Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-01-15
ECLI:NL:GHDHA:2025:1937
Strafrecht
Wraking
877 tokens
Dictum
inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1977,
wonende te [woonadres], [woonplaats],
hierna ook te noemen: verzoeker.
Procesverloop
1. In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 8 januari 2025 een zitting van de meervoudige strafkamer van dit hof plaatsgevonden in de samenstelling mr. H.C. Wiersinga, voorzitter, mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. R. Appels, leden.
2. Bij e-mail van 8 januari 2025 te 11.58 uur heeft de verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan. Op 12 januari 2025 heeft de verzoeker het verzoek schriftelijk aangevuld en op 13 januari heeft hij een kopie van een e-mailbericht aan het bestuur van het gerechtshof Den Haag en van de rechtbank Den Haag aan de wrakingskamer gezonden.
3. De wrakingskamer heeft kennis genomen van het proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2025 en van het arrest van het hof van 8 januari 2025.
4. De raadsheren hebben niet in de wraking berust.
5. Om na te melden redenen heeft de wrakingskamer afgezien van een mondelinge
behandeling van het wrakingsverzoek.
De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek
6. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 8 januari 2025 heeft het hof in de strafzaak geregistreerd onder het rolnummer 22-001995-24 ter openbare terechtzitting van 8 januari 2025 om 11.15 uur mondeling arrest gewezen.
Verzoeker heeft per mail van 8 januari 2025 van 11.58 uur het hof gewraakt.
Dat betekent dat verzoeker het wrakingsverzoek heeft ingediend nadat het arrest is gewezen en dat de behandeling van de strafzaak op het moment van indienen van het wrakingsverzoek dus al was geëindigd.
Daaraan doet niet af, dat verzoeker in voormelde mail meedeelt, dat hij zojuist is weggelopen van de zitting en dat het weglopen van de zitting een beroep op wraking is, nu verzoeker blijkens het proces-verbaal van die zitting bij of voor het weglopen niets heeft gezegd over een wraking en er voor het hof ook geen aanleiding was om dat weglopen aldus te begrijpen.
7. Aangezien de wet niet voorziet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het doen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechters die deze uitspraak hebben gedaan, is verzoeker om die reden niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.
8. Artikel 4, lid 2 aanhef en sub e van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag bepaalt
dat de wrakingskamer de mogelijkheid heeft om
een wrakingsverzoek zonder mondelinge behandeling af te doen indien het verzoek is
ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Nu aanstonds duidelijk is dat verzoeker om deze reden niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek, zal worden afgezien van een mondelinge behandeling van het verzoek.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, de raadsheren wier wraking is verzocht en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven op 15 januari 2025 door mr. J.W. van den Hurk, mr. O.E.M. Leinarts en mr. J.W. Frieling, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Dieteren.