Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-21
ECLI:NL:GHDHA:2026:1284
Strafrecht
Hoger beroep
8,032 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1284 text/xml public 2026-05-12T13:35:48 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-21 22-001287-21 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1284 text/html public 2026-05-12T13:13:07 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1284 Gerechtshof Den Haag , 21-04-2026 / 22-001287-21 Art. 6, lid 1, EVRM; Art. 36e, lid 3, Sr in afwijking van grondslag OM; Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeling voor o.a. medeplegen van (gewoonte)witwassen van geldbedragen; financieel adviseur; korting schending redelijke termijn (geen vervolgprofijt). Geschatte bedrag en bedrag verplichting betaling aan de staat bedraagt € 632.517. Rolnummer: 22-001287-21 (PO) Parketnummers: 10-750124-15 en 10-750391-16 Datum uitspraak: 21 april 2026 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2021 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Procesgang De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 22 april 2021 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 735.517 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 632.517. Namens de betrokkene is tegen het vonnis in de ontnemingszaak hoger beroep ingesteld. Vordering van het Openbaar Ministerie De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van € 632.517,61 ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 632.517 en het vervolgprofijt op € 103.000, en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 632.517. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal worden vastgesteld op € 802.184 (inclusief vervolgprofijt) en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Beoordeling van de vordering Grondslag van de vordering De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van 17 maart 2026 – voor zover voor deze ontnemingszaak relevant – veroordeeld voor vijf feiten waarvan vier zijn gekwalificeerd als medeplegen van witwassen en één feit is gekwalificeerd als medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Van dat arrest is een kopie aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest. Het Openbaar Ministerie heeft zijn vordering in deze ontnemingszaak gebaseerd op het Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 8 mei 2020 met bijlagen (hierna: het Ontnemingsrapport). In dit rapport is het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel met behulp van de transactiemethode berekend op € 632.517,61. Aldus heeft het Openbaar Ministerie zijn vordering gebaseerd op artikel 36e, lid 2, Sr. Dat impliceert dat het Openbaar Ministerie aannemelijk acht dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van de witwashandelingen waarvoor betrokkene is veroordeeld. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de grondslag van de ontnemingsvordering. Het hof stelt voorop dat gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. De enkele omstandigheid dat een geldbedrag voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, brengt niet met zich dat enkel om die reden dat geldbedrag wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. De strafbaarstellingen van witwassen betreffen in de kern steeds het verrichten van handelingen ten aanzien van een voorwerp dat al uit misdrijf afkomstig is en dus de opbrengst van dat onderliggende misdrijf vormt, vaak met als doel het verbergen of verhullen van de herkomst daarvan. Het verrichten van witwashandelingen leidt op zichzelf niet er toe dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de betrokkene oplevert. Het enkele verrichten van die handelingen heeft immers niet tot gevolg dat de opbrengst die met het gronddelict is behaald, toeneemt. De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van diverse geldbedragen tot een totaal van ruim € 600.000. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de witwashandelingen op zichzelf of rechtstreeks een vermogensvermeerdering hebben veroorzaakt bij de betrokkene. Evenmin zijn er aanwijzingen als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr voor andere strafbare feiten gepleegd door de betrokkene. Naar het oordeel van het hof kan om die reden voor de betrokkene geen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden vastgesteld op basis van artikel 36e, tweede lid, Sr. Het hof is echter niet gehouden de door het Openbaar Ministerie voorgestelde grondslag en berekeningsmethode te volgen en zal beoordelen of op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, kan worden vastgesteld of de betrokkene een verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In het kader van de beoordeling ex artikel 36e, derde lid, Sr dient het hof, naast de vaststelling dat de betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, de vraag te beantwoorden of aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daartoe is van belang vast te stellen of de betrokkene voordeel heeft verkregen en of strafbare feiten tot dat voordeel hebben geleid. Het hof zal die vragen hierna bespreken. Vaststelling en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Heeft de betrokkene voordeel verkregen? Inleiding De betrokkene is door dit hof, onder andere, veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van een bedrag van € 852.050. Dit bedrag is in de periode van 19 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 in vijf termijnen van de bankrekening bij de [bank] van de in Panama gevestigde rechtspersoon [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). Het geld dat op de bankrekening van [bedrijf 2] is gestort, heeft de betrokkene gedeeltelijk uitgegeven aan goederen en diensten. Uit het onderzoek naar de geldstromen is gebleken dat niet het gehele bedrag uiteindelijk ten gunste van de betrokkene is gekomen, maar dat er, ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte] , directeur/ aandeelhouder van [bedrijf 2] , een bedrag van € 219.532,39 resteerde op de bankrekening van [bedrijf 2] . Dit bedrag is middels een schikking door medeverdachte [medeverdachte] betaald aan het Openbaar Ministerie.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1284 text/xml public 2026-05-12T13:35:48 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-21 22-001287-21 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1284 text/html public 2026-05-12T13:13:07 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1284 Gerechtshof Den Haag , 21-04-2026 / 22-001287-21 Art. 6, lid 1, EVRM; Art. 36e, lid 3, Sr in afwijking van grondslag OM; Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeling voor o.a. medeplegen van (gewoonte)witwassen van geldbedragen; financieel adviseur; korting schending redelijke termijn (geen vervolgprofijt). Geschatte bedrag en bedrag verplichting betaling aan de staat bedraagt € 632.517. Rolnummer: 22-001287-21 (PO) Parketnummers: 10-750124-15 en 10-750391-16 Datum uitspraak: 21 april 2026 TEGENSPRAAK Gerechtshof Den Haag meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2021 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, adres: [woonadres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht. Procesgang De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 22 april 2021 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 735.517 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 632.517. Namens de betrokkene is tegen het vonnis in de ontnemingszaak hoger beroep ingesteld. Vordering van het Openbaar Ministerie De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van € 632.517,61 ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 632.517 en het vervolgprofijt op € 103.000, en dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 632.517. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat zal worden vastgesteld op € 802.184 (inclusief vervolgprofijt) en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Beoordeling van de vordering Grondslag van de vordering De betrokkene is bij arrest van dit gerechtshof van 17 maart 2026 – voor zover voor deze ontnemingszaak relevant – veroordeeld voor vijf feiten waarvan vier zijn gekwalificeerd als medeplegen van witwassen en één feit is gekwalificeerd als medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Van dat arrest is een kopie aan dit arrest gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest. Het Openbaar Ministerie heeft zijn vordering in deze ontnemingszaak gebaseerd op het Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 8 mei 2020 met bijlagen (hierna: het Ontnemingsrapport). In dit rapport is het geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel met behulp van de transactiemethode berekend op € 632.517,61. Aldus heeft het Openbaar Ministerie zijn vordering gebaseerd op artikel 36e, lid 2, Sr. Dat impliceert dat het Openbaar Ministerie aannemelijk acht dat de betrokkene voordeel heeft verkregen door middel van de witwashandelingen waarvoor betrokkene is veroordeeld. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de grondslag van de ontnemingsvordering. Het hof stelt voorop dat gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in artikel 36e Sr, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. De enkele omstandigheid dat een geldbedrag voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, brengt niet met zich dat enkel om die reden dat geldbedrag wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. De strafbaarstellingen van witwassen betreffen in de kern steeds het verrichten van handelingen ten aanzien van een voorwerp dat al uit misdrijf afkomstig is en dus de opbrengst van dat onderliggende misdrijf vormt, vaak met als doel het verbergen of verhullen van de herkomst daarvan. Het verrichten van witwashandelingen leidt op zichzelf niet er toe dat het betreffende voorwerp in waarde toeneemt en daarmee (op geld waardeerbaar) voordeel voor de betrokkene oplevert. Het enkele verrichten van die handelingen heeft immers niet tot gevolg dat de opbrengst die met het gronddelict is behaald, toeneemt. De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van diverse geldbedragen tot een totaal van ruim € 600.000. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de witwashandelingen op zichzelf of rechtstreeks een vermogensvermeerdering hebben veroorzaakt bij de betrokkene. Evenmin zijn er aanwijzingen als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr voor andere strafbare feiten gepleegd door de betrokkene. Naar het oordeel van het hof kan om die reden voor de betrokkene geen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden vastgesteld op basis van artikel 36e, tweede lid, Sr. Het hof is echter niet gehouden de door het Openbaar Ministerie voorgestelde grondslag en berekeningsmethode te volgen en zal beoordelen of op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, kan worden vastgesteld of de betrokkene een verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In het kader van de beoordeling ex artikel 36e, derde lid, Sr dient het hof, naast de vaststelling dat de betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, de vraag te beantwoorden of aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daartoe is van belang vast te stellen of de betrokkene voordeel heeft verkregen en of strafbare feiten tot dat voordeel hebben geleid. Het hof zal die vragen hierna bespreken. Vaststelling en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel Heeft de betrokkene voordeel verkregen? Inleiding De betrokkene is door dit hof, onder andere, veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van een bedrag van € 852.050. Dit bedrag is in de periode van 19 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 in vijf termijnen van de bankrekening bij de [bank] van de in Panama gevestigde rechtspersoon [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). Het geld dat op de bankrekening van [bedrijf 2] is gestort, heeft de betrokkene gedeeltelijk uitgegeven aan goederen en diensten. Uit het onderzoek naar de geldstromen is gebleken dat niet het gehele bedrag uiteindelijk ten gunste van de betrokkene is gekomen, maar dat er, ten tijde van de aanhouding van [medeverdachte] , directeur/ aandeelhouder van [bedrijf 2] , een bedrag van € 219.532,39 resteerde op de bankrekening van [bedrijf 2] . Dit bedrag is middels een schikking door medeverdachte [medeverdachte] betaald aan het Openbaar Ministerie.
Volledig
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de betrokkene verklaard dat de bedragen, die in totaal € 852.050 vormen en die via [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] zijn overgemaakt, afkomstig waren van [persoon] en voor hem waren bestemd. Daarmee is aannemelijk dat het bedrag van € 852.050 minus het bedrag van € 219.532,39 in het vermogen van de betrokkene is gevloeid. Het resterende bedrag is derhalve € 632.517 (afgerond). Het hof dient vervolgens te onderzoeken of het vermogen van de betrokkene is toegenomen. De verdediging De verdediging heeft gesteld dat het vermogen van de betrokkene niet is toegenomen omdat het bedrag is betaald ter voldoening van een civielrechtelijke verplichting, namelijk de koopprijs van een pand aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het pand). Eigenaar van het pand was [bedrijf 3] . De aandelen van deze besloten vennootschap zijn ondergebracht in een stichting en de betrokkene is bestuurder van die stichting. Tussen de betrokkene en [persoon] was afgesproken dat [persoon] het bestuur van de stichting zou overnemen, waarmee ook het pand tot zijn beschikking zou komen. Er zou sprake zijn van een ‘papiertje’ wat de betrokkene aan [persoon] zou hebben gegeven en waarmee [persoon] zichzelf zou kunnen inschrijven als bestuurder van deze stichting. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar de processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 16 oktober 2014 en 17 februari 2015. Het hof Het hof stelt voorop dat er geen schriftelijke overeenkomst is tussen de betrokkene en [persoon] waaruit volgt dat de betrokkene gehouden was of is het pand aan [persoon] over te dragen tegen betaling van een bedrag van € 852.050. Voorts, in de gesprekken die door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn gerelateerd vertelt [persoon] aan verbalisanten dat hij eigenaar is van het pand, maar dat het op ‘zijn naam staat’ (het hof begrijpt: op naam van verdachte [verdachte] ). [persoon] spreekt niet over een betaling die hij voor dit pand zou moeten doen of hebben gedaan. Evenmin blijkt op andere wijze uit deze gesprekken van enig verband tussen de betaling van € 852.050 aan [bedrijf 2] en het pand. De opmerking waaraan de verdediging refereert dat [persoon] “nog een hoop moest regelen om het te kunnen kopen”, begrijpt het hof aldus dat het ziet op een in datzelfde gesprek genoemd appartement op Curaçao dat [persoon] op naam van zijn partner wilde zetten, en in elk geval niet op het pand dat reeds van hem is. Integendeel, [persoon] zegt in dit gesprek dat hij eigenaar is van het pand, maar dat het op naam van zijn financieel adviseur staat. Het hof leidt hieruit af dat een koopovereenkomst en betaling van een bedrag door [persoon] aan de betrokkene helemaal niet waarschijnlijk zijn. De vraag of [persoon] een ‘papiertje’ had waarmee hij het pand op zijn naam kon zetten, is derhalve niet relevant. Uit het voorgaande concludeert het hof dat niet aannemelijk is geworden dat er tussen de betrokkene en [persoon] sprake was van een overeenkomst op grond waarvan de betrokkene het pand tegen betaling van een bedrag van € 852.050 aan [persoon] zou overdragen. Hieruit volgt tevens dat de stelling van de verdediging dat een terugbetalingsverplichting van de betrokkene ontstaat als het pand niet wordt geleverd, niet aannemelijk is geworden. Nu tegenover de betaling van € 852.050 door [persoon] geen schuld of betalingsverplichting bestond jegens de betrokkene, en ook geen terugbetalingsverplichting voor de betrokkene zal ontstaan, concludeert het hof dat het vermogen van de betrokkene op het moment van de betalingen in februari en maart 2014 is vermeerderd met een totaalbedrag van € 852.050. (Heeft)/Hebben (een) strafbare (feit)/feiten op enigerlei wijze tot dit voordeel geleid? In het arrest in de strafzaak van de betrokkene heeft het hof vastgesteld dat het geldbedrag van € 852.050 dat tussen 19 februari 2014 en 28 maart 2014 door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] is overgemaakt, afkomstig is uit enig misdrijf. Dat oordeel neemt het hof in de ontnemingszaak over. Hiermee staat vast dat een strafbaar feit of strafbare feiten tot dit voordeel hebben geleid. Tussenconclusie omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel Uit het bovenstaande volgt dat aannemelijk is dat andere strafbare feiten, gepleegd door andere(n), hebben geleid tot voordeel dat de betrokkene heeft verkregen, groot € 852.050. Van dit bedrag is € 219.532,39 in het kader van een schikking reeds door [medeverdachte] aan het Openbaar Ministerie betaald. Nu de betrokkene is veroordeeld voor witwassen - een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd - is voldaan aan de voorwaarden van de grondslag van artikel 36e, lid 3, Sr en kan het geldbedrag van € 632.517 bij de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. Vervolgprofijt Het Openbaar Ministerie heeft verzocht het vervolgprofijt op basis van de samengestelde interest vanaf 2014 te schatten en het daarvoor te hanteren percentage gesteld op 2%. De verdediging heeft zich daartegen verzet. De verdediging heeft verzocht het gestelde vervolgprofijt in de vorm van rente te verrekenen met een vermindering van het te ontnemen bedrag vanwege de ernstige overschrijding van de redelijke termijn. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de lange duur van de behandeling van de ontnemingszaak, die niet aan de verdediging kan worden toegerekend, in deze zaak niet tot een verhoging van het te ontnemen bedrag mag leiden. Het hof zal daarom geen vervolgprofijt op basis van de samengestelde interest vanaf 2014 rekenen. Kosten Het hof is geen kosten gebleken die in aanmerking komen voor aftrek ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Eindconclusie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 632.517. Bewijsvoering De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. Vaststelling van de betalingsverplichting aan de Staat Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Schending redelijke termijn Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na aanvang van de vervolging. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op 25 oktober 2016 bevel is gegeven tot conservatoir beslag op het pand. De betrokkene kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering zou worden ingediend. Nu het vonnis door de rechtbank op 22 april 2021 is gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met 2 jaren en 6 maanden overschreden. De termijn voor berechting in hoger beroep is op 3 mei 2021 aangevangen met het instellen van het hoger beroep door de betrokkene. Nu het hof arrest wijst op 21 april 2026 is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 3 jaren overschreden. Gelet op de grote mate van overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof in het onderhavige geval aanleiding dit te verdisconteren in die zin dat aan de betrokkene geen vervolgprofijt wordt toegerekend, zoals reeds hiervoor overwogen. Draagkracht Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan aannemelijk moet worden geacht dat de betrokkene verminderde draagkracht heeft. Betalingsverplichting Gelet op het bovenstaande zal het hof de betrokkene de verplichting opleggen een bedrag van € 632.517 aan de Staat te betalen. Toepasselijk wettelijk voorschrift Het hof heeft gelet op artikel 36e, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold.
Volledig
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de betrokkene verklaard dat de bedragen, die in totaal € 852.050 vormen en die via [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] zijn overgemaakt, afkomstig waren van [persoon] en voor hem waren bestemd. Daarmee is aannemelijk dat het bedrag van € 852.050 minus het bedrag van € 219.532,39 in het vermogen van de betrokkene is gevloeid. Het resterende bedrag is derhalve € 632.517 (afgerond). Het hof dient vervolgens te onderzoeken of het vermogen van de betrokkene is toegenomen. De verdediging De verdediging heeft gesteld dat het vermogen van de betrokkene niet is toegenomen omdat het bedrag is betaald ter voldoening van een civielrechtelijke verplichting, namelijk de koopprijs van een pand aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het pand). Eigenaar van het pand was [bedrijf 3] . De aandelen van deze besloten vennootschap zijn ondergebracht in een stichting en de betrokkene is bestuurder van die stichting. Tussen de betrokkene en [persoon] was afgesproken dat [persoon] het bestuur van de stichting zou overnemen, waarmee ook het pand tot zijn beschikking zou komen. Er zou sprake zijn van een ‘papiertje’ wat de betrokkene aan [persoon] zou hebben gegeven en waarmee [persoon] zichzelf zou kunnen inschrijven als bestuurder van deze stichting. De verdediging heeft ter onderbouwing van haar verweer verwezen naar de processen-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 16 oktober 2014 en 17 februari 2015. Het hof Het hof stelt voorop dat er geen schriftelijke overeenkomst is tussen de betrokkene en [persoon] waaruit volgt dat de betrokkene gehouden was of is het pand aan [persoon] over te dragen tegen betaling van een bedrag van € 852.050. Voorts, in de gesprekken die door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn gerelateerd vertelt [persoon] aan verbalisanten dat hij eigenaar is van het pand, maar dat het op ‘zijn naam staat’ (het hof begrijpt: op naam van verdachte [verdachte] ). [persoon] spreekt niet over een betaling die hij voor dit pand zou moeten doen of hebben gedaan. Evenmin blijkt op andere wijze uit deze gesprekken van enig verband tussen de betaling van € 852.050 aan [bedrijf 2] en het pand. De opmerking waaraan de verdediging refereert dat [persoon] “nog een hoop moest regelen om het te kunnen kopen”, begrijpt het hof aldus dat het ziet op een in datzelfde gesprek genoemd appartement op Curaçao dat [persoon] op naam van zijn partner wilde zetten, en in elk geval niet op het pand dat reeds van hem is. Integendeel, [persoon] zegt in dit gesprek dat hij eigenaar is van het pand, maar dat het op naam van zijn financieel adviseur staat. Het hof leidt hieruit af dat een koopovereenkomst en betaling van een bedrag door [persoon] aan de betrokkene helemaal niet waarschijnlijk zijn. De vraag of [persoon] een ‘papiertje’ had waarmee hij het pand op zijn naam kon zetten, is derhalve niet relevant. Uit het voorgaande concludeert het hof dat niet aannemelijk is geworden dat er tussen de betrokkene en [persoon] sprake was van een overeenkomst op grond waarvan de betrokkene het pand tegen betaling van een bedrag van € 852.050 aan [persoon] zou overdragen. Hieruit volgt tevens dat de stelling van de verdediging dat een terugbetalingsverplichting van de betrokkene ontstaat als het pand niet wordt geleverd, niet aannemelijk is geworden. Nu tegenover de betaling van € 852.050 door [persoon] geen schuld of betalingsverplichting bestond jegens de betrokkene, en ook geen terugbetalingsverplichting voor de betrokkene zal ontstaan, concludeert het hof dat het vermogen van de betrokkene op het moment van de betalingen in februari en maart 2014 is vermeerderd met een totaalbedrag van € 852.050. (Heeft)/Hebben (een) strafbare (feit)/feiten op enigerlei wijze tot dit voordeel geleid? In het arrest in de strafzaak van de betrokkene heeft het hof vastgesteld dat het geldbedrag van € 852.050 dat tussen 19 februari 2014 en 28 maart 2014 door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] is overgemaakt, afkomstig is uit enig misdrijf. Dat oordeel neemt het hof in de ontnemingszaak over. Hiermee staat vast dat een strafbaar feit of strafbare feiten tot dit voordeel hebben geleid. Tussenconclusie omtrent het wederrechtelijk verkregen voordeel Uit het bovenstaande volgt dat aannemelijk is dat andere strafbare feiten, gepleegd door andere(n), hebben geleid tot voordeel dat de betrokkene heeft verkregen, groot € 852.050. Van dit bedrag is € 219.532,39 in het kader van een schikking reeds door [medeverdachte] aan het Openbaar Ministerie betaald. Nu de betrokkene is veroordeeld voor witwassen - een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd - is voldaan aan de voorwaarden van de grondslag van artikel 36e, lid 3, Sr en kan het geldbedrag van € 632.517 bij de betrokkene als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt. Vervolgprofijt Het Openbaar Ministerie heeft verzocht het vervolgprofijt op basis van de samengestelde interest vanaf 2014 te schatten en het daarvoor te hanteren percentage gesteld op 2%. De verdediging heeft zich daartegen verzet. De verdediging heeft verzocht het gestelde vervolgprofijt in de vorm van rente te verrekenen met een vermindering van het te ontnemen bedrag vanwege de ernstige overschrijding van de redelijke termijn. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de lange duur van de behandeling van de ontnemingszaak, die niet aan de verdediging kan worden toegerekend, in deze zaak niet tot een verhoging van het te ontnemen bedrag mag leiden. Het hof zal daarom geen vervolgprofijt op basis van de samengestelde interest vanaf 2014 rekenen. Kosten Het hof is geen kosten gebleken die in aanmerking komen voor aftrek ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Eindconclusie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel Gelet op het bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 632.517. Bewijsvoering De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. Vaststelling van de betalingsverplichting aan de Staat Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Schending redelijke termijn Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na aanvang van de vervolging. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op 25 oktober 2016 bevel is gegeven tot conservatoir beslag op het pand. De betrokkene kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering zou worden ingediend. Nu het vonnis door de rechtbank op 22 april 2021 is gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met 2 jaren en 6 maanden overschreden. De termijn voor berechting in hoger beroep is op 3 mei 2021 aangevangen met het instellen van het hoger beroep door de betrokkene. Nu het hof arrest wijst op 21 april 2026 is de redelijke termijn in hoger beroep met bijna 3 jaren overschreden. Gelet op de grote mate van overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof in het onderhavige geval aanleiding dit te verdisconteren in die zin dat aan de betrokkene geen vervolgprofijt wordt toegerekend, zoals reeds hiervoor overwogen. Draagkracht Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan aannemelijk moet worden geacht dat de betrokkene verminderde draagkracht heeft. Betalingsverplichting Gelet op het bovenstaande zal het hof de betrokkene de verplichting opleggen een bedrag van € 632.517 aan de Staat te betalen. Toepasselijk wettelijk voorschrift Het hof heeft gelet op artikel 36e, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat rechtens geldt dan wel gold.