Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-01-16
ECLI:NL:GHDHA:2025:497
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
8,947 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
enkelvoudige kamer
nummer BK-23/907
Uitspraak van 16 januari 2025
in het geding tussen:
[X] , te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 augustus 2023, nummer SGR 22/4533.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 3.157 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is van belanghebbende een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is van belanghebbende een griffierecht van € 274 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend, ingekomen bij het Hof op 19 november 2024.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 5 december 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 70 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Seat Leon met kenteken [kenteken] (de auto). De datum eerste toelating is 23 november 2016.
2.2.
Belanghebbende heeft de volgens de aangifte verschuldigde bpm berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport). De taxateur heeft een bedrag van € 13.406 aan schade aan de auto vastgesteld dat bij de waardebepaling van de auto voor 100% in aanmerking is genomen.
2.3.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 14 augustus 2020 geïnformeerd dat de aangifte is geselecteerd voor nadere controle. Hij heeft daarbij om nadere informatie verzocht, waaronder betere taxatiefoto’s en een kopie van de inkoopfactuur. Belanghebbende heeft deze gegevens niet overgelegd.
2.4.
Per brief van 14 oktober 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. De Inspecteur heeft een deel van de schade in aanmerking genomen en € 1.097 (72% van € 1.532) in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Volgens de Inspecteur bedraagt de verschuldigde bpm ter zake van de auto € 3.227. De naheffingsaanslag is vastgesteld op € 3.157 (€ 3.227 -/- € 70).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Naheffen na belastbaar feit
8. Eiser stelt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De Bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEU.
Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
9. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Er is geen rechtsregel die verweerder verplicht de betrokkene daarvoor expliciet uit te nodigen voor een gesprek. Dit volgt ook niet uit het door eiser aangehaalde artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Verweerder heeft eiser bij brief van 14 oktober 2020 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiser de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder gehandeld overeenkomstig het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel.
Bewijslast en schade
10. De bewijslast voor een waardevermindering van de auto als gevolg van schade rust op eiser (ECLI:NL:HR:2020:63 en ECLI:NL:HR:2020:318). Die bewijsregel geldt ook indien de Bpm wordt nageheven door middel van een naheffingsaanslag. Eiser heeft verwezen naar het taxatierapport. Verweerder heeft slechts een deel van de schade (€ 1.523) die blijkt uit het taxatierapport gevolgd en voor 72% als waardevermindering in aanmerking genomen (€ 1.097). De rechtbank kan verweerder volgen in zijn conclusies omtrent de schadecalculatie omdat eiser is gevraagd duidelijke taxatiefoto’s aan te leveren, maar hij dit heeft nagelaten. Eiser is met de enkele verwijzing naar het taxatierapport dan ook niet geslaagd in zijn bewijslast. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat niet 72%, maar 100% van de vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt zoals verwoord in artikel 8, lid 4, letter b, en bijlage I van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is daarvoor onvoldoende.
11. De rechtbank stelt vast dat in het verweerschrift staat dat bij de berekening van de naheffingsaanslag rekening is gehouden met extra leeftijdskorting, ter zitting heeft verweerder verklaard dat dit een bedrag van € 132 zou zijn. De rechtbank stelt vast dat het afschrijvingspercentage uitgaande van de datum aangifte gelijk is aan dat uitgaande van de datum van het kenteken respectievelijk van de tenaamstelling en dat in de kennisgeving en in de mededeling niet staat dat recht bestaat op extra leeftijdskorting. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat wat verweerder daarover in het verweerschrift heeft opgenomen en ter zitting heeft verklaard, op een misverstand berust. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen berekeningen heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat ten onrechte geen extra leeftijdskorting is toegekend. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering daarvan ontbreekt.
12. Wat eiser heeft aangevoerd over Domeinen Roerende Zaken (DRZ) faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag omdat de auto niet is geschouwd door DRZ.
Verschil in heffingsmodaliteiten
13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten en verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1277). Voor het rentenadeel dat eiser stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient eiser zich te wenden tot de civiele rechter.
14. In een e-mail van 10 mei 2021 heeft de gemachtigde van eiser een uitnodiging voor een hoorgesprek van 17 mei 2021 afgeslagen vanwege zijn vakantie, die duurde tot en met 16 mei 2021. Daarbij heeft de gemachtigde aangegeven niet eerder dan "eind mei" in staat te zijn om een hoorgesprek te voeren. De gemachtigde is vervolgens bij brief van 17 mei 2021 uitgenodigd voor een hoorgesprek op 27 mei 2021 via WebEx. De gemachtigde heeft op het desbetreffende tijdstip niet ingelogd. Achteraf heeft de gemachtigde een e-mail van 19 mei 2021 overgelegd aan de inspecteur, waarin hij zich heeft afgemeld voor het hoorgesprek van 27 mei 2021. In die e-mail schrijft hij ook kort daarvoor stukken aan verweerder te hebben ge-e-maild. Verweerder heeft verklaard de e-mail van 19 mei 2021 niet te hebben ontvangen, vermoedelijk vanwege een op dat moment geldend e-mailverbod. Tegenover de ontkenning door verweerder heeft de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt dat zijn afmelding verweerder daadwerkelijk heeft bereikt. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat uit een interne e-mail van verweerder van 2 juli 2021 blijkt dat ook de stukken die de gemachtigde stelt op 19 mei 2021 aan verweerder te hebben ge-e-maild, niet door verweerder zijn ontvangen. Daarnaast geldt, zo verweerder die afmelding al zou hebben ontvangen, dat de gemachtigde geen reden van verhindering opgegeven, terwijl hij eerder had aangegeven beschikbaar te zijn voor hoorgesprekken eind mei. Het had dan op zijn weg gelegen om de reden van verhindering te specificeren en zo nodig te onderbouwen.
Overwegingen
Uitleg Unierecht en stellen van prejudiciële vragen
5.
5.1.1.
Belanghebbende stelt dat de Hoge Raad der Nederlanden en de feitenrechters niet bevoegd zijn uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het Unierecht nu de unierechter exclusief en bij uitsluiting bevoegd is bindend en rechtsgeldig uitlegging te geven over de draagwijdte en betekenis van het recht van de Unie. Nu de Rechtbank hier wel een oordeel over heeft gegeven, zonder dat prejudiciële vragen door de Rechtbank zijn gesteld, is, aldus belanghebbende, sprake van misbruik van bevoegdheid en misbruik van recht.
5.1.2.
De Rechtbank en het Hof zijn, als instanties tegen wiens uitspraken hoger beroep bij het Hof en cassatie bij de Hoge Raad kunnen worden ingesteld, niet verplicht prejudiciële vragen te stellen. Het Hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van elk van de standpunten van belanghebbende steeds, gelijk overigens ook de Rechtbank blijkens de inhoud van haar uitspraak heeft gedaan, heeft overwogen of het stellen van prejudiciële vragen wenselijk is en ziet geen aanleiding voor het stellen van vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
5.1.3.
Belanghebbende stelt dat het Hof niet bevoegd is om het Unierecht uit te leggen. Belanghebbende verwijst naar het hoofdstuk in het VWEU over het HvJ EU en naar diens rechtspraak, waaruit zou volgen dat uitsluitend de hoogste Unierechter bevoegd zou zijn het Unierecht uit te leggen. Dit standpunt van belanghebbende is juridisch niet juist en praktisch onuitvoerbaar. Het Hof is, net als de Rechtbank, gelet op de status van het Unierecht als autonome en hoogste rechtsorde en het beginsel van Unietrouw, verplicht het nationale recht in situaties waarin het Unierecht van toepassing is zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen en de beginselen van het Unierecht te respecteren. Aan deze belangrijke uitgangspunten houdt het Hof zich en het is het Hof niet gebleken dat de Rechtbank dit niet heeft gedaan. Over hetgeen belanghebbende over de vermeende onbevoegdheid van de Hoge Raad heeft opgemerkt, onthoudt het Hof zich van een oordeel. Dat is aan de Hoge Raad om te beoordelen.
Bevoegdheid tot naheffen
5.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, aangezien naheffing bij gebruikte auto’s die al in Nederland rijden niet mogelijk is, het Unierecht zich tegen naheffing bij gebruikte auto’s verzet. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de Rechtbank in overweging 8 van haar uitspraak op dit punt heeft overwogen en voegt daaraan nog het volgende toe. Belanghebbende maakt een onjuiste vergelijking. Heffing dan wel naheffing van bpm bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft ten doel op deze auto’s een passende, in overeenstemming met het Unierecht berekende belastingdruk (in de woorden van de gemachtigde: het juiste bedrag aan bpm) te leggen. Indien de belastingplichtige te weinig bpm op aangifte voldoet, mag de Inspecteur het verschil naheffen, mits hij de beginselen van het Unierecht respecteert. Op deze wijze ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland. Ook deze stelling faalt.
Heffingsmodaliteiten
5.3.
Anders dan belanghebbende stelt, is geen sprake van verschillende heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige personenauto’s, als gevolg waarvan belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan bpm op aangifte heeft voldaan voor de auto, dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op vergelijkbare gebruikte, in het binnenland geregistreerde personenauto’s. De naheffing dient te voorkomen dat te weinig bpm wordt geheven en ervoor te zorgen dat de bpm die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de bpm die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. De toepassing van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan de belasting die op gelijksoortige binnenlandse auto's drukt. Bovendien is de wettelijke regeling – voor zover al sprake is van een belemmering – gerechtvaardigd, proportioneel en geschikt om de doelstelling te verwezenlijken.
Koerslijst XRAY
5.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep alsnog een koerslijst van XRAY ingebracht. De waarde in onbeschadigde staat is volgens deze koerslijst € 13.666, zodat na aftrek van 72% van de door de Inspecteur in aanmerking genomen schade een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 12.569 resteert. Deze koerslijst is geschikt, zodat het Hof de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat dienovereenkomstig zal verminderen.
5.5.
Belanghebbende heeft het Hof voorts verzocht de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de kosten voor het opvragen van de koerslijst. Het Hof komt niet aan dit verzoek tegemoet. Belanghebbende draagt de bewijslast van de handelsinkoopwaarde. De Inspecteur hoeft de kosten die belanghebbende hiervoor maakt niet te dragen.
Verdere vermindering waarde in onbeschadigde staat (ex-rental)
5.6.
Belanghebbende stelt dat de waarde in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental auto bevindt zich ten opzichte van ex-rental auto’s dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het HvJ EU van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:857. Belanghebbende heeft niet gesteld en ook anderszins is niet gebleken dat de hier in geding zijnde auto een ex-rental is. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt derhalve.
Schade-aftrek
5.7.
Belanghebbende betwist dat het juiste bedrag en het juiste percentage aan schade in aftrek is toegelaten. Belanghebbende stelt dat het percentage van 72 dat standaard in aftrek komt, niet in overeenstemming is met het Unierecht. Belanghebbende betoogt dat 100% van de schade in aftrek komt. De Inspecteur had voor de omvang van de schade uit moeten gaan van het taxatierapport, aldus belanghebbende. Het Hof verwerpt dit standpunt. De bewijslast rust op belanghebbende (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). De foto’s in het taxatierapport van belanghebbende zijn klein, donker en niet heel duidelijk, onder andere door de weerspiegeling die op bijna iedere foto te zien is. Meer schade dan de Inspecteur in aanmerking heeft genomen, is niet te zien. Voorts merkt de Inspecteur in de kennisgeving terecht op dat belanghebbende posten heeft opgevoerd die geen schade zijn, zoals een onderhoudsbeurt, boordcomputer resetten, uitlijning controleren en tectyl deklaag spuiten. De gemachtigde en de nieuwe taxateur van belanghebbende hebben dit ter zitting van het Hof ook volmondig erkend. Het gaat om een auto van 3,5 jaar oud met een kilometerstand van 51.599. Bij een dergelijk voertuig zijn gebruikssporen zoals lichte krassen en kleine putjes heel gebruikelijk. Als belanghebbende meent dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, is het aan hem om dat te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Het percentage van 72 is te beschouwen als een gemiddelde, gebaseerd op onderzoek naar de invloed van schade op de handelswaarde van voertuigen. De Inspecteur hoeft dit percentage niet te onderbouwen.
Conclusie
5.8.
Er bestaat aanleiding de verschuldigde bpm te verminderen tot € 2.960, gelet op de inbreng van de koerslijst XRAY. Belanghebbende heeft de nadere berekening van de Inspecteur, die neerkomt op dit bedrag, niet bestreden. Het Hof heeft de berekening nagerekend en komt tot dezelfde uitkomst als de Inspecteur. Na aftrek van hetgeen op aangifte is betaald, resteert een naheffingsaanslag van € 2.890.
Rentevergoeding wegens vermindering naheffingsaanslag
5.9.
Belanghebbende heeft voor het geval zijn hoger beroep gegrond is, verzocht om toekenning van een passende rentevergoeding over de vernietiging/vermindering van de naheffingsaanslag. Hoewel de naheffingsaanslag wordt verminderd, bestaat binnen het kader van deze procedure geen ruimte om rente te vergoeden. Belanghebbende zal zich tot de ontvanger moeten wenden.
Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
5.10.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden en verbindt daaraan de conclusie dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Gelijk de Rechtbank in overweging 9 van haar uitspraak heeft overwogen is belanghebbende vóór het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur was niet gehouden belanghebbende uit te nodigen voor een gesprek alvorens de naheffingsaanslag op te leggen. Namens belanghebbende is niemand op het hoorgesprek verschenen. De Rechtbank heeft in overweging 14 van haar uitspraak op goede gronden beslist dat terugwijzing naar de Inspecteur niet in de rede ligt. Het Hof voegt hieraan toe dat van een hoorgesprek tussen partijen niets te verwachten valt. Dit standpunt faalt.
Verzoek vergoeding van immateriële schade
5.11.
De Rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade (HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:775). Niet in geschil is dat de redelijke termijn met acht maanden is overschreden. Als regel heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan zes maanden overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan achttien maanden in beslag neemt. De overschrijding van de redelijke termijn is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase, nu het pro-formabezwaarschrift op 26 januari 2021 is ontvangen en de uitspraak op bezwaar op 27 juni 2022 is gedaan. Het Hof zal alsnog een vergoeding van immateriële schade toekennen van € 1.000 en de Inspecteur veroordelen tot vergoeding daarvan.
5.12.
De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot toekenning van een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.000 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd.
Griffierecht
5.13.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt.
5.13.2.
De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de Bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel voor heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.
5.13.3.
Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):
- ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan;
- ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en
- ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht.
5.13.4.
Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde.
Conclusie
5.14.
Gelet op hetgeen overwogen in 5.4 en 5.11 is het hoger beroep gegrond.
Proceskosten
6.
6.1.
Het Hof stelt de proceskosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.294 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) à € 647 x 1 (gewicht van de zaak) (vgl. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060).
6.2.
Het Hof stelt de kosten voor de beroepsfase vast op € 1.814 (2 punten (beroepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 907).
6.3.
Het Hof stelt de kosten voor de hogerberoepsfase vast op € 1.814 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting) wegingsfactor 1 € 907).
6.4.
Voorts dient het door belanghebbende betaalde griffierecht te worden vergoed.
Dictum
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de naheffingsaanslag tot € 2.890;
wijst het verzoek om vergoeding van de kosten voor de aanvraag van de koerslijst af;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 4.922;
veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.000;
gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 458 (€ 184 + € 274) vergoedt; en
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De beslissing is op 16 januari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Feiten
Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voldoende gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord en dat het hoorrecht dus niet is geschonden.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
16. De rechtbank is niet verplicht tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 VWEU. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
17. Eiser heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt (vgl. EHRM 20 december 2007, nr. 21638/03, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579). Eiser heeft geen beroep op betalingsonmacht gedaan, zodat niet aannemelijk is dat de hoogte van het griffierecht een daadwerkelijk obstakel vormt voor toegang tot de rechter. Ook anderszins is dit niet gebleken.
18. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro forma) bezwaarschrift is op 6 januari 2021 door verweerder ontvangen. De rechtbank doet op 18 augustus 2023 uitspraak, zodat de bezwaar- en beroepsfase twee jaar en (naar boven afgerond) acht maanden heeft geduurd.
Daarmee is op zichzelf de redelijke termijn overschreden met acht maanden. Nu verweerder op 22 juni 2022 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan, is deze termijnoverschrijding geheel toe te rekenen aan verweerder.
19. Bij overschrijding van de redelijke termijn wordt spanning en frustratie bij eiser verondersteld. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden (Hoge Raad 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046 en Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461). Anders dan de gemachtigde stelt, staat het Europese recht er niet aan in de weg dat de regeling voor immateriële schadevergoeding nationaal wordt ingevuld (zie onder andere het arrest van 29 maart 2006, inzake Scordino tegen Italië, zaak nr. 36813/97 (gepubliceerd in EHRC 2006/61).
20. De rechtbank stelt vast dat in de machtiging die bij het beroepschrift is gevoegd over de vergoeding van immateriële schade het volgende is vermeld:
“alle ter zake van deze procedures/gesprekken toegekende bedragen rechtstreeks in ontvangst te nemen zodat deze zonder tussenkomst van [eiser] overgemaakt kunnen worden op rekening van gemachtigde, waaronder mede uitdrukkelijk doch niet uitsluitend begrepen:
(…)
-immateriële schadevergoeding en/of;
(…)”
[eiser] verklaart tenslotte met gemachtigde afspraken te hebben gemaakt over de vergoeding van de door gemachtigde ten behoeve van [eiser] gemaakte en te maken kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zaken als hierboven weergegeven, welke vergoeding wordt vastgesteld op basis van het no cure no pay beginsel.”
Anders dan in de zaak die voorlag in het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:965) is in casu dus geen sprake van het enkel door eiser aanwijzen van de gemachtigde om voor hem het bedrag van de schadevergoeding in ontvangst te nemen, maar zijn eiser en de gemachtigde op voorhand overeengekomen dat de schadevergoeding volledig toekomt aan de gemachtigde. Indien de schadevergoeding per abuis toch aan eiser zou worden uitbetaald, dient deze dat bedrag dus kennelijk over te maken aan de gemachtigde. Gemachtigde heeft niet weersproken dat hij dit ook heeft erkend tijdens een eerdere zitting voor deze rechtbank waarnaar verweerder heeft verwezen (zie ECLI:NL:RBDHA:2023:11145).
21. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat eiser persoonlijk kennelijk niet een zodanige spanning en frustratie ervaart dat hij daarvoor gecompenseerd zou moeten worden. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn daarom geen aanleiding tot vergoeding van immateriële schade (ECLI:NL:GHDHA:2023:1451).
22. De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken dat sprake is van een meer dan een gering belang. Eiser heeft namelijk in het bezwaarschrift, in het beroepschrift en in de pleitnota’s niet inzichtelijk gemaakt wat de cijfermatige gevolgen zijn van zijn betoog. Ook anderszins is niet gebleken van een meer dan gering belang zodat ook daarom geen reden is tot vergoeding van immateriële schade.
23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.”
Omschrijving geschil en conclusies van partijen
4.
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag, nadat deze is verminderd in de bezwaarfase, terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Specifiek is in geschil of de handelsinkoopwaarde van de auto juist is vastgesteld en of 100% van de schade in aftrek dient te komen. Voorts is in geschil of:
de Nederlandse rechter bevoegd is om het geschil te beslechten;
de rechten van de verdediging zijn geschonden, doordat voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag geen gelegenheid is geboden om mondeling te worden gehoord;
belanghebbende recht heeft op een hogere proceskostenvergoeding;
belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn; en of
het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en
- primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, en
- subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag rekening houdend met 100% aftrek van de schade.
Daarbij verzoekt belanghebbende om toekenning van een forfaitaire proceskostenvergoeding met toepassing van wegingsfactor 5 dan wel voor de bezwaarfase wegingsfactor 1 en voor de beroeps- en hogerberoepsfase wegingsfactor 5. Voorts verzoekt belanghebbende om schadeloosstelling tot een bedrag van € 5.000 dan wel € 1.500 en vergoeding van het door hem betaalde griffierecht, alles vermeerderd met een passende rentevergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.