Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-06-18
ECLI:NL:GHDHA:2025:1913
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,833 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.347.890/01 en 200.347.891/01
rekestnummers rechtbank : FA RK 23-2822 (echtscheiding) en FA RK 23-5805 (huwelijksvermogen)
zaaknummers rechtbank : C/09/646204 (echtscheiding) en C/09/652112 (huwelijksvermogen)
beschikking van de meervoudige kamer van 18 juni 2025
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.P. van Stralen te Utrecht,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.Y.M. Renken te Zoeterwoude.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
locatie: Haaglanden
hierna te noemen: de raad.
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 15 augustus 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
De man is op 8 november 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De vrouw heeft op 6 februari 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.
2.3
De man heeft op 21 februari 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
De raad is, overeenkomstig zijn brief van 28 maart 2025, niet ter mondelinge behandeling verschenen.
2.5
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 28 november 2024, ingekomen op 3 december 2024;
een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlage) van 28 februari 2025, ingekomen op 5 maart 2025;
een brief van de zijde van de man (met bijlagen) van 27 maart 2025, ingekomen op 31 maart 2025.
2.6
Het hof heeft [minderjarige 1] , de minderjarige zoon van partijen, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft zijn mening per brief kenbaar gemaakt.
2.7
De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Feiten
3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats] (Tsjechië).
3.3
Partijen zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit.
3.4
De kinderen verblijven de ene week van maandag tot maandag bij de man en de andere week van maandag tot maandag bij de vrouw.
3.5
Volgens de Basisregistratie Personen (BRP) heeft de man de Nederlandse nationaliteit
en de vrouw de Tsjechische nationaliteit.
3.6
De vrouw heeft bij verzoekschrift van 19 april 2023 de echtscheiding verzocht. De echtscheiding is uitgesproken op 15 augustus 2024, en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 6 december 2024.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover in hoger beroep van belang):
de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
als voorlopige zorgregeling vastgelegd dat de kinderen steeds de ene week van maandag uit school tot maandagochtend naar school bij de vrouw verblijven en de andere week van maandag uit school tot de maandag erop naar school bij de man verblijven;
een regeling vastgelegd voor de herfstvakantie 2024 en de kerstvakantie 2024;
de raad verzocht een raadsonderzoek te verrichten;
Dictum
bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 262,- per kind per maand kinderalimentatie moet betalen met ingang van de datum van de bestreden beschikking;
vervangende toestemming aan de vrouw verleend ten aanzien van het aanvragen van ID-kaarten voor de kinderen, voor het inschrijven van de kinderen op een buitenschoolse opvang en voor het aanmelden van de kinderen bij een psycholoog die gespecialiseerd is in hulpverlening aan kinderen in echtscheidingssituaties;
de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen vastgesteld, waaronder:
o het verzoek van de man ten aanzien van de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning in Tsjechië afgewezen;
o de pensioenbeleggingsrekening aan de man toegedeeld, onder de verplichting de helft van de waarde van € 37.072,96 (€ 18.536,48) aan de vrouw te voldoen;
o de scooter (op naam van de eenmanszaak van de man) aan de man toegedeeld, onder de verplichting de helft van de waarde van € 700,- (€ 350,-) aan de vrouw te voldoen;
o de rechten uit de huurovereenkomst van de auto KIA met kenteken [kenteken] (op naam van de eenmanszaak van de man) aan de man toegedeeld, onder de verplichting de helft van de waarde daarvan aan de vrouw te voldoen, waarbij geldt dat partijen zich tot een deskundige dienen te wenden die de waarde voor hen kan vaststellen als partijen niet binnen een maand gezamenlijk tot een overeenstemming over de waarde komen.
4.2
De grieven van de man richten zich tegen bovengenoemde beslissingen. De man verzoekt het hof in het principaal hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking:
I. ten aanzien van verdeling van het huwelijks vermogen het bepaalde onder i) de woning in Tsjechië te vernietigen en opnieuw rechtdoende vast te stellen dan wel te gelasten dat primair de verkoopopbrengst van de verkoop van de woning uit Tsjechië aan de man toekomt, dan wel subsidiair te bepalen dat de vrouw aan man een bedrag van € 164.946,-. dient te betalen;
II. ten aanzien van verdeling van het huwelijksvermogen het bepaalde onder d) de pensioenbeleggingsrekening te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dan wel gelasten dat de rekening aan de man wordt toegescheiden en hij de helft van de courante waarde aan de vrouw dient te voldoen;
III. ten aanzien van verdeling van het huwelijks vermogen het bepaalde onder e) de onderneming van de man te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man in de onderlinge verhoudingen van partijen de schuld dient af te lossen en dat daarmee de vrouw aan de man een vergoedingsrecht van € 1.564,38 dient te betalen;
IV. ten aanzien van het door de rechtbank bepaalde bedrag aan kinderalimentatie te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank tot 31-01-2025 aan de vrouw een bedrag van € 45,- betaalt;
V. te bepalen dat de man vanaf 01-02-2025 aan de vrouw geen bijdrage meer verschuldigd is;
VI. ten aanzien van de schoolvakanties te vernietigen en te bepalen dat deze vakanties van een week om en om moeten worden verdeeld en dat deze verdeling pas op de eerste maandagochtend van de schoolvakantie om 08.30 uur ingaan en de wissel tijdens de week op donderdag 13:30 plaats vindt. De ouder die de kinderen het tweede deel van de schoolvakantie heeft, brengt de kinderen maandag vlak na de vakantie naar school en de andere ouder haalt de kinderen weer van school die maandag;
VII. ten aanzien van de vervangende toestemming inzake de psychologische behandeling te vernietigen en te bepalen dat partijen zich dienen te wenden tot het Centrum voor Jeugd en Gezin;
VIII. ten aanzien van de vervangende toestemming inzake de buitenschoolse opvang te vernietigen;
IX. ten aanzien van de lease overeenkomst van de auto de beslissing van de rechtbank onder e) te vernietigen en te bepalen dat de vrouw aan de man 50% van € 7.114,79 dient te vergoeden, te weten een bedrag van € 3.557,38.
4.3
In het incident verzoekt de man de vrouw te veroordelen tot het geven van afschriften dan wel te bepalen dat de vrouw afschriften aan de man dient te geven waaruit de geldstromen na de verkoop van de woning (in Tsjechië) inzichtelijk worden gemaakt. Het gaat om bescheiden waaruit de verkoopopbrengst blijkt (het bedrag en wanneer/hoe dit is betaald aan de vrouw) en hoe dit bedrag is beheerd tot aan de peildatum van de boedelverdeling.
4.4
De vrouw voert gemotiveerd verweer tegen het incident en het principaal hoger beroep. Daarnaast verzoekt de vrouw in het incidenteel hoger beroep om de bestreden beschikking te bekrachtigen, een dwangmiddel aan de beslissing over de kinderalimentatie te verbinden en de man in de proceskosten te veroordelen.
4.5
De man voert gemotiveerd verweer tegen het incidenteel hoger beroep.
4.6
Het hof zal de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
Motivering
Huwelijksvermogen
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1
De rechtbank heeft in eerste aanleg vastgesteld dat partijen in de algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, waartegen geen grieven zijn gericht. De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van de verzoeken over het huwelijksvermogen van partijen en het Nederlands recht is daarop van toepassing.
De woning in Tsjechië en de verkoopopbrengst daarvan
5.2
Het hof overweegt met betrekking tot de woning in Tsjechië dat de vrouw heeft gesteld dat zij deze onder een uitsluitingsclausule van haar grootmoeder geschonken heeft gekregen. Deze stelling is door de man gemotiveerd betwist. Door de vrouw is een akte in de Tsjechische taal in het geding gebracht. De vrouw heeft slechts een gedeelte van de akte laten vertalen. Primair is het hof van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen om een complete beëdigde vertaling van de akte in het geding te brengen. Nu zij dit niet heeft gedaan komt dat voor haar rekening en risico aangezien het ook voor de vrouw duidelijk moet zijn dat het hof en de wederpartij de Tsjechische taal niet machtig zijn en de voertaal in gerechtelijke procedures in Nederland Nederlands is. Naar het oordeel van het hof volgt niet uit de beperkte vertaling dat er sprake is van een schenking onder een uitsluitingsclausule, en wel in die zin dat het geschonken onroerend goed niet valt in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen waarin de vrouw met de man is gehuwd. Ook een redelijke uitleg van de bewoordingen ‘exclusief eigendom’ geeft geen antwoord op de vraag of het onroerend goed onder een uitsluitingsclausule is geschonken. Nu de woning door de vrouw is verkocht valt in beginsel de verkoopopbrengst van de woning te Tsjechië in de huwelijksgoederengemeenschap.
5.3
Voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap is bepalend of de opbrengst van de woning op de peildatum van de ontbinding nog in de huwelijksgemeenschap aanwezig was. Door de vrouw is aangegeven dat de gelden zijn uitgegeven en dat zij geen bankrekening meer heeft in Tsjechië. Nu de vrouw ontkent dat er nog een bankrekening is in Tsjechië en de vrouw ontkent dat nog een deel van de opbrengst van de woning resteert, rust op de man de bewijslast om aan te tonen dat er nog steeds sprake is van een bankrekening in Tsjechië met een resterend saldo. Op basis van hetgeen de man heeft gesteld, kan het hof dit niet vaststellen. Naar het oordeel van het hof zijn er geen gronden aanwezig om de bewijslast in deze om te keren. Bewijsnood komt voor rekening en risico van de man. Nu de vrouw niet meer de beschikking heeft over de bankrekening in Tsjechië kan zij de man derhalve geen saldo laten zien van de rekening op de peildatum.
5.4
De grief van de man treft geen doel. Er is eveneens geen grond voor een verzoek ex artikel 843a Rv aangezien dit te ongespecificeerd is mede bezien het verweer van de vrouw met betrekking tot de bankrekening.
De pensioenbeleggingsrekening
5.5
Het hof overweegt. Een geschilpunt tussen partijen is het saldo met betrekking tot de pensioenbeleggingsrekening. Uit het petitum onder 2 van de man volgt dat hij toedeling wenst van de pensioenbeleggingsrekening en dat hij de helft van de courante waarde aan de vrouw dient te voldoen. Door de vrouw is verweer gevoerd. Vast staat tussen partijen dat de beleggingsrekening tot de huwelijksgemeenschap behoort en derhalve in de verdeling dient te worden betrokken. In randnummer 41 van zijn beroepschrift stelt de man dat hij het hof verzoekt om uit te gaan van de courante waarde van deze rekening. In de visie van de man is dat het bedrag dat daadwerkelijk wordt uitbetaald als de rekening wordt opgezegd. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwijst naar de randnummers 26 tot en met 31 van haar verweerschrift. Daaruit volgt onder meer dat de rechtbank het verzoek van de man heeft toegewezen op basis van de door de man aangeleverde cijfers en wel een waarde van de pensioenbeleggingsrekening van € 37.072,69. Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd waarom in hoger beroep van een ander bedrag moet worden uitgegaan dan hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking heeft gesteld. Het had op de weg van de man gelegen om een concrete onderbouwing te geven van wat de hoogte is van de courante waarde. Nu dit ontbreekt heeft de man niet aan zijn stelplicht voldaan.
Een schuld met betrekking tot de eenmanszaak van de man
5.6
Het hof begrijpt uit grief 3 van de man dat in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap geen rekening is gehouden met een schuld van € 3.128,- met betrekking tot de eenmanszaak. Indien op de peildatum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap er een schuld is, ook als deze betrekking heeft op de “eenmanszaak” is dit in beginsel een gemeenschapsschuld waarbij beide partijen gelijk draagplichtig voor zijn (artikel 1:100 BW). Indien de man meer dan 50% van de betreffende schuld heeft betaald uit privévermogen bestaat er voor hem een regresvordering op de vrouw. Zoals het hof ook ter zitting heeft gezegd, kan het hof geen schulden verdelen aangezien een schuld geen goed is. Nu uit de wet voortvloeit wat de gevolgen zijn indien de man de schuld integraal voldoet heeft hij verder geen belang meer bij bespreking van de grief.
De waarde van de leaseauto
5.7
De man heeft grief 13 met betrekking tot het leasecontract/de leaseauto ter zitting ingetrokken.
De kinderalimentatie
Verblijfsoverstijgende kosten
5.8
De man stelt primair dat hij geen kinderalimentatie aan de vrouw hoeft te betalen omdat hij alle verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen betaalt. De vrouw kan volgens de man de verblijfskosten van de kinderen bij haar thuis volledig dekken met haar eigen inkomen en het kindgebonden budget dat zij ontvangt. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten betaalt.
5.9
Het hof volgt in beginsel het systeem dat volgt uit de Alimentatienormen van de Landelijke Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak (hierna: de Alimentatienormen). Daaruit volgt het uitgangspunt bij co-ouderschap dat de kosten van de kinderen als volgt worden besteed: 35% van de kosten aan verblijfskosten bij de ene ouder, 35% van de kosten aan verblijfskosten bij de andere ouder en 30% van de kosten voor verblijfsoverstijgende kosten, zoals kleding en sport. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man alimentatieplichtig is. Nu het een co-ouderschap betreft acht het hof het in dit geval redelijk om het uitgangspunt te hanteren dat de ouder met het hoogste inkomen alimentatieplichtig is en de ouder met het laagste inkomen alimentatiegerechtigd, en dat de alimentatiegerechtigde ouder de verblijfsoverstijgende kosten betaalt.
5.10
Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende feiten naar voren heeft gebracht die reden geven om van bovengenoemd uitgangspunt af te wijken. Of, en zo ja hoeveel kinderalimentatie hij aan de vrouw moet betalen is afhankelijk van de behoefte van de kinderen en ieders draagkracht.
De berekening van de kinderalimentatie
5.11
De man heeft meerdere grieven geformuleerd tegen de wijze waarop de rechtbank zijn draagkracht heeft berekend. Het hof bespreekt eerst de grieven, en berekent daarna de kinderalimentatie.
Het inkomen van de man
5.12
De man vindt dat tot 1 april 2025 zijn draagkracht kan worden berekend met het inkomen waar de rechtbank mee heeft gerekend.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking waar het gaat over de kinderalimentatie en bepaalt opnieuw rechtdoende dat:
de man met ingang van 15 augustus 2024 een bedrag van € 202,- per kind per maand kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen ten behoeve van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
de man met ingang van 1 april 2025 een bedrag van € 123,- per kind per maand kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen ten behoeve van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;
wijst het meer of anders in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, L. Koper en J.B. Backhuijs, bijgestaan door mr. S. Richtersz als griffier en is op 18 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Motivering
Hij grieft dat met ingang van 1 april 2025 zijn draagkracht opnieuw moet worden berekend, rekening houdend met zijn gewijzigde lagere inkomen. De vrouw betwist dat de daling in het inkomen van de man niet-verwijtbaar en niet-vermijdbaar is.
5.13
Niet in geschil is dat de man per 2 januari 2023 in dienst is getreden bij [werkgever] (hierna: [werkgever] ) door wie de man per 1 april 2024 tot uiterlijk 31 maart 2025 werd gedetacheerd bij [detacheringslocatie] (hierna: [detacheringslocatie] ). Naar het oordeel van het hof staat vast dat ten tijde van het sluiten van de detacheringsovereenkomst tevens is overeengekomen dat de man na maximaal 1.500 uren werken op basis van detachering in dienst zou treden bij [detacheringslocatie] . De man is per 1 april 2025 in dienst getreden bij [detacheringslocatie] tegen een lager salaris dan hij genoot als detachant via [werkgever] . Het hof acht de daling van zijn inkomen daarom niet verwijtbaar en niet vermijdbaar, en zal de draagkracht van de man per 1 april 2025 berekenen op basis van zijn inkomen zoals dat blijkt uit zijn arbeidsovereenkomst.
De woonlasten
5.14
De man heeft de vrouw uitgekocht uit de echtelijke woning. Hij stelt dat zijn woonlasten daardoor flink zijn gestegen en dat daarom rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten ad € 3.123,21,- per maand.
5.15
Het hof overweegt als volgt. Zoals de vrouw ook naar voren heeft gebracht, kan volgens de Alimentatienormen bij de berekening van de draagkracht enkel rekening worden gehouden met de werkelijke hogere woonlasten indien de woonlasten duurzaam aanmerkelijk hoger zijn dan de forfaitair berekende woonlasten, én dit niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om tot de conclusie te komen dat het niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is dat zijn woonlasten zo hoog zijn. De man had kunnen kiezen voor verkoop van de woning in plaats van toedeling aan hem, en daarnaast kan hij zijn woonsituatie nu alsnog wijzigen. Dat dit vervelend zou zijn voor de kinderen, doet daar niet aan af. Het hof zal daarom zoals gebruikelijk rekenen met de forfaitaire woonlasten.
Aflossing op schulden
5.16
Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met een last van in totaal € 1.224,- per maand voor het aflossen van de huwelijkse schulden bij DUO en bij ING en met betrekking tot de financial lease van de auto. De rechtbank heeft rekening gehouden met 50% van deze lasten, omdat de vrouw de andere helft van deze lasten moet betalen. De man vindt dat met de volledige last aan zijn kant rekening moet worden gehouden, omdat het volledige bedrag maandelijks op zijn draagkracht rust. Het hof zal rekenen met de volledige last, máár dit heeft wel tot gevolg dat de man namens de vrouw aflost en dus niet meer bij de vrouw kan aankloppen voor terugbetaling.
Advocaatkosten
5.17
Het hof zal net als de rechtbank geen rekening houden met de door de man opgevoerde advocaatkosten van € 1.500,- per maand. De vrouw heeft verweer gevoerd. Conform de Alimentatienormen kan het hof rekening houden met advocaatkosten indien de maandelijkse last niet vermijdbaar is en het bestaan ervan ook niet verwijtbaar is. Het hof houdt geen rekening met deze last omdat de man, net als de vrouw, over liquide middelen had kunnen beschikken uit de verdeling van het huwelijksvermogen. Het is zijn eigen keuze geweest om de woning aan hem toe te laten delen, en de vrouw uit te kopen. Als hij ervoor had gekozen de woning te verkopen, had hij net als de vrouw voldoende liquide middelen beschikbaar gehad om zijn advocaatkosten te betalen. Daarnaast heeft de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende aangetoond dat hij daadwerkelijk € 1.500,- per maand aan advocaatkosten betaalt en dat hij geen liquide middelen beschikbaar heeft die hij kan aanwenden voor de aflossing van zijn schuld aan advocaatkosten.
De berekening met ingang van 15 augustus 2024
5.18
Niet in geschil is dat de man met ingang van 15 augustus 2024 kinderalimentatie moet betalen en dat de kinderen een behoefte hebben van € 776,- per kind per maand.
5.19
Het hof sluit aan bij het door de rechtbank berekende netto besteedbaar inkomen van € 5.748,- per maand, omdat de man daar geen grief tegen heeft gericht. Zoals hierboven besproken, houdt het hof rekening met de forfaitaire woonlasten en de schuldenlast van € 1.224,- per maand. Met deze gegevens berekent het hof de draagkracht van de man in 2024 op € 1.071,- per maand. De berekening wordt als bijlage aan deze beschikking gehecht.
5.20
De rechtbank heeft de draagkracht van de vrouw berekend op € 683,- per maand. Dit is in hoger beroep niet in geschil. Partijen zijn ter zitting met elkaar overeengekomen dat de vrouw die de aanvrager is van de kinderbijslag op die grond recht heeft op het kindgebondenbudget en de alleenstaande ouderkop. Dit komt overeen met de uitgangspunten in de door de rechtbank gemaakte berekening van de draagkracht van de vrouw.
5.21
Het hof heeft met deze gegevens berekend dat de man met ingang van 15 augustus 2024, na aftrek van 35% zorgkorting, een bedrag van € 202,- per kind per maand kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
De berekening met ingang van 1 april 2025
5.22
De behoefte van de kinderen is geïndexeerd naar 2025 € 826,- per maand.
5.23
Uit de door de man overgelegde arbeidsovereenkomst volgt een inkomen met ingang van 1 april 2025 van € 6.800,- bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering en een resultatenuitkering. De man heeft ter zitting verklaard dat de eindejaarsuitkering € 2.500,- per jaar bedraagt, zoals dat ook was toen hij op detacheringsbasis werkte. Daarnaast heeft de man toegelicht dat zijn werkgever in financieel zwaar weer verkeert, en dat er geen zicht is op een resultatenuitkering. Hoewel de vrouw dit bij gebrek aan gegevens betwist, acht het hof deze verklaring plausibel en sluit het hof hier bij aan.
5.24
De man heeft recht op de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting.
5.25
Met bovenstaande gegevens heeft het hof berekend dat de man per 1 april 2025 een netto besteedbaar inkomen heeft van € 5.094,- per maand. Het hof houdt rekening met de forfaitaire woonlasten en een schuldenlast van € 1.224,- per maand. Met deze gegevens berekent het hof de draagkracht van de man per 1 april 2025 op € 722,- per maand.
5.26
De draagkracht van de vrouw is (geïndexeerd naar 2025) € 727,- per maand.
5.27
Per 1 april 2025 hebben partijen gezamenlijk een draagkracht van € 1.449,- per maand. Dat is € 203,- per maand te weinig om in de volledige behoefte van de kinderen van € 826,- per maand te voorzien. De ouders moeten allebei de helft van dit tekort dragen. Aan de zijde van de man wordt daarom de helft van dit tekort verrekend met de zorgkorting.
5.28
Het hof heeft met deze gegevens berekend dat de man met ingang van 1 april 2025, na aftrek van de zorgkorting een bedrag van € 123,- per kind per maand kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
Gezag en omgang
Vakantieregeling
5.29
De man heeft zijn grief over de vakantieregeling ingetrokken.