Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:GHDHA:2025:699
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
4,388 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-24/424
Uitspraak van 13 maart 2025
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Gieben)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Pijnacker-Nootdorp, de Heffingsambtenaar,
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 maart 2024, nummer SGR 23/1485.
Procesverloop
1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 437.000 (de beschikking).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft, na een rectificatie van de uitspraak op 11 april 2024, geoordeeld:
“De rechtbank verklaart::
- het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 438,50;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten voor het woningwaarderapport tot een bedrag van € 10,69;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft, hoewel daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een nader stuk, ingekomen op 17 september 2024, ingediend.
1.5.
Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. De griffier heeft partijen bij bericht van 30 juli 2024 meegedeeld dat het Hof voornemens is een zitting achterwege te laten, tenzij partijen uiterlijk binnen twee weken na de dagtekening van het bericht het Hof laten weten dat zij ter zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet verzocht om een mondelinge behandeling. Het Hof heeft vervolgens op 7 februari 2025 het onderzoek gesloten.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning.
2.2.
In de bezwaarfase is van de zijde van belanghebbende een “woningwaarderapport” overgelegd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld:
“1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 417.000.
2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de vergelijkingsobjecten van de heffingsambtenaar voldoende vergelijkbaar en is van mening dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De heffingsambtenaar heeft de door belanghebbende aangedragen vergelijkingsobjecten, [adres 2] en [adres 3] , opgenomen in zijn matrix en laten zien dat deze objecten ook de huidige waarde onderbouwen. Belanghebbende maakt met wat hij verder aanvoert niet aannemelijk dat moet worden uitgegaan van een lagere waardering. De mogelijke overlast van het spoor en de aanwezigheid van de brandgang leiden niet tot een vermindering van de waarde, omdat de heffingsambtenaar gemotiveerd heeft gesteld dat deze omstandigheden al zijn verdisconteerd in de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.
4. Wat belanghebbende verder aanvoert, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niets af. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar de indexeringspercentages, de onderlinge correcties van KOUDV en liggingsfactoren en de waarde van de objectonderdelen niet inzichtelijk heeft gemaakt. De heffingsambtenaar heeft ter zitting naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt hoe het indexeringspercentage tot stand komt. Wat betreft de correctie van de KOUDV- en liggingsfactoren en de waarde van de objectonderdelen overweegt de rechtbank dat de heffingsambtenaar niet verplicht is deze inzichtelijk te maken. Waarderen is geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de juiste bedragen zijn vastgesteld voor de verschillen in KOUDV- en liggingsfactoren of over het vaststellen van de juiste bedragen van samenstellende onderdelen van de woning, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.[1]
5. Belanghebbende stelt verder dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden, omdat de heffingsambtenaar de door belanghebbende gevraagde stukken in bezwaar niet heeft toegezonden. De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard, dat enkele gegevens inderdaad niet verstrekt zijn. Artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is dus geschonden. Belanghebbende heeft in beroep alsnog kennis kunnen nemen van de gevraagde stukken en heeft deze kunnen betwisten. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Vanwege de schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling over een proceskostenvergoeding voor het laat indienen van het verweerschrift.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
7. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. De rechtbank stelt het gewicht in deze zaak vast op 0,25 (licht), aangezien het gaat om een lichte schending van formele aard die eenvoudig geconstateerd kan worden en bovendien niets afdoet aan de vastgestelde waarde van de woning. De rechtbank stelt alsdan de te vergoeden kosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 438,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 (tarief 2024) en een wegingsfactor 0,25). De vergoeding voor de kosten van het woningwaarderapport zal de rechtbank bepalen op (afgerond) € 10,69 (1/6 uur x € 53 te vermeerderen met 21% btw), nu het niet aannemelijk is dat de taxateur van belanghebbende meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed.[2]
[1] Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.
[2] Rechtbank Den Haag 19 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21602”
Geschil
4.1.
In geschil is of:
( a) de Rechtbank in het kader van artikel 40 Wet WOZ ten onrechte voorbij is gegaan aan de gebrekkige motivering in de bezwaarfase;
( b) een te lage proceskostenvergoeding aan belanghebbende is toegekend. Daarbij gaat het om de vragen of de Rechtbank bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding het gewicht van de zaak ten onrechte heeft vastgesteld op ‘zeer licht’ (factor 0,25) en of een te laag bedrag voor het woningwaarderapport is toegekend.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot veroordeling van de Heffingsambtenaar tot een hogere vergoeding voor de kosten van beroep en tot vergoeding van de kosten van het hoger beroep.
Overwegingen
a. Schending toezendverplichting
5.1.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geschonden. Voor zover belanghebbende in zijn hogerberoepschrift is uitgaan van een ander oordeel, berust dit op een onjuiste lezing van de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof komt niet toe aan de stelling van belanghebbende dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Heffingsambtenaar niet verplicht is de correcties op KOUDV- en liggingsfactoren en de waarde van objectonderdelen inzichtelijk te maken. Belanghebbende heeft bij dat verzoek geen belang. Aangezien belanghebbende de waarde van de woning niet meer betwist en de Rechtbank een kostenvergoeding heeft toegekend in verband met schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ, is het niet meer van belang hoe het verzoek om het verstrekken van de correcties op de KOUDV- en liggingsfactoren had moeten worden opgevat en of dat een schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ oplevert.
b. Proceskostenveroordeling beroepsfase
5.2.
De Rechtbank heeft in de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ aanleiding gezien de Heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten en de Heffingsambtenaar op te dragen het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden.
5.3.
Belanghebbende komt op tegen de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding en met name tegen de toegepaste wegingsfactor van 0,25 passende bij een gewicht van de zaak van ‘zeer licht’. Volgens belanghebbende moet een wegingsfactor van 1, passende bij een gewicht van de zaak van ‘gemiddeld’, in aanmerking worden genomen. Belanghebbende verwijst daartoe naar het Richtsnoer van de gerechtshoven en voert aan dat het gewicht van de zaak dient te worden beoordeeld naar het geschil in volle omvang en niet enkel naar het gegronde deel.
5.4.
Het Hof stelt voorop dat het op grond van een eigen waardering dient te beoordelen in welke gewichtscategorie van onderdeel C1 van de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) een zaak valt. Dit betekent dat per fase van de procedure moet worden beoordeeld welke wegingsfactor van toepassing is. Het aan een zaak toekomende gewicht wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid daarvan en de uitkomst van deze beoordeling moet voorts in overeenstemming zijn met de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.
5.5.
Geschil
5.6.
Ten aanzien van het beroep van belanghebbende op het Richtsnoer en de daarin opgenomen opsomming van gevallen waarin een wegingsfactor van 1 kan worden aangehouden, overweegt het Hof dat het Richtsnoer door de belastingkamers van de gerechtshoven wordt toegepast. De heffingsambtenaren noch de rechtbanken binnen de respectieve ressorten zijn betrokken bij de totstandkoming van het Richtsnoer en zijn derhalve niet verplicht de proceskostenvergoeding conform het Richtsnoer vast te stellen. Nog daargelaten dat het Richtsnoer geen limitatieve opsomming maar slechts een indicatieve opsomming van de toepassing van de verschillende wegingsfactoren bevat. Indien, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geklaagd over de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor, is de beoordelingsmaatstaf voor het Hof dan ook niet of de Rechtbank het Richtsnoer juist heeft toegepast, maar of de Rechtbank het gewicht van de zaak heeft bepaald met juiste toepassing van de regels die zijn gesteld in het Bpb. Zoals het Hof in 5.5 heeft geoordeeld, is van dat laatste sprake.
Kosten taxatierapport
5.7.
Belanghebbende komt op tegen de toegekende vergoeding voor het in het geding gebrachte taxatierapport (zie 2.2). De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de taxateur van belanghebbende meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het rapport heeft besteed. Voor de vervolgens geschatte tijdsbesteding van tien minuten is door de Rechtbank geen motivering gegeven, aldus belanghebbende. Verder voert belanghebbende aan dat het feit dat sprake is van een geautomatiseerd rapport niet hoeft te betekenen dat een deskundige geen tijd heeft besteed aan het rapport; de deskundige loopt de gegevens in het rapport na en controleert deze gegevens. Volgens belanghebbende voldoet het rapport aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende handhaaft dan ook zijn verzoek om een vergoeding in overeenstemming met de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven (de Richtlijn).
5.8.
Bij het bepalen van de hoogte van de kostenvergoeding voor het taxatierapport, heeft de Richtlijn als uitgangspunt te gelden. In de Richtlijn wordt het aantal uren dat is gemoeid met een niet-inpandige woningtaxatie en het opstellen van een rapport gesteld op twee, en het uurtarief van de taxateur betreffende woningtaxaties gesteld op € 53. Het Hof begrijpt uit dat wat gedurende de gehele procedure is aangevoerd dat het door belanghebbende overgelegde taxatierapport is opgemaakt met gebruikmaking van automatisch gegenereerde gegevens en dat er door een deskundige naar is gekeken. Belanghebbende heeft geen inzicht verschaft in hoe het taxatierapport tot stand is gekomen en welke rol de deskundige daarbij heeft gehad. Evenmin heeft hij gepreciseerd hoeveel tijd de deskundige aan het taxatierapport heeft besteed, terwijl belanghebbende, ook gezien het oordeel van de Rechtbank en zijn gronden daartegen in hoger beroep, de meest gerede partij is om dit inzichtelijk te maken. Het Hof kan daarom niet vaststellen hoeveel tijd de deskundige daadwerkelijk aan het rapport heeft besteed. Het Hof acht niet aannemelijk dat de deskundige meer dan een geringe hoeveelheid tijd aan het taxatierapport heeft besteed en ziet geen aanleiding uit te gaan van een ruimere tijdsbesteding dan tien minuten. Ook deze grief faalt derhalve.
Conclusie
5.9.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door S.E. Postema, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen S.E. Postema
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, BNB 2011/265, Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, BNB 2013/122 en Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, BNB 2022/128.
Zie de nota’s van toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 1993,763, p. 8-9, en van 25 februari 2002, Stb. 2002,113, p. 6.
Het Richtsnoer is als bijlage gevoegd bij Gerechtshof Den Haag 14 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1389.
Zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:703, r.o. 4.3.2, BNB 2024/83.
De Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Raad voor de Rechtspraak, Stcrt. 2018, 28796.