Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-03-25
ECLI:NL:GHDHA:2025:598
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
1,878 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.350.734/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/25/5 R
Arrest van 25 maart 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. L.N. Huizenga te Amsterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1
Op [appellant] is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2025 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard, met als ingangsdatum 20 juni 2024. [appellant] is het niet eens met deze ingangsdatum. Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 3 februari 2025, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag. Het hof heeft verder nog kennis genomen van de door [appellant] nader overgelegde producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 maart 2025. Verschenen is: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat, en M.A.T. Noordzij, schuldhulpverlener bij Noordzij Insolventie B.V. (hierna samen: Noordzij).
Beoordeling
2.1
De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] toegewezen en de aanvang van de termijn van de schuldsaneringsregeling op 20 juni 2024 bepaald. De rechtbank heeft de aanvangsdatum vastgesteld aan de hand van het moment waarop aan de schuldeisers van [appellant] een minnelijk nul-aanbod voor een schuldregeling is gedaan. De afdracht aan een van de schuldeisers via een door deze schuldeiser gelegd beslag leidde naar het oordeel van de rechtbank niet tot een nog eerdere ingangsdatum, omdat toen het ‘minnelijk traject van schuldhulpverlening’ volgens de rechtbank nog niet was gestart.
2.2
[appellant] is het met deze beslissing niet eens. Hij meent dat de ingangsdatum wel moet worden bepaald aan de hand van de afdracht na het gelegde beslag. Zijn grieven kunnen als volgt worden samengevat.[appellant] is op 9 november 2023 een schuldregelingsovereenkomst overeengekomen met Noordzij. Uit de overeenkomst blijkt dat de verplichtingen die op [appellant] rusten vanaf het moment dat deze wordt gesloten (nagenoeg) overeenkomen met de verplichtingen die bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelden. Van een gescheiden traject (eerst stabilisatie, daarna pas doorpakken met de schuldenregeling) is geen sprake geweest. Verder is gebleken dat sinds de datum van ondertekening van de schuldregelingsovereenkomst beslag was gelegd door GGN onder de werkgever van [appellant]. Met ingang van die datum werd er dus maandelijks een bedrag ingehouden op zijn loon. Een dergelijke aflossing kwalificeert volgens de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913) ook als eerste aflossing.
2.3
Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt.
2.4
In de eerder genoemde prejudiciële beslissing van 20 december 2024 (zie rov. 3.13) heeft de Hoge Raad op de door het hof gestelde vragen, voor zover van belang, de volgende antwoorden gegeven (onderstrepingen hof):
Met de in art. 349a lid 1 Fw bedoelde eerste aflossing in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling wordt bedoeld: de eerste aflossing tijdens het minnelijke traject van schuldhulpverlening.
Als ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw is in de eerste plaats aan te merken een aflossing die of een gespaard bedrag dat ten goede is gekomen of komt aan de gezamenlijke schuldeisers. Een aflossing aan een of enkele schuldeisers uit hoofde van een ten laste van de schuldenaar gelegd beslag kan in beginsel eveneens als zodanige eerste aflossing worden aangemerkt.
Met een eerste aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw moet op één lijn worden gesteld de vaststelling dat de schuldenaar geen aflossingscapaciteit heeft. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit een zogenoemd ‘nulaanbod’ aan de schuldeisers.
Om in aanmerking te komen voor vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de schuldsaneringsregeling, moet de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject hebben voldaan aan de verplichtingen die uit dat traject voortvloeien. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag, moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven.
2.5
Nadat [appellant] op 9 november 2023 de schuldregelingsovereenkomst sloot, heeft hij conform de VTLB-normen, voor zover daar ruimte voor was, loon afgedragen ten behoeve van de schuldregeling. Daarnaast is gebleken dat [appellant] direct vanaf het begin van de schuldregeling uit hoofde van een beslag betalingen heeft gedaan. Verder is [appellant] de overige uit de schuldregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren nagekomen. Op grond van deze feiten en omstandigheden concludeert het hof dat [appellant] vanaf de start van het minnelijk voortraject maximaal heeft voldaan aan de verplichtingen die in de schuldregelingsovereenkomst met Noordzij aan hem werden gesteld, zodat hij in aanmerking komt voor vervroeging van het aanvangsmoment van de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof zal de ingangsdatum van de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling vaststellen op datum waarop de buitengerechtelijke schuldregeling is aangevangen, te weten op 9 november 2023.
2.6
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep slaagt. Met het oog op de afwikkeling van de wettelijke schuldsanering zal het hof, overeenkomstig de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad, de formele termijn van de schuldsaneringsregeling van 18 maanden verlengen tot 9 september 2025, zodat de bewindvoerder zijn verslag kan opmaken en indienen, en de rechter de eindzitting kan bepalen. [appellant] zal daarbij vanaf 9 mei 2025 worden ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting. De medewerkings- en informatieplichten tegenover de bewindvoerder (art. 327 Fw in verbinding met art. 105-105a Fw) gelden in die periode wel.
2.7
Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.
Dictum
Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2025, behoudens voor zover daarin is bepaald dat de termijn van de wsnp achttien maanden bedraagt en aanvangt vanaf 20 juni 2024, vernietigt het vonnis in zoverre en beslist daarover opnieuw recht doende als volgt;
bepaalt dat de wsnp is aangevangen op 9 november 2023 en zal eindigen op 9 september 2025;
bepaalt dat [appellant] vanaf 9 mei 2025 zal worden ontheven van de verplichting tot afdracht aan de boedel en van zijn inspanningsverplichting;
verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter verdere uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, J.S. Honée en mr. R. van Galen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.