Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-02-12
ECLI:NL:GHDHA:2025:1999
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,453 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.312.617/01
zaak- rekestnummers rechtbank : C/09/593414 en C/09/610504 / FA RK 20-3310 en FA RK 21-2539
beschikking van de meervoudige kamer van 12 februari 2025
inzake
[de man] ,
wonende in Iran,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat voorheen mr. F. Mesri, thans mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam
tegen
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.L. Schipper-Heikens te Den Haag.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn in de Iraanse huwelijkse akte een bruidsgave overeengekomen waarop de vrouw in deze procedure aanspraak maakt. In de tussenbeschikking van 20 december 2023 heeft het hof de stelling van de man dat de vrouw afstand heeft gedaan van de bruidsgave verworpen en het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) benoemd tot deskundige over de uitleg van Iraans recht met betrekking tot de bruidsgave. Uit het advies blijkt dat de vrouw mag bepalen hoe zij de bruidsgave wenst te ontvangen (gouden munten/goudeenheden of geld). Zij wenst geld. De man stelt dat zijn draagkracht geen hogere bijdrage toelaat dan 110 Bahar Azadi. Op hem rust de bewijslast om dit aan te tonen. Dit heeft hij nagelaten, zodat het hof het verzoek van de vrouw toewijst.
2Verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 20 december 2023, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking is, alvorens verder te beslissen, het IJI benoemd tot deskundige teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen, aan de hand van de in rechtsoverwegingen 6.11 geformuleerde vragen, die als volgt luiden:
Kan naar Iraans recht een in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave in de vorm van goudeenheden worden voldaan in geld? Als dat mogelijk is, wie bepaalt dan of de bruidsgave in goudeenheden wordt betaald of in geld? Is dat op verzoek van de vrouw of mag de man dat zelf bepalen?
Indien het naar Iraans recht mogelijk is om de in goudeenheden afgesproken bruidsgave te voldoen in geld, hoe moet de geldwaarde worden vastgesteld van de door partijen afgesproken bruidsgave, zoals vermeld in r.o. 6.8, te weten:
- 50 Mesghal gold, waarvan er nog 45 opeisbaar zijn;
- 29 Bahar Azadi gold coins;
- 3 half Bahar Azadi coins;
- 1.389 Bahar Azadi ¼ coins.
Wat is de geldwaarde van deze bruidsgave? En in dat verband: van welke peildatum dient daarbij te worden uitgegaan?
2.2
Op 11 april 2024 is het rapport van het IJI bij het hof ingekomen. De deskundige van het IJI heeft de vragen – in de kern - als volgt beantwoord.
1. Naar Iraans recht kan een in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave in de vorm van goudeenheden worden voldaan in geld. De vrouw mag bepalen of zij de als bruidsgave overeengekomen gouden munten/goudeenheden wenst te ontvangen dan wel dat zij de waarde daarvan in geld wenst te ontvangen.
2. In de rechtsliteratuur en jurisprudentie zijn geen voorbeelden te vinden hoe de geldwaarde van een in de vorm van goudeenheden overeengekomen bruidsgave moet worden omgerekend naar een vreemde valuta. De dagwaarde van een Bahar Azadi gouden munt in Iraanse valuta (Rial) kan worden geraadpleegd via diverse Iraanse websites. Echter, gelet op de fluctuerende wisselkoers adviseert de door het IJI geraadpleegde correspondent om ter berekening van de waarde van de als bruidsgave overeengekomen goudeenheden aan te sluiten bij de mondiale goudprijs, waaraan ook de goudprijzen in Iran zijn gekoppeld. Ten aanzien van de peildatum wordt aangesloten bij de datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft gevorderd, te weten in de onderhavige kwestie op 13 mei 2020.
3. Op 13 mei 2020 bedroeg de goudprijs € 50,4599 per gram. De overeengekomen bruidsgave bestaat uit 3.280,75 gram. De geldwaarde van de als bruidsgave overeengekomen goudeenheden bedraagt per 13 mei 2020 dan ook € 165.546,32.
2.3
Daarna zijn bij het hof ingekomen:
van de zijde van de man:
– een journaalbericht van 31 mei 2024, ingekomen op 4 juni 2024 met bijlage;
van de zijde van de vrouw:
– een e-mailbericht van 4 juni 2024, ingekomen op diezelfde datum, met bijlagen.
2.4
Op 9 januari 2025 is de zaak, samen met de zaak met zaaknummer 200.330.958/01 (over de partneralimentatie) behandeld. Verschenen zijn:
de advocaat van de man;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de [tolk] (tolk in het Farsi).
Mede gelet op de bezwaren daartegen van de vrouw, heeft het hof het (late) verzoek van de man van 6 januari 2025 om digitaal de zitting bij te wonen, afgewezen.
3Verdere beoordeling in hoger beroep
3.1
Het hof stelt op basis van de reacties van partijen naar aanleiding van voormeld rapport van het IJI vast dat partijen het erover eens zijn dat de 110 Bahar Azadi, ter waarde van € 45.159,59 direct opeisbaar zijn, maar dat partijen strijden over het resterende deel. Volgens de man is het resterende deel niet opeisbaar en moeten partijen daarover een betalingsregeling treffen, maar kan hij daaraan niet voldoen omdat hij daarvoor geen draagkracht heeft. De vrouw bestrijdt dat de man daarvoor geen draagkracht heeft, nu aan hem de helft van de overwaarde van de echtelijke woning toekomt.
3.2
Het hof stelt voorop dat naar Iraans recht de betaling van een bruidsgave die 110 Bahar Azadi gouden munten te boven gaat, afhankelijk is van de financiële omstandigheden en de draagkracht van de man. De bewijslast van het ontbreken van draagkracht rust daarbij op de man. De man heeft in deze procedure echter geen financiële stukken overgelegd, terwijl de vrouw stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de man wel degelijk inkomsten heeft. Ook heeft de vrouw gesteld dat de man recht heeft op de helft van de overwaarde van de echtelijke woning. Het hof is dan ook van oordeel dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft om van de bruidsgave meer dan 110 Bahar Azadi te betalen niet heeft onderbouwd en wijst dit verzoek van de man af.
3.3
Aangezien de rechtbank in de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat het bruidsgave onderdeel is van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en een waarde van € 191.348,07 vertegenwoordigt, terwijl het hof de bruidsgave kwalificeert als een sui generis overeenkomst met een door de vrouw niet betwiste waarde van € 165.546,32 zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de bruidsgave uit pragmatisch oogpunt volledig vernietigen.
3.4
De vrouw verzoekt in haar reactie op het rapport van het IJI aan het hof in het dictum ermee rekening te houden dat de rechtbank in de bestreden beschikking van 8 april 2022 heeft verzuimd te beslissen op haar verzoek om te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het op naam van de vrouw zetten van de woning, waarbij de kosten van levering door beide partijen bij helfte dienen te worden gedragen. Het hof gaat aan dit verzoek voorbij, nu dit verzoek niet meer in dit stadium van de procedure kan worden gedaan.
Dictum
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (Hof: bruidsgave), en in zoverre opnieuw beschikkende,
veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 165.546,32 aan de vrouw en de vrouw is gerechtigd voormeld bedrag te verrekenen met hetgeen de vrouw verschuldigd is in het kader van de verdeling van de voormalige echtelijke woning;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, M.L.C.C. Lückers en F.A.M. Schoenmaker, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.312.617/01
zaak- rekestnummers rechtbank : C/09/593414 en C/09/610504 / FA RK 20-3310 en FA RK 21-2539
beschikking van de meervoudige kamer van 12 februari 2025
inzake
[de man] ,
wonende in Iran,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat voorheen mr. F. Mesri, thans mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam
tegen
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.L. Schipper-Heikens te Den Haag.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn in de Iraanse huwelijkse akte een bruidsgave overeengekomen waarop de vrouw in deze procedure aanspraak maakt. In de tussenbeschikking van 20 december 2023 heeft het hof de stelling van de man dat de vrouw afstand heeft gedaan van de bruidsgave verworpen en het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) benoemd tot deskundige over de uitleg van Iraans recht met betrekking tot de bruidsgave. Uit het advies blijkt dat de vrouw mag bepalen hoe zij de bruidsgave wenst te ontvangen (gouden munten/goudeenheden of geld). Zij wenst geld. De man stelt dat zijn draagkracht geen hogere bijdrage toelaat dan 110 Bahar Azadi. Op hem rust de bewijslast om dit aan te tonen. Dit heeft hij nagelaten, zodat het hof het verzoek van de vrouw toewijst.
2Verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 20 december 2023, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking is, alvorens verder te beslissen, het IJI benoemd tot deskundige teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen, aan de hand van de in rechtsoverwegingen 6.11 geformuleerde vragen, die als volgt luiden:
Kan naar Iraans recht een in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave in de vorm van goudeenheden worden voldaan in geld? Als dat mogelijk is, wie bepaalt dan of de bruidsgave in goudeenheden wordt betaald of in geld? Is dat op verzoek van de vrouw of mag de man dat zelf bepalen?
Indien het naar Iraans recht mogelijk is om de in goudeenheden afgesproken bruidsgave te voldoen in geld, hoe moet de geldwaarde worden vastgesteld van de door partijen afgesproken bruidsgave, zoals vermeld in r.o. 6.8, te weten:
- 50 Mesghal gold, waarvan er nog 45 opeisbaar zijn;
- 29 Bahar Azadi gold coins;
- 3 half Bahar Azadi coins;
- 1.389 Bahar Azadi ¼ coins.
Wat is de geldwaarde van deze bruidsgave? En in dat verband: van welke peildatum dient daarbij te worden uitgegaan?
2.2
Op 11 april 2024 is het rapport van het IJI bij het hof ingekomen. De deskundige van het IJI heeft de vragen – in de kern - als volgt beantwoord.
1. Naar Iraans recht kan een in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave in de vorm van goudeenheden worden voldaan in geld. De vrouw mag bepalen of zij de als bruidsgave overeengekomen gouden munten/goudeenheden wenst te ontvangen dan wel dat zij de waarde daarvan in geld wenst te ontvangen.
2. In de rechtsliteratuur en jurisprudentie zijn geen voorbeelden te vinden hoe de geldwaarde van een in de vorm van goudeenheden overeengekomen bruidsgave moet worden omgerekend naar een vreemde valuta. De dagwaarde van een Bahar Azadi gouden munt in Iraanse valuta (Rial) kan worden geraadpleegd via diverse Iraanse websites. Echter, gelet op de fluctuerende wisselkoers adviseert de door het IJI geraadpleegde correspondent om ter berekening van de waarde van de als bruidsgave overeengekomen goudeenheden aan te sluiten bij de mondiale goudprijs, waaraan ook de goudprijzen in Iran zijn gekoppeld. Ten aanzien van de peildatum wordt aangesloten bij de datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft gevorderd, te weten in de onderhavige kwestie op 13 mei 2020.
3. Op 13 mei 2020 bedroeg de goudprijs € 50,4599 per gram. De overeengekomen bruidsgave bestaat uit 3.280,75 gram. De geldwaarde van de als bruidsgave overeengekomen goudeenheden bedraagt per 13 mei 2020 dan ook € 165.546,32.
2.3
Daarna zijn bij het hof ingekomen:
van de zijde van de man:
– een journaalbericht van 31 mei 2024, ingekomen op 4 juni 2024 met bijlage;
van de zijde van de vrouw:
– een e-mailbericht van 4 juni 2024, ingekomen op diezelfde datum, met bijlagen.
2.4
Op 9 januari 2025 is de zaak, samen met de zaak met zaaknummer 200.330.958/01 (over de partneralimentatie) behandeld. Verschenen zijn:
de advocaat van de man;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de [tolk] (tolk in het Farsi).
Mede gelet op de bezwaren daartegen van de vrouw, heeft het hof het (late) verzoek van de man van 6 januari 2025 om digitaal de zitting bij te wonen, afgewezen.
3Verdere beoordeling in hoger beroep
3.1
Het hof stelt op basis van de reacties van partijen naar aanleiding van voormeld rapport van het IJI vast dat partijen het erover eens zijn dat de 110 Bahar Azadi, ter waarde van € 45.159,59 direct opeisbaar zijn, maar dat partijen strijden over het resterende deel. Volgens de man is het resterende deel niet opeisbaar en moeten partijen daarover een betalingsregeling treffen, maar kan hij daaraan niet voldoen omdat hij daarvoor geen draagkracht heeft. De vrouw bestrijdt dat de man daarvoor geen draagkracht heeft, nu aan hem de helft van de overwaarde van de echtelijke woning toekomt.
3.2
Het hof stelt voorop dat naar Iraans recht de betaling van een bruidsgave die 110 Bahar Azadi gouden munten te boven gaat, afhankelijk is van de financiële omstandigheden en de draagkracht van de man. De bewijslast van het ontbreken van draagkracht rust daarbij op de man. De man heeft in deze procedure echter geen financiële stukken overgelegd, terwijl de vrouw stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de man wel degelijk inkomsten heeft. Ook heeft de vrouw gesteld dat de man recht heeft op de helft van de overwaarde van de echtelijke woning. Het hof is dan ook van oordeel dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft om van de bruidsgave meer dan 110 Bahar Azadi te betalen niet heeft onderbouwd en wijst dit verzoek van de man af.
3.3
Aangezien de rechtbank in de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat het bruidsgave onderdeel is van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en een waarde van € 191.348,07 vertegenwoordigt, terwijl het hof de bruidsgave kwalificeert als een sui generis overeenkomst met een door de vrouw niet betwiste waarde van € 165.546,32 zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de bruidsgave uit pragmatisch oogpunt volledig vernietigen.
3.4
De vrouw verzoekt in haar reactie op het rapport van het IJI aan het hof in het dictum ermee rekening te houden dat de rechtbank in de bestreden beschikking van 8 april 2022 heeft verzuimd te beslissen op haar verzoek om te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het op naam van de vrouw zetten van de woning, waarbij de kosten van levering door beide partijen bij helfte dienen te worden gedragen. Het hof gaat aan dit verzoek voorbij, nu dit verzoek niet meer in dit stadium van de procedure kan worden gedaan.
Dictum
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (Hof: bruidsgave), en in zoverre opnieuw beschikkende,
veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 165.546,32 aan de vrouw en de vrouw is gerechtigd voormeld bedrag te verrekenen met hetgeen de vrouw verschuldigd is in het kader van de verdeling van de voormalige echtelijke woning;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, M.L.C.C. Lückers en F.A.M. Schoenmaker, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2025.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.312.617/01
zaak- rekestnummers rechtbank : C/09/593414 en C/09/610504 / FA RK 20-3310 en FA RK 21-2539
beschikking van de meervoudige kamer van 12 februari 2025
inzake
[de man] ,
wonende in Iran,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat voorheen mr. F. Mesri, thans mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam
tegen
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. L.L. Schipper-Heikens te Den Haag.
1De zaak in het kort
1.1
Partijen zijn in de Iraanse huwelijkse akte een bruidsgave overeengekomen waarop de vrouw in deze procedure aanspraak maakt. In de tussenbeschikking van 20 december 2023 heeft het hof de stelling van de man dat de vrouw afstand heeft gedaan van de bruidsgave verworpen en het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) benoemd tot deskundige over de uitleg van Iraans recht met betrekking tot de bruidsgave. Uit het advies blijkt dat de vrouw mag bepalen hoe zij de bruidsgave wenst te ontvangen (gouden munten/goudeenheden of geld). Zij wenst geld. De man stelt dat zijn draagkracht geen hogere bijdrage toelaat dan 110 Bahar Azadi. Op hem rust de bewijslast om dit aan te tonen. Dit heeft hij nagelaten, zodat het hof het verzoek van de vrouw toewijst.
2Verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 20 december 2023, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking is, alvorens verder te beslissen, het IJI benoemd tot deskundige teneinde een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen, aan de hand van de in rechtsoverwegingen 6.11 geformuleerde vragen, die als volgt luiden:
Kan naar Iraans recht een in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave in de vorm van goudeenheden worden voldaan in geld? Als dat mogelijk is, wie bepaalt dan of de bruidsgave in goudeenheden wordt betaald of in geld? Is dat op verzoek van de vrouw of mag de man dat zelf bepalen?
Indien het naar Iraans recht mogelijk is om de in goudeenheden afgesproken bruidsgave te voldoen in geld, hoe moet de geldwaarde worden vastgesteld van de door partijen afgesproken bruidsgave, zoals vermeld in r.o. 6.8, te weten:
- 50 Mesghal gold, waarvan er nog 45 opeisbaar zijn;
- 29 Bahar Azadi gold coins;
- 3 half Bahar Azadi coins;
- 1.389 Bahar Azadi ¼ coins.
Wat is de geldwaarde van deze bruidsgave? En in dat verband: van welke peildatum dient daarbij te worden uitgegaan?
2.2
Op 11 april 2024 is het rapport van het IJI bij het hof ingekomen. De deskundige van het IJI heeft de vragen – in de kern - als volgt beantwoord.
1. Naar Iraans recht kan een in de huwelijksakte afgesproken bruidsgave in de vorm van goudeenheden worden voldaan in geld. De vrouw mag bepalen of zij de als bruidsgave overeengekomen gouden munten/goudeenheden wenst te ontvangen dan wel dat zij de waarde daarvan in geld wenst te ontvangen.
2. In de rechtsliteratuur en jurisprudentie zijn geen voorbeelden te vinden hoe de geldwaarde van een in de vorm van goudeenheden overeengekomen bruidsgave moet worden omgerekend naar een vreemde valuta. De dagwaarde van een Bahar Azadi gouden munt in Iraanse valuta (Rial) kan worden geraadpleegd via diverse Iraanse websites. Echter, gelet op de fluctuerende wisselkoers adviseert de door het IJI geraadpleegde correspondent om ter berekening van de waarde van de als bruidsgave overeengekomen goudeenheden aan te sluiten bij de mondiale goudprijs, waaraan ook de goudprijzen in Iran zijn gekoppeld. Ten aanzien van de peildatum wordt aangesloten bij de datum waarop de vrouw de bruidsgave voor het eerst in rechte heeft gevorderd, te weten in de onderhavige kwestie op 13 mei 2020.
3. Op 13 mei 2020 bedroeg de goudprijs € 50,4599 per gram. De overeengekomen bruidsgave bestaat uit 3.280,75 gram. De geldwaarde van de als bruidsgave overeengekomen goudeenheden bedraagt per 13 mei 2020 dan ook € 165.546,32.
2.3
Daarna zijn bij het hof ingekomen:
van de zijde van de man:
– een journaalbericht van 31 mei 2024, ingekomen op 4 juni 2024 met bijlage;
van de zijde van de vrouw:
– een e-mailbericht van 4 juni 2024, ingekomen op diezelfde datum, met bijlagen.
2.4
Op 9 januari 2025 is de zaak, samen met de zaak met zaaknummer 200.330.958/01 (over de partneralimentatie) behandeld. Verschenen zijn:
de advocaat van de man;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de [tolk] (tolk in het Farsi).
Mede gelet op de bezwaren daartegen van de vrouw, heeft het hof het (late) verzoek van de man van 6 januari 2025 om digitaal de zitting bij te wonen, afgewezen.
3Verdere beoordeling in hoger beroep
3.1
Het hof stelt op basis van de reacties van partijen naar aanleiding van voormeld rapport van het IJI vast dat partijen het erover eens zijn dat de 110 Bahar Azadi, ter waarde van € 45.159,59 direct opeisbaar zijn, maar dat partijen strijden over het resterende deel. Volgens de man is het resterende deel niet opeisbaar en moeten partijen daarover een betalingsregeling treffen, maar kan hij daaraan niet voldoen omdat hij daarvoor geen draagkracht heeft. De vrouw bestrijdt dat de man daarvoor geen draagkracht heeft, nu aan hem de helft van de overwaarde van de echtelijke woning toekomt.
3.2
Het hof stelt voorop dat naar Iraans recht de betaling van een bruidsgave die 110 Bahar Azadi gouden munten te boven gaat, afhankelijk is van de financiële omstandigheden en de draagkracht van de man. De bewijslast van het ontbreken van draagkracht rust daarbij op de man. De man heeft in deze procedure echter geen financiële stukken overgelegd, terwijl de vrouw stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de man wel degelijk inkomsten heeft. Ook heeft de vrouw gesteld dat de man recht heeft op de helft van de overwaarde van de echtelijke woning. Het hof is dan ook van oordeel dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft om van de bruidsgave meer dan 110 Bahar Azadi te betalen niet heeft onderbouwd en wijst dit verzoek van de man af.
3.3
Aangezien de rechtbank in de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat het bruidsgave onderdeel is van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en een waarde van € 191.348,07 vertegenwoordigt, terwijl het hof de bruidsgave kwalificeert als een sui generis overeenkomst met een door de vrouw niet betwiste waarde van € 165.546,32 zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de bruidsgave uit pragmatisch oogpunt volledig vernietigen.
3.4
De vrouw verzoekt in haar reactie op het rapport van het IJI aan het hof in het dictum ermee rekening te houden dat de rechtbank in de bestreden beschikking van 8 april 2022 heeft verzuimd te beslissen op haar verzoek om te bepalen dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan het op naam van de vrouw zetten van de woning, waarbij de kosten van levering door beide partijen bij helfte dienen te worden gedragen. Het hof gaat aan dit verzoek voorbij, nu dit verzoek niet meer in dit stadium van de procedure kan worden gedaan.
Dictum
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden (Hof: bruidsgave), en in zoverre opnieuw beschikkende,
veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 165.546,32 aan de vrouw en de vrouw is gerechtigd voormeld bedrag te verrekenen met hetgeen de vrouw verschuldigd is in het kader van de verdeling van de voormalige echtelijke woning;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, M.L.C.C. Lückers en F.A.M. Schoenmaker, bijgestaan door mr. M.J. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2025.