Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-04-22
ECLI:NL:GHDHA:2025:856
Strafrecht
Hoger beroep
2,469 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-003050-24
Parketnummer: 10-327909-21
Datum uitspraak: 22 april 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, in of omstreeks de periode van 18 mei 2021 tot en met 20 juni 2021, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door (telkens) om toegang te krijgen tot de besloten terminal van [terminal], gelegen op de Maasvlakte Rotterdam,
- op of omstreeks 18 mei 2021 gebruik te maken van een voertuig (te weten een Opel Movano, gekentekend [kenteken 1]), voorzien van (valse) bestickering van het bedrijf [bedrijf], als ware het een voertuig toebehorend aan [bedrijf], terwijl [bedrijf] niet beschikt over een voertuig met het kenteken [kenteken 1] en/of
- op of omstreeks 20 juni 2021 gebruik te maken van een voertuig (te weten een Mercedes Sprinter, gekentekend [kenteken 2]), voorzien van (valse) bestickering van het bedrijf [bedrijf], als ware het een voertuig toebehorend aan [bedrijf], terwijl [bedrijf] niet beschikt over een voertuig met het kenteken [kenteken 2].
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft ten aanzien het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een of meer anderen’ vrijspraak gevorderd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Gevoerd verweer
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman,
overeenkomstig de ter zitting overgelegde pleit-aantekeningen, gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij – kort weergegeven - aangevoerd dat de bestickering op de voertuigen geen bewijsbestemming had. Subsidiair heeft hij betoogd, dat er geen sprake was van het gebruik van de geschriften en meer subsidiair dat bij de verdachte het oogmerk ontbrak om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft
een geschrift een bewijsbestemming als er in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit aan wordt toegekend.
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast, dat de verdachte beide keren in een voertuig voorzien van bestickering van het bevoorradingsbedrijf voor schepen [bedrijf] reed en zich vervolgens aanmeldde als een medewerker van dit bedrijf, waarna hem door de security toegang tot het haventerrein werd verleend. De security manager [security manager] heeft in dit verband ook verklaard dat hij, gelet op de
herkenbaarheid van het voertuig, geen reden had om er aan te twijfelen dat de verdachte een medewerker van [bedrijf] was. Het hof is gelet op deze context van oordeel dat de bestickering van de voertuigen een bewijsbestemming in de zin van artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht had.
Met betrekking tot het subsidiair gevoerde verweer overweegt het hof dat, anders dan de raadsman heeft gesteld, uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de bestickering op voertuigen zelf is gebruikt als middel ter misleiding tegenover derden om daarmee toegang te krijgen tot het haventerrein. De bestickering was immers juist bedoeld om geen argwaan op te wekken bij degene die belast was met de beveiliging van het haventerrein. Zoals uit de hierboven aangehaalde verklaring van de security manager kan worden afgeleid, is juist vanwege de herkenbaarheid van het voertuig bij hem geen argwaan ontstaan.
Het hof overweegt voorts dat de verdachte heeft gehandeld met vol opzet. Het is een feit van algemene bekendheid dat een haventerrein een besloten terrein betreft en dat alleen aan personen met een rechtmatig doel de toegang tot dit terrein wordt verleend. De verdachte heeft beide keren door middel van valse bestickering en aanmelding bij de securitymedewerker toegang verkregen tot het terrein, terwijl hiervoor voor hem geen enkele legale aanleiding bestond. Uit de bewijsmiddelen of uit een verklaring van de verdachte, welke ontbreekt, kan evenmin worden afgeleid dat de verdachte een rechtmatig doel had het haven terrein te betreden. De verdachte heeft, zodoende, opzettelijk gebruik gemaakt van de valse geschriften.
Het hof verwerpt de verweren.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten tezamen en in verenging met een of meer anderen heeft gepleegd. Het hof zal de verdachte van dit onderdeel in de tenlastelegging vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, in of omstreeks de periode van 18 mei 2021 tot en met 20 juni 2021, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door (telkens) om toegang te krijgen tot de besloten terminal van [terminal], gelegen op de Maasvlakte Rotterdam,
- op of omstreeks 18 mei 2021 gebruik te maken van een voertuig (te weten een Opel Movano, gekentekend [kenteken 1]), voorzien van (valse) bestickering van het bedrijf [bedrijf], als ware het een voertuig toebehorend aan [bedrijf], terwijl [bedrijf] niet beschikt over een voertuig met het kenteken [kenteken 1] en/of
- op of omstreeks 20 juni 2021 gebruik te maken van een voertuig (te weten een Mercedes Sprinter, gekentekend [kenteken 2]), voorzien van (valse) bestickering van het bedrijf [bedrijf], als ware het een voertuig toebehorend aan [bedrijf], terwijl [bedrijf] niet beschikt over een voertuig met het kenteken [kenteken 2].
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. B. Vogel, als voorzitter, en mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. W.J. van Boven, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.C. Bongaerts.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 april 2025.