Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-05-19
ECLI:NL:GHDHA:2026:1594
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.343.380/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : 10574438 VZ VERZ 23-7059 Beschikking van 19 mei 2026 in de zaak van 1 [verzoeker] , wonend in [plaats] , 2. [naam] Vastgoed B.V . , gevestigd in Rotterdam, verzoekers in hoger beroep, advocaat: mr. I.J.M.I. Souren, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen Vereniging van Eigenaars " [naam] ", gelegen aan de [adres] en [adres 1] te Rotterdam, gevestigd in Rotterdam, verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. J.P.H. Willems, kantoorhoudend in Arnhem. Het hof noemt partijen hierna [verzoeker] , [naam] en de VvE. 1 De zaak in het kort 1.1 [verzoeker] is directeur/eigenaar van [naam] . [naam] is eigenaar van enkele appartementsrechten gelegen aan de [adres] en de [adres 1] te [plaats] . In de appartementsrechten van [naam] heeft [verzoeker] zijn tandartspraktijk gehuisvest. 1.2 [verzoeker] en [naam] hebben de VvE verzocht om hen toestemming te geven om enkele ruimtes van [naam] ten behoeve van de tandartspraktijk tijdelijk op een bepaalde, nader omschreven manier te gebruiken. Omdat de VvE die toestemming heeft geweigerd hebben [verzoeker] en [naam] in deze procedure verzocht om afgifte van een vervangende machtiging voor het door hen gewenste tijdelijke gebruik. 1.3 De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] en [naam] afgewezen. Het hof komt in deze beschikking tot hetzelfde oordeel. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift (met bijlagen), ter griffie ingekomen op 4 juni 2024, zijn [verzoeker] en [naam] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank [plaats] van 1 mei 2024 (hierna: bestreden beschikking). 2.2 De VvE heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend, dat op 4 april 2025 is ontvangen ter griffie van het hof. 2.3 Bij e-mail van 11 juli 2025 heeft de advocaat van de VvE bevestigd dat alle leden van de VvE en overige belanghebbenden bij name zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroep. 2.4 [verzoeker] en [naam] hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling een ‘akte overleggen aanvullende bijlagen tevens wijziging van verzoek’ (met bijlagen) ingediend, ingekomen bij het hof op 29 oktober 2025. 2.5 Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 7 november 2025. De advocaten hebben zich daarbij bediend van pleitnota’s, die zij hebben overgelegd. Vervolgens is een (nadere) datum voor de beschikking bepaald. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 [verzoeker] is tandarts. Hij is enig aandeelhouder en bestuurder van [naam] . 3.2 Vanaf 1989 huurde [verzoeker] met zijn praktijk de ruimtes aan de [adres 2] in [plaats] . 3.3 In 1993 is Woningbouwvereniging “De Combinatie” eigenaar geworden van, onder meer, alle appartementsrechten die behoren tot de VvE. Het gaat daarbij om (de ruimtes in) een gebouw dat ligt op de hoek van de [adres 1] en de [adres] . 3.4 In 1997 heeft De Combinatie het gebouw verbouwd en gerenoveerd. Daarbij is onder meer een doorbraak gerealiseerd tussen de [adres 3] en [adres 2] , ruimtes die [verzoeker] toen voor zijn praktijk huurde. De Combinatie heeft tevens een nieuwe toegangsdeur geplaatst. Een aantal installaties van de tandartspraktijk van [verzoeker] is verplaatst naar de ruimte boven de goederenlift. 3.5 [verzoeker] heeft zijn tandartspraktijk in stappen verder uitgebreid, waarbij hij (toen nog als huurder) enkele wijzigingen heeft aangebracht aan, in en om het gebouw. 3.6 Bij akte van hoofdsplitsing van 23 juli 2004 zijn zeven registergoederen, gelegen aan de [adres] en/of de [adres 1] in [plaats] , gesplitst in vijf appartementsrechten, waaronder appartementsrecht A1. 3.7 Bij akte van ondersplitsing van eveneens 23 juli 2004 is appartementsrecht A1 ondergesplitst in 25 appartementsrechten (met indices 6-30). Bij die splitsingsakte is ook de VvE opgericht. 3.8 Op verschillende data vanaf 2005 heeft [verzoeker] de appartementsrechten 9 (woning met berging aan de [adres 4] ), 11 (woning/pra Op die manier kan [verzoeker] zijn doel bereiken zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid die de splitsingsstukken moeten bieden. (…) 4.45 (…) De rechtbank ziet aanleiding [verzoeker] een lange termijn te stellen om aan de veroordelingen te voldoen, zodat partijen voldoende gelegenheid hebben om alsnog in overleg tot een oplossing [te] komen. Een lange termijn doet ook recht aan de belangen van [verzoeker] en het feit dat de VvE jarenlang niet is opgetreden tegen de inbreuken op de splitsingsakte.” [verzoeker] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. 3.17 Op 28 maart 2022 is [naam] opgericht en heeft [verzoeker] de appartementen met indices 9, 11, 12 en 25 tot en met 30 en de appartementsrechten 4 en 5 aan [naam] overgedragen. 3.18 In de vergadering van eigenaars van 10 augustus 2022 is besloten om niet tot tenuitvoerlegging van het vonnis over te gaan zolang het hoger beroep daartegen nog aanhangig is. Een door [verzoeker] aan de vergadering voorgelegd ‘integraal voorstel’ is in die vergadering afgewezen. [verzoeker] heeft het hoger beroep tegen het vonnis ‘ on hold’ gezet zolang er tussen partijen nog gesproken wordt. 3.19 Bij brief van 16 mei 2023 heeft [verzoeker] nieuwe voorstellen geformuleerd “teneinde uit deze impasse te geraken.” De VvE heeft die voorstellen in de vergadering van eigenaars van 24 mei 2023 afgewezen. 4 Procedure bij de kantonrechter 4.1 [verzoeker] en [naam] hebben de kantonrechter in de rechtbank [plaats] verzocht om enkele afwijzende besluiten die genomen zijn tijdens de vergadering van eigenaars van 24 mei 2023 te vernietigen en voorts om hen een vervangende machtiging te verlenen voor het uitvoeren en/of toestaan van het volgende: het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de [adres 6] en [adres 4] als bedrijfsruimte, het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de gemeenschappelijke ruimte boven de goederenlift voor de technische installaties (afzuigmotor, centrale stofzuiger en een CV ketel) met inachtneming van wet- en regelgeving, regelmatige keuringen en een passende verzekering, het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de bergingen 11 en 12 als kleedruimte, het gedurende het bestaan van de praktijk toestaan van de bestaande verbouwingen en doorbraken binnen en tussen de appartementen [adres 4] en [adres 3] en [adres 2] en [adres 5] , inclusief het realiseren van een interne verbouwing van en een nieuwe verbinding tussen [adres 6] en [adres 3] op dezelfde wijze als binnen de overige appartementen reeds is gerealiseerd, met inachtneming van wet- en regelgeving en een passende verzekering, het gedurende het bestaan van de praktijk in gebruik laten van de glazen toegangsdeuren als privégedeelte behorende bij het appartementsrecht [adres 3] met het recht van onderhoud en vervanging, een en ander met de veroordeling van de VvE in de proceskosten. 4.2 De kantonrechter heeft de verzoeken in de bestreden beschikking afgewezen en [verzoeker] en [naam] in de proceskosten veroordeeld. Volgens de kantonrechter kan het verzoek tot vernietiging van de besluiten in de vergadering van eigenaars van 24 mei 2023 niet worden toegewezen omdat het daarbij gaat om negatieve besluiten (afwijzing van de voorstellen van [verzoeker] ). Wat de verzochte vervangende machtiging betreft overwoog de kantonrechter, zakelijk weergegeven, dat met het oog op de veroordelingen van [verzoeker] in het vonnis niet valt in te zien waarom de weigering van de VvE om in te stemmen met de verzoeken 1 tot en met 5 van [verzoeker] en [naam] zonder redelijke grond zou zijn. De kantonrechter heeft daaraan toegevoegd dat [verzoeker] en [naam] in de onderhavige procedure in feite dezelfde verzoeken voorleggen als die waarop de rechtbank reeds in het vonnis heeft beslist. Daarmee gaat het in de onderhavige procedure om een verkapt hoger beroep tegen dat vonnis, waarvoor de verzoekschriftprocedure niet is bedoeld, aldus de kantonrechter. 5 Verzoek in hoger beroep 5.1 [ Ad verzoek 1 Het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de [adres 6] als bedrijfsruimte, Het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de [adres 4] als bedrijfsruimte, althans voor zover het hof meent dat het ondergeschikte bedrijfsmatige dubbelgebruik naast wonen van het appartement [adres 4] betekent dat er (alsnog) wordt gehandeld in strijd met de woon-bestemming; Ad verzoek 2 Primair: het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de gemeenschappelijke ruimte boven de goederen lift voor de technische installaties (afzuigmotor, centrale stofzuigeren een CV-ketel) met inachtneming van wet- en regelgeving, regelmatige keuringen en een passende verzekering. Subsidiair: het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de gemeenschappelijke ruimte boven de goederenlift voor het hebben en houden van leidingen ten behoeve van de technische installaties van [verzoeker] in de naastgelegen bergingen van [verzoeker] , welke leidingen via de gemeenschappelijke liftruimte lopen naar de praktijkruimten van [verzoeker] met inachtneming van wet- en regelgeving, regelmatige keuringen en een passende verzekering; Ad verzoek 3 - Het gedurende het bestaan van de praktijk mogen gebruiken van de bergingen 11 en 12 als was-, strijk- en kleedruimte; Ad verzoek 4 Het gedurende het bestaan van de praktijk toestaan van de bestaande verbouwingen en doorbraken binnen en tussen de appartementen van [verzoeker] op de eerste verdieping [adres 3] en B en [adres 5] , inclusief het realiseren van een interne verbouwing van en een nieuwe verbinding tussen [adres 6] en [adres 3] op dezelfde wijze als binnen de overige appartementen reeds is gerealiseerd, met inachtneming van wet- en regelgeving en passende verzekering; Te verklaren voor recht dat het [verzoeker] is toegestaan om gedurende het bestaan van zijn praktijk de doorbraak tussen het appartement van [verzoeker] op de eerste verdieping aan de [adres] [adres 2] en het appartement van [verzoeker] op de begane grond aan de [adres 5] , te hebben en te houden, met inachtneming van wet- en regelgeving en passende verzekering; Ad verzoek 5 Het gedurende het bestaan van de praktijk in gebruik laten van de glazen toegangsdeuren als privégedeelte behorende bij het appartementsrecht [adres 3] en [adres 2] met het recht van onderhoud en vervanging; Te verklaren voor recht dat de glazen toegangsdeuren als privégedeelte behoren bij het appartementsrecht [adres 3] en [adres 2] met het recht van onderhoud en vervanging. 6 Beoordeling in hoger beroep Inzet van het hoger beroep 6.1 Het hoger beroep van [verzoeker] en [naam] is niet gericht tegen de afwijzing van hun verzoek om de besluiten die genomen zijn in de vergadering van eigenaars van 24 mei 2023 te vernietigen. Weliswaar hebben zij in hun ‘akte overleggen aanvullende bijlagen tevens wijziging van verzoek’ alsnog verzocht om vernietiging van die besluiten, maar na het daartegen door de VvE gerichte bezwaar (strijd met de tweeconclusieregel) hebben [verzoeker] en [naam] dat verzoek tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken. 6.2 De VvE heeft zich onder verwijzing naar de tweeconclusieregel tevens verzet tegen de in de ‘akte overleggen aanvullende bijlagen tevens wijziging van verzoek’ onder d) en e) verzochte verklaringen voor recht, de onder a) verzochte gewijzigde gebruikstoestemming conform ‘dubbelbestemming’ en het subsidiair onder b) verzochte. Deze gewijzigde verzoeken zijn pas kort voor de zitting gedaan, ruim nadat de VvE haar verweerschrift al had ingediend. Dat staat haaks op de tweeconclusieregel. De gewijzigde verzoeken zijn bovendien niet eerder aan de VvE ter besluitvorming voorgelegd. Het hof acht de gewijzigde/vermeerderde verzoeken daarom strijdig met de goede procesorde en zal deze dan ook buiten beschouwing laten. 6.3 Blijft over het verzoek van [verzoeker] en [naam] tot afgifte van een vervangende rechterlijke machtiging om enkele ruimtes binnen het gebouw tijdelij Uit die akte volgt dat het bij de genoemde appartementsrechten gaat om woningen op de eerste verdieping van het gebouw met bijbehorende berging in de kelder. Zonder nadere toelichting, die [naam] en [verzoeker] niet hebben gegeven, valt niet in te zien op grond waarvan de in de ondersplitsing gegeven woonbestemming niet had mogen afwijken van een eventuele dubbelbestemming voor het gebouw in de hoofdsplitsing. 6.10 De VvE heeft dus goede gronden om haar toestemming voor het door [verzoeker] en [naam] verzochte afwijkende gebruik te onthouden. Het door hen beoogde tijdelijk afwijkende gebruik als bedrijfsruimte zou immers betekenen dat de beide appartementsrechten zouden worden gebruikt op een wijze die indruist tegen de in de splitsingsakte aan die appartementsrechten gegeven woonbestemming en de (in art. 17 lid 4 van die akte opgenomen) verplichting om de beide appartementsrechten te gebruiken overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming als woning met berging. 6.11 De verwijzing van [verzoeker] en [naam] naar het Wortelboerarrest kan hen hierin niet baten. Om te beginnen is niet gebleken dat [verzoeker] of [naam] het appartementsrecht aan de [adres 6] inmiddels ook daadwerkelijk in eigendom heeft verkregen. Anders dan in het Wortelboerarrest gaat het in het onderhavige geval dus niet om alleen een (gemakkelijk weer ongedaan te maken) interne doorgang tussen twee woonappartementen van dezelfde eigenaar. [verzoeker] en [naam] hebben op het punt van de bestemming bovendien geen wijziging of aanpassing van de splitsingsakte verzocht. (2) Het gebruik van de gemeenschappelijke ruimte boven de goederenlift 6.12 [verzoeker] en [naam] hebben aangevoerd dat zij de gemeenschappelijke ruimte boven de goederenlift al vanaf 1997 (indertijd nog als huurder) in gebruik hebben en dat er geen andere appartementseigenaars zijn die die ruimte zouden willen of kunnen gebruiken. 6.13 Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat het bij de door [verzoeker] in gebruik genomen ruimte boven de goederenlift gaat om een gemeenschappelijke ruimte. De VvE heeft naar voren gebracht dat deze ruimte slechts beperkt toegankelijk is en ongeschikt is voor het houden van technische installaties. Volgens de VvE heeft zich vanuit de ruimte meermaals overlast voorgedaan, waaronder een lekkage, terwijl [verzoeker] en [naam] hebben verzuimd aan te geven welke installaties zich in de ruimte bevinden, hoe de leidingen lopen en hoe deze zijn gekoppeld aan de praktijk. [verzoeker] en [naam] hebben een en ander niet voldoende gemotiveerd weersproken. Daarnaast heeft de VvE haar zorgen geuit over de brandveiligheid van het plafond van de lift. Deze zorgen heeft zij onderbouwd aan de hand van een onderzoek van WCC Brandbescherming. Met het oog daarop kan niet worden gezegd dat de VvE zonder redelijke grond haar toestemming heeft geweigerd voor het tijdelijke privégebruik van de gemeenschappelijke ruimte boven de goederenlift, nog daargelaten dat geen aanwijzingen bestaan dat de ‘tijdelijkheid’ van dit privégebruik van korte duur zal zijn (waarover hierna meer). (3) Het gebruik van de bergingen 11 en 12 als kleedruimte 6.14 De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 maart 2022 voor recht verklaard dat onder het begrip ‘berging’ uit art. 17 lid 4 van de splitsingsakte geen gebruik als kleed-, was- en/of strijkruimte valt. Zolang deze verklaring voor recht niet (in het desbetreffende hoger beroep) is vernietigd, moet er dus van worden uitgegaan dat het door [verzoeker] en [naam] verzochte tijdelijke gebruik als kleedruimte strijdig is met de splitsingsakte. Niet valt in te zien waarom de weigering van de VvE om toestemming te onthouden voor een gebruik dat afwijkt van hetgeen daarover in de splitsingsakte is opgenomen zonder redelijke grond zou zijn, temeer nu bij de ‘tijdelijkheid’ ervan vraagtekens kunnen worden geplaatst. 6.15 De VvE heeft verder aangevoerd dat de bergingen 11 en 12 zich bevinden in de kelder van het gebouw aan het einde van de gang en dat de tandartsenprakt De rechter kan geen vervangende machtiging afgeven als door de handelingen waarvoor machtiging wordt gevraagd, strijd met de splitsingsakte zal ontstaan. De machtiging vervangt immers de toestemming van de VvE en uit de wet vloeit voort dat een toestemmingsbesluit van de VvE dat in strijd is met de splitsingsakte nietig is . [verzoeker] en [naam] hebben onvoldoende toegelicht waarom deze omstandigheid geen redelijke grond kan vormen voor de weigering van de VvE om voor dat afwijkende gebruik toestemming te verlenen. Wat betreft de ‘tijdelijkheid’ van het gebruik sub 1 tot en met 5 6.21 [verzoeker] en [naam] hebben aangevoerd dat het bij al hun verzoeken slechts gaat om een ‘tijdelijke’ situatie, namelijk alleen voor de periode ‘gedurende het bestaan van de praktijk’. In verband met deze formulering heeft de VvE naar voren gebracht dat een dergelijke ‘tijdelijke’ toestemming voor (van de splitsingsakte) afwijkend gebruik potentieel tot in lengte van dagen zou kunnen duren, namelijk totdat in die appartementsrechten geen enkele praktijk meer plaatsvindt. De periode ‘gedurende het bestaan van de praktijk’ is immers niet gebonden aan de persoon van [verzoeker] . Pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is aan het begrip ‘tijdelijk’ de uitleg gegeven “totdat de praktijk door [verzoeker] niet meer wordt gevoerd” (pleitnota in hoger beroep onder 30), maar die optie is nimmer aan de VvE ter besluitvorming voorgelegd. Daar komt bij dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven dat hij voor onbepaalde tijd, ook tot na zijn pensionering, aan de praktijk verbonden wil blijven. Het risico voor de VvE dat het niet bij een kortdurend afwijkend gebruik zal blijven wordt overigens, uitgaande van de ‘tijdelijkheid’ zoals geformuleerd in het petitum, versterkt door het feit dat niet [verzoeker] , maar [naam] de eigenaar is van beide appartementsrechten en [verzoeker] als directeur/eigenaar van [naam] ervoor kan kiezen om zijn (praktijk)belang in die vennootschap op enig moment aan een ander over te doen of de (aandelen in de) vennootschap over te dragen. Deze onzekerheid brengt naar het oordeel van het hof temeer mee dat niet kan worden volgehouden dat de VvE geen redelijke grond heeft om voor de vijf genoemde gevallen haar toestemming te weigeren. Overige grieven (2, 3 en 9) 6.22 [verzoeker] en [naam] hebben hun stelling dat de VvE niet zou optreden tegen appartementseigenaars die op soortgelijke wijze afwijkend gebruik zouden maken van hun appartementsrechten niet concreet gemaakt, hetgeen na de betwisting van deze stelling door de VvE wel op hun weg had gelegen. Hoe dan ook kan dit argument van [verzoeker] en [naam] niet leiden tot toewijzing van hun verzoek om afgifte van een vervangende machtiging voor het door hen onder 1) tot en met 5) verzochte afwijkende gebruik. Een al dan niet vermeend afwijkend gebruik door andere eigenaren schept geen rechten voor [verzoeker] en/of [naam] . 6.23 Ook het argument van [verzoeker] en [naam] dat de situatie die in de periode 1994 (verbouw en renovatie door De Combinatie) tot 2004 (splitsing van het gebouw in appartementsrechten) is ontstaan niet of onjuist in de splitsingsaktes zou zijn opgenomen kan niet leiden tot afgifte van een vervangende machtiging voor het door hen gewenste ‘tijdelijk’ afwijkende gebruik. Om eventuele omissies in de splitsingsstukken recht te zetten dienen [verzoeker] en [naam] een daarop gerichte procedure te volgen, zoals de rechtbank onder rov. 4.5 in het vonnis van 2 maart 2022 heeft overwogen. Een dergelijke procedure hebben [verzoeker] en [naam] niet gevolgd en de verzoeken in de onderhavige procedure zijn daarop ook niet gericht. Conclusie en proceskosten 6.24 De slotsom is dat niet kan worden gezegd dat de VvE haar toestemming voor of medewerking aan het door [verzoeker] en [naam] verzochte ‘tijdelijke’ gebruik zonder redelijke gronden heeft geweigerd. Voor zover daarover niet al is beslist in het vonnis van 2 maart 2022 b