Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-03-12
ECLI:NL:GHDHA:2026:1292
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-25/112 Uitspraak van 12 maart 2026 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: S.M. Bothof) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 januari 2025, nummer SGR 23/7539. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.087 (de naheffingsaanslag). 1.2. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden; - draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nog een nader stuk ingediend, bij het Hof ingekomen op 27 januari 2026. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op 10 maart 2022 aangifte bpm gedaan ter zake van een Jeep, Wrangler Unlimited 3.6 Rubicon (de auto). De datum van eerste toelating is 29 juli 2019. 2.2. In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam] . Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 113.915 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 33.219 (koerslijst XRAY). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 15.333,51 en is, met uitzondering van € 725 voor gebruikerssporen op basis van een tabel, voor 100% in aanmerking genomen) en een vermindering wegens ‘geen oordeel’ kilometerstand RDW-voertuigrapport (€ 3.000) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 15.610. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 9 februari 2022. 2.3. De inkoopfactuur is niet verstrekt. 2.4. De datum van keuring door de RDW is 10 februari 2022, waarbij de kilometerstand 82.532 km bedroeg. De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 276 gr/km NEDC. 2.5. Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door de dienst Domein Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 16 maart 2022 vermeldt een historische nieuwprijs van € 112.720, een netto catalogusprijs van € 39.632 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 31.747 (koerslijst XRAY -/- schade). Daarbij heeft DRZ rekening gehouden met een waardevermindering wegens schade van € 1.119, ofwel 72% van de door DRZ geconstateerde schade. 2.6. De volgens de aangifte verschuldigde bpm van € 8.609 is op aangifte voldaan. 2.7. De Inspecteur heeft een naheffingsaanslag van € 9.087 opgelegd. 2.8. De auto is op 7 juni 2022 in het kentekenregister geregistreerd. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “Deskundigheid hertaxateur DRZ 9. Eiseres heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het st Eiseres bepleit in feite dat in dit geval niet moet worden aangehaakt bij het moment van inschrijving, omdat het fiscale akkoord pas aanmerkelijk later (9 weken) is afgegeven en tot dat moment geen gebruik kon worden gemaakt van de openbare weg. Alsdan kan volgens eiseres niet het moment van inschrijving het belastbare moment zijn, althans het moment waarop de afschrijving volgens de forfaitaire tabel moet worden bepaald, en moet bij gebruik van de afschrijvingstabel in verband daarmee een extra leeftijdskorting worden toegepast. De rechtbank volgt eiseres niet in deze stelling, omdat deze apert strijdig is met het wettelijke systeem zoals hiervoor weergegeven, namelijk dat de Bpm is verschuldigd op het moment van de inschrijving van de auto. Ook leidt artikel 110 VWEU niet tot aanvaarding van deze van de wettelijke regeling afwijkende benadering. Dat niet eerder een kenteken is afgegeven, vorm ook geen inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres. (…) Immateriële schadevergoeding 16. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 14 juni 2022 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 29 januari 2025 gedaan. Dat is dus ruim 31 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 7 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 18 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend. 17. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door verweerder. Proceskosten 18. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[3] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25). (…) [3] ECLI:NL:HR:2023:1526.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de uitspraak van de Rechtbank juist is. Meer specifiek is in geschil: 1. Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd? 2. Heeft de Inspecteur voldoende rekening gehouden met een waardevermindering vanwege schade? 3. Dient de waarde van de auto te worden verlaagd vanwege de NAP-status in het kentekenregister? 4. Komt belanghebbende in aanmerking voor “extra leeftijdskorting”? 5. Heeft de Rechtbank de proceskostenvergoeding juist vastgesteld? 4.2. Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 8.148, tot veroordeling van de Inspecteur in de juiste proceskostenvergoeding in de beroepsfase en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep. 4.3. De Inspecteur concludeert met betrekking tot de proceskostenvergoeding in eerste aanleg tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Beoordeling van het hoger beroep Schade 5.1. Belanghebbende beroept zich op een vermindering van de handelsinkoopwaarde met een (extra) bedrag aan schade vanwege roest aan onderdelen aan de onderkant van de auto. Zij heeft eerst ter zitting van de Rechtbank Wijzigingen in de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen Er wordt voorgesteld om in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Wet BPM 1992) het belastbaar feit te vervroegen van (de facto) de tenaamstelling in het kentekenregister naar de inschrijving in het kentekenregister. In dat kader wordt mede voorgesteld om het afschrijvingspercentage van een gebruikt motorrijtuig – die mede de grondslag van de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (bpm) bij gebruikte motorrijtuigen bepaalt – te bepalen op basis van de toestand van het gebruikte motorrijtuig op het moment van het onderzoek naar de identiteit van het motorrijtuig door de Dienst Wegverkeer (RDW) voor de inschrijving. Deze aanpassing beoogt een eerlijker speelveld tussen de binnenlandse handel en de importhandel in gebruikte motorrijtuigen (parallelimport), een afname van het aantal bezwaarschriften in de bpm, de mogelijkheid voor de inspecteur om beter toezicht op parallelimport uit te oefenen en een complexiteitreductie van de heffing van de bpm. Het voorstel loopt vooruit op een mogelijke wijziging in de bpm waarbij de RDW een rol krijgt om de inspecteur te adviseren over de bpm bij parallelimport.[Kamerstukken II 2019/20, 32 800, nr. 64] Het belangrijkste belastbare feit voor de bpm is op dit moment de registratie van een motorrijtuig in het kentekenregister. Deze registratie omvat zowel de inschrijving als de tenaamstelling van een motorrijtuig in het kentekenregister. Hoewel in de Wegenverkeerswet 1994 het uitgangspunt is dat inschrijving en tenaamstelling gelijktijdig plaats vinden, kunnen tussen het moment van inschrijving en dat van de tenaamstelling enkele dagen, weken of (soms) maanden zitten. Dat leidt tot een onwenselijk en juridisch complicerend tijdsverloop met betrekking tot de heffing van de bpm. Enerzijds moet als hoofdregel namelijk de betaling en aangifte worden gedaan voordat het motorrijtuig is ingeschreven in het kentekenregister. Anderzijds is voor de hoogte van de heffing van de verschuldigde bpm de staat van het motorrijtuig bepalend ten tijde van de tenaamstelling. Het voorstel is om het belastbare feit daarom eenduidig vast te stellen op het moment van de inschrijving van het motorrijtuig in het kentekenregister. Voor de heffing van bpm op gebruikte motorrijtuigen is het daarbij van belang nauwkeurig te bepalen op welk moment het afschrijvingspercentage van het motorrijtuig wordt bepaald. Er wordt voorgesteld dat moment te bepalen op het moment dat op grond van de Wegenverkeerswet 1994 onderzoek wordt gedaan naar de identiteit van het voertuig in het kader van de aanvraag om inschrijving in het kentekenregister. Het wetsvoorstel leidt tot de volgende verbeteringen in de bpm. Gelijke fiscale behandeling tussen binnenlandse handel en importhandel Het importeren van gebruikte motorrijtuigen is op dit moment fiscaal gunstiger dan het inkopen van gebruikte motorrijtuigen op de binnenlandse markt. Bij inkoop op de binnenlandse markt betaalt de ondernemer (bijvoorbeeld de dealer) aan de verkoper een prijs inclusief de nog op het motorrijtuig drukkende bpm. De bpm is in de inkoopprijs verdisconteerd. De ondernemer die echter hetzelfde motorrijtuig uit het buitenland importeert, is pas bpm verschuldigd als het motorrijtuig wordt verkocht aan de klant (op naam wordt gesteld van de klant). De tijd dat het motorrijtuig bij de importhandelaar in de bedrijfsvoorraad staat, wordt het motorrijtuig ouder en er ontstaat dan recht op extra leeftijdskorting voor de bpm. Bij tenaamstelling na import is daardoor minder bpm verschuldigd dan de bpm die op hetzelfde motorrijtuig in de inkoopprijs is vervat op de binnenlandse markt. Deze ongelijkheid wordt zo veel mogelijk rechtgetrokken doordat het belastbaar feit de inschrijving in het kentekenregister wordt en de grondslag bij gebruikte motorrijtuigen wordt bepaald op het moment van het onderzoek naar de inschrijving door de RDW. Minder bezwaarschriften Het huidige tijdsverloop tus De staatssecretaris van Financiën heeft bij zijn besluit van 28 december 2021 (Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 28 december 2021 tot wijziging van onder meer enige uitvoeringsregelingen op het gebied van belastingen en toeslagen; Staatscourant nr. 48636) de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) gewijzigd. Artikel 8, lid 9, van de Uitvoeringsregeling (tekst van 1 januari 2022 tot 1 januari 2023) luidt: “Indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan kennelijk geheel of gedeeltelijk niet is betaald, blijkt in ieder geval niet eerder dan nadat de naheffingsaanslag in zijn geheel is betaald dat de ter zake van het motorrijtuig verschuldigde belastingen en rechten als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 zijn voldaan.” 5.10. De toelichting bij (het nieuwe) lid 9 van de Uitvoeringsregeling luidt: “Het nieuwe negende lid van artikel 8 UR BPM 1992 verduidelijkt dat bij een kennelijk onjuiste aangifte éérst de naheffingsaanslag moet worden betaald, voordat de inspecteur aan de RDW mededeelt dat ter zake van het motorrijtuig de verschuldigde belastingen zijn voldaan als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 (het fiscaal akkoord). In de praktijk is het uitgangspunt dat het fiscaal akkoord wordt gemeld zodra de op de aangifte aangegeven bpm is betaald. Het is echter mogelijk dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de onjuistheid van de aangegeven bpm, zodat er sprake is van een kennelijk onjuiste aangifte. De inspecteur legt in een dergelijk geval eerst een naheffingsaanslag op voordat fiscaal akkoord wordt gemeld.[Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:507] Het fiscaal akkoord wordt dan pas gemeld nadat de naheffingsaanslag in zijn geheel is betaald. Hiermee kan de inspecteur tevens verzekeren dat de materieel verschuldigde bpm daadwerkelijk wordt voldaan en dat niet pas na de inschrijving in het kentekenregister de naheffingsaanslag wordt opgelegd en blijkt dat de belasting – om wat voor reden dan ook – oninbaar is. De regeling heeft daardoor mede tot doel om fraude en misbruik te voorkomen.” 5.11. Het Hof verwerpt het standpunt (zie 5.7) van belanghebbende. Het Hof stelt voorop dat uit artikel 1, lid 2, Wet bpm (tekst 2022) volgt dat bpm is verschuldigd ter zake van de inschrijving van een personenauto, een motorrijwiel of een bestelauto. De bpm is derhalve een registratiebelasting en geen gebruiksbelasting. Niet in geschil is dat de auto op het moment van inschrijving in 2022 in het Nederlandse kentekenregister was bestemd om op het wegennet op het Nederlandse grondgebied daadwerkelijk en duurzaam te worden gebruikt en daar sindsdien ook feitelijk duurzaam is en wordt gebruikt. 5.12. In zijn arrest van 19 december 2013, X, C‑437/12, ECLI:EU:C:2013:857, over de Nederlandse bpm, heeft het Hof van justitie van de Europese Unie (HvJ EU) onder meer overwogen: “26 Artikel 110 VWEU heeft tot doel het vrije verkeer van goederen tussen de lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren. Het strekt ertoe elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten (reeds aangehaald arrest Tatu, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 27 Zoals vermeld in punt 21 van het onderhavige arrest, verbiedt de eerste alinea van dat artikel daartoe elke lidstaat om op producten van andere lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven. 28 Volgens vaste rechtspraak kan een belastingstelsel slechts worden geacht verenigbaar te zijn met artikel 110 VWEU, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten en dat het bijgevolg in geen geval discrimineren Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Het HvJ EU noemt in zijn hiervoor (5.12) vermelde arrest X specifiek het tarief en de maatstaf van heffing als elementen die een lidstaat niet kan wijzigen ten nadele van later in te voeren voertuigen, zonder maatregelen te treffen om de nadelen te elimineren. De onderhavige zaak gaat over het tijdstip van verschuldigdheid. Het Hof is van oordeel dat de verschuiving van het tijdstip van verschuldigdheid niet tot een ongunstiger fiscale behandeling leidt van ingevoerde voertuigen ten opzichte van voertuigen die zijn aangekocht op de binnenlandse markt. Naarmate een voertuig ouder wordt, daalt de handelsinkoopwaarde en daalt de daarin begrepen rest-bpm evenredig. Indien twee gelijksoortige voertuigen – een vanaf de datum eerste toelating in Nederland rondrijdend voertuig en een na de wetswijziging in Nederland ingevoerd voertuig – met elkaar worden vergeleken, zal de bpm-druk vergelijkbaar zijn, althans niet hoger zijn bij het laatstgenoemde voertuig. De vergelijking wordt gemaakt op het moment dat de bpm verschuldigd wordt. Uitgaande van dezelfde datum eerste toelating zullen beide voertuigen op de datum waarop het ingevoerde voertuig wordt geregistreerd, een gelijke bpm-druk ervaren. Bij export op dezelfde dag zal voor beide voertuigen in beginsel hetzelfde bedrag aan bpm worden teruggekregen. 5.15. Het Hof wijst op de volgende in de memorie van toelichting vermelde redenen voor de wijziging: een eerlijker speelveld tussen de binnenlandse handel en de importhandel in gebruikte motorrijtuigen (parallelimport), een afname van het aantal bezwaarschriften in de bpm, de mogelijkheid voor de inspecteur om beter toezicht op parallelimport uit te oefenen en een complexiteitreductie van de heffing van de bpm. Daarbij komt nog het in de toelichting bij de invoering van lid 9 van de Uitvoeringsregeling vermelde voorkomen van fraude en misbruik. 5.16. Naar het oordeel van het Hof kan de controle van de Inspecteur voordat het fiscaal akkoord wordt gegeven en een kenteken wordt verstrekt als een geschikte, proportionele en noodzakelijke niet met het Unierecht strijdige maatregel worden beschouwd om de doelstelling – het correct bepalen en invorderen van de verschuldigde bpm – te verwezenlijken. Het tast het eigendomsrecht van belanghebbende niet aan en het stimuleert het doen van een juiste aangifte. De Inspecteur kan op die manier beter gebruikmaken van zijn bevoegdheid om naleving af te dwingen en misbruik en fraude kunnen ermee worden ontmoedigd. Belanghebbende heeft bovendien niet dan wel onvoldoende betwist dat hij een onjuiste aangifte heeft gedaan. 5.17. Dat belanghebbende de auto niet kon gebruiken voordat er een fiscaal akkoord was, is vervelend en kan worden ervaren als een “belasting”, maar is veroorzaakt door het doen van een onjuiste aangifte. De wetgever heeft bewust besloten geen korting op de verschuldigde bpm te verlenen voor de periode die verstrijkt tussen de inschrijving van een auto en het moment dat een naheffingsaanslag wordt opgelegd en vervolgens het fiscaal akkoord wordt gegeven. Voor het geval de Inspecteur te lang wacht met de afgifte van het fiscaal akkoord, is het aan de belastingplichtige om naar de civiele rechter te stappen ten einde de inspecteur ertoe te bewegen eerder het fiscaal akkoord te geven dan wel te verzoeken om een vergoeding van de schade die is geleden doordat een auto gedurende een bepaalde periode niet kon worden gebruikt in Nederland op de openbare weg. Proceskostenvergoeding in eerste aanleg 5.18. Belanghebbende stelt terecht dat de Rechtbank een onjuist tarief per punt heeft toegepast bij de berekening van de proceskosten (€ 875 in plaats van € 907). Het Hof zal deze kosten dan ook opnieuw berekenen. Slotsom 5.19. Het hoger beroep is gegrond. Proceskosten en griffierecht 6.1. Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in beroep en hoger beroep. 6.