Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2025-09-25
ECLI:NL:GHDHA:2025:2576
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummers BK-24/1022 t/m BK-24/1025 Uitspraak van 25 september 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: D.A.N. Bartels) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland , de Heffingsambtenaar, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 31 oktober 2024, nummers SGR 23/356, SGR 23/358, SGR 23/359 en SGR 23/361. Procesverloop 1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij op één aanslagbiljet opgenomen beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] , alle te [woonplaats] (de woningen), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op respectievelijk € 411.000, € 404.000, € 402.000 en € 416.000 (de beschikkingen). Met de beschikkingen zijn op hetzelfde aanslagbiljet bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de [gemeente] (de OZB-aanslagen) en de watersysteemheffing eigenaren van het Hoogheemraadschap van Rijnland (de aanslagen watersysteemheffing, samen met de OZB-aanslagen aangeduid als de aanslagen). 1.2. De Heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar belanghebbendes bezwaar tegen de beschikkingen en de aanslagen ongegrond verklaard en de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 559. De Heffingsambtenaar heeft op 26 juni 2025 een nader stuk, aangeduid als verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 20 mei, 7 juli (vijf stukken) en 8 juli 2025 (drie stukken) nadere stukken ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 juli 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende is eigenaar van de woningen. De woningen zijn appartementen, waarbij [adres 4] is aangeduid als ‘maisonnette’, en zijn gelegen in hetzelfde appartementencomplex. Het bouwjaar van het appartementencomplex is 2006. De gebruiksoppervlakte van de woningen is 112 m2 ( [adres 1] ), 113 m2 ( [adres 2] ), 112 m2 ( [adres 3] ) en 114 m2 ( [adres 4] ). 2.2.1. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde voor elk van de woningen een taxatieverslag en in beroep een matrix overgelegd. In de matrices zijn de verkooptransacties van drie naar de opvatting van de Heffingsambtenaar met de woningen vergelijkbare woningen opgenomen, te weten [adres 5] , [adres 6] en [adres 7] , alle te [woonplaats] (de vergelijkingsobjecten). In de matrices is de waarde van de woningen bepaald op € 411.900 ( [adres 1] ), € 404.895 ( [adres 2] ), € 402.600 ( [adres 3] ) en € 416.670 ( [adres 4] ). 2.2.2. Over de woningen bevatten de matrices onder meer de volgende gegevens: [adres 1] [adres 2] [adres 3] [adres 4] Objectkenmerken Soort object Appartement Appartement Appartement Maisonnette Bouwjaar 2006 2006 2006 2006 Eenheid (m2/m3) 112 m2 113 m2 112 m2 114 m2 Bijgebouwen Berging/schuur, Garage onder, Dakterras/balkon Berging/schuur, Garage onder Berging/schuur, Garage onder Berging/schuur, Dakkapel, Garage onder, Dakterras/ balkon, Dakkapel Kwaliteit/luxe 3 3 3 3 Onderhoud 3 3 3 3 Uitstraling 3 3 3 3 Voorzieningen 3 3 3 3 Ligging 3 3 3 3 Waardeberekening Woning 112 m2 x 3.425 383.600 113 m2 x 3.415 385.895 112 m2 x 3.425 383.600 114 m2 x 3.405 388.170 Onderp. garage 15.000 15.000 15.000 15.000 Berging/schuur 4.000 4 Eiseres heeft in haar beroepschrift verder bijna uitsluitend algemene en niet concreet op de woningen zelf betrekking hebbende aspecten genoemd, daarbij heeft zij niet geconcretiseerd – als een en ander al aan de orde zou zijn – welke invloed deze aspecten hebben op de waardebepaling van de woningen. De gestelde gebrekkige onderhoudssituatie, lokale verpaupering dan wel verloedering en andere omgevingsfactoren heeft eiseres evenmin toegelicht of gespecificeerd. De rechtbank gaat daarom aan deze stellingen voorbij. 8. De stelling van eiseres dat verweerder heeft nagelaten de taxatiematrixen te verstrekken, vindt geen steun in de feiten. De taxatiematrixen zijn op 20 september 2024 door de rechtbank digitaal ontvangen en eveneens op 20 september 2024 digitaal beschikbaar gesteld aan eiseres. Aan de klacht van eiseres dat de grondstaffels niet zijn overgelegd, gaat de rechtbank voorbij, omdat bij de onderhavige waarderingen grondstaffels geen rol hebben gespeeld. Daarnaast gaat de rechtbank voorbij aan de klacht dat verweerder de kadastrale gegevens niet heeft overlegd, dit betreft openbare gegevens die eiseres zelf kan raadplegen. Immateriële schadevergoeding 9. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Het bezwaarschrift is op 3 oktober 2022 ontvangen door verweerder. Op de dag waarop deze uitspraak wordt gedaan (31 oktober 2024) is de redelijke termijn voor bezwaar en beroep van twee jaar overschreden met één maand. Eiseres heeft dus in beginsel recht op vergoeding van immateriële schade. 10. Het verzoek van eiseres valt onder de werking van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024[1]. Hierdoor geldt dat er niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade indien het financieel belang minder is dan € 1.000 én de redelijke termijn niet met meer dan twaalf maanden is overschreden. 11. Verweerder heeft in dit kader gesteld dat er geen sprake is van een financieel belang van meer dan € 1.000. Eiseres heeft dit niet betwist. Gelet hierop heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het financieel belang meer dan € 1.000 bedraagt. Dit betekent dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van immateriële schade. 12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. [1] ECLI:NL:HR:2024:853” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep is in geschil of de waarde van de woningen te hoog is vastgesteld en of de aanslagen watersysteemheffing ten onrechte zijn opgelegd. Voorts is in geschil of de Heffingsambtenaar heeft nagelaten alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Heffingsambtenaar ontkennend. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, wijziging van de beschikkingen aldus dat de waarde van de woningen 20% lager wordt vastgesteld en dienovereenkomstige vermindering van de OZB-aanslagen. Met betrekking tot de aanslagen watersysteemheffing concludeert belanghebbende primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de aanslagen watersysteemheffing en subsidiair tot vermindering van deze aanslagen conform de gewijzigde beschikkingen. Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade en een proceskostenvergoeding. 4.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Vooraf 5.1. De gemachtigde van belanghebbende heeft in het hogerberoepschrift en de door hem ingediende nadere stukken, waaronder de zogenoemde “pinpoint” brief, volstaan met het aanvoeren van algemeen geformuleerde vragen en gronden, waarvan vele De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571, BNB 2024/92 geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag of aan de bewijslast is voldaan de normale regels met betrekking tot de verdeling van de bewijslast gelden. Die regels brengen mee dat de rechter ten aanzien van de door een partij aangevoerde feiten en omstandigheden moet beoordelen in hoeverre die zijn bestreden en, zo ja, in hoeverre die door deze partij aannemelijk zijn gemaakt. Daarbij moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd (HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, BNB 2023/63). Indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt mag de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vaststellen. Indien de belanghebbende beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het derhalve aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1776, BNB 2015/214). 5.4.1. De Heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarden matrices overgelegd. Uit de matrices volgt dat de waarde van de woningen is bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met onroerende zaken waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Daarbij is verwezen naar de opbrengsten behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woningen. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. Uit de matrices leidt het Hof het volgende af. 5.4.2. De woningen en de vergelijkingsobjecten zijn alle van het type “appartement”, waarbij de woning [adres 4] is aangeduid als “maisonnette”. De gebruiksoppervlakten van de vergelijkingsobjecten wijken af van die van de woningen; ze zijn kleiner. 5.4.3. Voor zover de gebruiksoppervlakten van de vergelijkingsobjecten verschillen van de woningen heeft de Heffingsambtenaar daarvoor (boven een herrekening naar evenredigheid van de oppervlakten) een correctie gemaakt van € 10 per vierkante meter. Voorts heeft de Heffingsambtenaar aan de woningen en de vergelijkingsobjecten VLOK-factoren toegekend. Daarbij is hij bij de woningen uitgegaan van factor 3 (gemiddeld) voor alle factoren. Bij het vergelijkingsobject [adres 5] is hij voor voorzieningen uitgegaan van factor 2 (onder gemiddeld). Voor alle overige factoren is een 3 toegekend. 5.4.4. De Heffingsambtenaar heeft deelobjecten van de woning en de vergelijkingsobjecten apart gewaardeerd. Daarbij heeft hij de onderpandige garages van de woningen en het vergelijkingsobject [adres 5] gewaardeerd op € 15.000. Balkons en dakterrassen zijn gewaardeerd op € 300 per vierkante meter. Vaste eenheidsprijzen zijn gehanteerd voor berging/schuur (€ 4.000) en dakkapellen ( [adres 4] , € 2.000 en € 3.000). 5.5.1. Naar het oordeel van het Hof zijn de vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar met de woningen. Net als de woningen zijn de vergelijkingsobjecten appartementen. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar toegelicht dat [adres 4] een ‘maisonnette’ is, hetgeen betekent dat sprake is van een andere indeling in de zin dat er twee woonlagen zijn, maar dat dit type woning te vergelijken is met een appartement. Het Hof heeft geen aanleiding aan deze uitleg te twijfelen. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de gebruiksoppervlakte van [adres 4] n Het nader stuk van 8 juli 2015 is buiten de termijn van artikel 8:58 Awb door het Hof ontvangen. De beantwoording van de in het stuk opgeworpen twijfel over de vraag of de posten overhead, uren en BTW een “last ter zake” zijn, zou van de Heffingsambtenaar vergen dat hij nadere inlichtingen over deze posten dient te verstrekken, teneinde – naar vermogen – deze twijfel weg te nemen (vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI968, BNB 2009/159). Het Hof acht het in strijd met de goede procesorde om deze niet eerder aangedragen beroepsgrond in deze fase van de procedure nog in aanmerking te nemen. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat er geen enkele reden is waarom belanghebbende niet eerder in bezwaar, beroep of in hoger beroep de twijfel omtrent de vraag of sprake is van een “last ter zake” aan de orde had kunnen stellen. De uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3430, waarnaar belanghebbende verwijst, is geen reden om pas nu met deze nieuwe beroepsgrond te komen, aangezien deze uitspraak geen nieuw inzicht biedt in de mogelijkheid om dit soort kwesties aan de orde te stellen. Vergoeding van immateriële schade 5.8. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaar- en beroepsfase. Volgens belanghebbende is het in geding zijnde belang groter dan € 1.000. 5.9.1. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de Heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Indien de redelijke termijn voor berechting is overschreden, wordt als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden wordt gerekend het geval dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. 5.9.2. Zoals uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, BNB 2024/117 (het arrest van 14 juni 2024), r.o. 3.4.3 en 3.4.4, geldt voortaan als uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 5.9.3. De in 5.9.2 weergegeven wijzigingen gelden niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest van 14 juni 2024 is overschreden (zie het overgangsrecht dat is getroffen in het a