Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-24
ECLI:NL:GHDHA:2026:1214
Strafrecht
Hoger beroep
10,878 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1214 text/xml public 2026-05-07T12:43:16 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-24 22-000429-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1214 text/html public 2026-05-07T12:38:23 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1214 Gerechtshof Den Haag , 24-04-2026 / 22-000429-24 Hof veroordeelt verdachte voor witwassen door bankrekening door ander te laten aanmaken en daarover de beschikking te hebben. Slachtoffers van whatsapp fraude hadden in goed vertrouwen op die rekening grote geldbedragen overgemaakt. Hof legt geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren op. Toewijzing vorderingen benadeelde partijen. Rolnummer: 22-000429-24 Parketnummer: 10-047980-22 Datum uitspraak: 24 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal €10.500, althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en)en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: een of meerdere onbekend gebleven personen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal €10.500, althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl die mededader en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven personen/persoon (meermalen) zijn, verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekening (mee) te geven en/of ter beschikking te stellen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag ( en ) van in totaal €10.500, 00 althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en /of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/ die voorwerp(en)en/of geldbedrag ( en ) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/ waren uit enig (eigen) misdrijf. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Twee personen hebben - onafhankelijk van elkaar - aangifte gedaan van fraude. Naar aanleiding van WhatsApp-berichten die zij ontvingen van iemand die zich in beide gevallen valselijk voordeed als zijn/haar kind maakten zij op 28 en 29 juli 2020 geld over naar een rekeningnummer van [een bank] . De geldbedragen die op de rekening waren gestort, zijn telkens kort daarna door een onbekend gebleven persoon contant opgenomen. Genoemd bankrekeningnummer stond op naam van de medeverdachte. Bij de politie heeft de medeverdachte verklaard dat haar op 26 juli 2020 door de verdachte was opgedragen om de betreffende bankrekening te openen, zij op zijn verzoek codes aan hem heeft doorgestuurd en hij haar opdracht heeft gegeven om een foto van haar gezicht te maken. Nadat de rekening geopend was moest zij van de verdachte [een bank] -app verwijderen, hetgeen zij heeft gedaan. De medeverdachte verklaarde verder dat de verdachte wel vaker de [naam] gebruikt. Uit de door de politie gevorderde gegevens van [een bank] blijkt dat een telefoon met [toestelnaam] op 26 juli 2020 en 27 juli 2020 meermaals heeft ingelogd op voornoemde bankrekening. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte op deze momenten de gebruiker was van deze telefoon. Onderzoek in deze telefoon heeft immers uitgewezen dat verschillende daarin opgeslagen accounts direct in verband te brengen zijn met de bijnaam die de verdachte volgens de medeverdachte heeft. Zo blijkt niet alleen het wachtwoord van het Apple ID van deze telefoon, maar ook het wachtwoord van een g-mailadres van de verdachte en een Snapchat- en Pinterestaccount telkens [gebruikersnaam] te zijn. Het geboortejaar van de verdachte is 1999.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:1214 text/xml public 2026-05-07T12:43:16 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-24 22-000429-24 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1214 text/html public 2026-05-07T12:38:23 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1214 Gerechtshof Den Haag , 24-04-2026 / 22-000429-24 Hof veroordeelt verdachte voor witwassen door bankrekening door ander te laten aanmaken en daarover de beschikking te hebben. Slachtoffers van whatsapp fraude hadden in goed vertrouwen op die rekening grote geldbedragen overgemaakt. Hof legt geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren op. Toewijzing vorderingen benadeelde partijen. Rolnummer: 22-000429-24 Parketnummer: 10-047980-22 Datum uitspraak: 24 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 1 februari 2024 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal €10.500, althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en)en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: een of meerdere onbekend gebleven personen op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal €10.500, althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl die mededader en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven personen/persoon (meermalen) zijn, verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekening (mee) te geven en/of ter beschikking te stellen. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juli 2020 tot en met 29 juli 2020 te Dordrecht en/of Makkum en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans éénmaal (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag ( en ) van in totaal €10.500, 00 althans enig geldbedrag - de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of - heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of - heeft verworven en /of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of - gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/ die voorwerp(en)en/of geldbedrag ( en ) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/ waren uit enig (eigen) misdrijf. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. Nadere bewijsoverweging Op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Twee personen hebben - onafhankelijk van elkaar - aangifte gedaan van fraude. Naar aanleiding van WhatsApp-berichten die zij ontvingen van iemand die zich in beide gevallen valselijk voordeed als zijn/haar kind maakten zij op 28 en 29 juli 2020 geld over naar een rekeningnummer van [een bank] . De geldbedragen die op de rekening waren gestort, zijn telkens kort daarna door een onbekend gebleven persoon contant opgenomen. Genoemd bankrekeningnummer stond op naam van de medeverdachte. Bij de politie heeft de medeverdachte verklaard dat haar op 26 juli 2020 door de verdachte was opgedragen om de betreffende bankrekening te openen, zij op zijn verzoek codes aan hem heeft doorgestuurd en hij haar opdracht heeft gegeven om een foto van haar gezicht te maken. Nadat de rekening geopend was moest zij van de verdachte [een bank] -app verwijderen, hetgeen zij heeft gedaan. De medeverdachte verklaarde verder dat de verdachte wel vaker de [naam] gebruikt. Uit de door de politie gevorderde gegevens van [een bank] blijkt dat een telefoon met [toestelnaam] op 26 juli 2020 en 27 juli 2020 meermaals heeft ingelogd op voornoemde bankrekening. Het hof gaat ervan uit dat de verdachte op deze momenten de gebruiker was van deze telefoon. Onderzoek in deze telefoon heeft immers uitgewezen dat verschillende daarin opgeslagen accounts direct in verband te brengen zijn met de bijnaam die de verdachte volgens de medeverdachte heeft. Zo blijkt niet alleen het wachtwoord van het Apple ID van deze telefoon, maar ook het wachtwoord van een g-mailadres van de verdachte en een Snapchat- en Pinterestaccount telkens [gebruikersnaam] te zijn. Het geboortejaar van de verdachte is 1999.
Volledig
Verder blijkt uit gevorderde bankgegevens dat de gebruikte bankrekening is benaderd vanaf onder meer een IP-adres in Den Haag, geregistreerd op een direct aan het woonadres van de kinderen van de verdachte en hun moeder grenzende straat. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode wel bij zijn kinderen en hun moeder kwam. Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, is het hof voorts van oordeel dat de verdachte degene is geweest die de medeverdachte heeft verzocht de rekening te openen en feitelijk de beschikking had over deze rekening en de daarop gestorte geldbedragen. Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte aangevoerd dat het [een voormalige vriend] van de verdachte is geweest, die de betreffende accounts heeft aangemaakt op de telefoon van de verdachte en dat het ook die vriend is die verantwoordelijk moet worden gehouden voor het ten laste gelegde feit. Het hof gaat op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld voorbij aan deze lezing van de feiten, die ook overigens geen steun vindt in het dossier. Alles overwegende, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Voorwaardelijk verzoek De raadsvouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk verzocht om - indien het hof de verdachte niet direct vrijspreekt van het tenlastegelegde - de zaak aan te houden en het proces-verbaal van de terechtzitting bij dit hof van 22 april 2024 (met rolnummer 22-002603-22) toe te voegen aan het dossier, omdat [de voormalige vriend] daarin ontlastend ten aanzien van de verdachte zou hebben verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om [de voormalige vriend] als getuige te laten horen. Het hof zal zowel het primair als het subsidiair gedane voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw afwijzen. Het hof ziet geen noodzaak voor voeging van de verklaring van [de voormalige vriend] in het dossier, reeds omdat die verklaring is gegeven in een andere strafzaak en dus geen betrekking heeft op het onderhavige feit. Ook het horen van de getuige wijst het hof af, nu het de noodzaak daartoe, mede gelet op de inhoud van de onder het vorige kopje weergegeven overwegingen, niet is gebleken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: witwassen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Daartoe heeft hij een bankrekening laten aanmaken en daarover de beschikking gehad, welke rekening bedoeld was om frauduleuze geldbedragen op te ontvangen die van verschillende gedupeerden waren verkregen. Met zijn handelen heeft de verdachte de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Daarnaast veroorzaakt deze vorm van fraude financiële schade en emotioneel leed bij de slachtoffers, die in goed vertrouwen grote geldbedragen overmaakten omdat zij dachten dat hun kinderen in financiële nood zaten. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk gegeven van enig inzicht in het verwerpelijke van zijn handelen en heeft het – integendeel – getracht op een ander af te schuiven. Het hof rekent dit alles de verdachte ten zeerste aan. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van een dergelijk strafbaar feit. Het hof constateert voorts dat de redelijke termijn (inzendtermijn en termijn van berechting in hoger beroep), als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met enkele maanden is overschreden. Nu het een beperkte overschrijding betreft en daarmee een betrekkelijk geringe inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op berechting binnen redelijke termijn, en voorts ook gelet op de gekozen strafmodaliteit en strafduur, wordt met deze constatering volstaan. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.500,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,00, bestaande uit materiële schade, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat vrijspraak is bepleit, zodat de vordering moet worden afgewezen. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 2.500,00 materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. Dit bedrag is immers door de benadeelde partij in het kader van de whatsappfraude overgemaakt en staat in zodanig nauw verband met de door de verdachte gepleegde witwashandelingen, dat het rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.001,15. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat vrijspraak is bepleit, zodat de vordering moet worden afgewezen.
Volledig
Verder blijkt uit gevorderde bankgegevens dat de gebruikte bankrekening is benaderd vanaf onder meer een IP-adres in Den Haag, geregistreerd op een direct aan het woonadres van de kinderen van de verdachte en hun moeder grenzende straat. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode wel bij zijn kinderen en hun moeder kwam. Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, is het hof voorts van oordeel dat de verdachte degene is geweest die de medeverdachte heeft verzocht de rekening te openen en feitelijk de beschikking had over deze rekening en de daarop gestorte geldbedragen. Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte aangevoerd dat het [een voormalige vriend] van de verdachte is geweest, die de betreffende accounts heeft aangemaakt op de telefoon van de verdachte en dat het ook die vriend is die verantwoordelijk moet worden gehouden voor het ten laste gelegde feit. Het hof gaat op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld voorbij aan deze lezing van de feiten, die ook overigens geen steun vindt in het dossier. Alles overwegende, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Voorwaardelijk verzoek De raadsvouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk verzocht om - indien het hof de verdachte niet direct vrijspreekt van het tenlastegelegde - de zaak aan te houden en het proces-verbaal van de terechtzitting bij dit hof van 22 april 2024 (met rolnummer 22-002603-22) toe te voegen aan het dossier, omdat [de voormalige vriend] daarin ontlastend ten aanzien van de verdachte zou hebben verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om [de voormalige vriend] als getuige te laten horen. Het hof zal zowel het primair als het subsidiair gedane voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw afwijzen. Het hof ziet geen noodzaak voor voeging van de verklaring van [de voormalige vriend] in het dossier, reeds omdat die verklaring is gegeven in een andere strafzaak en dus geen betrekking heeft op het onderhavige feit. Ook het horen van de getuige wijst het hof af, nu het de noodzaak daartoe, mede gelet op de inhoud van de onder het vorige kopje weergegeven overwegingen, niet is gebleken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: witwassen. Strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Daartoe heeft hij een bankrekening laten aanmaken en daarover de beschikking gehad, welke rekening bedoeld was om frauduleuze geldbedragen op te ontvangen die van verschillende gedupeerden waren verkregen. Met zijn handelen heeft de verdachte de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Daarnaast veroorzaakt deze vorm van fraude financiële schade en emotioneel leed bij de slachtoffers, die in goed vertrouwen grote geldbedragen overmaakten omdat zij dachten dat hun kinderen in financiële nood zaten. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk gegeven van enig inzicht in het verwerpelijke van zijn handelen en heeft het – integendeel – getracht op een ander af te schuiven. Het hof rekent dit alles de verdachte ten zeerste aan. Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van een dergelijk strafbaar feit. Het hof constateert voorts dat de redelijke termijn (inzendtermijn en termijn van berechting in hoger beroep), als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met enkele maanden is overschreden. Nu het een beperkte overschrijding betreft en daarmee een betrekkelijk geringe inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte op berechting binnen redelijke termijn, en voorts ook gelet op de gekozen strafmodaliteit en strafduur, wordt met deze constatering volstaan. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.500,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,00, bestaande uit materiële schade, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat vrijspraak is bepleit, zodat de vordering moet worden afgewezen. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 2.500,00 materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. Dit bedrag is immers door de benadeelde partij in het kader van de whatsappfraude overgemaakt en staat in zodanig nauw verband met de door de verdachte gepleegde witwashandelingen, dat het rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.001,15. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, onder toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, in die zin dat vrijspraak is bepleit, zodat de vordering moet worden afgewezen.
Volledig
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. Dit bedrag is immers door de benadeelde partij in het kader van de fraude overgemaakt en staat in zodanig nauw verband met de door de verdachte gepleegde witwashandelingen, dat het rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8.001,15 aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2] . Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand . Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis . Vordering van [benadeelde partij 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 juli 2020. Vordering van [benadeelde partij 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.001,15 (achtduizend één euro en vijftien cent) ter zake van materiële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 2] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.001,15 (achtduizend één euro en vijftien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 juli 2020. Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. M. Bakker, leden, in bijzijn van griffiers mr. I.L. Vollering en mr. E.E.N. Birkhoff. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2026. Mr. M. Bakker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledig
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. Dit bedrag is immers door de benadeelde partij in het kader van de fraude overgemaakt en staat in zodanig nauw verband met de door de verdachte gepleegde witwashandelingen, dat het rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8.001,15 aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2] . Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand . Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis . Vordering van [benadeelde partij 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening . Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 25 (vijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 juli 2020. Vordering van [benadeelde partij 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.001,15 (achtduizend één euro en vijftien cent) ter zake van materiële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 2] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.001,15 (achtduizend één euro en vijftien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 juli 2020. Dit arrest is gewezen door mr. N.M. Boersma, als voorzitter, mr. L.C. van Walree en mr. M. Bakker, leden, in bijzijn van griffiers mr. I.L. Vollering en mr. E.E.N. Birkhoff. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2026. Mr. M. Bakker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.