Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-01-07
ECLI:NL:GHDHA:2025:562
Civiel recht
Hoger beroep
8,527 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.346.534/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/669978 KG ZA 24-694
Arrest in kort geding van 7 januari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
gedetineerd in [verblijfplaats] ,
appellant,
advocaat: mr. E.A. Blok, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
de Staat der Nederlanden,
zetelend in Den Haag,
verweerder,
advocaat: mr. M. Beekes, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof zal partijen hierna [appellant] en de Staat noemen.
1De zaak in het kort
1.1
[appellant] is gedetineerd. Hij is op de zogeheten GVM-lijst (lijst van gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico) in de categorie ‘extreem’ geplaatst. Volgens [appellant] is deze plaatsing onrechtmatig. [appellant] vordert dat hij van de GVM-lijst wordt verwijderd dan wel dat zijn plaatsing wordt afgeschaald van ‘extreem’ naar ‘verhoogd’ of ‘hoog’.
1.2
De voorzieningenrechter heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel, maar wel op andere gronden dan de voorzieningenrechter.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 30 september 2024, met bijlagen, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de voorzieningenrechter) van 13 september 2024 (hierna: het vonnis of het bestreden vonnis) en waarin de grieven tegen dit vonnis zijn opgenomen;
de memorie van antwoord van de Staat, met een bijlage;
de bijlagen die [appellant] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 29 november 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Feiten
3.1
[appellant] is op 23 februari 2013 aangehouden en is sindsdien gedetineerd in verband met verschillende verdenkingen en veroordelingen. Op 10 mei 2016 is [appellant] door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar. Die straf is onherroepelijk geworden.
3.2
Op 11 oktober 2017 heeft [appellant] een poging gedaan om met behulp van een helikopter te vluchten uit de PI Roermond. Naar aanleiding van deze ontspanningspoging is hij op 25 oktober 2017 in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught geplaatst.
3.3
Op 15 augustus 2022 is [appellant] vanuit de EBI overgeplaatst naar de PI Leeuwarden. Die overplaatsing volgde op een uitspraak van 20 juli 2022 van de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), waarin onder meer is overwogen dat een langer verblijf in de EBI niet meer kon worden gerechtvaardigd op grond van informatie over gebeurtenissen in 2015 en 2017. De selectiefunctionaris heeft, namens de Minister voor Rechtsbescherming (hierna: de minister), naar aanleiding van deze uitspraak op 9 augustus 2022 besloten om [appellant] uit de EBI te plaatsen. In zijn beslissing heeft de selectiefunctionaris opgemerkt dat het risicoprofiel van [appellant] door de plaatsing uit de EBI wordt afgeschaald van ‘extreem’ naar ‘hoog’. In Leeuwarden heeft [appellant] op de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) verbleven met de GVM-status ‘hoog’, aanvankelijk op grond van criterium A (ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf), B (risico op voortgezet crimineel handelen) en C (risico op liquidatie of bedreiging in detentie). Per 9 augustus 2023 is zijn GVM-status ‘hoog’ verlengd, maar uitsluitend nog op de C-grond.
3.4
Bij vonnis van 7 december 2022 is [appellant] door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot (wederom) een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar voor een ander delict, waarvoor hij op 31 maart 2021 is aangehouden in de EBI. [appellant] heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld en vervolgens tegen het arrest van het hof cassatieberoep ingesteld. De cassatieprocedure loopt nog.
3.5
Op 22 februari 2024 heeft de directeur van de PI Leeuwarden aan [appellant] medegedeeld dat hij op basis van de informatie van het Operationeel Overleg (OO) heeft besloten om de toezichtmaatregelen in verband met zijn voortdurende GVM-status ‘hoog’ met zes maanden te verlengen. [appellant] heeft hiertegen beklag gedaan en een schorsingsverzoek ingediend. Op 7 maart 2024 heeft de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ het schorsingsverzoek voor zover dat ziet op de toezichtmaatregelen afgewezen, omdat de noodzaak tot het opleggen van toezichtmaatregelen - naar het voorlopig oordeel van de voorzitter - voldoende aannemelijk is geworden. Voor het overige is [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn schorsingsverzoek.
3.6
Op 4 april 2024 is [appellant] een kortgedingprocedure gestart bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, waarin hij heeft gevorderd de Staat te veroordelen om hem van de GVM-lijst te verwijderen dan wel zijn plaatsing op de GVM-lijst te wijzigen van de categorie ‘hoog’ naar ‘verhoogd’. Dit kort geding zou aanvankelijk plaatsvinden op 29 april 2024 in Den Haag. De beveiligingscoördinator van de rechtbank heeft echter in samenspraak met de politie geoordeeld dat de zitting niet in Den Haag kon plaatsvinden, maar dat daarvoor naar een andere locatie moest worden uitgeweken als [appellant] fysiek ter zitting aanwezig wilde zijn. Vervolgens is op 2 mei 2024 schriftelijk aan [appellant] bevestigd dat de zitting is verplaatst naar 6 juni 2024 in het Justitieel Complex te Schiphol.
3.7
Op 29 mei 2024 heeft de selectiefunctionaris (namens de minister), op advies van de directeur van de PI in Leeuwarden, besloten om [appellant] over te plaatsen naar de PI Alphen aan den Rijn. De reden hiervoor was dat de professionele en objectieve houding van het personeel in de PI Leeuwarden werd bemoeilijkt door het lange verblijf van [appellant] . De selectiefunctionaris heeft de directeur van de PI in Alphen aan den Rijn geadviseerd om [appellant] te plaatsen op de AIT.
3.8
Op 30 mei 2024 heeft de vrouw van [appellant] voor hem een brief achtergelaten in de PI Leeuwarden. De brief bevat onder meer een gelukwens voor het huwelijk van [appellant] en zijn vrouw, van een persoon die “ A12 ” wordt genoemd.
3.9
Op 30 mei 2024 is door de (plaatsvervangend) directeur van de PI Leeuwarden aan [appellant] een ordemaatregel (plaatsing in afzondering voor de duur van 14 dagen) opgelegd in verband met het rapport van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) van 30 mei 2024. In dit rapport staat onder meer het volgende:
“(…)
Het team GRIP(…) heeft op 30 mei 2024 onderstaande informatie ontvangen van Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de Eenheid Amsterdam.
Bij het Team Criminele Inlichtingen van de Eenheid Amsterdam is in het tweede kwartaal van 2023 via één informant de navolgende informatie binnengekomen:
“De criminele organisatie van [appellant] is bezig met het maken van plannen om [appellant] te bevrijden.”
“Voorts verklaar ik, alvorens de bovenstaande informatie ter beschikking te hebben gesteld, ik een oordeel te hebben gevormd over de betrouwbaarheid van de informant en over de juistheid van de informatie. Dat oordeel luidt, dat de bekende achtergrond van de informant, bezien in de samenhang met de door die informant aangedragen gegevens, tot de conclusie leidt:
Dat de verstrekte informatie als betrouwbaar kan worden aangemerkt.”
(…)”
3.10
Op 31 mei 2024 is [appellant] overgeplaatst naar de [verblijfplaats] in verband met de hem opgelegde ordemaatregel van 30 mei 2024. Vervolgens heeft [appellant] op 5 juni 2024 het kort geding dat op 6 juni 2024 gepland stond ingetrokken.
3.11
Op 7 juni 2024 is een selectieadvies van de PI Leeuwarden uitgebracht waarin is geadviseerd om [appellant] in de EBI te plaatsen. De risico’s waarnaar in advies wordt verwezen betreffen onder meer: de eerdere ontsnappingspoging van [appellant] , de brief van 30 mei 2024 van zijn vrouw waarin “ A12 ” staat vermeld en het op 5 juni 2024 “zonder opgave van reden” intrekken van het kort geding dat op 6 juni 2024 stond gepland.
3.12
Op 11 juni 2024 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen een eventuele plaatsing in de EBI. [appellant] heeft onder meer aangevoerd dat hij het niet eens is met het advies om hem op grond van één TCI-melding van een jaar eerder in de EBI te plaatsen, en hij heeft betwist dat ontsnapping aan de orde zou zijn.
3.13
Op 20 juni 2024 heeft de selectie-adviescommissie (SAC) EBI geadviseerd [appellant] voor de duur van een jaar te plaatsen in de EBI. Op 24 juni 2024 heeft de selectiefunctionaris namens de minister het besluit genomen [appellant] in de EBI te plaatsen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog). De selectiefunctionaris heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
“Op basis van de hiervoor besproken informatie van de PI Leeuwarden, het GRIP, hetgeen u naar voren heeft gebracht in het hoorgesprek en in aanmerking genomen het advies van de SAC EBI, concludeer ik is voldaan aan de criteria als van de a- en b-grond van de Rspog.
Beoordeling
6.1
De eerste vraag die het hof moet beantwoorden, is of [appellant] kan worden ontvangen in zijn vorderingen. De voorzieningenrechter heeft die vraag ontkennend beantwoord. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat in dit geval een separate beoordeling van (de gegrondheid van) de GVM-status in kort geding - anders dan bij een status ‘hoog’ of ‘verhoogd’ - niet mogelijk is. De beslissing van de selectiefunctionaris tot plaatsing in de EBI is namelijk de primaire beslissing waarop zonder nadere beoordeling automatisch de GVM-status ‘extreem’ voor de betrokken gedetineerde volgt. Tegen die beslissing staat een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de beroepscommissie van de RSJ open. [appellant] heeft die rechtsgang ook benut en zal de inhoudelijke beslissing van de beroepscommissie van de RSJ moeten afwachten. Indien de beroepscommissie van de RSJ tot het oordeel zou komen dat de plaatsing in de EBI niet terecht is, dan zal dat moeten leiden tot overplaatsing naar een andere PI met een minder zwaar regime en zal de GVM-status van [appellant] direct veranderen in ‘hoog’. Voor de voorzieningenrechter is daarom in de gegeven omstandigheden geen rol weggelegd.
6.2
[appellant] is het met dit oordeel niet eens. [appellant] stelt dat hij vanwege zijn GVM-status ‘extreem’ in de EBI verblijft en onderworpen is aan toezichtmaatregelen die vele malen zwaarder zijn dan die golden in de PI Leeuwarden. Niet iedere gedetineerde met de status ‘extreem’ wordt noodzakelijkerwijs geplaatst in de EBI. Er zijn meer keuzes, zoals een Terroristenafdeling (TA), een AIT, een afdeling voor beheersproblematische gedetineerden (BPG-afdeling) of een isoleercel in een reguliere PI in afwachting van een plek in de EBI. De beslissing tot plaatsing op de GVM-lijst in de categorie ‘extreem’ is geen administratieve handeling die voortvloeit uit de beslissing tot plaatsing in de EBI. De selectiefunctionaris beslist, nadat een bespreking binnen het OO heeft plaatsgevonden, eerst over plaatsing op de GVM-lijst in de categorie ‘extreem’ en daarna over plaatsing in de EBI. Dit volgt uit de Circulaire beleid gedetineerden met vlucht- en/of maatschappelijk risico van 8 juli 2021 (de Circulaire), het ‘Vergelijkend onderzoek Italiaans 41-bis detentieregime’ in opdracht van het WODC, de toelichting op artikel 6 Rspog en de jurisprudentie. Omdat de beslissing tot plaatsing op de GVM-lijst in de categorie ‘extreem’ rechts-/ of feitelijke gevolgen heeft, is rechtsbescherming nodig. De beslissing is niet vatbaar voor bezwaar, beklag of beroep bij de RSJ, zodat [appellant] zijn bezwaren moet kunnen voorleggen aan de burgerlijke rechter. Het kan niet zo zijn dat een gedetineerde met de status ‘extreem’ minder rechtsbescherming geniet dan een gedetineerde met de status ‘hoog’ of ‘verhoogd’, die volgens vaste rechtspraak bij de burgerlijke rechter wel ontvankelijk is in een vordering tot verwijdering of afschaling van de GVM-lijst, aldus nog steeds [appellant] .
6.3
Het hof overweegt dat de weg naar de burgerlijke rechter is afgesloten als er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij een bijzondere rechter bestaat waarin [appellant] kan bereiken wat hij met zijn vordering in kort geding wil bereiken. [appellant] komt in deze procedure op tegen zijn plaatsing op de GVM-lijst in de categorie ‘extreem’. Hij wil van de GVM-lijst worden verwijderd of worden afgeschaald naar de categorie ‘verhoogd’ of ‘hoog’.
6.4
Het hof is van oordeel dat voor beoordeling van de ontvankelijkheid van [appellant] bij de burgerlijke rechter een onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende vorderingen van [appellant] . Voor zover die vorderingen ertoe strekken dat de status ‘extreem’ wordt afgeschaald naar ‘hoog’ geldt het volgende. Zoals hierna zal worden uitgewerkt is de plaatsing op de GVM-lijst ‘extreem’ het directe en noodzakelijke gevolg van de plaatsing in de EBI, en niet andersom. De plaatsing op de GVM-lijst ‘extreem’ is dus onlosmakelijk verbonden met de beslissing tot plaatsing in de EBI. Zodra een veroordeelde uit de EBI wordt geplaatst, vindt naar vast beleid automatisch afschaling plaats naar de categorie ‘hoog’. Vanwege die onlosmakelijke verbondenheid van de plaatsing in de categorie ‘extreem’ met de plaatsing in de EBI, welke plaatsing in de EBI uitsluitend door de beroepscommissie van de RSJ kan worden beoordeeld, is het hof met de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen ruimte is voor een afzonderlijk oordeel van de burgerlijke rechter over de plaatsing op de GVM-lijst in de categorie ‘extreem’. In zoverre is [appellant] dus niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.
6.5
Voor zover de vorderingen van [appellant] strekken tot verwijdering van de GVM-lijst of afschaling naar de categorie ‘verhoogd’ heeft te gelden dat de beroepscommissie van de RSJ daar niet over gaat. De Staat betwist niet dat [appellant] met een procedure bij de beroepscommissie van de RSJ hooguit kan bereiken dat hij wordt uitgeplaatst uit de EBI en naar vast beleid zal worden afgeschaald naar de categorie ‘hoog’, zoals ook het geval was in augustus 2022 (zie rov. 3.3). Dit betekent dat, nu niet is gesteld of gebleken dat voor [appellant] over dit geschil een specifieke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan, [appellant] in dit kort geding ontvankelijk is in zijn vorderingen voor zover die ertoe strekken dat hij van de GVM-lijst wordt verwijderd of wordt afgeschaald naar de categorie ‘verhoogd’. In zoverre slaagt zijn grief. Het hof is echter van oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij zijn vorderingen en om die reden alsnog niet ontvankelijk is. Daartoe overweegt het hof als volgt.
6.6
Een partij heeft slechts belang bij een vordering indien, uitgaande van de gegrondheid van de vordering, de toewijzing ervan voor de eiser enig verschil maakt. Wanneer het betoog van de Staat juist is dat de plaatsing op de GVM-lijst ‘extreem’ slechts een administratieve maatregel is die het gevolg is van de plaatsing in de EBI, ontbreekt daarom een belang voor [appellant] . Het wegdenken van die plaatsing op de GVM-lijst ‘extreem’ heeft dan immers geen gevolgen voor de plaatsing in de EBI (over welke plaatsing de burgerlijke rechter niet kan oordelen) en evenmin voor de dagelijkse gang van zaken tijdens het verblijf van [appellant] in de EBI. Ook bij de andere vorderingen heeft [appellant] geen belang zolang hij in de EBI verblijft, omdat de voor hem geldende maatregelen volgen uit de plaatsing in de EBI en niet uit de plaatsing op de GVM-lijst.
6.7
Op grond van artikel 13 van de Penitentiaire Beginselenwet (Pbw) worden penitentiaire inrichtingen (PI) of afdelingen daarvan onderscheiden naar de mate van beveiliging, uiteenlopend van ‘beperkt beveiligd’ tot ‘extra beveiligd’. De minister stelt criteria vast waaraan gedetineerden moeten voldoen om in aanmerking te komen voor plaatsing in een inrichting. Verder bepaalt artikel 15 lid 5 Pbw dat de minister nadere regels stelt omtrent de procedure. Deze nadere regels zijn vastgelegd in de Rspog.
6.8
Artikel 6 Rspog bevat vier gronden voor plaatsing in de EBI. Er moet sprake zijn van een extreem vluchtrisico of een onaanvaardbaar maatschappelijk risico. Niet vereist is dat aan de gedetineerde de GVM-status ‘extreem’ is toegekend. Anders dan [appellant] stelt, kan dit ook niet uit de toelichting op artikel 6 Rspog worden afgeleid. In de toelichting staat slechts dat uitsluitend gedetineerden die in de hoogste categorie scoren op het vlucht- en/of maatschappelijk risico voor plaatsing in een EBI in aanmerking kunnen komen.
6.9
In artikel 26 Rspog is de procedure beschreven die voorafgaat aan de beslissing tot plaatsing in de EBI. Deze voor plaatsing in de EBI in acht te nemen procedure geldt in aanvulling op de in artikel 25 en artikel 26 Rspog opgenomen procedures met betrekking tot de selectie en plaatsing van gedetineerden vóór veroordeling in eerste aanleg, respectievelijk de selectie en plaatsing van al dan niet onherroepelijk veroordeelden.
Conclusie
6.14
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.15
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 798,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.404,-
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 13 september 2024;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 3.404,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. van der Helm, D. Stoutjesdijk en R.J.J. Aerts en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBDHA:2024:14655.
Regeling van 15 augustus 2000, nr. 5042803/00/DJI, Stcrt. 176, blz. 9; laatstelijk gewijzigd
bij Regeling van 7 december 2022, Stcrt. 2022, 33928.
Het gaat om gedetineerden die (a) een extreem vluchtrisico vormen en een onaanvaardbaar
maatschappelijk risico vormen in termen van recidivegevaar voor ernstige geweldsdelicten, (b)
bij ontvluchting een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen, waarbij het vluchtrisico als
zodanig hieraan ondergeschikt is, (c) een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen
van een vermoeden van algemeen gevaar voor de openbare orde of de veiligheid van
personen, wegens levensbedreigend of anderszins zeer ernstig voortgezet crimineel handelen
vanuit detentie, of (d) een onaanvaardbaar maatschappelijk risico vormen in termen van
algemeen gevaar voor de openbare orde en veiligheid van personen vanwege de aard van de
verdenking, de aard van het misdrijf of de misdrijven waarvoor de gedetineerde is veroordeeld, de
omstandigheden waaronder dat misdrijf of die misdrijven zouden zijn gepleegd of zijn gepleegd of
de persoonlijkheid van de gedetineerde.
Stcrt. 12 september 2000, nr. 176, p. 9.
Regeling model huisregels Extra Beveiligde Inrichting/Afdeling, Stcrt. 2022, 33927.
Zie artikel 60 Pbw.
Feiten
Ik licht dat hierna toe.
Ten aanzien van de a-grond
Uit de informatie uit het GRIP-rapport van 30 mei 2024 volgt dat er in het tweede kwartaal van 2023 informatie bekend is geworden dat de criminele organisatie waar u onderdeel van bent bezig is met het maken van plannen om u te bevrijden. Deze informatie is op 30 mei 2024 met DJI gedeeld omdat er toen informatie is opgevraagd uit de politiesystemen- en diensten naar aanleiding van uw vervoer naar de rechtbank voor de kort geding zitting dat op 6 juni 2024 zou plaatsvinden.
Sinds uw ziekenhuisbezoek op 30 maart 2022 heeft u de inrichting in Leeuwarden niet meer verlaten. Uw bezoek aan de rechtbank Den Haag zou uw eerste transport in lange tijd zijn. Dit in combinatie met het versluierde taalgebruik (waarin wordt gesproken over “ A12 ”, gelijk aan de toegangsweg naar de rechtbank Den Haag en het feit dat u zonder opgave van reden het kort geding heeft ingetrokken toen de rechtbank Den Haag heeft bepaald dat de zitting zou gaan plaatsvinden op JCS, maakt dat ik de informatie over een mogelijke bevrijding actueel acht en het risico als reëel inschat. Uw verklaring dat ‘ A12 ’ verwijst naar een kennis van uw vrouw is niet onderbouwd en acht ik ongeloofwaardig.
(…)
Gelet op de ernst van de misdrijven waarvoor u bent veroordeeld, uw rol binnen de criminele organisatie en uw eerdere ontsnappingspoging, ben ik van oordeel dat indien u (nogmaals) zou (proberen te) ontvluchten er sprake is van een onaanvaardbaar maatschappelijk risico in termen van recidivegevaar voor ernstige gewelddelicten. Bovendien acht ik het niet ondenkbaar dat u zich bij een vluchtpoging schuldig zal maken aan ernstige geweldsdelicten. Bij uw eerdere ontsnappingspoging in 2017 werd immers het gebruik van geweld niet geschuwd.
(…)”
3.14
[appellant] heeft tegen de beslissing van de selectiefunctionaris tot zijn plaatsing in de EBI beroep ingesteld bij de beroepscommissie van de RSJ. Daartoe heeft hij op 2 juli 2024 een beroepschrift (aanvulling gronden) ingediend. Ook heeft [appellant] verzocht om een voorlopige voorziening, inhoudende een verzoek tot schorsing van de beslissing tot plaatsing in de EBI, in afwachting van de uitkomst van het ingestelde beroep. Op 12 juli 2024 heeft de voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ het schorsingsverzoek van [appellant] afgewezen. De beroepscommissie van de RSJ heeft bij uitspraak van 5 november 2024 het beroep tegen de plaatsingsbeslissing ongegrond verklaard. De beroepscommissie van de RSJ heeft geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat [appellant] voldoet aan de a-grond en de b-grond en dat de beslissing bij afweging van alle in aanmerking komende belangen niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt. De beroepscommissie van de RSJ acht ook voldoende aannemelijk dat toepassing van GVM- of andere toezichtmaatregelen bij plaatsing van [appellant] in een minder beveiligde inrichting de genoemde risico’s op dit moment onvoldoende kan beperken en dat de beslissing daarmee ook voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
4Procedure bij de voorzieningenrechter van de rechtbank
4.1
[appellant] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de Staat veroordeelt om:
primair: de plaatsing op de GVM-lijst te (doen) verwijderen;
subsidiair: de plaatsing van [appellant] op de GVM-lijst te wijzigen van de status ‘extreem’ naar de status ‘verhoogd’;
meer subsidiair: de plaatsing van [appellant] op de GVM-lijst te wijzigen van de status ‘extreem’ naar de status ‘hoog’;
in alle gevallen met melding van de wijziging aan de directeur van de PI, op straffe van een dwangsom, en met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.
4.2
Daartoe voert [appellant] - samengevat - het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig tegenover [appellant] , omdat [appellant] ten onrechte de GVM-status ‘extreem’ heeft gekregen en in de EBI is geplaatst. Hij heeft zich de afgelopen jaren in de PI correct gedragen en er is geen sprake van ontsnappingsplannen. De tip van de TCI die mede ten grondslag is gelegd aan de overplaatsing, is al meer dan een jaar oud en daarmee is eerder niets gedaan. Er hebben zich in het afgelopen jaar geen bijzonderheden voorgedaan, terwijl er wel vervoersbewegingen zijn geweest. Het briefje dat zijn vrouw in de PI heeft achtergelaten is ten onrechte van belang geacht bij de overplaatsingsbeslissing. Dat ziet op een huwelijksfelicitatie van een kennis, die als bijnaam “ A-12 ” heeft. Ook het intrekken van het kort geding is goed verklaarbaar en kan niet bijdragen aan de verdenkingen. Er is op grond van het goede gedrag van [appellant] juist alle reden voor het schrappen of verlagen van zijn GVM-status.
4.3
De voorzieningenrechter heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en [appellant] in de kosten veroordeeld.
5Vordering in hoger beroep
5.1
[appellant] is in hoger beroep gekomen omdat hij het niet eens is met het vonnis. Hij vordert dat het vonnis wordt vernietigd en dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. Hij vordert verder dat de Staat wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
5.2
[appellant] voert één bezwaar (grief) tegen het vonnis aan, dat hierna zal worden besproken.
Beoordeling
Uit de toelichting op artikel 26 Rspog blijkt dat deze afzonderlijke selectieprocedure voor plaatsing in de EBI is opgesteld, om te voorzien in een procedure die met extra waarborgen is omkleed. Dit in verband met de impact die een plaatsing in de EBI heeft voor een gedetineerde. Onderdeel van de in artikel 26 Rspog beschreven procedure is dat de selectiefunctionaris zijn voorgenomen besluit voorziet van externe justitiële informatie van (in ieder geval) het GRIP en het Openbaar Ministerie en ter advisering voorlegt aan de SAC-EBI. Ook hoort de selectiefunctionaris de betrokken gedetineerde. Iedere twaalf maanden neemt de selectiefunctionaris ambtshalve een besluit over verlenging van het verblijf in de EBI. Het OO, dat de selectiefunctionaris adviseert over plaatsing op de GVM-lijst, maakt geen deel uit van de procedure. In zijn besluit van 24 juni 2024 maakt de selectiefunctionaris ook geen melding van een bespreking binnen het OO. Volgens [appellant] moet die bespreking er wel zijn geweest. Hij baseert dit op de Circulaire. Hierin staat dat de selectiefunctionaris na bespreking in het OO besluit over plaatsing op de GVM-lijst en toekenning van het risicoprofiel. Er staat echter ook dat de categorie ‘extreem’ buiten de reikwijdte van de Circulaire valt. Als reden wordt genoemd dat voor gedetineerden in deze categorie plaatsing in de EBI aan de orde is en plaatsing via de SAC-EBI verloopt. De Circulaire biedt dan ook geen steun voor de stelling van [appellant] .
6.10
Uit de door [appellant] aangehaalde jurisprudentie kan evenmin worden afgeleid dat plaatsing op de GVM-lijst in de categorie ‘extreem’ voorafgaat aan plaatsing in de EBI. In alle zaken ging het over de GVM-status ‘verhoogd’ en ‘hoog’. Voor zover de rechtbank en het hof in hun algemene overwegingen over het plaatsen van een gedetineerde op de GVM-lijst ook de status ‘extreem’ noemen, kan daarom hieraan niet de betekenis worden toegekend die [appellant] daaraan toegekend wil zien. [appellant] beroept zich in dit verband ook tevergeefs op het ‘Vergelijkend onderzoek Italiaans 41-bis detentieregime’. De onderzoekers schrijven in hun rapport dat voor plaatsing in de EBI noodzakelijk is dat de gedetineerde op de GVM-lijst is geplaatst én dat aan hem de status ‘extreem’ is toegekend, maar zij lichten niet toe waarop zij dat baseren. De Rspog biedt in ieder geval geen grond hiervoor. De Staat heeft de door de schrijvers beschreven gang van zaken ook uitdrukkelijk betwist. De Staat stelt dat gedetineerden in de status ‘extreem’ worden geplaatst, omdat zij in de EBI (of op een TA) zijn geplaatst en niet andersom. De plaatsing op de GVM-lijst in de categorie ‘extreem’ is volgens de Staat louter administratief.
6.11
[appellant] heeft nog aangevoerd dat plaatsing in de categorie ‘extreem’ niet altijd plaatsing in de EBI betekent. Volgens [appellant] zijn er keuzemogelijkheden. Dit is juist als het gaat om gedetineerden die op een TA (dus buiten de EBI) worden geplaatst. In de Circulaire staat dat ook aan deze gedetineerden de status ‘extreem’ wordt toegekend. In artikel 20a Rspog is bepaald welke gedetineerden op een TA (kunnen) worden geplaatst. Voor plaatsing op een TA is dus, net als voor plaatsing op de EBI, niet nodig dat eerst naar de GVM-status van de betrokken gedetineerde wordt gekeken. Nergens blijkt uit dat er nog een andere categorie gedetineerden met de status ‘extreem’ is die niet in de EBI wordt geplaatst, of dat dit in een individueel geval wel eens gebeurt. De Staat heeft dat ook gemotiveerd betwist. Als het al zou voorkomen dat de EBI vol is en een gedetineerde elders zou moeten wachten op een plek in de EBI, dan geldt volgens de Staat dat de gedetineerde formeel wel is geplaatst in de EBI. [appellant] heeft dat niet weersproken. Voor zover van belang voegt het hof hieraan toe dat ook niet kan worden aangenomen dat gedetineerden met een andere status dan ‘extreem’ in de EBI worden geplaatst, zoals [appellant] beweert. De [verblijfplaats] kent meerdere units, waaronder een gevangenis, een EBI, een TA en een afdeling voor Beheersproblematische Gedetineerden (BPG). Het door [appellant] genoemde voorbeeld betreft een gedetineerde die op die laatste afdeling zou hebben verbleven.
6.12
[appellant] stelt vanwege de voor hem geldende strenge toezichtmaatregelen belang te hebben bij verwijdering of afschaling van de GVM-lijst. Hij wil dat de toezichtmaatregelen verdwijnen of versoepeld worden. De toezichtmaatregelen zijn echter vast onderdeel van het regime in de EBI. Alle gedetineerden in de EBI zijn onderworpen aan dezelfde toezichtmaatregelen en de status ‘extreem’ heeft ook in dat verband dus geen gevolgen. Dat geldt overigens ook voor gedetineerden die op een TA zijn geplaatst. Voor gedetineerden die op de c-grond of d-grond in de EBI zijn geplaatst gelden nog extra (generieke) maatregelen. Voor de toezichtmaatregelen doet de GVM-status van [appellant] er dus niet toe. Dat is anders voor gedetineerden die buiten de EBI (of een TA) zijn geplaatst. De directeur van de PI kan op basis van de status ‘verhoogd’ of ‘hoog’ toezichtmaatregelen opleggen aan de betrokken gedetineerde. Daarnaast is de status ‘verhoogd’ of ‘hoog’ van belang voor de selectiefunctionaris om te beslissen in welke PI de betrokken gedetineerde het beste geplaatst kan worden. De GVM-status ‘verhoogd’ en ‘hoog’ hebben dus in tweeërlei opzicht een wezenlijk andere functie dan de GVM-status ‘extreem’. Tussen partijen staat vast dat de toezichtmaatregelen zullen vervallen indien [appellant] uit de EBI zal worden geplaatst en naar een andere PI zal worden overgeplaatst en dat hij in dat geval direct de status ‘hoog’ zal krijgen. Indien die status voor de directeur van de PI aanleiding is om (toezicht)maatregelen op te leggen aan [appellant] , dan kan hij daartegen beklag en beroep instellen.
6.13
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat aan de beslissing tot plaatsing in de EBI een afzonderlijke beslissing over de GVM-status voorafgaat die los van die plaatsing door de burgerlijke rechter kan worden getoetst. De Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat plaatsing op de GVM-lijst ‘extreem’ slechts een administratieve handeling is die voortvloeit uit de beslissing van de selectiefunctionaris tot plaatsing in de EBI. De plaatsing op de GVM-lijst ‘extreem’ heeft voor een gedetineerde die in de EBI wordt geplaatst dus geen zelfstandige gevolgen. Dit brengt met zich dat de vorderingen van [appellant] , voor zover die strekken tot verwijdering van de GVM-lijst of afschaling naar de categorie ‘verhoogd’, feitelijk geen zelfstandige betekenis hebben naast de (reeds door de beroepscommissie van de RSJ beoordeelde) beslissing tot plaatsing in de EBI en dat [appellant] hierbij dus geen belang heeft. Dat geldt ook voor overige vorderingen. Het hof zal [appellant] daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vorderingen. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [appellant] .