Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-04-30
ECLI:NL:GHDHA:2026:1815
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht enkelvoudige kamer nummer BK-25/116 Uitspraak van 30 april 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 29 januari 2025, nummer SGR 23/4241. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 1.872 (de naheffingsaanslag). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 2 december 2021 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Renault Captur 1.0 TCe Life (de auto). Belanghebbende heeft in de aangifte vermeld dat het geen nieuwe auto betreft. De datum van eerste toelating van de auto is 22 juni 2021. 2.2. De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 2.990 (berekend aan de hand van koerslijst AutotelexPro). De verschuldigde bpm is door belanghebbende voldaan. De bij de aangifte gevoegde koerslijst AutotelexPro vermeldt voor de auto een tellerstand van 53 kilometer. 2.3. Tot het dossier behoort een afschrift van het zogenoemde “Voertuigbeeld RDW”, waarin als keuringsmoment van de auto is vermeld 29 november 2021, als land van herkomst van de auto Duitsland en als tellerstand 53 kilometer. Tevens staat hierop vermeld als eerste toelatingsdatum 22 juni 2021 en het Duitse kenteken van de auto. 2.4. Tot het dossier behoort een afschrift “Raadplegen voertuiggegevens op kenteken”, waarop als eerste inschrijvingsdatum in Nederland 8 december 2021 is vermeld. 2.5. Op 14 juni 2022 is belanghebbende door de Inspecteur in kennis gesteld van het voornemen een naheffingsaanslag bpm op te leggen. In de kennisgeving is onder meer het volgende vermeld: “(…) BPM-bedrag (…) U hebt aangifte BPM gedaan als ware er sprake van een gebruikte personenauto. Voor de afschrijving op de bruto BPM heeft u gebruik gemaakt van een afschrijving op basis van de koerslijst. Op grond van de geldende jurisprudentie, m.n. de arresten van de Hoge Raad van 29 mei 2009 en 27 januari 2017 kan een voertuig ondanks een eerdere datum eerste toelating in het buitenland als nieuw en ongebruikt worden aangemerkt indien het voertuig na vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt. Een km stand van 53 km van uw voertuig staat vermeld in de koerslijst bij uw aangifte. Tevens blijkt deze stand van 53 km ook uit het kentekenregister dat de RDW heeft geconstateerd. Ik ben van mening dat uw voertuig op grond van de feiten en omstandigheden als nieuw en ongebruikt dient te worden aangemerkt. Hierdoor bent u een hoger bedrag aan BPM verschuldigd. Afschrijving op grond van Art. 10 Wet BPM is dan ook niet mogelijk. Volledigheidshalve verwijs ik u naar de arresten van 27 januari 2017 (ECLI:HR 2017-45-78 en 79) waarin een voertuig met een buitenlands kenteken en geringe kilometerstand als nieuw en ongebruikt wordt aangemerkt in de zin van de Wet BPM. (…).” 2.6. Met dagtekening 5 augustus 2022 heeft de Inspecteur overeenkomstig de kennisgeving als bedoeld onder 2.5 een naheffingsaanslag bpm opgelegd naar een bedrag van Belanghebbende stelt dat zij het toetsingskader van de Hoge Raad ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een nieuwe of gebruikte auto kent, maar dat zij het daarmee niet eens is. Voor de beantwoording van de vraag of een auto nieuw of gebruikt is, en of dus een afschrijving in aanmerking kan worden genomen, is volgens belanghebbende niet uitsluitend de kilometerstand van belang, maar ook de inkoopwaarde. Er moet, zo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) geoordeeld, worden gekeken naar de economische context en de concurrentiepositie waarin de auto zich verbindt. Een auto met een tellerstand van 53 kilometer kan in de markt als nieuw worden beschouwd, gelet op de lage kilometerstand, maar toch minder waard zijn vanwege andere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een eerste toelating, aflopende fabrieksgarantie of als sprake is van een ouder model, aldus belanghebbende. Steun voor de stelling dat een auto gelet op de lage kilometerstand nieuw is, maar toch aanzienlijk in waarde kan zijn gedaald, vindt belanghebbende in de bij de aangifte voor de auto overgelegde koerslijst van AutotelexPro. Uit die koerslijst volgt dat de auto nieuw € 21.615 kost en dat deze (op 30 november 2021), gelet op de omstandigheid dat de auto op 22 juni 2021 is toegelaten, in de handel € 13.295 waard is. In de Europeesrechtelijke jurisprudentie is, aldus belanghebbende, een ander toetsingskader ontwikkeld, waarbij niet uitsluitend moet worden gekeken naar de kilometerstand, maar dus ook naar andere factoren die de mededinging kunnen beïnvloeden. Belanghebbende verwijst in dit kader naar het arrest Siilin (HvJ EG 19 september 2002, C-101/00, ECLI:NL:C:2002:505) en het arrest Tarantik (HvJ EG 15 juni 1999, C-421/97, ECLI:NL:1999:309). Verder verwijst belanghebbende naar uitspraken van de lagere rechtspraak waarbij ten aanzien van auto’s met een lage kilometerstand desondanks een afschrijving in aanmerking is genomen. 5.2. De Inspecteur stelt het volgende. De auto met een tellerstand van 53 kilometer is niet of nauwelijks gebruikt en dient gelet op de jurisprudentie als nieuw te worden beschouwd. Er kan dan ook geen afschrijving in aanmerking worden genomen op de voet van artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm). De economische context, die volgens belanghebbende als uitgangspunt moet dienen, komt immers wettelijk gezien pas in beeld in het geval een auto als gebruikt kan worden aangemerkt. Overigens zal een consument, zo stelt de Inspecteur, een auto met een tellerstand van 53 kilometer ook zonder twijfel zien als een nieuwe auto. Gelet op het toetsingskader van de Hoge Raad is sprake van een nieuwe auto. Een afschrijving op grond van artikel 10 Wet Bpm, waarvan belanghebbende lijkt te willen uitgaan, komt niet aan de orde in het geval sprake is van een nieuwe auto, aldus de Inspecteur. Belanghebbende stelt dat de auto gebruikt is, vanwege het feit dat de koerslijst AutotelexPro de auto niet op de nieuwwaarde waardeert. Gegevens in een koerslijst zijn geen bewijs, nog daargelaten dat gelet op de grote afwaardering die daarin is toegepast, moet worden getwijfeld aan de juistheid van die koerslijst, aldus de Inspecteur. De Inspecteur wijst er verder op dat de meeste nieuwe auto’s niet worden verkocht voor de nieuwprijs, dat elke auto met een kleine stand op de teller van “de boot” komt en wijst er voorts op dat de door belanghebbende aangehaalde lagere rechtspraak is achterhaald door de hoger beroepen dan wel beroepen in cassaties tegen de door haar genoemde uitspraken. Belanghebbende heeft bovendien geen aanvullende redenen gesteld om de auto als gebruikte auto te kenmerken. De Rechtbank heeft volgens de Inspecteur terecht beslist dat sprake is van een nieuwe auto en dat de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. 5.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de auto als een nieuwe of als een gebruikte auto dient te worden aangemerkt. 5.4.1. Onder ee Deze stelling gaat derhalve niet op. 5.8. Belanghebbende vraagt het Hof prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen over het door de Hoge Raad aangelegde toetsingskader. Het Hof ziet, mede gelet op het onder 5.7 overwogene, geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie. 5.9. De Inspecteur heeft de auto terecht als nieuw in de heffing betrokken en de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase 5.10. Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase heeft toegekend, omdat sprake zou zijn van tegen-beter-weten-in-procederen van de zijde van (de gemachtigde van) belanghebbende. Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat de stelling uitsluitend ziet op het standpunt dat sprake is van een gebruikte auto voor het vaststellen van de verschuldigde bpm. Belanghebbende stelt dat pas op het moment dat over de onderhavige problematiek prejudiciële vragen zijn gesteld aan en beantwoord zijn door het Hof van Justitie, kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, sprake is van tegen-beter-weten-in-procederen. Belanghebbende stelt immers dat het toetsingskader van de Hoge Raad gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie onjuist is. Het feit dat belanghebbende, onder verwijzing naar de koerslijst AutotelexPro, een andere mening heeft over de vraag of de auto een waardevermindering heeft ondergaan, en of in het verlengde daarvan de verschuldigde bpm lager is, kwalificeert niet als tegen-beter-weten-in-procederen, aldus belanghebbende. 5.11. De Inspecteur stelt dat de Rechtbank terecht het verzoek om vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase heeft afgewezen. Er is geen enkele twijfel mogelijk dat een auto met een tellerstand van 53 kilometer ook in de ogen van de consument een nieuwe auto is. Nu belanghebbende dit in twijfel trekt, had belanghebbende met nadere argumenten moeten komen waarom dit in dit geval anders zou liggen, hetgeen hij niet heeft gedaan. In de door het Hof van Justitie aangelegde toets dat moet worden gekeken naar de economische context en de concurrentiepositie waarin de auto zich verbindt, kwalificeert de auto ook als nieuwe auto. Er is dus wel degelijk sprake van tegen-beter-weten-in-procederen. 5.12. Van toekenning van een vergoeding van immateriële schade kan worden afgezien bij een geschil over een zeer gering financieel belang, waarbij kan worden volstaan met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.2). In voornoemd arrest heeft de Hoge Raad verder, voor zover hier van belang, als volgt overwogen: “(…) 3.3.3. Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door hem in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover hij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen. (…)” 5.13. Partijen houdt uitsluitend verdeeld of belanghebbende het standpunt dat de auto als gebruikt moet worden aangemerkt tegen beter weten in heeft ingenomen. Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank terecht heeft beslist dat dit het geval is en dus terecht heeft volstaan met de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar standpunt uitsluitend gewezen op de tellerstand van 53 kilometer en de eerste toelating. Zoals de Inspecteur ter zittin