Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-04-30
ECLI:NL:GHDHA:2025:827
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,349 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.342.746/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 23-6093
zaaknummer rechtbank : C/09/652689
beschikking van de meervoudige kamer van 30 april 2025
inzake
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.J. den Hollander-Fischer te Leiden.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
Als informant is aangemerkt:
[pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder van de vrouw.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
De man is op 17 juni 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 5 september 2024 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
een brief van de zijde van de man van 22 juli 2024 met bijlagen, ingekomen op 23 juli 2024;
een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 26 maart 2025 met als bijlage een brief van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] , ingekomen op diezelfde datum.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 27 maart 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de advocaat van de vrouw.
Tevens is verschenen de pleegmoeder van de vrouw die als informant door het hof is gehoord. De vrouw is niet in persoon verschenen.
2.5
De raad is, zoals aangekondigd bij brief van 6 maart 2025, niet verschenen.
Feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Uit de vrouw is, voor zover in deze procedure van belang, geboren:
[minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ).
[minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .
3.3
De man heeft [minderjarige] niet erkend.
3.4
De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
3.5
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken tot vaststelling van een omgangs- en informatieregeling met betrekking tot [minderjarige] .
4.2
De grieven van de man gaan over de omgangsregeling. Hij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor wat betreft de omgangsregeling), en alsnog een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen zoals het hof juist acht, kosten rechtens.
4.3
Het verweer van de vrouw strekt tot niet-ontvankelijkheidverklaring van de man in zijn verzoeken in appel, dan wel afwijzing van deze verzoeken.
Motivering
Omgangsregeling
Juridisch kader
5.1
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Op grond van artikel 1:377a lid 2 BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
5.2
Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] . Omdat de man [minderjarige] niet heeft erkend, kan hij niet worden aangemerkt als haar juridische ouder. Om die reden dient te worden beoordeeld of in het onderhavige geval sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige] in de zin van artikel 1:377a BW (‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM).
5.3
De man stelt dat hij de biologische ouder van [minderjarige] is. Hoewel de vrouw heeft opgemerkt dat het biologisch vaderschap van de man niet vaststaat omdat er nooit een vaderschapstest is gedaan, heeft zij niet verklaard of onderbouwd dat de man niet de biologische vader van [minderjarige] is. Zij heeft ook niet gegriefd tegen de vaststelling van de rechtbank dat de man de biologische vader van [minderjarige] is. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de man de biologische vader is van [minderjarige] . Op grond van vaste jurisprudentie is voor de ontvankelijkheid van een verzoek van de biologische vader tot vaststelling van een omgangsregeling vereist dat de verzoeker, behalve het biologisch vaderschap, ook bijkomende omstandigheden stelt waaruit voortvloeit dat er tussen hem en het kind een band bestaat die kan worden aangemerkt als ‘family life’. Die bijkomende omstandigheden dienen te zijn gelegen in hetzij de relatie met de moeder en de betrokkenheid bij het kind voor en na de geboorte (in welk geval die omstandigheden moeten wijzen op een voorgenomen gezinsleven, ofwel ‘intended family life’), hetzij in de band die na de geboorte tussen de biologische vader en het kind is ontstaan. Ook een combinatie van omstandigheden die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van het kind en deels op de periode na de geboorte van het kind kan gelden als voldoende bijkomende omstandigheden.
5.4
Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name in de zaken Anayo/Duitsland (EHRM 21 december 2010, 20578/07) en Schneider/Duitsland (EHRM 15 september 2011, 17080/07) volgt voorts dat nauwe banden in het kader van artikel 8 EVRM, in gevallen waarin het bestaan van ‘(intended) family life’ niet kan worden aangenomen, wel binnen de reikwijdte van het privéleven (‘private life’) en aldus eveneens onder de bescherming van artikel 8 EVRM kunnen vallen. De vraag of de biologische vader een recht heeft op toegang tot het kind kan – zelfs als de banden onvoldoende zijn om ‘(intended) family life’ aan te nemen – een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de vader en daarmee van zijn ‘private life’. Voor het slagen van een beroep op de bescherming van privéleven in de zin van artikel 8 EVRM is het enkele feit dat de man de biologische vader is niet voldoende. Er dient ook hier sprake te zijn van bijkomende omstandigheden die maken dat de kwestie in dit geval een belangrijk deel betreft van de identiteit van de biologische vader en daarmee van zijn privéleven.
Standpunten
5.5
Naar het hof begrijpt, stelt de man allereerst dat er sprake is van ‘family life’ tussen hem en [minderjarige] . Hij stelt dat er sprake is geweest van een duurzame affectieve relatie, waarbij partijen gezamenlijk het doel hadden om een kind te verwekken en een gezin te stichten. Dat er nu psychische problematiek speelt bij de vrouw heeft volgens de man vermoedelijk meer te maken met eerdere gebeurtenissen in het leven van de vrouw, zoals haar uithuisplaatsing en haar tijd in pleegzorg, dan met de man. De man heeft altijd geprobeerd fysiek contact met [minderjarige] te bewerkstelligen, maar de vrouw hield categorisch de boot af. Zijn contact met [minderjarige] is daarom slechts telefonisch geweest. Hierbij was ook sprake van beeldbellen, wat na 23 maart 2022 abrupt is gestopt. Naast ‘family life’ gaat het volgens de man om de eerbiediging van zijn recht op ‘private life’. Naast de bescherming van het gezinsleven is namelijk de bescherming van het privéleven van een biologische vader, zoals de man dat is van [minderjarige] , als rechtsgrond voor omgang geaccepteerd. De man heeft al lange tijd, tegen zijn wens in, geen fysiek contact met [minderjarige] , maar er is wel steeds een nauwe persoonlijke betrekking geweest, welke betrekking een belangrijk deel uitmaakt van de identiteit van de man als vader en daarmee van zijn privéleven. De man moet daarom ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek tot omgang.
5.6
De vrouw betwist de stellingen van de man. Volgens de vrouw is er geen sprake geweest van een echte relatie met de man. De vrouw was 17 jaar oud en kwetsbaar. De vrouw is licht verstandelijk gehandicapt en woonde destijds in een begeleide woonvorm. De man bedreigde de vrouw en het contact dat zij hadden, was onder dwang. Dit blijkt ook uit de ingediende stukken uit de strafzaak tegen de man, waarin het hof Amsterdam onder meer heeft geoordeeld dat de man zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van de vrouw met de dood. De verwekking van [minderjarige] is niet vrijwillig gegaan en de vrouw is daarvoor nog altijd in therapie, in welk kader zij verwijst naar de ingediende verklaring van haar psycholoog. Nadat de vrouw zwanger bleek, is zij voor haar veiligheid overgeplaatst naar een andere woongroep. De eerste acht jaar na de geboorte van [minderjarige] heeft de man nooit contact opgenomen. Nadien is contact tussen de man en de vrouw niet op reguliere basis geweest. Ook uit de verklaring van de pleegmoeder van de vrouw blijkt van een contact in het verleden onder dreiging, waarbij de vrouw uit angst contact onderhield. De man heeft nog nooit direct contact gehad met [minderjarige] , ook niet via beeldbellen, en dat wil [minderjarige] ook niet. De man heeft nooit eerder een verzoek tot omgang met [minderjarige] bij de rechter ingediend. Van bijkomende omstandigheden waaruit ‘family life’ zou volgen, is daarom geen sprake. Daarnaast is de vrouw van mening dat er gelet op voorgaande ook geen sprake is van een recht op ‘private life’ van de man dat omgang met [minderjarige] zou rechtvaardigen. Indien het hof ‘private life’ wel aanwezig acht, dan bestaat er volgens de vrouw een noodzaak tot inmenging in dit recht, gelet op het belang van de vrouw en [minderjarige] dat zij door de man met rust gelaten worden. Het verweer van de vrouw strekt daarom tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de verzoeken van de man tot omgang.
Oordeel hof
5.7
Voordat het hof toekomt aan de motivering van haar beslissing omtrent de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek, gaat het in op het aanbod van de man dat hij ter zitting heeft gedaan om beeldmateriaal (bestaande uit 100 video-opnames en ongeveer 1.000 foto’s) te overleggen. Het hof begrijpt dat hieruit het veelvuldige contact tussen de man en [minderjarige] zou blijken in de periode voor 23 maart 2022. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.C. van den Brink, H.J. Wieman-Bart en A.F. Mollema, bijgestaan door mr. R.E. Jonkhoff als griffier en is op 30 april 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Het hof stelt voorop dat partijen op grond van de artikelen 20 en 21 Rv verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen. Deze inspanningsverplichting van partijen heeft tot doel de rechter sneller tot de kern van het geschil te laten komen en de zaak op de mondelinge behandeling adequaat te kunnen laten behandelen. Partijen dienen daarom de informatie waarover zij redelijkerwijs kunnen beschikken en die redelijkerwijs voorzienbaar relevant is voor de beoordeling van hun verzoek, zo spoedig als mogelijk te overleggen. Deze verplichting volgt ook uit artikel 799 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin is opgenomen dat bij de indiening van het verzoekschrift de bescheiden worden overgelegd die kunnen dienen tot bewijs van de gestelde feiten. De rechter kan uit het niet naleven van deze verplichting de gevolgtrekking maken die hij geraden acht en waakt, ook ambtshalve, tegen onredelijke vertraging van de procedure. Het hof oordeelt in dit geval dat het in strijd is met de goede procesorde om indiening van het beeldmateriaal in dit late stadium van de procedure in hoger beroep toe te staan. Er is alle gelegenheid geweest voor de man om dit materiaal (volgens de man daterend van voor 23 maart 2022) in een eerder stadium van de procedure – in eerste aanleg dan wel in hoger beroep – te overleggen, in plaats van na afloop van de mondelinge behandeling in het hoger beroep. Het hof zal om die reden het aanbod van de man passeren.
5.8
Op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling bij het hof komt het hof tot het oordeel dat de rechtbank in de bestreden beschikking terecht en op goede gronden de man niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] . Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [minderjarige] . Het hof voegt daar het volgende aan toe. In hoger beroep heeft de man ook gesteld dat sprake is van ‘private life’ en dat hij op die grond ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek tot omgang. Uit de stukken in het dossier en wat ter zitting in hoger beroep is besproken, is echter onvoldoende gebleken van een serieuze en aantoonbare interesse van de man in en betrokkenheid bij [minderjarige] in de periode rondom de zwangerschap van de vrouw, de geboorte van [minderjarige] en daarna. De man is niet bij de geboorte van [minderjarige] aanwezig geweest en heeft nimmer fysieke omgang met haar gehad. De man heeft de vaststelling van de rechtbank dat hij de eerste acht jaar van haar leven geen enkel contact heeft gehad met [minderjarige] niet bestreden en heeft toen ook geen enkele aantoonbare poging ondernomen om omgang, dan wel contact met haar te bewerkstelligen. Als dit al conform het advies van de rechter in zijn strafzaak zou zijn geweest, dan doet dit niet af aan het gegeven dat er geen enkele vorm van contact is geweest. Bovendien ligt het ontbreken van contact ook dan geheel in de risicosfeer van de man zelf. De berichten uit 2020 die de man heeft overlegd, getuigen voorts van contact tussen hem en de vrouw, en niet van contact met [minderjarige] . Daarbij getuigt de inhoud van de communicatie meer van een interesse van de man in de vrouw, dan van een serieuze interesse van de man in [minderjarige] . Bovendien houdt dit in dat de man geen enkele actie heeft ondernomen totdat [minderjarige] reeds de leeftijd van twaalf jaar had bereikt, nooit juridische actie heeft ondernomen om haar te erkennen en pas toen zij vijftien was een procedure tot het verkrijgen van omgang met haar is gestart. Naar het oordeel van het hof kan daarom niet gesproken worden van bijkomende omstandigheden die, naast het feit dat de man de biologische vader is, maken dat de banden met [minderjarige] een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de man en daarmee van zijn privéleven, zodat het niet ontvankelijk verklaren van de man in zijn verzoek tot omgang met de minderjarige niet in strijd komt met artikel 8 EVRM. Ook het hof acht de man daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek en het zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
Proceskosten
5.9
Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, de proceskosten compenseren, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen.
5.10
Dit leidt tot de volgende beslissing.