Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-04-29
ECLI:NL:GHDHA:2025:1896
Civiel recht
Hoger beroep
3,546 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.322.939/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/624742 / HA ZA 22-136
Arrest van 29 april 2025
in de zaak van
mr. [bewindvoerder] in hoedanigheid van bewindvoerder van [appellant],
wonend in [woonplaats 1],
appellant,
advocaat: mr. A.K. Ramdas, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde]
,
wonend in [woonplaats 2],
geïntimeerde,
advocaat: mr. N. Sprengers, kantoorhoudend in Woerden.
Het hof noemt partijen hierna de bewindvoerder en [geïntimeerde].
Mevrouw [appellant] wordt hierna [appellant] genoemd.
1De zaak in het kort
1.1
Deze zaak gaat over de vraag of tussen [appellant] en [geïntimeerde] (ex-familieleden) rechtsgeldig een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit het geval is en heeft de vorderingen tot vernietiging/ontbinding van de geldleningsovereenkomst en tot doorhaling van de inschrijving van het hypotheekrecht daarom afgewezen.
1.2
Het hof komt in dit tussenarrest voorshands tot het oordeel dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] een rechtsgeldige overeenkomst is gesloten en laat de bewindvoerder toe tot het leveren van tegenbewijs.
Procesverloop
2.1
Het hof heeft op 7 januari 2025 vanwege de onderbewindstelling van [appellant] een tussenarrest gewezen om [appellant] in de gelegenheid te stellen om de bewindvoerder op te roepen in het geding.
2.2
Daarop heeft het hof ter rolle van 4 februari 2025 van mr. Ramdas een H2 formulier met productie 22 ontvangen. Productie 22 is een mailbericht van 3 februari 2025 van mr. [bewindvoerder], waarin staat dat hij in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in deze procedure verschijnt en de belangen van [appellant] zal behartigen. Deze procedure wordt daarom voortgezet met de bewindvoerder als appellant.
Feiten
3.1
[geïntimeerde] heeft een relatie gehad met de dochter van [appellant]. [geïntimeerde] en de dochter van [appellant] zijn omstreeks 2009 gaan samenwonen in een woning van [appellant] aan de [plaats 1] (hierna: de woning).
3.2
[geïntimeerde] heeft in de woning verbouwingswerkzaamheden verricht.
3.3
[appellant] (als geldlener) en [geïntimeerde] (als geldgever) hebben een overeenkomst van geldlening ondertekend, gedateerd 1 januari 2016. Hierin staat onder meer:
1. Geldlener verklaart van geldgever per 01-01-2016 een lening van € 40.000,- (zegge: veertigduizend euro) te hebben ontvangen. [...]
4. Geldlener zal de lening aflossen in twintig jaar volgens een annuïtair aflosschema, met een annuïteit van € 166,- (zegge: honderdzesenzestig) per maand. [...]
6. Geldgever kan de hoofdsom onmiddellijk opeisen van geldlener, als het faillissement van geldlener wordt aangevraagd, geldlener in surséance van betaling geraakt of beslag wordt gelegd op aan geldlener toebehorende zaken.
3.4
Op 9 oktober 2017 is de overeenkomst van geldlening vastgelegd in een notariële akte (hierna: de hypotheekakte) waarin een tweede recht van hypotheek is gevestigd op de woning tot zekerheid voor het terugbetalen van de geldlening aan [geïntimeerde], waarbij [appellant] de hypotheekgever is en [geïntimeerde] de hypotheeknemer.
3.5
[appellant] heeft vanaf 11 juli 2018 tot en met 6 mei 2019 elf keer € 166,00 aan [geïntimeerde] overgemaakt.
3.6
In mei 2019 is de relatie tussen [geïntimeerde] en de dochter van [appellant] beëindigd.
3.7
Op 4 maart 2021 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] het volgende WhatsAppbericht gestuurd: ‘Ik wil graag een afspraak maken wat de openstaande schuld betreft, je zei dat je in termijnen zou gaan betalen? Ik heb verder niets meer erover gehoord van je hoe we gaan oplossen?’ Op 5 maart 2021 heeft [geïntimeerde] het volgende WhatsApp bericht aan [appellant] gestuurd: ‘Je hoeft het niet in l keer te betalen, maar in ieder geval de maandelijkse termijnen dan.’ [appellant] stuurde een bericht terug maar heeft dat vervolgens verwijderd. Daarna stuurde ze het volgende WhatsAppbericht; ‘ja [geïntimeerde] op dit moment kan ik niet als ik later heb dan betaal ik in maand termijnen’. [geïntimeerde] stuurt diezelfde dag de volgende WhatsApp berichten: ‘Ja blijkbaar heb je wel want je kan voor [naam] een auto kopen’ en ‘Als je niet wilt betalen zal ik het naar een incassobureau doorsturen’ en op 24 maart 2021 stuurt [geïntimeerde] het bericht: ‘Helaas heb ik geen betaling mogen ontvangen, noch een reactie hoe je denkt het op te gaan lossen. Mijn geduld en begrip is inmiddels wel op en Ik zie geen andere oplossing dan het nu uit handen te geven’. Hier heeft [appellant] niet meer op gereageerd.
3.8
Op 26 maart 2021 heeft de gemachtigde van [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven dat de hoofdsom van de overeenkomst van geldlening direct opeisbaar was geworden en [appellant] gesommeerd dit bedrag binnen twee weken te betalen. Op 11 juni 2021 is de hypotheekakte betekend en op 18 juni 2021 is beslag gelegd op het inkomen van [appellant].
3.9
[appellant] heeft op 21 mei 2021 de inleidende dagvaarding aan [geïntimeerde] laten betekenen op het adres aan de [plaats 2]. [geïntimeerde] woonde daar feitelijk niet meer maar stond daar wel ingeschreven.
3.10
Op 13 en 14 juni 2021 hebben [appellant] en [geïntimeerde] telefonisch contact gehad waarin [appellant] uitstel van betaling heeft gevraagd tot 20 juli 2021. Daarbij is niet gesproken over de dagvaarding die door haar was uitgebracht.
3.11
De rechtbank Den Haag heeft op 30 juni 2021 een verstekvonnis gewezen waarin de overeenkomst van geldlening is vernietigd en [geïntimeerde] is veroordeeld tot doorhaling van de hypotheek.
3.12
Op 11 januari 2022 heeft [geïntimeerde] conservatoir beslag laten leggen op de woning.
3.13
Op 12 januari 2022 is het tweede recht van hypotheek op de woning doorgehaald vanwege het verstekvonnis.
4Procedure bij de rechtbank
4.1
[appellant] heeft (in de procedure die heeft geleid tot het verstekvonnis van 30 juni 2021) gevorderd om uitvoerbaar bij voorraad:
de overeenkomst/akte van geldlening met hypotheek van 9 oktober 2017 te ontbinden/vernietigen met veroordeling van [geïntimeerde] om de hypothecaire inschrijving binnen twee dagen na betekening van dit vonnis door te halen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag;
de overeenkomst van geldlening van 1 januari 2016 te ontbinden/vernietigen;
het hypotheekrecht van [geïntimeerde] door te halen (om niet), danwel in haar plaats royement te verlenen;
te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de toestemming medewerking van [geïntimeerde] tot het doorhalen van het hypotheekrecht (om niet), dan wel het verlenen van royement;
[geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, waaronder nakosten, en met wettelijke rente hierover als [geïntimeerde] de proceskosten niet binnen twee dagen na dagtekening van het vonnis heeft betaald.
4.2
Bij verstekvonnis van 30 juni 2021 zijn de vorderingen van [appellant] toegewezen en is [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten. [geïntimeerde] is vervolgens in verzet gekomen, heeft alsnog verweer gevoerd tegen de vorderingen en heeft op zijn beurt (in reconventie) gevorderd om [appellant] te veroordelen tot:
betaling van de beslagkosten van € 2.265,47, met wettelijke rente;
betaling van de beslagkosten van € 444,79, met wettelijke rente;
betaling van de incassokosten begroot op € 1.400,00, met wettelijke rente;
primair betaling van het restant van de verstrekte lening van € 38.174,00 met wettelijke rente en subsidiair medewerking aan het opnieuw vestigen van een (tweede) recht van hypotheek op de woning met een inschrijving van € 56.000,00 en daarbij te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de toestemming/medewerking van [appellant] aan het vestigen van dit hypotheekrecht.
4.3
De kantonrechter heeft bij verzetvonnis van 21 december 2022 het verstekvonnis vernietigd, de vorderingen van [appellant] alsnog afgewezen en [appellant] in reconventie veroordeeld tot medewerking aan het opnieuw vestigen van een recht van tweede hypotheek en betaling van de beslagkosten en proceskosten. Samengevat heeft de kantonrechter geoordeeld dat zij de stellingen van [appellant] dat de geldlening alleen op papier bestond om een gedwongen verkoop vanwege een restschuld bij de ING te voorkomen, niet volgt. [appellant] heeft onvoldoende aangevoerd om de tussen partijen gesloten schriftelijke overeenkomst, hypotheekakte, gedane aflossingen en de tussen partijen gewisselde whatsapp berichten te weerleggen. Omdat de openstaande leensom niet opeisbaar is, zal opnieuw een tweede recht van hypotheek op de woning dienen te worden gevestigd.
5Vorderingen in hoger beroep
5.1
In hoger beroep is de bewindvoerder in zijn hoedanigheid als vertegenwoordiger van en beheerder over het vermogen van [appellant] betrokken. De bewindvoerder wil dat het verzetvonnis van 21 december 2022 wordt vernietigd, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen en dat het verstekvonnis wordt bekrachtigd, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
Beoordeling
6.1
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het gaat in dit geding, kort gezegd, om de vraag of tussen [appellant] en [geïntimeerde] een rechtsgeldige leningsovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens de bewindvoerder is dat niet het geval. Partijen hebben weliswaar een geldleningsovereenkomst getekend en een tweede recht van hypotheek gevestigd, maar dat was om te voorkomen dat de ING bank beslag zou leggen op de woning waarin [geïntimeerde] op dat moment met zijn gezin woonde. Er is sprake van een schijnconstructie, aldus nog steeds de bewindvoerder/[appellant].
6.2
[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellant] betwist. Hij heeft van 2012 tot en met 2017 verbouwingswerkzaamheden in de woning verricht. Afgesproken was dat [appellant] de materiaalkosten voor die verbouwing voor haar rekening zou nemen en dat [geïntimeerde] de arbeid zou verrichten. [geïntimeerde] heeft de kosten voor [appellant] voorgeschoten. Toen de kosten steeds verder opliepen, heeft [geïntimeerde] erop gestaan die afspraken op schrift vast te leggen en daarom is de schriftelijke overeenkomst van geldlening tot stand gekomen.
6.3
Het hof overweegt dat uit de getekende geldovereenkomst, de gepasseerde notariële akte, de tussen partijen gewisselde whatsapp-berichten en de aflossingen voorshands kan worden aangenomen dat [appellant] en [geïntimeerde] een rechtsgeldige geldleningsovereenkomst hebben gesloten. Partijen hebben in een schriftelijk stuk en in een notariële akte neergelegd dat [appellant] een bedrag van € 40.000,-- heeft geleend tot zekerheid voor de terugbetaling waarvoor [appellant] een recht van tweede hypotheek aan [geïntimeerde] heeft verstrekt. Uit de whatsapp-berichten die in maart 2021 tussen partijen zijn gewisseld, kan worden afgeleid dat partijen spraken over het aflossen op de geldlening. [appellant] bericht immers dat ze op dit moment niet kan aflossen en stelt voor dat ze later in maandtermijnen betaalt. Daarmee lijkt het bestaan van de geldlening in deze berichten niet ter discussie te staan. Bovendien heeft [appellant] in 2018 en 2019 elf keer een bedrag van € 188,-- op de lening afgelost. Die aflossingen zijn gestaakt vlak nadat de relatie tussen [geïntimeerde] en de dochter van [appellant] zijn beëindigd. De hypotheekakte (een authentieke akte) waarin partijen verklaren dat zij de betreffende overeenkomst van geldlening hebben gesloten, levert dwingend bewijs op tussen partijen. De whatsapp-berichten en aflossingen door [appellant] sluiten hier bij aan. Het verweer van de bewindvoerder, kort gezegd dat sprake is van een schijnconstructie, is tot dusver ontoereikend om het tegenbewijs hiertegen geleverd te achten. De bewindvoerder zal overeenkomstig zijn aanbod worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs (door middel van getuigen).
6.4
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De zaak zal worden verwezen naar de rol. De bewindvoerder dient zich alsdan bij akte uit te laten over de wijze waarop hij tegenbewijs wil leveren, alsmede, indien hij bewijs door het doen van getuigen wil leveren, over het aantal getuigen, met opgave van de verhinderingen van alle partijen en de getuigen in de periode juni tot en met september 2025.
Dictum
Het hof:
7.1
laat de bewindvoerder toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat er een rechtsgeldige geldleningsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] tot stand is gekomen;
7.2
verwijst de zaak naar de rol van 27 mei 2025 voor het nemen van een akte door de bewindvoerder als bedoeld in rechtsoverweging 6.4;
7.3
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Muilwijk-Schaaij, M.A.F. Tan-de Sonnaville en R. Wesseling en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2025 in aanwezigheid van de griffier.