Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-03-11
ECLI:NL:GHDHA:2025:407
Civiel recht; Arbeidsrecht
Hoger beroep
2,658 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.311.592/01
Zaaknummer rechtbank : 8728229\ RL EXPL 20-15251
Arrest van 11 maart 2025
in de zaak van
Venlo Group B.V. voorheen genaamd Euro Start Uitzendbureau B.V.,
gevestigd in Eindhoven,
appellante in het principale hoger beroep,
geïntimeerde in het incidentele hoger beroep,
advocaat: mr. T. Venneman, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde in het principale hoger beroep,
appellant in het incidentele hoger beroep,
advocaat: mr. A.C.E.G. Cordesius, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof zal partijen hierna ESBV en [geïntimeerde] noemen.
1De zaak in het kort
1.1
Na het tussenarrest heeft [geïntimeerde] een aangepaste loonberekening ingediend en opgave gedaan van de kosten van het door hem tijdens het hoger beroep ten laste van ESBV gelegde conservatoir derdenbeslag. ESBV heeft daarop gereageerd.
1.2
Het hof bekrachtigt de bestreden vonnissen en wijst de in hoger beroep gewijzigde vordering van [geïntimeerde] gedeeltelijk toe.
2Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.1
In deze zaak heeft het hof een tussenarrest uitgesproken op 14 mei 2024 (hierna: het tussenarrest). Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat arrest. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep na het tussenarrest blijkt uit de volgende stukken:
de akte overlegging productie tevens akte wijziging eis van [geïntimeerde] , met bijlagen;
de antwoordakte van ESBV;
de e-mail van [geïntimeerde] van 2 december 2024, met bijlagen;
het H16-formulier van ESBV van 13 december 2024.
2.2
Vervolgens is een datum voor arrest bepaald.
3De verdere beoordeling in hoger beroep
3.1
Het hof verwijst naar en volhardt in het tussenarrest.
De nieuwe loonberekening
3.2
In r.o. 5.31 van het tussenarrest is overwogen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] in 2017 voldeed aan de 900 urennorm als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de cao voor de Glastuinbouw. Daarom is [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om een aangepaste berekening van zijn loonvordering over te leggen. In r.o. 5.34 van het tussenarrest is vervolgens overwogen dat deze loonberekening ook consequenties kan hebben voor de hoogte van het in hoger beroep alsnog gevorderde bedrag van € 16.247,33 bruto dat [geïntimeerde] in eerste aanleg abusievelijk niet heeft gevorderd.
3.3
[geïntimeerde] heeft daarna bij akte overlegging productie, tevens akte wijziging eis een nieuwe loonberekening overgelegd en heeft daarbij zijn vordering gewijzigd. Deze eiswijziging betreft het loon over de periode van week 18 van 2021 tot en met week 46 van 2022. ESBV heeft hierop bij akte gereageerd.
De wijziging van eis van [geïntimeerde] is in strijd met de tweeconclusieregel
3.4
ESBV heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis van [geïntimeerde] .
3.5
Het hof acht deze (als nieuwe grief aan te merken) eiswijziging in strijd met de tweeconclusieregel die meebrengt dat [geïntimeerde] in hoger beroep zijn eis in beginsel niet later dan in zijn memorie van antwoord mocht veranderen of vermeerderen, terwijl zich hier niet een van de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op deze in beginsel strakke regel voordoet. De eiswijziging is derhalve te laat naar voren gebracht en zal door het hof buiten beschouwing worden gelaten.
De aangepaste loonberekening over de periode tot en met week 17 van 2021
3.6
Dit brengt mee dat de loonvordering van [geïntimeerde] verder slechts beoordeeld wordt over de periode tot en met week 17 van 2021. Uit de aangepaste loonberekening valt op te maken dat tot en met week 17 van 2021 aan loon, toeslagen en overwerk een totaalbedrag van € 76.049,88 bruto betaald had moeten worden (het totaal van de bedragen in kolom J berekend tot en met week 17 van 2021). Er is over deze periode slechts een bedrag van € 36.340,51 bruto betaald (het totaal van de bedragen in de kolommen E+F+H), zodat volgens deze berekening [geïntimeerde] aanspraak kan maken op nabetaling van het verschil tussen deze beide bedragen, dat is een bedrag van € 39.709,37 bruto.
3.7
Over deze periode had ook een bedrag van € 5.920,60 bruto aan vakantiebijslag betaald moeten worden (het totaal van de bedragen in kolom L berekend tot en met week 17 van 2021). Er is slechts een bedrag van € 2.999,52 bruto betaald (het totaal van de bedragen in kolom K), zodat volgens deze berekening [geïntimeerde] aanspraak kan maken op nabetaling van het verschil tussen deze beide bedragen, dat is een bedrag van € 2.921,08 bruto.
3.8
ESBV heeft - samengevat en voor zover thans nog van belang - aangevoerd dat uit de akte van [geïntimeerde] niet kan worden afgeleid dat er te weinig loon is uitbetaald. Volgens ESBV heeft [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd dat de nieuwe berekening is gebaseerd op cao’s uit de verschillende jaren en op informatie van de rijksoverheid. [geïntimeerde] heeft evenmin gemotiveerd waarom de bedragen in de kolommen G en I van productie 12 juist zijn, of hoe deze bedragen tot stand zijn gekomen. Volgens ESBV kan kolom J van productie 12 geen verzamelkolom zijn omdat de totalen van de kolommen G en I een fractie bedragen van het totaalbedrag van kolom J. Onderaan de spreadsheet staat de som van G+I+J onder de noemer “had betaald moeten zijn". Dit klopt niet aangezien die drie kolommen niet samen op het genoemde bedrag van € 103.128,96 uitkomen, aldus ESBV.
3.9
Het hof volgt ESBV niet in haar verweer. In r.o. 5.29 van het tussenarrest is reeds overwogen dat [geïntimeerde] recht heeft op loon conform de cao voor de Glastuinbouw. In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] bij akte uitlating, tevens houdende akte wijziging van eis, tevens houdende akte overlegging producties, de loontabellen van de toepasselijke versies van deze cao overgelegd die golden in de jaren 2017-2021, evenals een overzicht van de minimum uurloonbedragen die golden in de jaren 2017-2019 krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. In die akte heeft [geïntimeerde] zijn destijds daarop gebaseerde loonberekening nader toegelicht.
3.10
In de aangepaste loonberekening is – overeenkomstig r.o. 5.31 van het tussenarrest - pas vanaf 1 januari 2019 rekening gehouden met een extra trede in plaats van per 1 januari 2018. In de “Legenda” op de laatste pagina van productie 12 zijn de uurlonen waarmee is gerekend toegelicht. De overige uitgangspunten van de aangepaste loonberekening verschillen niet van de uitgangspunten die [geïntimeerde] heeft gehanteerd bij zijn eerdere loonberekening(en), welke uitgangspunten ESBV niet, althans niet gemotiveerd heeft bestreden.
3.11
De kolommen G en I in productie 12 bevatten de bedragen die - op grond van correcte uurlonen - verschuldigd zijn als vergoeding van vakantie-uren en tijd-voor-tijd-uren. Kolom J bevat de totaalbedragen die verschuldigd zijn voor gewerkte uren, vakantie-uren, tijd-voor-tijd, feestdaguren en onregelmatige uren. Naar het hof begrijpt, omvatten deze bedragen tevens de bedragen die vermeld worden in de kolommen G en I.
Conclusie
3.17
De conclusie is dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen. Rechtdoende op de bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel geformuleerde vermeerdering van eis, zal het hof ESBV veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van € 9.197,66 bruto aan achterstallig loon, toeslagen, overwerk en vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50 procent, € 12.000,- aan vergoeding van advocaatkosten en € 4.436,64 aan beslagkosten in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen. ESBV zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de door [geïntimeerde] in principaal en incidenteel hoger beroep gemaakte proceskosten.
3.18
Die proceskosten worden begroot op:
In het principaal hoger beroep:
griffierecht € 343,-
salaris advocaat € 5.532,50 (2,5 punten × € 2.213,-, tarief IV)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 6.053,50
In het incidenteel hoger beroep: salaris advocaat € 2.766,25 (0,5 x € 5.532,50).
Dictum
Het hof:
- bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2021 en 27 januari 2022;
Dictum
- veroordeelt ESBV tot betaling aan [geïntimeerde] van:
€ 9.197,66 bruto aan achterstallig loon, toeslagen, overwerk en vakantiebijslag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50 procent;
€ 12.000,- aan vergoeding van advocaatkosten;
€ 4.454,64 aan beslagkosten in hoger beroep;
de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf 7 februari 2023 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt ESBV in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 6.053,50;
veroordeelt ESBV in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 2.766,25;
bepaalt dat als ESBV niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, ESBV de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. Verbeek, R.J.F. Thiessen en G.J.J. Heerma van Voss en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025 in aanwezigheid van de griffier.