Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-21
ECLI:NL:GHDHA:2026:1285
Strafrecht
Hoger beroep
8,140 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1285 text/xml public 2026-05-12T13:19:47 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-21 22-003545-21 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1285 text/html public 2026-05-12T13:10:20 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1285 Gerechtshof Den Haag , 21-04-2026 / 22-003545-21 Art. 6, lid 1, EVRM; Art. 36e, lid 3, Sr in afwijking van grondslag OM; Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeling voor o.a. medeplegen witwassen; geschatte bedrag in totaal €475.000, (€ 410.000 (financiering woning) & € 65.000 (vervolgprofijt)); korting schending redelijke termijn (€ 10.000); bedrag verplichting betaling aan de staat bedraagt €465.000 Rolnummer: 22-003545-21 (PO) Parketnummer: 10-750242-16 Datum uitspraak: 21 april 2026 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2021 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Procesgang De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 25 november 2021 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 430.000 en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de vordering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 425.000. Namens de betrokkene en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Vordering van het Openbaar Ministerie De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van € 410.000 ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ter terechtzitting in eerste aanleg is de vordering van het Openbaar Ministerie gewijzigd in die zin dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 485.780, te weten een bedrag van € 410.000 vermeerderd met een bedrag van € 75.780 wegens vervolgprofijt. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep met verwijzing naar de WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2024 groot € 475.000 gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 475.000 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 475.000. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich – voor zover thans relevant - primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de betrokkene in de strafzaak dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat nu de woning met een hypotheek is bezwaard, en deze niet is afgelost, er feitelijk geen voordeel is genoten en ook om die reden de vordering tot ontneming moet worden afgewezen. Meer subsidiair is verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Beoordeling van de vordering Grondslag van de vordering Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 17 maart 2026 (hierna: het arrest in de strafzaak) is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde, gekwalificeerd als: medeplegen van witwassen, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Van dat arrest is een kopie aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest. Het Openbaar Ministerie heeft zijn vordering in deze ontnemingszaak gebaseerd op het Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 23 april 2020 met bijlagen (hierna: het Ontnemingsrapport). Het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 410.000 en dient te worden verhoogd met het berekende voordeel uit de waardestijging van de woning vanaf 6 februari 2013, de datum van levering aan de betrokkene, tot de datum van de zitting, nader geduid als een post ‘PM’ (pro memorie). De operationeel specialist heeft een voordeelsberekening opgemaakt op transactiebasis. Aldus heeft het Openbaar Ministerie zijn vordering gebaseerd op artikel 36e, lid 2, Sr. Dat impliceert dat het Openbaar Ministerie aannemelijk acht dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van de witwashandelingen waarvoor betrokkene is veroordeeld. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de grondslag van de ontnemingsvordering. Het hof stelt voorop dat gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. De enkele omstandigheid dat een geldbedrag voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, brengt niet met zich dat enkel om die reden dat geldbedrag wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. De strafbaarstellingen van witwassen betreffen in de kern steeds het verrichten van handelingen ten aanzien van een voorwerp dat al uit misdrijf afkomstig is en dus de opbrengst van dat onderliggende misdrijf vormt, vaak met als doel het verbergen of verhullen van de herkomst daarvan. Het verrichten van witwashandelingen leidt op zichzelf niet er toe dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de betrokkene oplevert. Het enkele verrichten van die handelingen heeft immers niet tot gevolg dat de opbrengst die met het gronddelict is behaald, toeneemt. De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 410.000. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de witwashandelingen op zichzelf of rechtstreeks een vermogensvermeerdering hebben veroorzaakt bij de betrokkene. Evenmin zijn er aanwijzingen als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr voor andere strafbare feiten gepleegd door de betrokkene. Naar het oordeel van het hof kan om die reden voor de betrokkene geen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden vastgesteld op basis van artikel 36e, tweede lid, Sr. Het hof is echter niet gehouden de door het Openbaar Ministerie voorgestelde grondslag en berekeningsmethode te volgen en zal beoordelen of op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, kan worden vastgesteld of de betrokkene een verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In het kader van de beoordeling ex artikel 36e, derde lid, Sr dient het hof, naast de vaststelling dat de betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, de vraag te beantwoorden of aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daartoe is van belang vast te stellen of de betrokkene voordeel heeft verkregen en of strafbare feiten tot dat voordeel hebben geleid.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1285 text/xml public 2026-05-12T13:19:47 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-21 22-003545-21 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1285 text/html public 2026-05-12T13:10:20 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1285 Gerechtshof Den Haag , 21-04-2026 / 22-003545-21 Art. 6, lid 1, EVRM; Art. 36e, lid 3, Sr in afwijking van grondslag OM; Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeling voor o.a. medeplegen witwassen; geschatte bedrag in totaal €475.000, (€ 410.000 (financiering woning) & € 65.000 (vervolgprofijt)); korting schending redelijke termijn (€ 10.000); bedrag verplichting betaling aan de staat bedraagt €465.000 Rolnummer: 22-003545-21 (PO) Parketnummer: 10-750242-16 Datum uitspraak: 21 april 2026 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 november 2021 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Procesgang De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 25 november 2021 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 430.000 en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van de behandeling van de vordering als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 425.000. Namens de betrokkene en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Vordering van het Openbaar Ministerie De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van € 410.000 ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ter terechtzitting in eerste aanleg is de vordering van het Openbaar Ministerie gewijzigd in die zin dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 485.780, te weten een bedrag van € 410.000 vermeerderd met een bedrag van € 75.780 wegens vervolgprofijt. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep met verwijzing naar de WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2024 groot € 475.000 gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 475.000 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 475.000. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich – voor zover thans relevant - primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de betrokkene in de strafzaak dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat nu de woning met een hypotheek is bezwaard, en deze niet is afgelost, er feitelijk geen voordeel is genoten en ook om die reden de vordering tot ontneming moet worden afgewezen. Meer subsidiair is verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Beoordeling van de vordering Grondslag van de vordering Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 17 maart 2026 (hierna: het arrest in de strafzaak) is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde, gekwalificeerd als: medeplegen van witwassen, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Van dat arrest is een kopie aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest. Het Openbaar Ministerie heeft zijn vordering in deze ontnemingszaak gebaseerd op het Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 23 april 2020 met bijlagen (hierna: het Ontnemingsrapport). Het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend op € 410.000 en dient te worden verhoogd met het berekende voordeel uit de waardestijging van de woning vanaf 6 februari 2013, de datum van levering aan de betrokkene, tot de datum van de zitting, nader geduid als een post ‘PM’ (pro memorie). De operationeel specialist heeft een voordeelsberekening opgemaakt op transactiebasis. Aldus heeft het Openbaar Ministerie zijn vordering gebaseerd op artikel 36e, lid 2, Sr. Dat impliceert dat het Openbaar Ministerie aannemelijk acht dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van de witwashandelingen waarvoor betrokkene is veroordeeld. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de grondslag van de ontnemingsvordering. Het hof stelt voorop dat gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. De enkele omstandigheid dat een geldbedrag voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, brengt niet met zich dat enkel om die reden dat geldbedrag wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. De strafbaarstellingen van witwassen betreffen in de kern steeds het verrichten van handelingen ten aanzien van een voorwerp dat al uit misdrijf afkomstig is en dus de opbrengst van dat onderliggende misdrijf vormt, vaak met als doel het verbergen of verhullen van de herkomst daarvan. Het verrichten van witwashandelingen leidt op zichzelf niet er toe dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de betrokkene oplevert. Het enkele verrichten van die handelingen heeft immers niet tot gevolg dat de opbrengst die met het gronddelict is behaald, toeneemt. De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 410.000. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de witwashandelingen op zichzelf of rechtstreeks een vermogensvermeerdering hebben veroorzaakt bij de betrokkene. Evenmin zijn er aanwijzingen als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr voor andere strafbare feiten gepleegd door de betrokkene. Naar het oordeel van het hof kan om die reden voor de betrokkene geen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden vastgesteld op basis van artikel 36e, tweede lid, Sr. Het hof is echter niet gehouden de door het Openbaar Ministerie voorgestelde grondslag en berekeningsmethode te volgen en zal beoordelen of op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, kan worden vastgesteld of de betrokkene een verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In het kader van de beoordeling ex artikel 36e, derde lid, Sr dient het hof, naast de vaststelling dat de betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, de vraag te beantwoorden of aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daartoe is van belang vast te stellen of de betrokkene voordeel heeft verkregen en of strafbare feiten tot dat voordeel hebben geleid.
Volledig
Het hof zal die vragen hierna bespreken. Vaststelling en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Heeft de betrokkene voordeel verkregen? Het hof heeft in de strafzaak op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de bewijsmiddelen vastgesteld dat een geldbedrag van € 410.000 via een verhullingsconstructie, waaronder een hypothecaire lening, is aangewend voor de financiering van de aankoop van de woning waarvan de betrokkene (enig) eigenaar is geworden. Het hof heeft geoordeeld dat de hypothecaire lening waarbij door [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een geldlening van € 410.000 aan de betrokkene is verstrekt tegen het verkrijgen van hypothecaire zekerheid, een schijnconstructie is. [medeverdachte] heeft geen geldbedrag aan de betrokkene geleend en de betrokkene is niet verschuldigd enig geldbedrag aan [medeverdachte] terug te betalen. Het geldbedrag is afkomstig van [persoon] (hierna: [persoon] ). Op verzoek van de betrokkene is [persoon] gehoord bij de raadsheer-commissaris. [persoon] heeft desgevraagd verklaard dat hij geen geldbedrag heeft geleend aan de betrokkene. Hieruit concludeert het hof dat de betrokkene evenmin een terugbetalingsverplichting heeft jegens [persoon] . Nu de betrokkene noch jegens [medeverdachte] , noch jegens [persoon] een terugbetalingsverplichting heeft, is het aannemelijk dat er voor de betrokkene geen schuld is ontstaan op het moment dat hij het geldbedrag van € 410.000 ontving ten behoeve van de aankoop van de woning. Het voorgaande laat echter onverlet de mogelijkheid dat sprake was van een schuld van [persoon] aan de betrokkene en dat [persoon] door betaling van € 410.000 aan de betrokkene, die schuld al dan niet gedeeltelijk, heeft afgelost. De betrokkene heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op enig moment heeft bemiddeld in een zakelijk geschil voor [persoon] , dat zijn bemiddeling voor [persoon] geen grote inspanning was, dat daar niets tegenover heeft gestaan behoudens de bemiddeling door [persoon] bij het verkrijgen van de hypothecaire lening en dat hij geen financiële vergoeding voor zijn bemiddeling heeft ontvangen. Het hof acht het op grond van deze verklaring van de betrokkene aannemelijk dat [persoon] met de betaling van € 410.000 niet een schuld heeft afgelost aan de betrokkene. Nu tegenover de betaling van € 410.000 geen schuld stond of is ontstaan, is aannemelijk geworden dat de betrokkene op 6 februari 2013 een geldbedrag van € 410.000 heeft ontvangen zonder dat hier een tegenprestatie tegenover heeft gestaan of staat. Dat rechtvaardigt de conclusie dat het vermogen van de betrokkene op dat moment is vermeerderd met € 410.000 en dat de betrokkene aldus voordeel heeft verkregen. (Heeft)/Hebben (een)strafbare (feit)/feiten op enigerlei wijze tot dit voordeel geleid? In het arrest in de strafzaak heeft het hof vastgesteld dat het geldbedrag van € 410.000 dat de betrokkene op 6 februari 2013 heeft ontvangen voor de aankoop van de woning afkomstig is uit misdrijf. Dat oordeel neemt het hof in de ontnemingszaak over. Hiermee staat vast dat een strafbaar feit of strafbare feiten tot dit voordeel hebben geleid. Tussenconclusie omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel Uit het bovenstaande volgt dat aannemelijk is dat andere strafbare feiten, gepleegd door andere(n), hebben geleid tot voordeel dat de betrokkene heeft verkregen, groot € 410.000. Nu de betrokkene is veroordeeld voor witwassen - een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd - is voldaan aan de voorwaarden van de grondslag van artikel 36e, lid 3, Sr en kan dit geldbedrag van € 410.000 bij de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. Vervolgprofijt De betrokkene heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 410.000 aangewend voor de aankoop van de woning. De waardestijging van deze woning kan als vervolgprofijt worden beschouwd. De WOZ-waarde van de woning is per 1 januari 2024 bepaald op € 475.000. Het Openbaar Ministerie heeft in hoger beroep gevorderd dat een bedrag van € 65.000 als vervolgprofijt wordt aangemerkt. De verdediging heeft geen argumenten aangevoerd tegen deze wijze van berekening van het vervolgprofijt. Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat de betrokkene (ten minste) een vervolgprofijt van € 65.000 heeft verkregen. Kosten Het hof is geen kosten gebleken die in aanmerking komen voor aftrek ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het vervolgprofijt. Eindconclusie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een geldbedrag van € 475.000. Bewijsaanbod In de strafzaak heeft de verdediging bij pleidooi het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het kunnen horen van [getuige] (hierna: [getuige] ) als getuige. Deze getuige zou kunnen verklaren dat de bemiddeling door de betrokkene bij een zakelijk conflict van [persoon] niet in het criminele milieu zou hebben plaatsgevonden. Het hof wijst dit verzoek af. Nu het hof het – ook gelet op de eigen verklaring van de betrokkene - aannemelijk acht dat de betrokkene geen financiële vergoeding voor zijn bemiddelingsdiensten voor [persoon] heeft ontvangen, is het bewijsaanbod dat gaat over de aard van die bemiddeling niet relevant voor enige door het hof te nemen beslissing en is er daartoe dan ook geen noodzaak. Bewijsvoering De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. Vaststelling van de betalingsverplichting aan de Staat Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Schending redelijke termijn Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na aanvang van de vervolging. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op 25 november 2016 conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a Wetboek van Strafvordering (Sv) is gelegd op de woning tot bewaring van het recht tot verhaal, en de betrokkene daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering zou worden ingediend. Nu op 25 november 2021 vonnis is gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met 3 jaren en 4 maanden overschreden. De termijn voor berechting in hoger beroep is op 7 december 2021 aangevangen met het instellen van het hoger beroep door de betrokkene. Nu het hof arrest wijst op 21 april 2026 is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 jaren en vier maanden overschreden. Gelet op de grote mate van overschrijding van de redelijke termijn waarbij het hof ook de procedure als geheel in oogschouw neemt, ziet het hof in het onderhavige geval aanleiding dit te verdisconteren in die zin dat de verplichting tot betaling aan de Staat met een bedrag van € 10.000 zal worden gematigd. Draagkracht Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en dat redelijkerwijs te verwachten is dat de betrokkene in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Slotsom Gelet op het bovenstaande zal het hof de betrokkene de verplichting opleggen een bedrag van € 465.000 aan de Staat te betalen. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 475.000,00 (vierhonderdvijfenzeventigduizend euro) . Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 465.000,00 (vierhonderdvijfenzestigduizend euro) .
Volledig
Het hof zal die vragen hierna bespreken. Vaststelling en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Heeft de betrokkene voordeel verkregen? Het hof heeft in de strafzaak op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de bewijsmiddelen vastgesteld dat een geldbedrag van € 410.000 via een verhullingsconstructie, waaronder een hypothecaire lening, is aangewend voor de financiering van de aankoop van de woning waarvan de betrokkene (enig) eigenaar is geworden. Het hof heeft geoordeeld dat de hypothecaire lening waarbij door [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een geldlening van € 410.000 aan de betrokkene is verstrekt tegen het verkrijgen van hypothecaire zekerheid, een schijnconstructie is. [medeverdachte] heeft geen geldbedrag aan de betrokkene geleend en de betrokkene is niet verschuldigd enig geldbedrag aan [medeverdachte] terug te betalen. Het geldbedrag is afkomstig van [persoon] (hierna: [persoon] ). Op verzoek van de betrokkene is [persoon] gehoord bij de raadsheer-commissaris. [persoon] heeft desgevraagd verklaard dat hij geen geldbedrag heeft geleend aan de betrokkene. Hieruit concludeert het hof dat de betrokkene evenmin een terugbetalingsverplichting heeft jegens [persoon] . Nu de betrokkene noch jegens [medeverdachte] , noch jegens [persoon] een terugbetalingsverplichting heeft, is het aannemelijk dat er voor de betrokkene geen schuld is ontstaan op het moment dat hij het geldbedrag van € 410.000 ontving ten behoeve van de aankoop van de woning. Het voorgaande laat echter onverlet de mogelijkheid dat sprake was van een schuld van [persoon] aan de betrokkene en dat [persoon] door betaling van € 410.000 aan de betrokkene, die schuld al dan niet gedeeltelijk, heeft afgelost. De betrokkene heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op enig moment heeft bemiddeld in een zakelijk geschil voor [persoon] , dat zijn bemiddeling voor [persoon] geen grote inspanning was, dat daar niets tegenover heeft gestaan behoudens de bemiddeling door [persoon] bij het verkrijgen van de hypothecaire lening en dat hij geen financiële vergoeding voor zijn bemiddeling heeft ontvangen. Het hof acht het op grond van deze verklaring van de betrokkene aannemelijk dat [persoon] met de betaling van € 410.000 niet een schuld heeft afgelost aan de betrokkene. Nu tegenover de betaling van € 410.000 geen schuld stond of is ontstaan, is aannemelijk geworden dat de betrokkene op 6 februari 2013 een geldbedrag van € 410.000 heeft ontvangen zonder dat hier een tegenprestatie tegenover heeft gestaan of staat. Dat rechtvaardigt de conclusie dat het vermogen van de betrokkene op dat moment is vermeerderd met € 410.000 en dat de betrokkene aldus voordeel heeft verkregen. (Heeft)/Hebben (een)strafbare (feit)/feiten op enigerlei wijze tot dit voordeel geleid? In het arrest in de strafzaak heeft het hof vastgesteld dat het geldbedrag van € 410.000 dat de betrokkene op 6 februari 2013 heeft ontvangen voor de aankoop van de woning afkomstig is uit misdrijf. Dat oordeel neemt het hof in de ontnemingszaak over. Hiermee staat vast dat een strafbaar feit of strafbare feiten tot dit voordeel hebben geleid. Tussenconclusie omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel Uit het bovenstaande volgt dat aannemelijk is dat andere strafbare feiten, gepleegd door andere(n), hebben geleid tot voordeel dat de betrokkene heeft verkregen, groot € 410.000. Nu de betrokkene is veroordeeld voor witwassen - een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd - is voldaan aan de voorwaarden van de grondslag van artikel 36e, lid 3, Sr en kan dit geldbedrag van € 410.000 bij de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. Vervolgprofijt De betrokkene heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 410.000 aangewend voor de aankoop van de woning. De waardestijging van deze woning kan als vervolgprofijt worden beschouwd. De WOZ-waarde van de woning is per 1 januari 2024 bepaald op € 475.000. Het Openbaar Ministerie heeft in hoger beroep gevorderd dat een bedrag van € 65.000 als vervolgprofijt wordt aangemerkt. De verdediging heeft geen argumenten aangevoerd tegen deze wijze van berekening van het vervolgprofijt. Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk dat de betrokkene (ten minste) een vervolgprofijt van € 65.000 heeft verkregen. Kosten Het hof is geen kosten gebleken die in aanmerking komen voor aftrek ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het vervolgprofijt. Eindconclusie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een geldbedrag van € 475.000. Bewijsaanbod In de strafzaak heeft de verdediging bij pleidooi het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het kunnen horen van [getuige] (hierna: [getuige] ) als getuige. Deze getuige zou kunnen verklaren dat de bemiddeling door de betrokkene bij een zakelijk conflict van [persoon] niet in het criminele milieu zou hebben plaatsgevonden. Het hof wijst dit verzoek af. Nu het hof het – ook gelet op de eigen verklaring van de betrokkene - aannemelijk acht dat de betrokkene geen financiële vergoeding voor zijn bemiddelingsdiensten voor [persoon] heeft ontvangen, is het bewijsaanbod dat gaat over de aard van die bemiddeling niet relevant voor enige door het hof te nemen beslissing en is er daartoe dan ook geen noodzaak. Bewijsvoering De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. Vaststelling van de betalingsverplichting aan de Staat Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Schending redelijke termijn Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na aanvang van de vervolging. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op 25 november 2016 conservatoir beslag als bedoeld in artikel 94a Wetboek van Strafvordering (Sv) is gelegd op de woning tot bewaring van het recht tot verhaal, en de betrokkene daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering zou worden ingediend. Nu op 25 november 2021 vonnis is gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met 3 jaren en 4 maanden overschreden. De termijn voor berechting in hoger beroep is op 7 december 2021 aangevangen met het instellen van het hoger beroep door de betrokkene. Nu het hof arrest wijst op 21 april 2026 is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 jaren en vier maanden overschreden. Gelet op de grote mate van overschrijding van de redelijke termijn waarbij het hof ook de procedure als geheel in oogschouw neemt, ziet het hof in het onderhavige geval aanleiding dit te verdisconteren in die zin dat de verplichting tot betaling aan de Staat met een bedrag van € 10.000 zal worden gematigd. Draagkracht Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en dat redelijkerwijs te verwachten is dat de betrokkene in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Slotsom Gelet op het bovenstaande zal het hof de betrokkene de verplichting opleggen een bedrag van € 465.000 aan de Staat te betalen. Toepasselijk wettelijk voorschrift De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 475.000,00 (vierhonderdvijfenzeventigduizend euro) . Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 465.000,00 (vierhonderdvijfenzestigduizend euro) .