Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-05-12
ECLI:NL:GHDHA:2026:1558
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
14,864 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1558 text/xml public 2026-05-19T10:30:19 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-05-12 200.357.923/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2025:10095, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1558 text/html public 2026-05-06T14:04:16 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1558 Gerechtshof Den Haag , 12-05-2026 / 200.357.923/01 Na ziekmelding door werknemer heeft de werkgever bedrijfsrecherche ingeschakeld. De werkgever heeft vervolgens geoordeeld dat de werknemer onjuiste mededelingen had gedaan in verband met zijn arbeidsongeschiktheid en hem op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft het ontslag rechtsgeldig geacht. Het hof komt tot een andere beoordeling. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel zaaknummer: 200.357.923/01 zaaknummer rechtbank Rotterdam: 11273499 VZ VERZ 24-7636 beschikking van 12 mei 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [verzoeker] (voorheen: [bewindvoerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [verzoeker] ), wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. P.A. van Lange, kantoorhoudend te Dordrecht, tegen RENES RECLYCLING B.V. , gevestigd te Rotterdam, verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. A.L. van den Bosch, kantoorhoudend te Rotterdam. Partijen worden hierna [verzoeker] en Renes genoemd. 1 De zaak in het kort Na ziekmelding door werknemer heeft de werkgever bedrijfsrecherche ingeschakeld. De werkgever heeft vervolgens geoordeeld dat de werknemer onjuiste mededelingen had gedaan in verband met zijn arbeidsongeschiktheid en hem op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft het ontslag rechtsgeldig geacht. Het hof komt tot een andere beoordeling. 2 Procesverloop in hoger beroep In deze zaak heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam op 15 april 2025 onder bovenvermeld zaaknummer een beschikking gegeven tussen [bewindvoerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [verzoeker] enerzijds en Renes anderzijds. Bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 15 juli 2025, is de bewindvoerder in hoger beroep gekomen van deze beschikking. Bij het beroepschrift zijn de processtukken in eerste aanleg overgelegd. Mr. Van Lange heeft de stukken in eerste aanleg naderhand gecompleteerd door toezending van productie 6 bij het verweerschrift in eerste aanleg. Vervolgens is ter griffie van het hof een verweerschrift (met een productie) van Renes ingekomen. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Beide advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. Bij deze gelegenheid heeft mr. Van Lange meegedeeld dat het bewind van [verzoeker] is geëindigd en dat [verzoeker] de procedure op eigen naam voortzet en alle eerdere proceshandelingen bekrachtigt. Het hof heeft in overeenstemming hiermee in de kop van deze beschikking [verzoeker] als verzoeker in hoger beroep vermeld. 3 Voorafgaande opmerking Het hof zal hierna de rol van de bewindvoerder [bewindvoerder] , waar deze eerder als formele procespartij is opgetreden, onvermeld laten. 4 Feitelijke achtergrond Het gaat in deze zaak om het volgende. 4.1. [verzoeker] is bij Renes op 1 mei 2024 in dienst getreden in de functie van “Chauffeur CE (Haakarm)” voor 40 uur per week, tegen een bruto salaris van € 3.200,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Het betrof een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden, met een proeftijd van één maand en de mogelijkheid van tussentijdse opzegging (met een termijn overeenkomstig de wet). 4.2. [verzoeker] heeft zich op 4 juni 2024 via WhatsApp ziekgemeld bij Renes (“heb gisteren me rechter knie verdraaid tijdens me werk”). 4.3. Renes heeft [verzoeker] op 27 juni 2024 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum is het volgende vermeld: Met deze brief bevestig ik de inhoud van het gesprek dat [naam 1] en ik op 27 juni 2024 met je hebben gevoerd. In dat gesprek ben je met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen, onder onverwijlde mededeling van de daaraan ten grondslag liggende redenen, die hieronder zijn vermeld. Onderstaande is uitvoerig met je besproken en je bent in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Functie Sinds 1 mei 2024 ben jij bij Renes Recycling B.V. ("Renes”) in dienst en laatstelijk werkzaam in de functie van Chauffeur CE. Aanleiding Wij hebben geconstateerd dat sprake is van frauduleus ziekteverzuim. Hieronder wordt dit toegelicht. Toelichting Vanaf 4 juni jl. heb jij jezelf ziek gemeld onder vermelding van de reden dat jij je knie zou hebben verdraaid waardoor jij geen werkzaamheden zou kunnen verrichten. Daarnaast heb jij richting mij via whatsapp verklaard het huis niet uit te kunnen. Vorige week zijn echter sterke vermoedens gerezen dat dit niet in lijn is met de realiteit. Renes heeft daarop eerst zelf onderzoek verricht op vrijdag 21 juni jl. Wij hebben toen geconstateerd dat jij wel degelijk in staat was je zelfstandig te mobiliseren, namelijk van jouw woning naar de arbodienst, zonder enig hulpmiddel. Deze constateringen leken de eerdere vermoedens dus te bevestigen. Opmerkelijk genoeg is in de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 21 juni jl. vervolgens echter (onder meer) opgenomen dat traplopen en klimmen beperkt plaats dienen te vinden, dat jij niet in staat zou zijn om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer en dat jij je zou mobiliseren met een hulpmiddel. Dit leek dus niet in lijn met de werkelijkheid. Om alle eventuele misverstanden te voorkomen en er zeker van te zijn dat de vermoedens juist waren, heeft Renes vervolgens een bedrijfsrecherche ingeschakeld. Het onderzoek is op vrijdagmiddag 21 juni jl. in gang gezet en op zaterdag 22 juni jl. gestart. Op 26 juni jl. hebben wij de rapportage ontvangen en jou - na beraad - direct uitgenodigd voor een gesprek op 27 juni jl. Helaas gaf jij aan geen vervoer te hebben om naar ons kantoor te komen, als gevolg waarvan wij ons genoodzaakt zagen bij jouw woning langs te komen. Daar hebben wij het voorgaande met jou besproken. De bevindingen in de rapportage zijn klip en klaar. Onder meer is gebleken dat jij i) bij herhaling, alsmede zonder medische hulpmiddelen zoals krukken, alsmede zonder compenserende bewegingen, (vlot) trappen op- en afloopt, ii) bij herhaling je honden uitlaat, wederom zonder medische hulpmiddelen, iii) bij herhaling zelfstandig in een (handgeschakelde) auto rijdt en daarmee zelfstandig aan het verkeer deelneemt, iv) op een (ongelijk) voetbalgrasveld loopt en v) bij herhaling activiteiten ontplooit. Dit alles terwijl jij verklaart het huis niet uit te kunnen en bij de bedrijfsarts hebt verklaard dat jij niet in staat zou zijn om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer en jij je zou mobiliseren met een hulpmiddel. Wij hebben dan ook moeten concluderen dat sprake is van frauduleus ziekteverzuim. Gevolgen Wij hebben jou te kennen gegeven dat deze handelwijze in onze visie een dringende reden vormt die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Wij hebben je meermaals de vraag voorgelegd of er (persoonlijke) omstandigheden zijn waarmee wij bij onze besluitvorming omtrent de te treffen maatregelen rekening moeten houden. Dat bleek niet het geval. Sterker, tijdens het gesprek gaf jij - wederom - aan eigenlijk nooit buiten te komen. Daarnaast gaf jij aan dat een specialist zou beamen dat jij niets zou kunnen. De rapportage bewijst echter duidelijk het tegendeel. De door jou aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen jouw handelswijze dus niet rechtvaardigen. Vervolgens hebben we met jou besproken dat jouw handelwijze, zoals hiervoor is weergegeven, voor Renes onacceptabel is. Gezien het voorgaande kunnen wij niet anders dan concluderen dat er sprake is van zodanige daden, eigenschappen of gedragingen, dat als gevolg daarvan van Renes redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1558 text/xml public 2026-05-19T10:30:19 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-05-12 200.357.923/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2025:10095, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1558 text/html public 2026-05-06T14:04:16 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1558 Gerechtshof Den Haag , 12-05-2026 / 200.357.923/01 Na ziekmelding door werknemer heeft de werkgever bedrijfsrecherche ingeschakeld. De werkgever heeft vervolgens geoordeeld dat de werknemer onjuiste mededelingen had gedaan in verband met zijn arbeidsongeschiktheid en hem op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft het ontslag rechtsgeldig geacht. Het hof komt tot een andere beoordeling. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel zaaknummer: 200.357.923/01 zaaknummer rechtbank Rotterdam: 11273499 VZ VERZ 24-7636 beschikking van 12 mei 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [verzoeker] (voorheen: [bewindvoerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [verzoeker] ), wonende te [woonplaats] , verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. P.A. van Lange, kantoorhoudend te Dordrecht, tegen RENES RECLYCLING B.V. , gevestigd te Rotterdam, verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. A.L. van den Bosch, kantoorhoudend te Rotterdam. Partijen worden hierna [verzoeker] en Renes genoemd. 1 De zaak in het kort Na ziekmelding door werknemer heeft de werkgever bedrijfsrecherche ingeschakeld. De werkgever heeft vervolgens geoordeeld dat de werknemer onjuiste mededelingen had gedaan in verband met zijn arbeidsongeschiktheid en hem op staande voet ontslagen. De kantonrechter heeft het ontslag rechtsgeldig geacht. Het hof komt tot een andere beoordeling. 2 Procesverloop in hoger beroep In deze zaak heeft de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam op 15 april 2025 onder bovenvermeld zaaknummer een beschikking gegeven tussen [bewindvoerder] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [verzoeker] enerzijds en Renes anderzijds. Bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 15 juli 2025, is de bewindvoerder in hoger beroep gekomen van deze beschikking. Bij het beroepschrift zijn de processtukken in eerste aanleg overgelegd. Mr. Van Lange heeft de stukken in eerste aanleg naderhand gecompleteerd door toezending van productie 6 bij het verweerschrift in eerste aanleg. Vervolgens is ter griffie van het hof een verweerschrift (met een productie) van Renes ingekomen. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Beide advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. Bij deze gelegenheid heeft mr. Van Lange meegedeeld dat het bewind van [verzoeker] is geëindigd en dat [verzoeker] de procedure op eigen naam voortzet en alle eerdere proceshandelingen bekrachtigt. Het hof heeft in overeenstemming hiermee in de kop van deze beschikking [verzoeker] als verzoeker in hoger beroep vermeld. 3 Voorafgaande opmerking Het hof zal hierna de rol van de bewindvoerder [bewindvoerder] , waar deze eerder als formele procespartij is opgetreden, onvermeld laten. 4 Feitelijke achtergrond Het gaat in deze zaak om het volgende. 4.1. [verzoeker] is bij Renes op 1 mei 2024 in dienst getreden in de functie van “Chauffeur CE (Haakarm)” voor 40 uur per week, tegen een bruto salaris van € 3.200,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Het betrof een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden, met een proeftijd van één maand en de mogelijkheid van tussentijdse opzegging (met een termijn overeenkomstig de wet). 4.2. [verzoeker] heeft zich op 4 juni 2024 via WhatsApp ziekgemeld bij Renes (“heb gisteren me rechter knie verdraaid tijdens me werk”). 4.3. Renes heeft [verzoeker] op 27 juni 2024 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum is het volgende vermeld: Met deze brief bevestig ik de inhoud van het gesprek dat [naam 1] en ik op 27 juni 2024 met je hebben gevoerd. In dat gesprek ben je met onmiddellijke ingang op staande voet ontslagen, onder onverwijlde mededeling van de daaraan ten grondslag liggende redenen, die hieronder zijn vermeld. Onderstaande is uitvoerig met je besproken en je bent in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Functie Sinds 1 mei 2024 ben jij bij Renes Recycling B.V. ("Renes”) in dienst en laatstelijk werkzaam in de functie van Chauffeur CE. Aanleiding Wij hebben geconstateerd dat sprake is van frauduleus ziekteverzuim. Hieronder wordt dit toegelicht. Toelichting Vanaf 4 juni jl. heb jij jezelf ziek gemeld onder vermelding van de reden dat jij je knie zou hebben verdraaid waardoor jij geen werkzaamheden zou kunnen verrichten. Daarnaast heb jij richting mij via whatsapp verklaard het huis niet uit te kunnen. Vorige week zijn echter sterke vermoedens gerezen dat dit niet in lijn is met de realiteit. Renes heeft daarop eerst zelf onderzoek verricht op vrijdag 21 juni jl. Wij hebben toen geconstateerd dat jij wel degelijk in staat was je zelfstandig te mobiliseren, namelijk van jouw woning naar de arbodienst, zonder enig hulpmiddel. Deze constateringen leken de eerdere vermoedens dus te bevestigen. Opmerkelijk genoeg is in de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 21 juni jl. vervolgens echter (onder meer) opgenomen dat traplopen en klimmen beperkt plaats dienen te vinden, dat jij niet in staat zou zijn om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer en dat jij je zou mobiliseren met een hulpmiddel. Dit leek dus niet in lijn met de werkelijkheid. Om alle eventuele misverstanden te voorkomen en er zeker van te zijn dat de vermoedens juist waren, heeft Renes vervolgens een bedrijfsrecherche ingeschakeld. Het onderzoek is op vrijdagmiddag 21 juni jl. in gang gezet en op zaterdag 22 juni jl. gestart. Op 26 juni jl. hebben wij de rapportage ontvangen en jou - na beraad - direct uitgenodigd voor een gesprek op 27 juni jl. Helaas gaf jij aan geen vervoer te hebben om naar ons kantoor te komen, als gevolg waarvan wij ons genoodzaakt zagen bij jouw woning langs te komen. Daar hebben wij het voorgaande met jou besproken. De bevindingen in de rapportage zijn klip en klaar. Onder meer is gebleken dat jij i) bij herhaling, alsmede zonder medische hulpmiddelen zoals krukken, alsmede zonder compenserende bewegingen, (vlot) trappen op- en afloopt, ii) bij herhaling je honden uitlaat, wederom zonder medische hulpmiddelen, iii) bij herhaling zelfstandig in een (handgeschakelde) auto rijdt en daarmee zelfstandig aan het verkeer deelneemt, iv) op een (ongelijk) voetbalgrasveld loopt en v) bij herhaling activiteiten ontplooit. Dit alles terwijl jij verklaart het huis niet uit te kunnen en bij de bedrijfsarts hebt verklaard dat jij niet in staat zou zijn om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer en jij je zou mobiliseren met een hulpmiddel. Wij hebben dan ook moeten concluderen dat sprake is van frauduleus ziekteverzuim. Gevolgen Wij hebben jou te kennen gegeven dat deze handelwijze in onze visie een dringende reden vormt die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Wij hebben je meermaals de vraag voorgelegd of er (persoonlijke) omstandigheden zijn waarmee wij bij onze besluitvorming omtrent de te treffen maatregelen rekening moeten houden. Dat bleek niet het geval. Sterker, tijdens het gesprek gaf jij - wederom - aan eigenlijk nooit buiten te komen. Daarnaast gaf jij aan dat een specialist zou beamen dat jij niets zou kunnen. De rapportage bewijst echter duidelijk het tegendeel. De door jou aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen jouw handelswijze dus niet rechtvaardigen. Vervolgens hebben we met jou besproken dat jouw handelwijze, zoals hiervoor is weergegeven, voor Renes onacceptabel is. Gezien het voorgaande kunnen wij niet anders dan concluderen dat er sprake is van zodanige daden, eigenschappen of gedragingen, dat als gevolg daarvan van Renes redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Volledig
Bovenstaande levert (tezamen, maar ook ieder op zich) ingevolge artikel 7:678 BW een dringende reden voor ontslag op. Jouw handelswijze heeft het vertrouwen van Renes onherstelbaar beschadigd. Ook heb jij de verplichting die uit hoofde van de arbeidsovereenkomst op jou rust om je als goed medewerker te gedragen, grovelijk veronachtzaamd. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het voorgaande tezamen, maar ook ieder op zich, grond voor het ontslag op staande voet oplevert, welk ontslag jou met onmiddellijke ingang op donderdag 27 juni 2024 is gegeven. We hebben daaraan voorafgaand geconstateerd dat er geen bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Slot Het voorgaande heeft tot gevolg dat jouw dienstverband op en ingaande 27 juni 2024 met onmiddellijke ingang is geëindigd op grond van een dringende reden, te weten frauduleus ziekteverzuim. 5 Procedure bij de kantonrechter 5.1. In eerste aanleg heeft [verzoeker] berust in het ontslag als zodanig en de kantonrechter verzocht, samengevat, voor recht te verklaren dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven, met veroordeling van Renes tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, billijke vergoeding, transitievergoeding en betaling van overuren. Renes heeft het verzoek van [verzoeker] tot vergoeding van overuren niet betwist. De overige verzoeken van [verzoeker] heeft zij wel betwist. Zij heeft de kantonrechter verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, terugbetaling van loon over de periode van 28 tot en met 30 juni 2024 en vergoeding van de kosten voor de inschakeling van bedrijfsrecherche. 5.2. De kantonrechter heeft Renes veroordeeld tot vergoeding van overuren en de overige verzoeken van [verzoeker] afgewezen. Zij heeft [verzoeker] veroordeeld tot terugbetaling van het loon en tot vergoeding van de kosten voor de inschakeling van bedrijfsrecherche. Het verzoek van Renes om een gefixeerde schadevergoeding is afgewezen. De kantonrechter heeft [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten. 6 Beoordeling in hoger beroep 6.1. Tegen de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt [verzoeker] op met zes grieven. Het hoger beroep strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarbij het ontslag rechtsgeldig is geacht, zijn verzoeken zijn afgewezen, de tegenverzoeken van Renes zijn toegewezen en [verzoeker] is veroordeeld in de proceskosten. De verzoeken van [verzoeker] in hoger beroep, na wijziging daarvan bij de mondelinge behandeling, betreffen de volgende onderdelen: - de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet, - de gefixeerde schadevergoeding (€ 3.456,-), - een billijke vergoeding (€ 3.456,-), - de transitievergoeding (€ 183,06). [verzoeker] verzoekt ten slotte een beslissing over de proceskosten. 6.2. Het verweerschrift van Renes in hoger beroep strekt ertoe dat het hof de verzoeken van [verzoeker] zal afwijzen (met beslissing over de proceskosten). 6.3. Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt. De rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag op staande voet 6.4. De kantonrechter heeft overwogen dat de dringende reden die Renes aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, is dat [verzoeker] onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan over de ernst van zijn beperkingen en over zijn arbeidsmogelijkheden tijdens ziekte. De kantonrechter heeft daaraan toegevoegd dat uit de ontslagbrief niet blijkt dat [verzoeker] is ontslagen omdat hij volgens Renes niet arbeidsongeschikt is en dat Renes tijdens de zitting heeft bevestigd dat zij de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] niet betwist. Ook heeft de kantonrechter nog overwogen dat er geen misverstand over kan bestaan dat de dringende reden voor Renes zag op het niet de waarheid spreken tegen Renes en de bedrijfsarts over de ernst van de beperkingen van [verzoeker] . 6.5. Het hof is van oordeel dat de observaties (van zowel Renes zelf als van het door haar ingeschakelde onderzoeksbureau [bedrijfsrecherche] ) niet zodanig zijn geweest dat Renes reeds op basis daarvan, zonder opnieuw de arboverpleegkundige of bedrijfsarts in te schakelen, tot ontslag op staande voet mocht overgaan. In zoverre slagen de grieven van [verzoeker] tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het hof licht dat hierna toe. 6.6. Van belang is allereerst dat uit de eigen stellingen van Renes volgt dat, zoals vermeld, de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] na zijn ziekmelding op 4 juni 2024 niet in geschil is. Aangenomen moet dus worden dat het hier niet gaat om een geval waarin de werkgever op basis van mededelingen of observaties het standpunt heeft ingenomen dat de werknemer arbeidsongeschiktheid heeft voorgewend. 6.7. Ook is van belang dat [verzoeker] al eerder problemen had aan zijn rechter knie (“uitgebreide voorgeschiedenis met re knie”). Uit het huisartsenjournaal is af te leiden dat [verzoeker] daarvoor in het verleden tweemaal is geopereerd. De huisarts heeft [verzoeker] voor de verdraaiing van zijn knie die aanleiding was voor de ziekmelding op 4 juni 2024 pijnstilling voorgeschreven en hem verwezen naar de fysiotherapeut. 6.8. Op 21 juni 2024 heeft [verzoeker] een intakeconsult gehad bij de arboverpleegkundige. In de verslaglegging daarvan is het volgende vermeld: Beperkingen : Betrokkene is aangewezen op een belasting waarbij zitten, staan en lopen dienen afgewisseld te worden en niet al te langdurig aaneengesloten plaats te vinden. Traplopen en klimmen dienen beperkt plaats te vinden en met name zonder additieve tilbelasting. Knielen, kruipen en hurken zijn beperkt qua duur en frequentie. Krachtfuncties en met name tillen vanaf grondniveau zijn beperkt. Zware duw- en trekbelasting dient in bovenmatige zin vermeden te worden. Vervoer: betrokkene is op dit moment niet in staat om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer. Advies : Betrokkene is uitgevallen voor zijn werk wegens klachten en beperkingen aan zijn rechter onderste extremiteit. Deze zijn ontstaan door een situatie op werk. Hij is hiervoor bij zijn basisarts geweest en zal hiervoor binnenkort naar de paramedicus gaan. Op dit moment ervaart hij nog veel klachten en beperkingen en mobiliseert hij met een hulpmiddel. Er is op dit moment strikt genomen geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid, echter vanwege de mate van de bovenstaande beperkingen en om het herstel zo goed mogelijk te bevorderen, wordt een start van (aangepaste) werkzaamheden op korte termijn ontraden. Zodra bij vorderen van de behandeling er sprake is van voldoende herstel, kan later bepaald worden of er gestart kan worden met aangepaste werkzaamheden cq re-integratie. Ik adviseer sociaal contact te houden. 6.9. In een e-mailbericht van een register arbeidsdeskundige aan Renes van 25 februari 2026 is vermeld dat de hiervoor geciteerde verslaglegging tot stand is gekomen op basis van de tijdens het consult afgenomen anamnese, de bevindingen en observaties tijdens het fysieke spreekuur, alsmede de door [verzoeker] verstrekte medische informatie van de behandelende sector en dat de beoordeling daarmee niet uitsluitend was gebaseerd op de uitlatingen van [verzoeker] . 6.10. Zowel de arboverpleegkundige als de arbeidsdeskundige hebben enkele relativeringen genoemd die voor de beoordeling van belang zijn. De arboverpleegkundige heeft geschreven dat zich strikt genomen geen volledige arbeidsongeschiktheid voordeed en dat ter bevordering van een zo goed mogelijk herstel werkhervatting op korte termijn werd ontraden. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat in de betrokken periode behoedzaamheid was geboden bij de interpretatie van de handel en wandel van [verzoeker] in relatie tot (de mate van) zijn arbeidsongeschiktheid. De arbeidsdeskundige heeft geschreven dat de beoordeling door de arboverpleegkundige niet uitsluitend was gebaseerd op uitlatingen van [verzoeker] . 6.11. Ter zitting in hoger beroep heeft het hof partijen gevraagd toe te lichten waaruit de werkzaamheden van [verzoeker] bij Renes bestonden. Daaruit is het volgende naar voren gekomen.
Volledig
Bovenstaande levert (tezamen, maar ook ieder op zich) ingevolge artikel 7:678 BW een dringende reden voor ontslag op. Jouw handelswijze heeft het vertrouwen van Renes onherstelbaar beschadigd. Ook heb jij de verplichting die uit hoofde van de arbeidsovereenkomst op jou rust om je als goed medewerker te gedragen, grovelijk veronachtzaamd. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het voorgaande tezamen, maar ook ieder op zich, grond voor het ontslag op staande voet oplevert, welk ontslag jou met onmiddellijke ingang op donderdag 27 juni 2024 is gegeven. We hebben daaraan voorafgaand geconstateerd dat er geen bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn die tot een andere beslissing zouden moeten leiden. Slot Het voorgaande heeft tot gevolg dat jouw dienstverband op en ingaande 27 juni 2024 met onmiddellijke ingang is geëindigd op grond van een dringende reden, te weten frauduleus ziekteverzuim. 5 Procedure bij de kantonrechter 5.1. In eerste aanleg heeft [verzoeker] berust in het ontslag als zodanig en de kantonrechter verzocht, samengevat, voor recht te verklaren dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven, met veroordeling van Renes tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, billijke vergoeding, transitievergoeding en betaling van overuren. Renes heeft het verzoek van [verzoeker] tot vergoeding van overuren niet betwist. De overige verzoeken van [verzoeker] heeft zij wel betwist. Zij heeft de kantonrechter verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, terugbetaling van loon over de periode van 28 tot en met 30 juni 2024 en vergoeding van de kosten voor de inschakeling van bedrijfsrecherche. 5.2. De kantonrechter heeft Renes veroordeeld tot vergoeding van overuren en de overige verzoeken van [verzoeker] afgewezen. Zij heeft [verzoeker] veroordeeld tot terugbetaling van het loon en tot vergoeding van de kosten voor de inschakeling van bedrijfsrecherche. Het verzoek van Renes om een gefixeerde schadevergoeding is afgewezen. De kantonrechter heeft [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten. 6 Beoordeling in hoger beroep 6.1. Tegen de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt [verzoeker] op met zes grieven. Het hoger beroep strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover daarbij het ontslag rechtsgeldig is geacht, zijn verzoeken zijn afgewezen, de tegenverzoeken van Renes zijn toegewezen en [verzoeker] is veroordeeld in de proceskosten. De verzoeken van [verzoeker] in hoger beroep, na wijziging daarvan bij de mondelinge behandeling, betreffen de volgende onderdelen: - de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet, - de gefixeerde schadevergoeding (€ 3.456,-), - een billijke vergoeding (€ 3.456,-), - de transitievergoeding (€ 183,06). [verzoeker] verzoekt ten slotte een beslissing over de proceskosten. 6.2. Het verweerschrift van Renes in hoger beroep strekt ertoe dat het hof de verzoeken van [verzoeker] zal afwijzen (met beslissing over de proceskosten). 6.3. Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt. De rechtsgeldigheid van het gegeven ontslag op staande voet 6.4. De kantonrechter heeft overwogen dat de dringende reden die Renes aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, is dat [verzoeker] onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan over de ernst van zijn beperkingen en over zijn arbeidsmogelijkheden tijdens ziekte. De kantonrechter heeft daaraan toegevoegd dat uit de ontslagbrief niet blijkt dat [verzoeker] is ontslagen omdat hij volgens Renes niet arbeidsongeschikt is en dat Renes tijdens de zitting heeft bevestigd dat zij de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] niet betwist. Ook heeft de kantonrechter nog overwogen dat er geen misverstand over kan bestaan dat de dringende reden voor Renes zag op het niet de waarheid spreken tegen Renes en de bedrijfsarts over de ernst van de beperkingen van [verzoeker] . 6.5. Het hof is van oordeel dat de observaties (van zowel Renes zelf als van het door haar ingeschakelde onderzoeksbureau [bedrijfsrecherche] ) niet zodanig zijn geweest dat Renes reeds op basis daarvan, zonder opnieuw de arboverpleegkundige of bedrijfsarts in te schakelen, tot ontslag op staande voet mocht overgaan. In zoverre slagen de grieven van [verzoeker] tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het hof licht dat hierna toe. 6.6. Van belang is allereerst dat uit de eigen stellingen van Renes volgt dat, zoals vermeld, de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] na zijn ziekmelding op 4 juni 2024 niet in geschil is. Aangenomen moet dus worden dat het hier niet gaat om een geval waarin de werkgever op basis van mededelingen of observaties het standpunt heeft ingenomen dat de werknemer arbeidsongeschiktheid heeft voorgewend. 6.7. Ook is van belang dat [verzoeker] al eerder problemen had aan zijn rechter knie (“uitgebreide voorgeschiedenis met re knie”). Uit het huisartsenjournaal is af te leiden dat [verzoeker] daarvoor in het verleden tweemaal is geopereerd. De huisarts heeft [verzoeker] voor de verdraaiing van zijn knie die aanleiding was voor de ziekmelding op 4 juni 2024 pijnstilling voorgeschreven en hem verwezen naar de fysiotherapeut. 6.8. Op 21 juni 2024 heeft [verzoeker] een intakeconsult gehad bij de arboverpleegkundige. In de verslaglegging daarvan is het volgende vermeld: Beperkingen : Betrokkene is aangewezen op een belasting waarbij zitten, staan en lopen dienen afgewisseld te worden en niet al te langdurig aaneengesloten plaats te vinden. Traplopen en klimmen dienen beperkt plaats te vinden en met name zonder additieve tilbelasting. Knielen, kruipen en hurken zijn beperkt qua duur en frequentie. Krachtfuncties en met name tillen vanaf grondniveau zijn beperkt. Zware duw- en trekbelasting dient in bovenmatige zin vermeden te worden. Vervoer: betrokkene is op dit moment niet in staat om zelfstandig deel te nemen aan het verkeer. Advies : Betrokkene is uitgevallen voor zijn werk wegens klachten en beperkingen aan zijn rechter onderste extremiteit. Deze zijn ontstaan door een situatie op werk. Hij is hiervoor bij zijn basisarts geweest en zal hiervoor binnenkort naar de paramedicus gaan. Op dit moment ervaart hij nog veel klachten en beperkingen en mobiliseert hij met een hulpmiddel. Er is op dit moment strikt genomen geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid, echter vanwege de mate van de bovenstaande beperkingen en om het herstel zo goed mogelijk te bevorderen, wordt een start van (aangepaste) werkzaamheden op korte termijn ontraden. Zodra bij vorderen van de behandeling er sprake is van voldoende herstel, kan later bepaald worden of er gestart kan worden met aangepaste werkzaamheden cq re-integratie. Ik adviseer sociaal contact te houden. 6.9. In een e-mailbericht van een register arbeidsdeskundige aan Renes van 25 februari 2026 is vermeld dat de hiervoor geciteerde verslaglegging tot stand is gekomen op basis van de tijdens het consult afgenomen anamnese, de bevindingen en observaties tijdens het fysieke spreekuur, alsmede de door [verzoeker] verstrekte medische informatie van de behandelende sector en dat de beoordeling daarmee niet uitsluitend was gebaseerd op de uitlatingen van [verzoeker] . 6.10. Zowel de arboverpleegkundige als de arbeidsdeskundige hebben enkele relativeringen genoemd die voor de beoordeling van belang zijn. De arboverpleegkundige heeft geschreven dat zich strikt genomen geen volledige arbeidsongeschiktheid voordeed en dat ter bevordering van een zo goed mogelijk herstel werkhervatting op korte termijn werd ontraden. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat in de betrokken periode behoedzaamheid was geboden bij de interpretatie van de handel en wandel van [verzoeker] in relatie tot (de mate van) zijn arbeidsongeschiktheid. De arbeidsdeskundige heeft geschreven dat de beoordeling door de arboverpleegkundige niet uitsluitend was gebaseerd op uitlatingen van [verzoeker] . 6.11. Ter zitting in hoger beroep heeft het hof partijen gevraagd toe te lichten waaruit de werkzaamheden van [verzoeker] bij Renes bestonden. Daaruit is het volgende naar voren gekomen.
Volledig
[verzoeker] was chauffeur van een vrachtwagen waarmee hij naar bedrijven ging om volle containers met bedrijfsafval op te halen en een lege container achter te laten (naar het hof begrijpt: met behulp van een door hem te bedienen haakarm). Soms moest hij een net spannen over de container om te voorkomen dat afval, zoals houten pallets, tijdens het rijden van de container zou vallen (vergelijk de foto in een WhatsApp, productie 4 bij verweerschrift eerste aanleg). De volle container bracht hij dan terug naar Renes. Dit soort ritten maakte hij vier of vijf keer op een werkdag. De verslaglegging van de arboverpleegkundige moet kennelijk worden gelezen tegen de achtergrond van deze werkzaamheden van [verzoeker] . Dat geldt in het bijzonder voor de opmerking dat [verzoeker] op dat moment niet in staat was zelfstandig deel te nemen aan het verkeer. 6.12. Renes heeft naar voren gebracht dat de conclusies ten aanzien van de beperkingen uit het spreekuurverslag van de arboverpleegkundige niet overeen kwamen met hetgeen [naam 1] (de financieel directeur van Renes) zelf had gezien. [naam 1] had op 21 juni 2024 gezien dat [verzoeker] reed in een handgeschakelde zwarte bestelbus en dat hij de trappen naar zijn appartement oprende (zonder moeite, zonder compenserende bewegingen en zonder gebruik te maken van medische hulpmiddelen). Toen [verzoeker] later die dag bij de arbodienst uitstapte, zag [naam 1] hem plots moeilijk en met krukken naar de ingang van de arbodienst lopen. Om te controleren of [verzoeker] daadwerkelijk niet naar waarheid had verklaard omtrent zijn arbeidsongeschiktheid, heeft Renes bedrijfsrecherche [bedrijfsrecherche] ingeschakeld. 6.13. [bedrijfsrecherche] B.V. (hierna: [bedrijfsrecherche] ) heeft van 22 juni 2024 t/m 25 juni 2024 door middel van observaties onderzoek gedaan “naar (vermeend) frauduleus ziekteverzuim”. In het daarvan opgemaakte rapport (met beeldmateriaal) zijn voor zover van belang de volgende waarnemingen vermeld: Op zaterdag 22 juni 2024 bevond ik mij vanaf omstreeks 07.33 uur in de directe nabijheid van het woonadres van de heer [verzoeker] (…) Eerst pas om 08.56 uur arriveerde de heer [verzoeker] , gezeten achter het stuur van de [auto], nabij zijn woning. Nadat hij was gearriveerd liep de heer [verzoeker] naar de centrale ingang van het appartementencomplex, opende de brievenbus en liep verder het complex in richting de stenen/betonnen trappen (…). Om 08.59 uur kwam de heer [verzoeker] buiten met twee honden die hij vervolgens uit liet. (…) Het viel mij daarbij op dat de heer [verzoeker] onder meer vlot een trap afliep. Om 09.06 uur ging de heer [verzoeker] met de twee honden het appartementencomplex weer in. Van het gebruik van medische hulpmiddelen (krukken) was ook in geen geval sprake (…) Om 10.11 uur vertrok de heer [verzoeker] , gezeten achter het stuur van de [auto]. (…) Nadat de heer [verzoeker] de [auto] had geparkeerd liep hij vervolgens richting (…) alwaar onder meer (…) winkels zijn gesitueerd. Om 11.15 uur arriveerde de heer [verzoeker] , zonder aankopen, weer bij de [auto], waarna hij vertrok (…). Door de heer [verzoeker] te volgen merkte ik op dat (…) naar een filiaal van ‘Hornbach’ reed (…) te Nieuwerkerk aan den IJssel. De heer [verzoeker] arriveerde daar omstreeks 11.27 uur . Om 12.00 uur vertrok de heer [verzoeker] (…). Om 13.16 uur reed de heer [verzoeker] , wederom gezeten achter het stuur van de [auto], langs mijn positie van dat moment en reed naar een voetbalvereniging (…). De heer [verzoeker] arriveerde daar omstreeks 13.19 uur . Om 13.59 uur maakte ik een korte opname van de heer [verzoeker] . Hij liep in gezelschap op het voetbalveld. (…) Om 14.22 uur vertrok de heer [verzoeker] in de [auto] en reed naar zijn eigen woning. (…) Op zondag 23 juni 2024 monitorde ik vanaf omstreeks 06.27 uur (…) Om 07.50 uur vertrok de heer [verzoeker] , zelfstandig gezeten achter het stuur van de [auto]. Hij reed vervolgens naar een woning in de [adres] . Hij arriveerde daar omstreeks 07.53 uur . De heer [verzoeker] vertrok daar weer, andermaal gezeten in de [auto], om 09.11 uur , waarna hij om 09.14 uur in de eigen woonomgeving arriveerde. Vanaf omstreeks 09.17 uur liet de heer [verzoeker] de twee honden weer uit en liep hij andermaal een trap af, waarna hij richting zijn appartement liep (…). Op maandag 24 juni 2024 monitorde ik vanaf omstreeks 08.31 uur (…) Bij aanvang nam ik de [auto] niet waar, ik reed vervolgens naar de [adres] waar ik omstreeks 08.36 uur de [auto] geparkeerd zag staan. (…) Om 10.07 uur reed de heer [verzoeker] in de [auto] naar de eigen woonomgeving waar hij om 09.14 uur arriveerde en vervolgens de twee honden uitliet. (…) Op dinsdag 25 juni 2024 monitorde ik vanaf omstreeks 07.07 uur (…) Om 08.37 uur kwam de heer [verzoeker] buiten met de twee honden, en wel nadat hij juist daarvoor de stenen/betonnen trap van het appartementencomplex af was gelopen (…). Vervolgens liet hij de honden uit en daalde hij andermaal een trap af (…). 6.14. Het hof kan aan de waarnemingen van zowel Renes zelf als van [bedrijfsrecherche] niet het gewicht toekennen dat Renes eraan toegekend wenst te zien. Dat [verzoeker] korte autoritten maakte, lijkt op het eerste gezicht in strijd met de opmerking in de verslaglegging van de arboverpleegkundige dat [verzoeker] niet in staat was zelfstandig deel te nemen aan het verkeer. Het hof acht niet aannemelijk dat de arboverpleegkundige deze woorden heeft opgetekend uit de mond van [verzoeker] . Wèl dat het hier een eigen bevinding van de arboverpleegkundige betreft op basis van haar beeld van de werkzaamheden van [verzoeker] . Renes heeft steeds de nadruk erop gelegd dat de auto waarin [verzoeker] werd waargenomen een handgeschakelde auto was. Ter zitting in hoger beroep is van de zijde van Renes erkend dat hieraan bij nader inzien geen betekenis toekomt. Het lijkt erop dat Renes (hetzelfde geldt voor [bedrijfsrecherche] ) van [verzoeker] verwachtte dat deze tot niets meer in staat was. [verzoeker] heeft daartegenover aangevoerd dat zijn situatie verslechterde naarmate de dag vorderde en de werking van de pijnstilling afnam, dat hij wel degelijk soms krukken moest gebruiken (bijvoorbeeld op 21 juni 2024 nadat hij op weg naar de arbodienst te lang in de auto had gereden), dat hij onder zijn broek een kniebrace droeg en dat hij wel genoodzaakt was soms een boodschap te doen en zijn honden uit te laten. Renes heeft deze tegenwerpingen van [verzoeker] onvoldoende betwist. 6.15. De voorgaande overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat de bevindingen van de arboverpleegkundige niet onverenigbaar zijn met de waarnemingen van Renes en [bedrijfsrecherche] . Deze waarnemingen waren in elk geval ontoereikend om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Dat geldt ook voor enkele andere omstandigheden die Renes nog heeft genoemd (de ziekmelding na afloop van de proeftijd, de deur niet opendoen, de telefoon niet opnemen). Renes had de betekenis van al de door haar gestelde omstandigheden voor een aanvullende beoordeling kunnen voorleggen aan de bedrijfsarts, maar dat heeft zij niet gedaan. In dit verband memoreert het hof dat in het eerdergenoemde e-mailbericht van de arbeidsdeskundige van 25 februari 2026 is vermeld dat reeds een vervolgconsult bij de bedrijfsarts was gepland, met name voor verdiepend onderzoek en nadere beoordeling. Ter zitting in hoger beroep is door Renes meegedeeld dat dit vervolgconsult niet is doorgegaan na een mededeling van haar aan de arbodienst dat het dienstverband met [verzoeker] inmiddels was geëindigd. 6.16. Gebleken is dat [verzoeker] op één punt niet de waarheid heeft gesproken. Tot de stukken behoort een WhatsApp gesprek tussen [naam 2] (de operationeel directeur van Renes) en [verzoeker] van 21 juni 2024 over het niet uitbetaald zijn van overuren. Daarin heeft [naam 2] [verzoeker] erop gewezen dat overuren moeten worden ingevuld in een app.
Volledig
[verzoeker] was chauffeur van een vrachtwagen waarmee hij naar bedrijven ging om volle containers met bedrijfsafval op te halen en een lege container achter te laten (naar het hof begrijpt: met behulp van een door hem te bedienen haakarm). Soms moest hij een net spannen over de container om te voorkomen dat afval, zoals houten pallets, tijdens het rijden van de container zou vallen (vergelijk de foto in een WhatsApp, productie 4 bij verweerschrift eerste aanleg). De volle container bracht hij dan terug naar Renes. Dit soort ritten maakte hij vier of vijf keer op een werkdag. De verslaglegging van de arboverpleegkundige moet kennelijk worden gelezen tegen de achtergrond van deze werkzaamheden van [verzoeker] . Dat geldt in het bijzonder voor de opmerking dat [verzoeker] op dat moment niet in staat was zelfstandig deel te nemen aan het verkeer. 6.12. Renes heeft naar voren gebracht dat de conclusies ten aanzien van de beperkingen uit het spreekuurverslag van de arboverpleegkundige niet overeen kwamen met hetgeen [naam 1] (de financieel directeur van Renes) zelf had gezien. [naam 1] had op 21 juni 2024 gezien dat [verzoeker] reed in een handgeschakelde zwarte bestelbus en dat hij de trappen naar zijn appartement oprende (zonder moeite, zonder compenserende bewegingen en zonder gebruik te maken van medische hulpmiddelen). Toen [verzoeker] later die dag bij de arbodienst uitstapte, zag [naam 1] hem plots moeilijk en met krukken naar de ingang van de arbodienst lopen. Om te controleren of [verzoeker] daadwerkelijk niet naar waarheid had verklaard omtrent zijn arbeidsongeschiktheid, heeft Renes bedrijfsrecherche [bedrijfsrecherche] ingeschakeld. 6.13. [bedrijfsrecherche] B.V. (hierna: [bedrijfsrecherche] ) heeft van 22 juni 2024 t/m 25 juni 2024 door middel van observaties onderzoek gedaan “naar (vermeend) frauduleus ziekteverzuim”. In het daarvan opgemaakte rapport (met beeldmateriaal) zijn voor zover van belang de volgende waarnemingen vermeld: Op zaterdag 22 juni 2024 bevond ik mij vanaf omstreeks 07.33 uur in de directe nabijheid van het woonadres van de heer [verzoeker] (…) Eerst pas om 08.56 uur arriveerde de heer [verzoeker] , gezeten achter het stuur van de [auto], nabij zijn woning. Nadat hij was gearriveerd liep de heer [verzoeker] naar de centrale ingang van het appartementencomplex, opende de brievenbus en liep verder het complex in richting de stenen/betonnen trappen (…). Om 08.59 uur kwam de heer [verzoeker] buiten met twee honden die hij vervolgens uit liet. (…) Het viel mij daarbij op dat de heer [verzoeker] onder meer vlot een trap afliep. Om 09.06 uur ging de heer [verzoeker] met de twee honden het appartementencomplex weer in. Van het gebruik van medische hulpmiddelen (krukken) was ook in geen geval sprake (…) Om 10.11 uur vertrok de heer [verzoeker] , gezeten achter het stuur van de [auto]. (…) Nadat de heer [verzoeker] de [auto] had geparkeerd liep hij vervolgens richting (…) alwaar onder meer (…) winkels zijn gesitueerd. Om 11.15 uur arriveerde de heer [verzoeker] , zonder aankopen, weer bij de [auto], waarna hij vertrok (…). Door de heer [verzoeker] te volgen merkte ik op dat (…) naar een filiaal van ‘Hornbach’ reed (…) te Nieuwerkerk aan den IJssel. De heer [verzoeker] arriveerde daar omstreeks 11.27 uur . Om 12.00 uur vertrok de heer [verzoeker] (…). Om 13.16 uur reed de heer [verzoeker] , wederom gezeten achter het stuur van de [auto], langs mijn positie van dat moment en reed naar een voetbalvereniging (…). De heer [verzoeker] arriveerde daar omstreeks 13.19 uur . Om 13.59 uur maakte ik een korte opname van de heer [verzoeker] . Hij liep in gezelschap op het voetbalveld. (…) Om 14.22 uur vertrok de heer [verzoeker] in de [auto] en reed naar zijn eigen woning. (…) Op zondag 23 juni 2024 monitorde ik vanaf omstreeks 06.27 uur (…) Om 07.50 uur vertrok de heer [verzoeker] , zelfstandig gezeten achter het stuur van de [auto]. Hij reed vervolgens naar een woning in de [adres] . Hij arriveerde daar omstreeks 07.53 uur . De heer [verzoeker] vertrok daar weer, andermaal gezeten in de [auto], om 09.11 uur , waarna hij om 09.14 uur in de eigen woonomgeving arriveerde. Vanaf omstreeks 09.17 uur liet de heer [verzoeker] de twee honden weer uit en liep hij andermaal een trap af, waarna hij richting zijn appartement liep (…). Op maandag 24 juni 2024 monitorde ik vanaf omstreeks 08.31 uur (…) Bij aanvang nam ik de [auto] niet waar, ik reed vervolgens naar de [adres] waar ik omstreeks 08.36 uur de [auto] geparkeerd zag staan. (…) Om 10.07 uur reed de heer [verzoeker] in de [auto] naar de eigen woonomgeving waar hij om 09.14 uur arriveerde en vervolgens de twee honden uitliet. (…) Op dinsdag 25 juni 2024 monitorde ik vanaf omstreeks 07.07 uur (…) Om 08.37 uur kwam de heer [verzoeker] buiten met de twee honden, en wel nadat hij juist daarvoor de stenen/betonnen trap van het appartementencomplex af was gelopen (…). Vervolgens liet hij de honden uit en daalde hij andermaal een trap af (…). 6.14. Het hof kan aan de waarnemingen van zowel Renes zelf als van [bedrijfsrecherche] niet het gewicht toekennen dat Renes eraan toegekend wenst te zien. Dat [verzoeker] korte autoritten maakte, lijkt op het eerste gezicht in strijd met de opmerking in de verslaglegging van de arboverpleegkundige dat [verzoeker] niet in staat was zelfstandig deel te nemen aan het verkeer. Het hof acht niet aannemelijk dat de arboverpleegkundige deze woorden heeft opgetekend uit de mond van [verzoeker] . Wèl dat het hier een eigen bevinding van de arboverpleegkundige betreft op basis van haar beeld van de werkzaamheden van [verzoeker] . Renes heeft steeds de nadruk erop gelegd dat de auto waarin [verzoeker] werd waargenomen een handgeschakelde auto was. Ter zitting in hoger beroep is van de zijde van Renes erkend dat hieraan bij nader inzien geen betekenis toekomt. Het lijkt erop dat Renes (hetzelfde geldt voor [bedrijfsrecherche] ) van [verzoeker] verwachtte dat deze tot niets meer in staat was. [verzoeker] heeft daartegenover aangevoerd dat zijn situatie verslechterde naarmate de dag vorderde en de werking van de pijnstilling afnam, dat hij wel degelijk soms krukken moest gebruiken (bijvoorbeeld op 21 juni 2024 nadat hij op weg naar de arbodienst te lang in de auto had gereden), dat hij onder zijn broek een kniebrace droeg en dat hij wel genoodzaakt was soms een boodschap te doen en zijn honden uit te laten. Renes heeft deze tegenwerpingen van [verzoeker] onvoldoende betwist. 6.15. De voorgaande overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat de bevindingen van de arboverpleegkundige niet onverenigbaar zijn met de waarnemingen van Renes en [bedrijfsrecherche] . Deze waarnemingen waren in elk geval ontoereikend om het ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Dat geldt ook voor enkele andere omstandigheden die Renes nog heeft genoemd (de ziekmelding na afloop van de proeftijd, de deur niet opendoen, de telefoon niet opnemen). Renes had de betekenis van al de door haar gestelde omstandigheden voor een aanvullende beoordeling kunnen voorleggen aan de bedrijfsarts, maar dat heeft zij niet gedaan. In dit verband memoreert het hof dat in het eerdergenoemde e-mailbericht van de arbeidsdeskundige van 25 februari 2026 is vermeld dat reeds een vervolgconsult bij de bedrijfsarts was gepland, met name voor verdiepend onderzoek en nadere beoordeling. Ter zitting in hoger beroep is door Renes meegedeeld dat dit vervolgconsult niet is doorgegaan na een mededeling van haar aan de arbodienst dat het dienstverband met [verzoeker] inmiddels was geëindigd. 6.16. Gebleken is dat [verzoeker] op één punt niet de waarheid heeft gesproken. Tot de stukken behoort een WhatsApp gesprek tussen [naam 2] (de operationeel directeur van Renes) en [verzoeker] van 21 juni 2024 over het niet uitbetaald zijn van overuren. Daarin heeft [naam 2] [verzoeker] erop gewezen dat overuren moeten worden ingevuld in een app.
Volledig
Nadat [verzoeker] had bericht dat het invullen van overuren in de app hem niet lukte, heeft [naam 2] geantwoord dat ‘ […] ’ dat aan [verzoeker] zou kunnen uitleggen en “Kan je misschien maandagochtend tussen 10:00 en 11:00 langs de weegbrug gaan met je app op de telefoon?” [verzoeker] heeft daarop als volgt gereageerd: “Ik kan de deur niet uit – Ik loop met krukken”. Dit bericht draagt echter onvoldoende bij aan het betoog van Renes dat er sprake is geweest van – kort gezegd –geen volledige inlichtingen geven over de mate van arbeidsongeschiktheid, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat het bericht door Renes wel erg letterlijk is genomen en door [verzoeker] is gestuurd in de context van onvrede van [verzoeker] over de ten onrechte niet aan hem betaalde overuren. 6.17. Renes heeft in reactie op grief 3 nog gesteld dat [verzoeker] de verdraaiing van zijn knie niet, zoals voorgeschreven in het personeelsreglement, heeft gemeld bij de preventiemedewerker of iemand anders van Renes en dat hij bij de ziekmelding op 4 juni 2024 heeft verklaard dat hij op 3 juni 2024 zijn knie had verdraaid, terwijl dit blijkens het huisartsenjournaal mogelijk al op 31 mei 2024 was gebeurd. Deze verwijten heeft Renes echter niet (mede) aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag gelegd, waarbij in het midden kan blijven of daaraan voldoende gewicht toekomt. 6.18. In de voorgaande overwegingen ligt besloten dat ook niet kan worden aangenomen dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met zijn re-integratieverplichtingen. Tussenconclusie 6.19. Anders dan de kantonrechter, is het hof dus van oordeel dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De daartoe strekkende verklaring voor recht is daarom toewijsbaar terwijl de verzoeken van Renes tot terugbetaling van loon over enkele dagen en tot vergoeding van de kosten voor de inschakeling van bedrijfsrecherche alsnog moeten worden afgewezen. 6.20. Bij verdere en afzonderlijke bespreking van de grieven 1 t/m 5 bestaat onvoldoende belang. Gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding 6.21. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek van [verzoeker] tot toewijzing van de gefixeerde schadevergoeding (€ 3.456,- bruto) toewijsbaar is. 6.22. Ten aanzien van de verzoeken van [verzoeker] tot toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding heeft Renes betoogd dat [verzoeker] geen grieven heeft aangevoerd tegen de afwijzing hiervan door de kantonrechter. Het hof verwerpt dit betoog. De afwijzende beslissingen van de kantonrechter ten aanzien van deze verzoeken bouwen voort op het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het ligt voor de hand de tegen dat oordeel aangevoerde grieven uit te leggen als mede gericht tegen die beslissingen. Renes heeft de grieven van [verzoeker] redelijkerwijze zo moeten begrijpen. 6.23. Als transitievergoeding zal het hof het bedrag van € 183,06 bruto toekennen. 6.24. Het hof ziet aanleiding tot toekenning van een billijke vergoeding. Voor wat betreft de waarde van de arbeidsovereenkomst die het hof bij de bepaling daarvan in ogenschouw moet nemen, overweegt het hof dat de omstandigheid dat [verzoeker] , zoals hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, na het hem gegeven ontslag een aantal maanden zonder werk heeft gezeten en moest rondkomen met een minimum, al de toekenning rechtvaardigt van het verzochte bedrag van € 3.456,- bruto, zijnde het loon van [verzoeker] verhoogd met vakantiebijslag. Slotsom en proceskosten 6.25. De uitkomst van het hoger beroep is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Ter wille van de overzichtelijkheid zal het hof de beschikking geheel vernietigen en opnieuw rechtdoen zoals hierna zal worden beslist. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Renes worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Grief 6 slaagt dus. 6.26. De proceskosten in hoger beroep worden begroot op: griffierecht € 362,- salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.131,-. 7 Beslissing Het hof: vernietigt de bestreden beschikking; opnieuw rechtdoende: veroordeelt Renes om aan [verzoeker] € 525,- netto wegens overuren te betalen; verklaart voor recht dat het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven; veroordeelt Renes tot betaling aan [verzoeker] van de volgende bedragen: € 3.456,- bruto wegens gefixeerde schadevergoeding, € 3.456,- bruto wegens billijke vergoeding, € 183,06 bruto wegens transitievergoeding; wijst de verzoeken van Renes af; veroordeelt Renes in de proceskosten in eerste aanleg en begroot deze tot de datum van de bestreden beschikking aan de zijde van [verzoeker] op € 678,-; veroordeelt Renes in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [verzoeker] op € 3.131,-, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze kostenveroordeling is voldaan; bepaalt dat als Renes niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Renes de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, M.D. Ruizeveld en A.C.M. Kuypers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Volledig
Nadat [verzoeker] had bericht dat het invullen van overuren in de app hem niet lukte, heeft [naam 2] geantwoord dat ‘ […] ’ dat aan [verzoeker] zou kunnen uitleggen en “Kan je misschien maandagochtend tussen 10:00 en 11:00 langs de weegbrug gaan met je app op de telefoon?” [verzoeker] heeft daarop als volgt gereageerd: “Ik kan de deur niet uit – Ik loop met krukken”. Dit bericht draagt echter onvoldoende bij aan het betoog van Renes dat er sprake is geweest van – kort gezegd –geen volledige inlichtingen geven over de mate van arbeidsongeschiktheid, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat het bericht door Renes wel erg letterlijk is genomen en door [verzoeker] is gestuurd in de context van onvrede van [verzoeker] over de ten onrechte niet aan hem betaalde overuren. 6.17. Renes heeft in reactie op grief 3 nog gesteld dat [verzoeker] de verdraaiing van zijn knie niet, zoals voorgeschreven in het personeelsreglement, heeft gemeld bij de preventiemedewerker of iemand anders van Renes en dat hij bij de ziekmelding op 4 juni 2024 heeft verklaard dat hij op 3 juni 2024 zijn knie had verdraaid, terwijl dit blijkens het huisartsenjournaal mogelijk al op 31 mei 2024 was gebeurd. Deze verwijten heeft Renes echter niet (mede) aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag gelegd, waarbij in het midden kan blijven of daaraan voldoende gewicht toekomt. 6.18. In de voorgaande overwegingen ligt besloten dat ook niet kan worden aangenomen dat [verzoeker] heeft gehandeld in strijd met zijn re-integratieverplichtingen. Tussenconclusie 6.19. Anders dan de kantonrechter, is het hof dus van oordeel dat het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De daartoe strekkende verklaring voor recht is daarom toewijsbaar terwijl de verzoeken van Renes tot terugbetaling van loon over enkele dagen en tot vergoeding van de kosten voor de inschakeling van bedrijfsrecherche alsnog moeten worden afgewezen. 6.20. Bij verdere en afzonderlijke bespreking van de grieven 1 t/m 5 bestaat onvoldoende belang. Gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en billijke vergoeding 6.21. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek van [verzoeker] tot toewijzing van de gefixeerde schadevergoeding (€ 3.456,- bruto) toewijsbaar is. 6.22. Ten aanzien van de verzoeken van [verzoeker] tot toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding heeft Renes betoogd dat [verzoeker] geen grieven heeft aangevoerd tegen de afwijzing hiervan door de kantonrechter. Het hof verwerpt dit betoog. De afwijzende beslissingen van de kantonrechter ten aanzien van deze verzoeken bouwen voort op het oordeel van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het ligt voor de hand de tegen dat oordeel aangevoerde grieven uit te leggen als mede gericht tegen die beslissingen. Renes heeft de grieven van [verzoeker] redelijkerwijze zo moeten begrijpen. 6.23. Als transitievergoeding zal het hof het bedrag van € 183,06 bruto toekennen. 6.24. Het hof ziet aanleiding tot toekenning van een billijke vergoeding. Voor wat betreft de waarde van de arbeidsovereenkomst die het hof bij de bepaling daarvan in ogenschouw moet nemen, overweegt het hof dat de omstandigheid dat [verzoeker] , zoals hij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, na het hem gegeven ontslag een aantal maanden zonder werk heeft gezeten en moest rondkomen met een minimum, al de toekenning rechtvaardigt van het verzochte bedrag van € 3.456,- bruto, zijnde het loon van [verzoeker] verhoogd met vakantiebijslag. Slotsom en proceskosten 6.25. De uitkomst van het hoger beroep is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. Ter wille van de overzichtelijkheid zal het hof de beschikking geheel vernietigen en opnieuw rechtdoen zoals hierna zal worden beslist. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Renes worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Grief 6 slaagt dus. 6.26. De proceskosten in hoger beroep worden begroot op: griffierecht € 362,- salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II) nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.131,-. 7 Beslissing Het hof: vernietigt de bestreden beschikking; opnieuw rechtdoende: veroordeelt Renes om aan [verzoeker] € 525,- netto wegens overuren te betalen; verklaart voor recht dat het aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven; veroordeelt Renes tot betaling aan [verzoeker] van de volgende bedragen: € 3.456,- bruto wegens gefixeerde schadevergoeding, € 3.456,- bruto wegens billijke vergoeding, € 183,06 bruto wegens transitievergoeding; wijst de verzoeken van Renes af; veroordeelt Renes in de proceskosten in eerste aanleg en begroot deze tot de datum van de bestreden beschikking aan de zijde van [verzoeker] op € 678,-; veroordeelt Renes in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [verzoeker] op € 3.131,-, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking aan deze kostenveroordeling is voldaan; bepaalt dat als Renes niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, Renes de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, M.D. Ruizeveld en A.C.M. Kuypers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2026 in aanwezigheid van de griffier.