnen komen). Over schenkingen wordt met geen woord gerept. De Zoon en [naam 3] zouden louter kunnen profiteren van de winst op het vastgoed, terwijl de Moeder van de rente-inkomsten (uit de verstrekte leningen) zou kunnen leven. De Zoon miskent dit alles. Hier komt bij dat volstrekt onduidelijk is gebleven hoe in de uitleg van de Zoon (evenredig) voor [naam 3] werd voorzien. De Moeder heeft (onder meer bij de Mondelinge behandeling van 26 januari 2026) aangegeven dat de verdeling tussen de Zoon en [naam 3] heel ongelijk was geworden. De Zoon heeft hier slechts vaagheden tegenover gesteld. Grief 3 van de Zoon (geldlening 1). 6.16 Het hof verwerpt deze grief eveneens. Ook hierbij geldt dat sprake is van een meerzijdige rechtshandeling waarbij de Moeder aan de Zoon geld heeft geleend voor de verbouwing en inrichting van ‘De Hulle’. Ook hier is sprake van een schriftelijke overeenkomst die tussen partijen dwingend bewijs van de juistheid ervan oplevert. 6.17 De stelling van de Zoon, (mede met een beroep op, samengevat, de afgesproken ‘Estate-planning’) inhoudende dat deze gelden zijn geschonken, dan wel kwijtgescholden, wordt door het hof, met verwijzing naar het voorgaande (met name de dwingende bewijskracht van de akte van geldlening) verworpen. Uit deze stellingen volgt niet dat sprake is van schenking dan wel kwijtschelding van de leningen. Het hof komt onder deze omstandigheden bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing niet toe aan het opdragen van tegenbewijs aan de Zoon. De grief 4 van de Zoon en grief A van Moeder cs (pand Portugal), geldlening 3 6.18 Het hof zal deze grieven samen behandelen. 6.19 De Zoon heeft blijkens akte(n) van geldlening (in de zin van artikel 157 lid 2 Rv) voor de aankoop van het pand in Portugal een bedrag van € 315.000,- geleend van Stamrecht BV (zie overwegingen 3.11 en 3.12), met een renteverplichting en een aflossingsverplichting, te betalen uiterlijk op 15 januari 2023. 6.20 Ook hier betoogt de Zoon dat geen sprake was van een geldlening en dat Moeder cs moet bewijzen dat het om een geldlening ging. Deze stellingen falen. Het hof verwijst hiervoor naar het voorgaande, met name de dwingende bewijskracht tussen partijen van de geldleningsakte van 16 februari 2021 tussen de Zoon en Stamrecht BV (genoemd in overweging 3.12). Aan tegenbewijs wordt niet toegekomen. In de stellingen van de Zoon is geen aanwijzing te vinden voor een schenking of kwijtschelding, laat staan bij leven van de Moeder. Grief 4 van de Zoon faalt. Grief A van Moeder cs slaagt in zoverre. 6.21 Voor de volledigheid wijst het hof er nog op dat het hof ervan uitgaat dat voormelde overeenkomst van geldlening van 16 februari 2021 geldt, reeds aangezien de in overweging 3.13 genoemde gewijzigde overeenkomst van geldlening van 16 maart 2021 niet is ondertekend.
Volledig
Deze kwestie kan overigens verder in het midden blijven, nu in beide gevallen de geldlening inmiddels opeisbaar is, in ieder geval per 15 januari 2023.De omstandigheid dat het geld is overgemaakt via de bankrekening van de Moeder is onvoldoende om in de gegeven structuur met Stamrecht BV uit te gaan van een overeenkomst van geldlening tussen de Zoon en de Moeder. In zoverre faalt de andersluidende grief van de Moeder. 6.22 Dit betekent dat het hof de Zoon alsnog zal veroordelen om deze lening, met rente terug te betalen aan Stamrecht BV. De Zoon heeft onvoldoende gesteld om tot tegenbewijs te worden toegelaten. Grief 2 van de Zoon (bankopnames van rekening eindigend op …. 924 tot een bedrag van € 255.479,70) 6.23 De rechtbank heeft de Zoon wegens ongerechtvaardigde verrijking veroordeeld om een bedrag van € 255.479,70 terug te betalen aan de Moeder. Volgens de rechtbank heeft de Zoon de volmacht van de Moeder om vanaf haar bankrekening betalingen te verrichten misbruikt. Deze volmacht was bedoeld om financiële zaken voor de Moeder te regelen (de Moeder was daar soms wegens geestelijke of lichamelijke gesteldheid niet toe in staat), maar de Zoon heeft vanaf deze bankrekening betalingen ten behoeve van zichzelf verricht (producties 22 en 23 Moeder cs in eerste aanleg). De Moeder was hiervan niet op de hoogte. De stelling van de Zoon dat hij voor iedere overboeking toestemming van de Moeder had, heeft hij niet onderbouwd. De rechtbank heeft dit in overweging 4.18 van het bestreden vonnis als volgt toegelicht: “De rechtbank stelt vast dat een belangrijk deel van de in geschil zijnde betalingen, betalingen van de bankrekening van [geïntimeerde 2] [hof: de Moeder] naar de bankrekening van [appellant] [hof: de Zoon] betreffen. Van de overige betalingen aan derden heeft [geïntimeerde 2] gesteld dat deze ten behoeve van [appellant] zijn gedaan. Dit betreft onder meer betalingen aan bedrijven en instellingen in de directe woonomgeving van [appellant] , betalingen ten behoeve van zijn huwelijk en uitgaven aan advocaten die werkzaamheden voor [appellant] hebben verricht. [appellant] heeft de stelling dat alle in geschil zijnde betalingen aan hem of ten behoeve van hem zijn gedaan, in het licht van de door [geïntimeerde 2] gegeven onderbouwing onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal er dus van uit gaan dat alle in geschil zijnde betalingen vanaf 6 maart 2017 ten behoeve van [appellant] zijn gedaan.” 6.24 Volgens de Zoon in zijn toelichting op deze grief heeft de rechtbank ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de Moeder niet zelf kon overboeken, terwijl de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat alle overboekingen vanaf 6 maart 2017 ten behoeve van de Zoon zijn gedaan. De Zoon heeft in dit verband gesteld (i) dat de Moeder altijd volledige inzage heeft gehad in haar rekeningen, dat zij die rekeningen zelf ook gebruikte, bijvoorbeeld om boodschappen te doen, overboekingen te doen aan [naam 3] en geld over te maken naar derden (de heer [naam 15] ); (ii) dat de Moeder ook altijd de betalingen controleerde en nimmer heeft geprotesteerd; dat in het uitblijven van protest haar toestemming besloten ligt; (iii) dat dit ook in lijn is met de bedoeling van de Moeder om haar vermogen over te dragen aan de Zoon; (iv) dat de Moeder per betaling moet bewijzen dat deze zonder haar toestemming is verricht, waartoe de Zoon onder meer (als productie 34 bij memorie van grieven) een reactie op een deel van de (als productie 22 in eerste aanleg door Moeder cs weergegeven) betalingen heeft overgelegd. 6.25 Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. De stelling van de Zoon dat in het uitblijven van protest door de Moeder haar instemming besloten ligt gaat veel te ver. Niet alleen is onweersproken gebleven dat de Zoon de papieren bankafschriften meenam, zodat de Moeder (die zichzelf als digibeet omschrijft) was aangewezen op digitale controle, maar bovendien staat vast dat de Moeder om fysieke of geestelijke redenen niet steeds in staat was om haar belangen te behartigen. Voor zover de Zoon heeft gesteld dat de gang van zaken in lijn ligt met de bedoeling van de Moeder om haar hele vermogen over te dragen, ligt dit veel genuanceerder. Van een bedoeling om de Zoon vrijelijk ten eigen bate over de bankrekening(en) van de Moeder te laten beschikken, is geen sprake, zoals het hof hierna zal uitleggen. Verder verwijst het hof nog naar hetgeen het hof bij de beoordeling van grief 1 (met name in overweging 6.15) heeft overwogen. 6.26 Onbestreden is gebleven dat de machtiging van de Zoon tot de bankrekening bedoeld was om betalingen ten behoeve van de Moeder te doen (financiële zaken voor haar te regelen) en niet ten behoeve van de Zoon. Anders dan de Zoon lijkt te stellen mocht hij dus niet vrijelijk over deze rekening beschikken en mocht hij op basis van de gegeven machtiging geen betalingen doen ten behoeve van zichzelf/zijn omgeving. Tal van betalingen zijn echter rechtstreeks naar de Zoon gegaan (naar zijn bankrekening ten name van [appellant] eindigend op … [nummer 2] ), dan wel evident aan hem en zijn omgeving (en niet aan de Moeder) ten goede gekomen. Voor zover het daarbij grote bedragen (vanaf € 750,-) betreft, gaat er hof er voorshands vanuit dat onderstaande posten in ieder geval ten goede zijn gekomen aan de Zoon. De ‘kleinere’ bedragen laat het hof hierbij bewust (als niet hanteerbaar) buiten beschouwing. Het gaat aldus om de hierna gespecificeerde betalingen (tot een totaalbedrag van € 230.293,09 ) dat ten goede is gekomen aan de Zoon/zijn omgeving. Voor de goede orde: het hof hanteert dus als uitgangspunt laatstgenoemd bedrag – het hof heeft immers de opnames onder de € 750,- niet meegerekend – en niet het gevorderde bedrag van € 255.479,70. Betalingen 2017: • 05-10 € 20.000,- ( [appellant] ; p.l.) • 18-11 € 3.445,02 ( [appellant] ; p.l.) • 14-12 € 70.000,- (cf afspraak (aank. Volvo) • 28-12 € 3.000,- ( [appellant] ; p.l. januari) Betalingen 2018: • 01-03 € 3.500,- (voorschot loon allshield) • 19-03 € 25.000,- (afkoop vof) gift • 05-04 € 1.007,24 (gemeente [woonplaats 1] ) • 10-04 € 2.107,22 (bernhaege advocaten; factuur nr.ba 102396) • 26-04 € 5.000,- (schuur Hulle) • 26-04 € 3.000,- (voorschot loon april) • 03-05 € 2.913,68 (bernhaege advocaten; inz afwikkeling ycc) • 03-05 € 1.391,80 (bernhaege advocaten; inz. [naam 15] holding) • 09-06 € 3.500,- (voorschot allshield) • 29-06 € 3.500,- (voorschot salaris juni) • 11-07 € 775,- (backers en zoon BV, juweliers,verlovingsring;) • 11-07 € 6.000,- (boken advocats paris) • 26-08 € 1.050,- ( [naam 10] ) • 28-08 € 3.500,- (voorschot salaris allshield aug) • 25-09 € 3.500,- (voorschot loon allshield) • 28-11 € 3.500,- (voorschot december) • 13-12 € 2.000,- (voorschot salaris lening allshield) • 13-12 € 4.635,- (boken advocats paris); [naam 2] • 29-12 € 2.000,- (voorschot lening allshield) Betalingen 2019: • 16-01 € 1.000,- (restant voorschot jan.allshield) • 30-01 € 3.500,- ( [naam 15] holding; lening man.fee michel feb) • 01-04 € 3.500,- (voorschot salaris allshield) • 10-04 € 984,50 (2suit;aanbet. Pak [naam 7] en [appellant] ) • 30-04 € 3.500 (allshield; lening salaris) • 07-05 € 1.390,63 ( [naam 8] [woonplaats 1] ; garage volvo) • 28-05 € 3.500,- (allshield lening salaris) • 20-06 € 3.300,- (vivaldi, catering huwelijk [appellant] ) • 20-06 € 795,- (moreno music; muziek huwelijk [appellant] • 16/24-06 € 12.000,- (kasopnames huwelijk [appellant] , p.l) • 25-06 € 1.095,- ( [naam 9] , huwelijksambtenaa • 27-06 € 3.500,- ( [appellant] , inz. allshield •investering) • 04-07 € 1.153,- (2suit; pak huwelijk [appellant] ) • 30-07 € 3.500,- (voorschot salaris allshield) • 28-08 € 3.500,- (voorschot lening allshield) • 15-09 € 1.000,- (voorschot onkosten allshield) • 27-11 € 3.500,- (elevare BV p.l. ( [appellant] ’s eigen bv) • 27-12 € 3.500,- (vaste lasten rek; januari hulp depressie) [appellant] Betalingen 2020 • 03-06 € 1.750,- (boodschappen rek; studie) Totaal: € 230.293,09 6.27 Het hof zal hierna de vervolgvraag bespreken, namelijk of de Zoon door voormelde betalingen ongerechtvaardigd is verrijkt.
Volledig
Deze kwestie kan overigens verder in het midden blijven, nu in beide gevallen de geldlening inmiddels opeisbaar is, in ieder geval per 15 januari 2023.De omstandigheid dat het geld is overgemaakt via de bankrekening van de Moeder is onvoldoende om in de gegeven structuur met Stamrecht BV uit te gaan van een overeenkomst van geldlening tussen de Zoon en de Moeder. In zoverre faalt de andersluidende grief van de Moeder. 6.22 Dit betekent dat het hof de Zoon alsnog zal veroordelen om deze lening, met rente terug te betalen aan Stamrecht BV. De Zoon heeft onvoldoende gesteld om tot tegenbewijs te worden toegelaten. Grief 2 van de Zoon (bankopnames van rekening eindigend op …. 924 tot een bedrag van € 255.479,70) 6.23 De rechtbank heeft de Zoon wegens ongerechtvaardigde verrijking veroordeeld om een bedrag van € 255.479,70 terug te betalen aan de Moeder. Volgens de rechtbank heeft de Zoon de volmacht van de Moeder om vanaf haar bankrekening betalingen te verrichten misbruikt. Deze volmacht was bedoeld om financiële zaken voor de Moeder te regelen (de Moeder was daar soms wegens geestelijke of lichamelijke gesteldheid niet toe in staat), maar de Zoon heeft vanaf deze bankrekening betalingen ten behoeve van zichzelf verricht (producties 22 en 23 Moeder cs in eerste aanleg). De Moeder was hiervan niet op de hoogte. De stelling van de Zoon dat hij voor iedere overboeking toestemming van de Moeder had, heeft hij niet onderbouwd. De rechtbank heeft dit in overweging 4.18 van het bestreden vonnis als volgt toegelicht: “De rechtbank stelt vast dat een belangrijk deel van de in geschil zijnde betalingen, betalingen van de bankrekening van [geïntimeerde 2] [hof: de Moeder] naar de bankrekening van [appellant] [hof: de Zoon] betreffen. Van de overige betalingen aan derden heeft [geïntimeerde 2] gesteld dat deze ten behoeve van [appellant] zijn gedaan. Dit betreft onder meer betalingen aan bedrijven en instellingen in de directe woonomgeving van [appellant] , betalingen ten behoeve van zijn huwelijk en uitgaven aan advocaten die werkzaamheden voor [appellant] hebben verricht. [appellant] heeft de stelling dat alle in geschil zijnde betalingen aan hem of ten behoeve van hem zijn gedaan, in het licht van de door [geïntimeerde 2] gegeven onderbouwing onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal er dus van uit gaan dat alle in geschil zijnde betalingen vanaf 6 maart 2017 ten behoeve van [appellant] zijn gedaan.” 6.24 Volgens de Zoon in zijn toelichting op deze grief heeft de rechtbank ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de Moeder niet zelf kon overboeken, terwijl de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat alle overboekingen vanaf 6 maart 2017 ten behoeve van de Zoon zijn gedaan. De Zoon heeft in dit verband gesteld (i) dat de Moeder altijd volledige inzage heeft gehad in haar rekeningen, dat zij die rekeningen zelf ook gebruikte, bijvoorbeeld om boodschappen te doen, overboekingen te doen aan [naam 3] en geld over te maken naar derden (de heer [naam 15] ); (ii) dat de Moeder ook altijd de betalingen controleerde en nimmer heeft geprotesteerd; dat in het uitblijven van protest haar toestemming besloten ligt; (iii) dat dit ook in lijn is met de bedoeling van de Moeder om haar vermogen over te dragen aan de Zoon; (iv) dat de Moeder per betaling moet bewijzen dat deze zonder haar toestemming is verricht, waartoe de Zoon onder meer (als productie 34 bij memorie van grieven) een reactie op een deel van de (als productie 22 in eerste aanleg door Moeder cs weergegeven) betalingen heeft overgelegd. 6.25 Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. De stelling van de Zoon dat in het uitblijven van protest door de Moeder haar instemming besloten ligt gaat veel te ver. Niet alleen is onweersproken gebleven dat de Zoon de papieren bankafschriften meenam, zodat de Moeder (die zichzelf als digibeet omschrijft) was aangewezen op digitale controle, maar bovendien staat vast dat de Moeder om fysieke of geestelijke redenen niet steeds in staat was om haar belangen te behartigen. Voor zover de Zoon heeft gesteld dat de gang van zaken in lijn ligt met de bedoeling van de Moeder om haar hele vermogen over te dragen, ligt dit veel genuanceerder. Van een bedoeling om de Zoon vrijelijk ten eigen bate over de bankrekening(en) van de Moeder te laten beschikken, is geen sprake, zoals het hof hierna zal uitleggen. Verder verwijst het hof nog naar hetgeen het hof bij de beoordeling van grief 1 (met name in overweging 6.15) heeft overwogen. 6.26 Onbestreden is gebleven dat de machtiging van de Zoon tot de bankrekening bedoeld was om betalingen ten behoeve van de Moeder te doen (financiële zaken voor haar te regelen) en niet ten behoeve van de Zoon. Anders dan de Zoon lijkt te stellen mocht hij dus niet vrijelijk over deze rekening beschikken en mocht hij op basis van de gegeven machtiging geen betalingen doen ten behoeve van zichzelf/zijn omgeving. Tal van betalingen zijn echter rechtstreeks naar de Zoon gegaan (naar zijn bankrekening ten name van [appellant] eindigend op … [nummer 2] ), dan wel evident aan hem en zijn omgeving (en niet aan de Moeder) ten goede gekomen. Voor zover het daarbij grote bedragen (vanaf € 750,-) betreft, gaat er hof er voorshands vanuit dat onderstaande posten in ieder geval ten goede zijn gekomen aan de Zoon. De ‘kleinere’ bedragen laat het hof hierbij bewust (als niet hanteerbaar) buiten beschouwing. Het gaat aldus om de hierna gespecificeerde betalingen (tot een totaalbedrag van € 230.293,09 ) dat ten goede is gekomen aan de Zoon/zijn omgeving. Voor de goede orde: het hof hanteert dus als uitgangspunt laatstgenoemd bedrag – het hof heeft immers de opnames onder de € 750,- niet meegerekend – en niet het gevorderde bedrag van € 255.479,70. Betalingen 2017: • 05-10 € 20.000,- ( [appellant] ; p.l.) • 18-11 € 3.445,02 ( [appellant] ; p.l.) • 14-12 € 70.000,- (cf afspraak (aank. Volvo) • 28-12 € 3.000,- ( [appellant] ; p.l. januari) Betalingen 2018: • 01-03 € 3.500,- (voorschot loon allshield) • 19-03 € 25.000,- (afkoop vof) gift • 05-04 € 1.007,24 (gemeente [woonplaats 1] ) • 10-04 € 2.107,22 (bernhaege advocaten; factuur nr.ba 102396) • 26-04 € 5.000,- (schuur Hulle) • 26-04 € 3.000,- (voorschot loon april) • 03-05 € 2.913,68 (bernhaege advocaten; inz afwikkeling ycc) • 03-05 € 1.391,80 (bernhaege advocaten; inz. [naam 15] holding) • 09-06 € 3.500,- (voorschot allshield) • 29-06 € 3.500,- (voorschot salaris juni) • 11-07 € 775,- (backers en zoon BV, juweliers,verlovingsring;) • 11-07 € 6.000,- (boken advocats paris) • 26-08 € 1.050,- ( [naam 10] ) • 28-08 € 3.500,- (voorschot salaris allshield aug) • 25-09 € 3.500,- (voorschot loon allshield) • 28-11 € 3.500,- (voorschot december) • 13-12 € 2.000,- (voorschot salaris lening allshield) • 13-12 € 4.635,- (boken advocats paris); [naam 2] • 29-12 € 2.000,- (voorschot lening allshield) Betalingen 2019: • 16-01 € 1.000,- (restant voorschot jan.allshield) • 30-01 € 3.500,- ( [naam 15] holding; lening man.fee michel feb) • 01-04 € 3.500,- (voorschot salaris allshield) • 10-04 € 984,50 (2suit;aanbet. Pak [naam 7] en [appellant] ) • 30-04 € 3.500 (allshield; lening salaris) • 07-05 € 1.390,63 ( [naam 8] [woonplaats 1] ; garage volvo) • 28-05 € 3.500,- (allshield lening salaris) • 20-06 € 3.300,- (vivaldi, catering huwelijk [appellant] ) • 20-06 € 795,- (moreno music; muziek huwelijk [appellant] • 16/24-06 € 12.000,- (kasopnames huwelijk [appellant] , p.l) • 25-06 € 1.095,- ( [naam 9] , huwelijksambtenaa • 27-06 € 3.500,- ( [appellant] , inz. allshield •investering) • 04-07 € 1.153,- (2suit; pak huwelijk [appellant] ) • 30-07 € 3.500,- (voorschot salaris allshield) • 28-08 € 3.500,- (voorschot lening allshield) • 15-09 € 1.000,- (voorschot onkosten allshield) • 27-11 € 3.500,- (elevare BV p.l. ( [appellant] ’s eigen bv) • 27-12 € 3.500,- (vaste lasten rek; januari hulp depressie) [appellant] Betalingen 2020 • 03-06 € 1.750,- (boodschappen rek; studie) Totaal: € 230.293,09 6.27 Het hof zal hierna de vervolgvraag bespreken, namelijk of de Zoon door voormelde betalingen ongerechtvaardigd is verrijkt.
Volledig
Het hof zal hierbij het verweer van de Zoon (onder meer blijkend uit de producties 34 en 36 bij memorie van grieven) betrekken in het licht van de stellingen van de Moeder in eerste aanleg en hoger beroep). 6.28 Uit voornoemde financiële opstelling valt een aantal kenmerkende punten te destilleren. Het gaat daarbij om: a) het bedrag van € 70.000,- voor de aankoop van de Volvo, b) (afkoopvof); gift € 25.000,- c) de bedragen, die zijn omschreven als ‘voorschot/loon/ Allshield e.d.’; d) de bedragen die te maken hebben met het huwelijk van [appellant] in 2019 (samen € 20.102,50); e) de vele bedragen met omschrijving Pl (persoonlijke lening); f) de betalingen aan boken advocats in Parijs tbv de heer [naam 2] (samen een bedrag van € 10.635,-); g) de betalingen aan Bernhaege advocaten tbv bedrijfsactiviteiten van de Zoon; h) diversen (puppie, hulp bij zijn depressie (samen € 4.550,-). 6.29 Het hof gaat er vanuit dat de Volvo (a) een schenking was. Dit is duidelijk uit de stellingen over en weer gebleken. Ook zal het hof aannemen dat alle kosten van het huwelijk (d) door Moeder zijn gedragen, inclusief kosten verlovingsring. Dit geldt ook voor afkoop vof (b), de gestelde schenking van de puppie, en hulp bij zijn depressie (h). Er is in de stellingen van de Moeder niet voldoende duidelijk af te leiden dat de Zoon door de betalingen aan de Parijse advocaat van [naam 2] (f) onrechtmatig is verrijkt. Samen een bedrag van € 119.652,50 waarvan onvoldoende door de Moeder is onderbouwd dat in deze gevallen de Zoon ongerechtvaardigd is verrijkt . 6.30 Dit geldt niet voor de schuur ‘De Hulle’, die toen eigendom was van de Zoon, niet voor de (OZB)kosten gemeente [woonplaats 1] in 2018 en evenmin voor de onderhoudskosten van de geschonken Volvo. Niet valt in te zien waarom achterstallig onderhoud van de schuur betaald zou moeten worden door de Moeder als vorige eigenaar. Dit geldt ook voor de kosten van de advocaten van de Zoon en voor diens andere bedrijfsmatige verplichtingen. Evenmin valt in te zien op welke gronden de Moeder de salarisverplichtingen van de werkgever van de Zoon zou moeten voorschieten, noch waarom de Moeder persoonlijke leningen aan de Zoon zou moeten betalen. De door de Zoon gestelde vrijgevigheid/ schenkingen van de Moeder zijn niet voldoende concreet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. Aan het doen leveren van tegenbewijs wordt daarom niet toegekomen. 6.31 Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de Zoon per saldo tot een bedrag van (€ 230.293,09 minus € 119.652,50 =) € 110.640,59 [ afgerond: € 110.000,- ] ongerechtvaardigd is verrijkt, tot welk bedrag de Moeder is verarmd. De grief slaagt dus gedeeltelijk. Grief B van de Moeder (vordering ad € 221.978,15 kosten (verbouwing en inrichting Portugal) 6.32 De rechtbank heeft deze vordering van Moeder en Stamrecht BV afgewezen. Volgens de rechtbank is niet voldoende onderbouwd dat het een lening van de Moeder, dan wel Stamrecht BV betreft onder dezelfde condities als lening 3. Als dat anders zou zijn, is deze geldlening bovendien nog niet opeisbaar, aldus de rechtbank. 6.33 Moeder cs klaagt over deze beslissing. 6.34 Zij handhaaft haar primaire stelling dat zij, dan wel Stamrecht BV, het gevorderde bedrag aan de Zoon heeft geleend onder dezelfde condities als vermeld in de geldleningsovereenkomst voor het pand in Portugal die als productie 8 aan de inleidende dagvaarding is gehecht. Het bedrag van € 221.978,15 [hof: niet verwarren met in het overweging 6.27 genoemde bedrag van € 230.293,09)] is in de periode 2017-2019 van haar privé-rekening afgeschreven (producties 24 en 25 van Moeder cs in eerste aanleg) en is gebruikt voor de kosten van verbouwing (waaronder de aanleg van een zwembad) en inrichting van het pand in Portugal. 6.35 Subsidiair stelt de Moeder dat tussen partijen vaststaat dat het bedrag uit haar vermogen en zonder haar toestemming ten goede is gekomen aan het vermogen van de Zoon, zodat de Zoon aldus met dat bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt, terwijl de Moeder tot dat bedrag is verarmd. Het pand in Portugal is in gebruik als hotel/logeerruimte in de zin van een zogenaamde Bed and Breakfast (B&B) accommodatie ("Quinta Da Paz Boutique Bed & Breakfast”). Gelet op de wijze waarop de hierdoor ontstane schade tot stand is gekomen (oneigenlijk gebruik door de Zoon van de aan hem verstrekte volmacht) enerzijds en het feit dat uit het Project inkomsten worden genoten anderzijds, is de Moeder van mening dat zij recht heeft op de schadevergoeding, die tegen de achtergrond van de gestelde feiten niet anders dan als redelijk kan worden gekwalificeerd. 6.36 De Zoon heeft de vordering betwist. Allereerst heeft hij aangevoerd dat de vordering is verjaard. Daarnaast heeft hij betwist dat hij de gelden heeft geleend. De gelden zijn met instemming van de Moeder verstrekt ten behoeve van het Portugese project. Bovendien moet, aldus de Zoon, goed voor ogen worden gehouden dat de betreffende overgeboekte gelden nimmer in zijn vermogen terecht zijn gekomen; dit staat onbetwist tussen partijen vast. De betreffende gelden zijn door de Moeder overgemaakt op de bankrekening van de Portugese vriendin van heer [naam 2] (de ex-man van de Moeder) en op die van de heer [naam 2] zelf. Ook vanwege dit vaststaande feit faalt de grief, aldus nog steeds de Zoon. Er is namelijk geen geld naar de Zoon zelf gegaan. Om deze reden kan er ook geen terugbetalingsverplichting op hem rusten jegens de Moeder noch jegens de Stamrecht BV. De betaling van de gelden voor de verbouwing vond plaats als investering in het kader van de beoogde ‘Estate planning’. 6.37 Het hof oordeelt als volgt. Het hof verwerpt het beroep op verjaring, nu dit niet is onderbouwd en overigens in dit geval niet vanzelfsprekend is. Aangezien niet, althans niet voldoende, is weersproken dat de gelden zijn aangewend voor de verbouwing en inrichting van het pand in Portugal dat eigendom is van de Zoon, is de Zoon hierdoor gebaat. De gelden/verbouwingen zijn dus wel degelijk via deze route in het vermogen van de Zoon terecht gekomen. De stelling van de Zoon bij de mondelinge behandeling dat zijn eigendom van het pand in Portugal een fiscale achtergrond had, maakt dit niet anders. Wegens strijd met de goede procesorde slaat het hof geen acht op de nieuwe weren van de Zoon bij de mondelinge behandeling, kort gezegd inhoudende dat de Moeder leningen verstrekte aan Stamrecht BV, waarna deze werden verrekend met haar agioverplichting Deze nieuwe stellingen kunnen niet als nadere onderbouwing van de grieven van de Zoon gelden. 6.38 Het voorgaande doet er echter niet aan af dat het hof de overige weren van de Zoon aanvaardt. De Moeder vordert (samengevat) teruggave van de gelden die zijn besteed aan het project in Portugal. In de stellingen van Moeder cs is allereerst geen aanwijzing te vinden dat de gelden zijn verstrekt als lening door de Moeder of door Stamrecht BV (de primaire grondslag) . De enkele omstandigheid dat Stamrecht BV de koopsom voor het pand in Portugal heeft geleend aan de Zoon is ontoereikend om de overige bestedingen ten behoeve van het pand als geldlening (op dezelfde voorwaarden als geldlening 3) te bestempelen. 6.39 Blijft over de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking. Weliswaar is de Zoon (als eigenaar van het pand) door de betreffende gelden gebaat, maar er is geen aanwijzing dat dit ongerechtvaardigd was. In dit verband wijst het hof onder meer op de in eerste aanleg door de Zoon (bij antwoordakte tevens houdende akte overlegging producties van 29 december 2021) overgelegde e-mails. Het hof moet hierop letten in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof zal deze e-mails hierna citeren. 6.40 Prod G18, e-mail van 20 april 2018 van de Moeder aan de Zoon “Daaag mijn lieve jongetje. Eerlijk gezegd ben ik best wel een beetje geschrokken hoe alles hier verloopt. Ik vreest dat ik. Mij hierover iets te duidelijk heb uitgesproken , [naam 2] was hierin heel erg teleurgesteld , maar ik had werkelijk niet verwacht dat er nog zoveel moest gebeuren. Eerlijk gezegd kan ik geen vooruitgang gezien in drie weken geleden.
Volledig
Het hof zal hierbij het verweer van de Zoon (onder meer blijkend uit de producties 34 en 36 bij memorie van grieven) betrekken in het licht van de stellingen van de Moeder in eerste aanleg en hoger beroep). 6.28 Uit voornoemde financiële opstelling valt een aantal kenmerkende punten te destilleren. Het gaat daarbij om: a) het bedrag van € 70.000,- voor de aankoop van de Volvo, b) (afkoopvof); gift € 25.000,- c) de bedragen, die zijn omschreven als ‘voorschot/loon/ Allshield e.d.’; d) de bedragen die te maken hebben met het huwelijk van [appellant] in 2019 (samen € 20.102,50); e) de vele bedragen met omschrijving Pl (persoonlijke lening); f) de betalingen aan boken advocats in Parijs tbv de heer [naam 2] (samen een bedrag van € 10.635,-); g) de betalingen aan Bernhaege advocaten tbv bedrijfsactiviteiten van de Zoon; h) diversen (puppie, hulp bij zijn depressie (samen € 4.550,-). 6.29 Het hof gaat er vanuit dat de Volvo (a) een schenking was. Dit is duidelijk uit de stellingen over en weer gebleken. Ook zal het hof aannemen dat alle kosten van het huwelijk (d) door Moeder zijn gedragen, inclusief kosten verlovingsring. Dit geldt ook voor afkoop vof (b), de gestelde schenking van de puppie, en hulp bij zijn depressie (h). Er is in de stellingen van de Moeder niet voldoende duidelijk af te leiden dat de Zoon door de betalingen aan de Parijse advocaat van [naam 2] (f) onrechtmatig is verrijkt. Samen een bedrag van € 119.652,50 waarvan onvoldoende door de Moeder is onderbouwd dat in deze gevallen de Zoon ongerechtvaardigd is verrijkt . 6.30 Dit geldt niet voor de schuur ‘De Hulle’, die toen eigendom was van de Zoon, niet voor de (OZB)kosten gemeente [woonplaats 1] in 2018 en evenmin voor de onderhoudskosten van de geschonken Volvo. Niet valt in te zien waarom achterstallig onderhoud van de schuur betaald zou moeten worden door de Moeder als vorige eigenaar. Dit geldt ook voor de kosten van de advocaten van de Zoon en voor diens andere bedrijfsmatige verplichtingen. Evenmin valt in te zien op welke gronden de Moeder de salarisverplichtingen van de werkgever van de Zoon zou moeten voorschieten, noch waarom de Moeder persoonlijke leningen aan de Zoon zou moeten betalen. De door de Zoon gestelde vrijgevigheid/ schenkingen van de Moeder zijn niet voldoende concreet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. Aan het doen leveren van tegenbewijs wordt daarom niet toegekomen. 6.31 Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de Zoon per saldo tot een bedrag van (€ 230.293,09 minus € 119.652,50 =) € 110.640,59 [ afgerond: € 110.000,- ] ongerechtvaardigd is verrijkt, tot welk bedrag de Moeder is verarmd. De grief slaagt dus gedeeltelijk. Grief B van de Moeder (vordering ad € 221.978,15 kosten (verbouwing en inrichting Portugal) 6.32 De rechtbank heeft deze vordering van Moeder en Stamrecht BV afgewezen. Volgens de rechtbank is niet voldoende onderbouwd dat het een lening van de Moeder, dan wel Stamrecht BV betreft onder dezelfde condities als lening 3. Als dat anders zou zijn, is deze geldlening bovendien nog niet opeisbaar, aldus de rechtbank. 6.33 Moeder cs klaagt over deze beslissing. 6.34 Zij handhaaft haar primaire stelling dat zij, dan wel Stamrecht BV, het gevorderde bedrag aan de Zoon heeft geleend onder dezelfde condities als vermeld in de geldleningsovereenkomst voor het pand in Portugal die als productie 8 aan de inleidende dagvaarding is gehecht. Het bedrag van € 221.978,15 [hof: niet verwarren met in het overweging 6.27 genoemde bedrag van € 230.293,09)] is in de periode 2017-2019 van haar privé-rekening afgeschreven (producties 24 en 25 van Moeder cs in eerste aanleg) en is gebruikt voor de kosten van verbouwing (waaronder de aanleg van een zwembad) en inrichting van het pand in Portugal. 6.35 Subsidiair stelt de Moeder dat tussen partijen vaststaat dat het bedrag uit haar vermogen en zonder haar toestemming ten goede is gekomen aan het vermogen van de Zoon, zodat de Zoon aldus met dat bedrag ongerechtvaardigd is verrijkt, terwijl de Moeder tot dat bedrag is verarmd. Het pand in Portugal is in gebruik als hotel/logeerruimte in de zin van een zogenaamde Bed and Breakfast (B&B) accommodatie ("Quinta Da Paz Boutique Bed & Breakfast”). Gelet op de wijze waarop de hierdoor ontstane schade tot stand is gekomen (oneigenlijk gebruik door de Zoon van de aan hem verstrekte volmacht) enerzijds en het feit dat uit het Project inkomsten worden genoten anderzijds, is de Moeder van mening dat zij recht heeft op de schadevergoeding, die tegen de achtergrond van de gestelde feiten niet anders dan als redelijk kan worden gekwalificeerd. 6.36 De Zoon heeft de vordering betwist. Allereerst heeft hij aangevoerd dat de vordering is verjaard. Daarnaast heeft hij betwist dat hij de gelden heeft geleend. De gelden zijn met instemming van de Moeder verstrekt ten behoeve van het Portugese project. Bovendien moet, aldus de Zoon, goed voor ogen worden gehouden dat de betreffende overgeboekte gelden nimmer in zijn vermogen terecht zijn gekomen; dit staat onbetwist tussen partijen vast. De betreffende gelden zijn door de Moeder overgemaakt op de bankrekening van de Portugese vriendin van heer [naam 2] (de ex-man van de Moeder) en op die van de heer [naam 2] zelf. Ook vanwege dit vaststaande feit faalt de grief, aldus nog steeds de Zoon. Er is namelijk geen geld naar de Zoon zelf gegaan. Om deze reden kan er ook geen terugbetalingsverplichting op hem rusten jegens de Moeder noch jegens de Stamrecht BV. De betaling van de gelden voor de verbouwing vond plaats als investering in het kader van de beoogde ‘Estate planning’. 6.37 Het hof oordeelt als volgt. Het hof verwerpt het beroep op verjaring, nu dit niet is onderbouwd en overigens in dit geval niet vanzelfsprekend is. Aangezien niet, althans niet voldoende, is weersproken dat de gelden zijn aangewend voor de verbouwing en inrichting van het pand in Portugal dat eigendom is van de Zoon, is de Zoon hierdoor gebaat. De gelden/verbouwingen zijn dus wel degelijk via deze route in het vermogen van de Zoon terecht gekomen. De stelling van de Zoon bij de mondelinge behandeling dat zijn eigendom van het pand in Portugal een fiscale achtergrond had, maakt dit niet anders. Wegens strijd met de goede procesorde slaat het hof geen acht op de nieuwe weren van de Zoon bij de mondelinge behandeling, kort gezegd inhoudende dat de Moeder leningen verstrekte aan Stamrecht BV, waarna deze werden verrekend met haar agioverplichting Deze nieuwe stellingen kunnen niet als nadere onderbouwing van de grieven van de Zoon gelden. 6.38 Het voorgaande doet er echter niet aan af dat het hof de overige weren van de Zoon aanvaardt. De Moeder vordert (samengevat) teruggave van de gelden die zijn besteed aan het project in Portugal. In de stellingen van Moeder cs is allereerst geen aanwijzing te vinden dat de gelden zijn verstrekt als lening door de Moeder of door Stamrecht BV (de primaire grondslag) . De enkele omstandigheid dat Stamrecht BV de koopsom voor het pand in Portugal heeft geleend aan de Zoon is ontoereikend om de overige bestedingen ten behoeve van het pand als geldlening (op dezelfde voorwaarden als geldlening 3) te bestempelen. 6.39 Blijft over de subsidiaire grondslag ongerechtvaardigde verrijking. Weliswaar is de Zoon (als eigenaar van het pand) door de betreffende gelden gebaat, maar er is geen aanwijzing dat dit ongerechtvaardigd was. In dit verband wijst het hof onder meer op de in eerste aanleg door de Zoon (bij antwoordakte tevens houdende akte overlegging producties van 29 december 2021) overgelegde e-mails. Het hof moet hierop letten in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep. Het hof zal deze e-mails hierna citeren. 6.40 Prod G18, e-mail van 20 april 2018 van de Moeder aan de Zoon “Daaag mijn lieve jongetje. Eerlijk gezegd ben ik best wel een beetje geschrokken hoe alles hier verloopt. Ik vreest dat ik. Mij hierover iets te duidelijk heb uitgesproken , [naam 2] was hierin heel erg teleurgesteld , maar ik had werkelijk niet verwacht dat er nog zoveel moest gebeuren. Eerlijk gezegd kan ik geen vooruitgang gezien in drie weken geleden.
Volledig
Ik heb [naam 2] hierin erg gekwetst, dat spijt mij oprecht maar dit alles neemt niet echt mijn zorg weg. Maar goed, we moeten de klus wel klaren en afmaken. [naam 2] is ervan overtuigd dat wij deze hut met heel veel winst kunnen verkopen. Hij heeft het dan over een profit van 50-50, verdeling winst. Voorlopig heb ik hierover. Slechts gelachen, (………) 6.41 Productie G19, e-mail van 25 april 2018 van de Moeder aan [naam 2] (met cc aan de Zoon) “Dear [naam 11] and [naam 2] , Afther talking to [appellant] I think it is neccecary. to straight somethinks out. As iT concerns [naam 11] as well I Will try to do iT in english, although my IPad Speaks its OWN language. First of all I want to thank you for Yourhospitaliteit last week.(……….) Therefor I am so sorry that at somepoints a misunderstanding was rijen. I think we need to make this clear to [naam 12] other as [appellant] suggested by skyping, but I can not sleep when something like this is in the air. When I arrived a week Ago owas dissapointed aBout the amount of work that Neede to be done (……….) On Sunda, when we Made the list of what Neede to be done I allready realiseer that quote Some more money was Neede to finsish the house and the idea of starting a new project, (wich you showde me in the centr) Made me very nerveus. That is whoy I Said that I had the feelings that thinks where slapping throughout my vingers. (……..) I hope that you Will understanding that the only issue the shock about the extra 60K was. (……..) I do trust you for the one million and two percent (…….)” 6.42 Productie G20, e-mail van [naam 2] van 12 juli 2018 aan de Moeder (met cc naar de Zoon) over het onderwerp Portugal: “Lieve [naam 6] , (…) Portugal, (…….) Uiteraard wordt jouw komst hier zeer op prijs gesteld. Afgezien dat het gezellig is, zit je boordevol goeie en leuke ideeen! (…).Activiteiten. We moeten nog een boel aan kleden, waar jouw hulp, fantasie en goede smaak zeer gewild is!(…)De tuin: we hebben nog steeds in ons hoofd dezelfde plek voor het zwembad (…). Al met al, genoeg dingen om over na te denken. Dit echter bespreken we ter plaatse, en er worden uiteraard zonder jou geen belangrijke beslissingen genomen.(……). De vloeren en deuren boven zijn nu helemaal klaar. Alle muren zijn netjes geverfd. Alleen het sanitair van de twee grote luxe badkamers dient nog te worden geplaatst. (…………..).Ga ervan uit dat je natuurlijk heerlijk welkom bent. (……….)” 6.43 Productie G21, e-mail van 13 augustus 2018 van de Moeder “Hi there, Vanuit alle kanten hoor ik dat de opening van het hotel een eclatant succes was. Daar mogen jullie zeker erg trots op zijn!» Ja, inderdaad, ik was bij mijn vertrek zeker niet gerust of alles wel op tijd klaar zou zijn. Wellicht kan je daar terecht boos op zijn, maar mijns inziens moest er nog zo vreselijk veel gebeuren dat ik er oprecht aan heb getwijfeld of het jullie zou lukken alles nog op orde te krijgen voor vrijdagmiddag, maar het is jullie gelukt. Chapeau! Ik heb, via via de photo,s gezien en de revieuws gelezen, daar ben ik vanzelfsprekend heel blij mee. Op de terugvlucht vanuit Portugal heb ik volgens [naam 13] met mijn vingers zitten bewegen of ik ijzerwerk aan het verven was, ik droomde er zelfs van, al die krullen! Graag zou ik van jou willen horen hoe de zeer nabije toekomst er uit komt te zien, wat betreft boekingen voor de volgende maand en wat er nog allemaal op de planning staaat. Ik begreep dat [appellant] aanstaande dinsdag voor twee dagen naar Portugal komt. IkSta nog in dubio of ik mee zal komen of niet. (…) Daarbuiten ben ik ervan overtuigd dat [appellant] uitstekend in staat is, op te pakken, dat wat nog moet worden afgehandeld. (…) [appellant] voelt zich echter wel verantwoordelijk voor het reilen en zeilen daar. Ik hoop dat ik hem heb kunnen overtuigen dat het allemaal mijn eigen beslissingen zijn geweest. (….) Ik word graag op de hoogte gehouden.» Heel veel liefs, zeker ook voor [naam 11] en [naam 14] ,» Kus, [naam 6] ” 6.44 Hieruit blijkt duidelijk (i) dat de Moeder ( [naam 6] ) op de hoogte was van de verbouwings- en inrichtingsactiviteiten in Portugal, (ii) dat zij wist dat hiermee extra kosten waren gemoeid en (iii) dat zij hiermee heeft ingestemd. Weliswaar is niet uit te sluiten dat zij voor voldongen feiten werd geplaatst, maar de Moeder op wie de stelplicht rust, heeft in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat de besteding van haar gelden niet haar instemming had. Dit betekent dat de grief B van Moeder cs wordt verworpen en dat de afwijzing door de rechtbank op dit punt in stand blijft. Aan bewijslevering wordt wegens gebrek aan deugdelijke onderbouwing niet toegekomen. Conclusie en proceskosten 6.45 De conclusie is dat de Zoon in zijn principale hoger beroep slechts op een onderdeel gelijk krijgt. De toegewezen vordering van € 254.979,70 (overweging 5.4 in het dictum van de rechtbank) zal beperkt worden tot in hoofdsom een bedrag van € 110.000,- . Het incidentele hoger beroep van Moeder cs slaagt gedeeltelijk. Het hof zal de gevorderde geldlening 3 in hoofdsom ten bedrage van € 315.000,- met rente van € 15.332,91 tot 1 april 2021 (samen € 330.332,91 ) alsnog toewijzen aan Stamrecht BV, maar de verdere uitgaven in Portugal (evenals de rechtbank) afwijzen. 6.46 Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Het hof heeft dit al eerder overwogen. Voor de volledigheid voegt het hof hier aan toe dat ook anderszins geen concrete feiten te bewijzen zijn aangeboden, die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. 6.47 De Zoon zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal hoger beroep. Het hof zal de proceskosten in het incidentele hoger beroep compenseren, nu partijen daar over en weer in het ongelijk zijn gesteld. Het hof zal de Moeder als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het incident. 6.48 Het hof begroot de proceskosten in het principaal hoger beroep aan de zijde van Moeder cs op: griffierecht € 1.780,- salaris advocaat € 16.857,- (3 punten × tarief VII) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 18.826,- 6.49 Het hof begroot de proceskosten in het incident aan de zijde van de Zoon op € 2.809,50 aan salaris advocaat. 6.50 Dit leidt tot de volgende beslissingen. 7 Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2023, met uitzondering van de beslissing in overweging 5.4 en de afwijzing van het meer of anders gevorderde; en terzake opnieuw rechtdoende : veroordeelt de Zoon om aan de Moeder te betalen een bedrag van € 110.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 24 november 2021 tot de dag der algehele betaling; veroordeelt de Zoon om aan Stamrecht BV te betalen een bedrag van € 330.332,91, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 7 april 2021 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt de Zoon in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Moeder cs begroot op € 18.826,-; bepaalt dat als de Zoon niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Zoon de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het incidenteel hoger beroep draagt; veroordeelt de Moeder in de kosten van het incident, aan de zijde van de Zoon tot dusver begroot op € 2.809,50; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mr. M.A.F. Tan - de Sonnaville, mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en J.N. de Blécourt en getekend en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.
Volledig
Ik heb [naam 2] hierin erg gekwetst, dat spijt mij oprecht maar dit alles neemt niet echt mijn zorg weg. Maar goed, we moeten de klus wel klaren en afmaken. [naam 2] is ervan overtuigd dat wij deze hut met heel veel winst kunnen verkopen. Hij heeft het dan over een profit van 50-50, verdeling winst. Voorlopig heb ik hierover. Slechts gelachen, (………) 6.41 Productie G19, e-mail van 25 april 2018 van de Moeder aan [naam 2] (met cc aan de Zoon) “Dear [naam 11] and [naam 2] , Afther talking to [appellant] I think it is neccecary. to straight somethinks out. As iT concerns [naam 11] as well I Will try to do iT in english, although my IPad Speaks its OWN language. First of all I want to thank you for Yourhospitaliteit last week.(……….) Therefor I am so sorry that at somepoints a misunderstanding was rijen. I think we need to make this clear to [naam 12] other as [appellant] suggested by skyping, but I can not sleep when something like this is in the air. When I arrived a week Ago owas dissapointed aBout the amount of work that Neede to be done (……….) On Sunda, when we Made the list of what Neede to be done I allready realiseer that quote Some more money was Neede to finsish the house and the idea of starting a new project, (wich you showde me in the centr) Made me very nerveus. That is whoy I Said that I had the feelings that thinks where slapping throughout my vingers. (……..) I hope that you Will understanding that the only issue the shock about the extra 60K was. (……..) I do trust you for the one million and two percent (…….)” 6.42 Productie G20, e-mail van [naam 2] van 12 juli 2018 aan de Moeder (met cc naar de Zoon) over het onderwerp Portugal: “Lieve [naam 6] , (…) Portugal, (…….) Uiteraard wordt jouw komst hier zeer op prijs gesteld. Afgezien dat het gezellig is, zit je boordevol goeie en leuke ideeen! (…).Activiteiten. We moeten nog een boel aan kleden, waar jouw hulp, fantasie en goede smaak zeer gewild is!(…)De tuin: we hebben nog steeds in ons hoofd dezelfde plek voor het zwembad (…). Al met al, genoeg dingen om over na te denken. Dit echter bespreken we ter plaatse, en er worden uiteraard zonder jou geen belangrijke beslissingen genomen.(……). De vloeren en deuren boven zijn nu helemaal klaar. Alle muren zijn netjes geverfd. Alleen het sanitair van de twee grote luxe badkamers dient nog te worden geplaatst. (…………..).Ga ervan uit dat je natuurlijk heerlijk welkom bent. (……….)” 6.43 Productie G21, e-mail van 13 augustus 2018 van de Moeder “Hi there, Vanuit alle kanten hoor ik dat de opening van het hotel een eclatant succes was. Daar mogen jullie zeker erg trots op zijn!» Ja, inderdaad, ik was bij mijn vertrek zeker niet gerust of alles wel op tijd klaar zou zijn. Wellicht kan je daar terecht boos op zijn, maar mijns inziens moest er nog zo vreselijk veel gebeuren dat ik er oprecht aan heb getwijfeld of het jullie zou lukken alles nog op orde te krijgen voor vrijdagmiddag, maar het is jullie gelukt. Chapeau! Ik heb, via via de photo,s gezien en de revieuws gelezen, daar ben ik vanzelfsprekend heel blij mee. Op de terugvlucht vanuit Portugal heb ik volgens [naam 13] met mijn vingers zitten bewegen of ik ijzerwerk aan het verven was, ik droomde er zelfs van, al die krullen! Graag zou ik van jou willen horen hoe de zeer nabije toekomst er uit komt te zien, wat betreft boekingen voor de volgende maand en wat er nog allemaal op de planning staaat. Ik begreep dat [appellant] aanstaande dinsdag voor twee dagen naar Portugal komt. IkSta nog in dubio of ik mee zal komen of niet. (…) Daarbuiten ben ik ervan overtuigd dat [appellant] uitstekend in staat is, op te pakken, dat wat nog moet worden afgehandeld. (…) [appellant] voelt zich echter wel verantwoordelijk voor het reilen en zeilen daar. Ik hoop dat ik hem heb kunnen overtuigen dat het allemaal mijn eigen beslissingen zijn geweest. (….) Ik word graag op de hoogte gehouden.» Heel veel liefs, zeker ook voor [naam 11] en [naam 14] ,» Kus, [naam 6] ” 6.44 Hieruit blijkt duidelijk (i) dat de Moeder ( [naam 6] ) op de hoogte was van de verbouwings- en inrichtingsactiviteiten in Portugal, (ii) dat zij wist dat hiermee extra kosten waren gemoeid en (iii) dat zij hiermee heeft ingestemd. Weliswaar is niet uit te sluiten dat zij voor voldongen feiten werd geplaatst, maar de Moeder op wie de stelplicht rust, heeft in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat de besteding van haar gelden niet haar instemming had. Dit betekent dat de grief B van Moeder cs wordt verworpen en dat de afwijzing door de rechtbank op dit punt in stand blijft. Aan bewijslevering wordt wegens gebrek aan deugdelijke onderbouwing niet toegekomen. Conclusie en proceskosten 6.45 De conclusie is dat de Zoon in zijn principale hoger beroep slechts op een onderdeel gelijk krijgt. De toegewezen vordering van € 254.979,70 (overweging 5.4 in het dictum van de rechtbank) zal beperkt worden tot in hoofdsom een bedrag van € 110.000,- . Het incidentele hoger beroep van Moeder cs slaagt gedeeltelijk. Het hof zal de gevorderde geldlening 3 in hoofdsom ten bedrage van € 315.000,- met rente van € 15.332,91 tot 1 april 2021 (samen € 330.332,91 ) alsnog toewijzen aan Stamrecht BV, maar de verdere uitgaven in Portugal (evenals de rechtbank) afwijzen. 6.46 Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Het hof heeft dit al eerder overwogen. Voor de volledigheid voegt het hof hier aan toe dat ook anderszins geen concrete feiten te bewijzen zijn aangeboden, die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden. 6.47 De Zoon zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het principaal hoger beroep. Het hof zal de proceskosten in het incidentele hoger beroep compenseren, nu partijen daar over en weer in het ongelijk zijn gesteld. Het hof zal de Moeder als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het incident. 6.48 Het hof begroot de proceskosten in het principaal hoger beroep aan de zijde van Moeder cs op: griffierecht € 1.780,- salaris advocaat € 16.857,- (3 punten × tarief VII) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 18.826,- 6.49 Het hof begroot de proceskosten in het incident aan de zijde van de Zoon op € 2.809,50 aan salaris advocaat. 6.50 Dit leidt tot de volgende beslissingen. 7 Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 januari 2023, met uitzondering van de beslissing in overweging 5.4 en de afwijzing van het meer of anders gevorderde; en terzake opnieuw rechtdoende : veroordeelt de Zoon om aan de Moeder te betalen een bedrag van € 110.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 24 november 2021 tot de dag der algehele betaling; veroordeelt de Zoon om aan Stamrecht BV te betalen een bedrag van € 330.332,91, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 7 april 2021 tot de dag der algehele voldoening; veroordeelt de Zoon in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Moeder cs begroot op € 18.826,-; bepaalt dat als de Zoon niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, de Zoon de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het incidenteel hoger beroep draagt; veroordeelt de Moeder in de kosten van het incident, aan de zijde van de Zoon tot dusver begroot op € 2.809,50; verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mr. M.A.F. Tan - de Sonnaville, mr. A.A. Muilwijk-Schaaij en J.N. de Blécourt en getekend en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door de rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers in aanwezigheid van de griffier.