Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-10-23
ECLI:NL:GHDHA:2025:2583
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
7,956 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-24/839 t/m 24/847
Uitspraak van 23 oktober 2025
in het geding tussen:
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 1 augustus 2024, nummers SGR 22/7783, SGR 22/7786, SGR 22/7787, SGR 22/7790, SGR 22/7793, SGR 22/7795, SGR 22/7797, SGR 22/8525 en SGR 22/8527.
Procesverloop
1.1.
Belanghebbende heeft voor een negental auto’s belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) op aangifte voldaan.
1.2.
De Inspecteur heeft de bezwaren ter zake van drie auto’s (BK-24/839 t/m BK-24/841) deels gegrond verklaard wegens toepassing van extra leeftijdskorting. De Inspecteur heeft de bezwaren ter zake van de overige auto’s (BK-24/842 t/m BK-24/847) ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen alle uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
verklaart de beroepen met zaaknummers SGR 22/7783, SGR 22/7787, SGR 22/8525 en SGR 22/8527 gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar 1, 3, 7 en 8, behoudens voor zover daarbij teruggaven zijn verleend;
draagt verweerder op aan eiseres (aanvullende) teruggaven van bpm te verlenen ten bedrage van € 38 (SGR 22/7783), € 138 (SGR 22/7787), € 2 (SGR 22/8525) en € 23 (SGR 22/8527) en daarover overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 30ha en 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen belastingrente te vergoeden;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
verklaart de overige beroepen ongegrond;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 833,33;
veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 166,67;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.625;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 730 aan eiseres te vergoeden; en
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 15 augustus 2025. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 18 september 2025.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte bpm voldaan ter zake van de registratie van de volgende auto’s:
Auto
Type
Datum eerste toelating
Datum voldoening
Datum tenaamstelling
Zaaknummer Rechtbank
Zaaknummer Hof
1
Volvo XC90 2.0 T8
3-12-2020
30-6-2021
8-7-2021
22/7783
24/839
2
Mercedes Benz AMG GT Coupe 4Matic
5-8-2019
30-6-2021
27-7-2021
22/7786
24/840
3
Porsche Cayenne Coupe 2.9S
18-10-2019
4-8-2021
24-8-2021
22/7787
24/841
4
Porsche 911
22-5-2013
9-7-2021
13-7-2021
22/7790
24/842
5
Volkswagen Golf 1.5e
27-11-2019
1-7-2021
6-7-2021
22/7793
24/843
6
Mercedes-Benz GLE Coupe 63 AMG
21-7-2017
22-7-2021
18-8-2021
22/7797
24/844
7
Volkswagen Tiguan 1.4 TSI eHybrid R-Line BS
17-5-2021
8-7-2021
12-7-2021
22/8525
24/845
8
Porsche Cayenne Coupe 3.0 E-Hybrid
19-8-2021
24-9-2021
30-9-2021
22/8527
24/846
9
Lamborghini Aventador
11-8-2014
19-8-2021
26-8-2021
22/7795
24/847
2.2.
In de aangiften zijn de handelsinkoopwaarden bepaald aan de hand van koerslijsten van XRay (auto’s 1, 2, 3 en 6) en AutotelexPro (auto’s 7 en 8). Voor auto’s 4, 5 en 9 is de forfaitaire tabel toegepast voor het bepalen van de afschrijving.
2.3.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de verschuldigde bpm ter zake van auto’s 1, 2 en 3 verminderd tot respectievelijk € 2.734, € 13.300 en € 14.180 in verband met toepassing van de extra leeftijdskorting. De Inspecteur heeft ter zake van zake van auto’s 1, 2 en 3 teruggaven verleend van respectievelijk € 83, € 228 en € 478.
2.4.
Belanghebbende heeft op 2 september 2024 een pro-formahogerberoepschrift ingediend. Het pro-formahogerberoepschrift vermeldt, voor zover relevant:
“Hierbij tekenen wij (pro forma) hoger beroep aan tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag op 1 augustus 2024 in voormelde zaaknummers.
Belanghebbende verzoekt hiernaast om een proceskostenvergoeding.
Ik verneem graag de voortgang van u. Bijgaand kunt u de uitspraak van de rechtbank Den Haag en de machtiging vinden.”
2.5.
Ter zake van het instellen van het hoger beroep heeft het Hof een bericht aan belanghebbende verstuurd. Het bericht vermeldt onder meer het volgende:
“U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd:
- de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank.
Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 1 oktober 2024 te herstellen.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”
Uit de opgeslagen metadata bij dit bericht in de digitale postkamer van het Hof volgt dat het voornoemde bericht bij een digitaal verzonden bericht op 3 september 2024, 17.04 uur, aan de gemachtigde van belanghebbende is verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mailbericht verstuurd naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres.
2.6.
Belanghebbende heeft niet op uiterlijk 1 oktober 2024 de gronden van het hoger beroep ingediend.
Geschil
3.1.
Blijkens de pleitnota in hoger beroep is in geschil of belanghebbende teveel bpm op aangifte heeft voldaan. Verder klaagt belanghebbende dat de proceskostenvergoeding en (immateriële)schadevergoeding door de Rechtbank onjuist zijn vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.
3.2.
Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de verschuldigde bpm. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere proceskostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.
3.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Overwegingen
Vooraf
4.1.
Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek aan de orde is de vraag of belanghebbende de gronden van het hoger beroep binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend.
4.2.
Het hogerberoepschrift dient ingevolge artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 6:24 Awb, onder meer de gronden van het hoger beroep te bevatten (de motiveringseis). Uit het pro-formahogerberoepschrift blijkt niet waarover belanghebbende met de Inspecteur van mening verschilt. Het uitsluitend bijvoegen van de uitspraak van de Rechtbank, kan niet worden aangemerkt als grond van het (hoger) beroepschrift als bedoeld in artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, Awb. De motiveringseis die is opgenomen in artikel 6:5 Awb strekt ertoe de rechter de in artikel 8:69, lid 1, Awb bedoelde grondslag voor zijn uitspraak te verschaffen en het bestuursorgaan in staat te stellen om te bepalen waartegen het verweer voert (vgl. HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9616, BNB 2010/96, Gerechtshof Den Haag 28 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3976 en het daartegen ingestelde beroep in cassatie dat is afgedaan met toepassing van artikel 81, lid 1, RO bij arrest van HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:11). Belanghebbende is de mogelijkheid van herstel van dit verzuim geboden (zie r.o. 2.5), maar heeft niet (tijdig) gronden van het hoger beroep ingediend.
4.3.
Onder bepaalde omstandigheden is de niet tijdige indiening van de gronden van het hoger beroep verschoonbaar. Belanghebbende dient daarvoor feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan het aannemelijk geoordeeld kan worden dat het verzuim haar niet kan worden aangerekend. Belanghebbende heeft hiertoe niets aangevoerd en ter zitting van het Hof juist bevestigd dat het zo kan zijn dat de gronden van het hoger beroep niet zijn ingediend.
4.4.
Nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om het verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn te herstellen en het achterwege blijven van de gronden van het hoger beroep ook niet verschoonbaar is, moet worden geoordeeld dat het hogerberoepschrift niet aan de daaraan in artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, Awb gestelde eis voldoet. Het hoger beroep wordt gelet op het bepaalde in artikel 6:6, aanhef en onderdeel a, alsmede de laatste volzin, Awb om die reden niet-ontvankelijk verklaard.
4.5.
Het Hof merkt voorts op dat de motiveringseis op straffe van niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep niet in strijd is met het Unierecht. Gelet op hetgeen in r.o. 4.2 is overwogen, wordt de motiveringseis bij wet gesteld, eerbiedigt hij de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, beantwoordt hij aan een doelstelling van algemeen belang en is hij noodzakelijk en geschikt om die doelstelling te bereiken (vgl. HvJ EU 27 september 2017, C-73/16 (Puškár), ECLI:EU:C:2017:725, punten 61-71 en HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966, BNB 2021/135). De eis, die geen onoverkomelijk beletsel is, is evenmin in strijd met het EVRM.
Conclusie
4.6.
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
Proceskosten en griffierecht
5. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of het griffierecht.
Dictum
Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, A. van Dongen en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon T.A. de Hek
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2025:2583 text/xml public 2026-03-28T00:01:21 2025-12-05 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2025-10-23 BK-24/839 t/m 24/847 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:538 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026011204 V-N Vandaag 2026/59 FutD 2026-0098 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2583 text/html public 2025-12-23T13:31:14 2025-12-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2025:2583 Gerechtshof Den Haag , 23-10-2025 / BK-24/839 t/m 24/847 Art. 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, Awb; art. 6:24 Awb; art. 6:6 Awb. Motiveringseis. De enkele mededeling dat pro forma hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, onder vermelding van het zaaknummer en overlegging van de uitspraak van de Rechtbank, kan niet worden aangemerkt als motivering van het hoger beroep. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid het verzuim te herstellen. Geen sprake van strijd met het Unierecht of het EVRM. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/839 t/m 24/847 Uitspraak van 23 oktober 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 1 augustus 2024, nummers SGR 22/7783, SGR 22/7786, SGR 22/7787, SGR 22/7790, SGR 22/7793, SGR 22/7795, SGR 22/7797, SGR 22/8525 en SGR 22/8527. Procesverloop 1.1. Belanghebbende heeft voor een negental auto’s belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) op aangifte voldaan. 1.2. De Inspecteur heeft de bezwaren ter zake van drie auto’s (BK-24/839 t/m BK-24/841) deels gegrond verklaard wegens toepassing van extra leeftijdskorting. De Inspecteur heeft de bezwaren ter zake van de overige auto’s (BK-24/842 t/m BK-24/847) ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft tegen alle uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: verklaart de beroepen met zaaknummers SGR 22/7783, SGR 22/7787, SGR 22/8525 en SGR 22/8527 gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar 1, 3, 7 en 8, behoudens voor zover daarbij teruggaven zijn verleend; draagt verweerder op aan eiseres (aanvullende) teruggaven van bpm te verlenen ten bedrage van € 38 (SGR 22/7783), € 138 (SGR 22/7787), € 2 (SGR 22/8525) en € 23 (SGR 22/8527) en daarover overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 30ha en 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen belastingrente te vergoeden; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; verklaart de overige beroepen ongegrond; veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 833,33; veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 166,67; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.625; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 730 aan eiseres te vergoeden; en bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 15 augustus 2025. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 18 september 2025. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte bpm voldaan ter zake van de registratie van de volgende auto’s: Auto Type Datum eerste toelating Datum voldoening Datum tenaamstelling Zaaknummer Rechtbank Zaaknummer Hof 1 Volvo XC90 2.0 T8 3-12-2020 30-6-2021 8-7-2021 22/7783 24/839 2 Mercedes Benz AMG GT Coupe 4Matic 5-8-2019 30-6-2021 27-7-2021 22/7786 24/840 3 Porsche Cayenne Coupe 2.9S 18-10-2019 4-8-2021 24-8-2021 22/7787 24/841 4 Porsche 911 22-5-2013 9-7-2021 13-7-2021 22/7790 24/842 5 Volkswagen Golf 1.5e 27-11-2019 1-7-2021 6-7-2021 22/7793 24/843 6 Mercedes-Benz GLE Coupe 63 AMG 21-7-2017 22-7-2021 18-8-2021 22/7797 24/844 7 Volkswagen Tiguan 1.4 TSI eHybrid R-Line BS 17-5-2021 8-7-2021 12-7-2021 22/8525 24/845 8 Porsche Cayenne Coupe 3.0 E-Hybrid 19-8-2021 24-9-2021 30-9-2021 22/8527 24/846 9 Lamborghini Aventador 11-8-2014 19-8-2021 26-8-2021 22/7795 24/847 2.2. In de aangiften zijn de handelsinkoopwaarden bepaald aan de hand van koerslijsten van XRay (auto’s 1, 2, 3 en 6) en AutotelexPro (auto’s 7 en 8). Voor auto’s 4, 5 en 9 is de forfaitaire tabel toegepast voor het bepalen van de afschrijving. 2.3. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de verschuldigde bpm ter zake van auto’s 1, 2 en 3 verminderd tot respectievelijk € 2.734, € 13.300 en € 14.180 in verband met toepassing van de extra leeftijdskorting. De Inspecteur heeft ter zake van zake van auto’s 1, 2 en 3 teruggaven verleend van respectievelijk € 83, € 228 en € 478. 2.4. Belanghebbende heeft op 2 september 2024 een pro-formahogerberoepschrift ingediend. Het pro-formahogerberoepschrift vermeldt, voor zover relevant: “Hierbij tekenen wij (pro forma) hoger beroep aan tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag op 1 augustus 2024 in voormelde zaaknummers. Belanghebbende verzoekt hiernaast om een proceskostenvergoeding. Ik verneem graag de voortgang van u. Bijgaand kunt u de uitspraak van de rechtbank Den Haag en de machtiging vinden.” 2.5. Ter zake van het instellen van het hoger beroep heeft het Hof een bericht aan belanghebbende verstuurd. Het bericht vermeldt onder meer het volgende: “U heeft hoger beroep ingesteld. Dit beroep voldoet niet aan de hierna opgenomen vereisten. U heeft verzuimd: - de gronden van het hoger beroep te vermelden; u dient te vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak van de rechtbank. Ik geef u de mogelijkheid het verzuim uiterlijk 1 oktober 2024 te herstellen. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.” Uit de opgeslagen metadata bij dit bericht in de digitale postkamer van het Hof volgt dat het voornoemde bericht bij een digitaal verzonden bericht op 3 september 2024, 17.04 uur, aan de gemachtigde van belanghebbende is verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mailbericht verstuurd naar het door de gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres. 2.6. Belanghebbende heeft niet op uiterlijk 1 oktober 2024 de gronden van het hoger beroep ingediend. Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 3.1. Blijkens de pleitnota in hoger beroep is in geschil of belanghebbende teveel bpm op aangifte heeft voldaan. Verder klaagt belanghebbende dat de proceskostenvergoeding en (immateriële)schadevergoeding door de Rechtbank onjuist zijn vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft. 3.2. Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de verschuldigde bpm. Daarnaast concludeert belanghebbende tot toekenning van een hogere proceskostenvergoeding alsmede een hogere (immateriële)schadevergoeding.
Volledig
Belanghebbende verzoekt voorts om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. 3.3. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep. Beoordeling van het hoger beroep Vooraf 4.1. Het Hof beoordeelt allereerst ambtshalve of het hoger beroep ontvankelijk is. Specifiek aan de orde is de vraag of belanghebbende de gronden van het hoger beroep binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend. 4.2. Het hogerberoepschrift dient ingevolge artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 6:24 Awb, onder meer de gronden van het hoger beroep te bevatten (de motiveringseis). Uit het pro-formahogerberoepschrift blijkt niet waarover belanghebbende met de Inspecteur van mening verschilt. Het uitsluitend bijvoegen van de uitspraak van de Rechtbank, kan niet worden aangemerkt als grond van het (hoger) beroepschrift als bedoeld in artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, Awb. De motiveringseis die is opgenomen in artikel 6:5 Awb strekt ertoe de rechter de in artikel 8:69, lid 1, Awb bedoelde grondslag voor zijn uitspraak te verschaffen en het bestuursorgaan in staat te stellen om te bepalen waartegen het verweer voert (vgl. HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9616, BNB 2010/96, Gerechtshof Den Haag 28 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3976 en het daartegen ingestelde beroep in cassatie dat is afgedaan met toepassing van artikel 81, lid 1, RO bij arrest van HR 8 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:11). Belanghebbende is de mogelijkheid van herstel van dit verzuim geboden (zie r.o. 2.5), maar heeft niet (tijdig) gronden van het hoger beroep ingediend. 4.3. Onder bepaalde omstandigheden is de niet tijdige indiening van de gronden van het hoger beroep verschoonbaar. Belanghebbende dient daarvoor feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan het aannemelijk geoordeeld kan worden dat het verzuim haar niet kan worden aangerekend. Belanghebbende heeft hiertoe niets aangevoerd en ter zitting van het Hof juist bevestigd dat het zo kan zijn dat de gronden van het hoger beroep niet zijn ingediend. 4.4. Nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid om het verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn te herstellen en het achterwege blijven van de gronden van het hoger beroep ook niet verschoonbaar is, moet worden geoordeeld dat het hogerberoepschrift niet aan de daaraan in artikel 6:5, lid 1, aanhef en onderdeel d, Awb gestelde eis voldoet. Het hoger beroep wordt gelet op het bepaalde in artikel 6:6, aanhef en onderdeel a, alsmede de laatste volzin, Awb om die reden niet-ontvankelijk verklaard. 4.5. Het Hof merkt voorts op dat de motiveringseis op straffe van niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep niet in strijd is met het Unierecht. Gelet op hetgeen in r.o. 4.2 is overwogen, wordt de motiveringseis bij wet gesteld, eerbiedigt hij de wezenlijke inhoud van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, beantwoordt hij aan een doelstelling van algemeen belang en is hij noodzakelijk en geschikt om die doelstelling te bereiken (vgl. HvJ EU 27 september 2017, C-73/16 (Puškár), ECLI:EU:C:2017:725, punten 61-71 en HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966, BNB 2021/135). De eis, die geen onoverkomelijk beletsel is, is evenmin in strijd met het EVRM. Slotsom 4.6. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Proceskosten en griffierecht 5. Er bestaat geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten of het griffierecht. Beslissing Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, A. van Dongen en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De griffier, de voorzitter, T.S.K.L. Tjon T.A. de Hek De beslissing is op 23 oktober 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.