Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-08-28
ECLI:NL:GHDHA:2025:1758
Strafrecht
Hoger beroep
14,364 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-001345-24
Parketnummer: 10-338396-23
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ruim negen kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Voorwaardelijk opzet
Het hof is van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg gaat het hof uit van het navolgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij een opdracht heeft geaccepteerd om vanuit Frankrijk heen en weer naar Nederland te rijden om daar drugs op te halen. De verdachte heeft voor deze klus op voorhand een geldbedrag van € 3.000,00 gekregen. De verdachte is naar een opgegeven adres in Nederland gereden en heeft daar van een andere man een tas gekregen, die de verdachte in zijn auto heeft gezet.
Op 20 december 2023 is de verdachte door de politie aangehouden. In de auto van de verdachte werden in totaal tien blokken met verdovende middelen aangetroffen. Een deel daarvan werd in een in de auto van de verdachte professioneel aangebrachte verborgen ruimte gevonden.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om het aanwezig hebben van harddrugs ging. Dat het niet ging om softdrugs, maar dat hij rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat het (ook) om harddrugs als cocaïne zou gaan leidt het hof voorts af uit het geldbedrag dat hem is beloofd en de omvang van de aangetroffen pakketten.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aanwezig hebben van die drugs uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.
Nu het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de verdachte van dat onderdeel partieel worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ruim negen kilo cocaïne aanwezig gehad. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug, die schadelijk is voor de volksgezondheid. Handel in en gebruik van drugs leiden, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, en mr. H.C. Wiersinga en mr. E.C. van Veen, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.I.G. Ondracek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2025.
Inleiding
Rolnummer: 22-001345-24
Parketnummer: 10-338396-23
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ruim negen kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Voorwaardelijk opzet
Het hof is van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg gaat het hof uit van het navolgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij een opdracht heeft geaccepteerd om vanuit Frankrijk heen en weer naar Nederland te rijden om daar drugs op te halen. De verdachte heeft voor deze klus op voorhand een geldbedrag van € 3.000,00 gekregen. De verdachte is naar een opgegeven adres in Nederland gereden en heeft daar van een andere man een tas gekregen, die de verdachte in zijn auto heeft gezet.
Op 20 december 2023 is de verdachte door de politie aangehouden. In de auto van de verdachte werden in totaal tien blokken met verdovende middelen aangetroffen. Een deel daarvan werd in een in de auto van de verdachte professioneel aangebrachte verborgen ruimte gevonden.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om het aanwezig hebben van harddrugs ging. Dat het niet ging om softdrugs, maar dat hij rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat het (ook) om harddrugs als cocaïne zou gaan leidt het hof voorts af uit het geldbedrag dat hem is beloofd en de omvang van de aangetroffen pakketten.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aanwezig hebben van die drugs uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.
Nu het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de verdachte van dat onderdeel partieel worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ruim negen kilo cocaïne aanwezig gehad. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug, die schadelijk is voor de volksgezondheid. Handel in en gebruik van drugs leiden, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, en mr. H.C. Wiersinga en mr. E.C. van Veen, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.I.G. Ondracek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2025.
Inleiding
Rolnummer: 22-001345-24
Parketnummer: 10-338396-23
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ruim negen kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Voorwaardelijk opzet
Het hof is van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg gaat het hof uit van het navolgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij een opdracht heeft geaccepteerd om vanuit Frankrijk heen en weer naar Nederland te rijden om daar drugs op te halen. De verdachte heeft voor deze klus op voorhand een geldbedrag van € 3.000,00 gekregen. De verdachte is naar een opgegeven adres in Nederland gereden en heeft daar van een andere man een tas gekregen, die de verdachte in zijn auto heeft gezet.
Op 20 december 2023 is de verdachte door de politie aangehouden. In de auto van de verdachte werden in totaal tien blokken met verdovende middelen aangetroffen. Een deel daarvan werd in een in de auto van de verdachte professioneel aangebrachte verborgen ruimte gevonden.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om het aanwezig hebben van harddrugs ging. Dat het niet ging om softdrugs, maar dat hij rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat het (ook) om harddrugs als cocaïne zou gaan leidt het hof voorts af uit het geldbedrag dat hem is beloofd en de omvang van de aangetroffen pakketten.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aanwezig hebben van die drugs uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.
Nu het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de verdachte van dat onderdeel partieel worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ruim negen kilo cocaïne aanwezig gehad. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug, die schadelijk is voor de volksgezondheid. Handel in en gebruik van drugs leiden, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, en mr. H.C. Wiersinga en mr. E.C. van Veen, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.I.G. Ondracek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2025.
Inleiding
Rolnummer: 22-001345-24
Parketnummer: 10-338396-23
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ruim negen kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Voorwaardelijk opzet
Het hof is van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg gaat het hof uit van het navolgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij een opdracht heeft geaccepteerd om vanuit Frankrijk heen en weer naar Nederland te rijden om daar drugs op te halen. De verdachte heeft voor deze klus op voorhand een geldbedrag van € 3.000,00 gekregen. De verdachte is naar een opgegeven adres in Nederland gereden en heeft daar van een andere man een tas gekregen, die de verdachte in zijn auto heeft gezet.
Op 20 december 2023 is de verdachte door de politie aangehouden. In de auto van de verdachte werden in totaal tien blokken met verdovende middelen aangetroffen. Een deel daarvan werd in een in de auto van de verdachte professioneel aangebrachte verborgen ruimte gevonden.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om het aanwezig hebben van harddrugs ging. Dat het niet ging om softdrugs, maar dat hij rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat het (ook) om harddrugs als cocaïne zou gaan leidt het hof voorts af uit het geldbedrag dat hem is beloofd en de omvang van de aangetroffen pakketten.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aanwezig hebben van die drugs uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.
Nu het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de verdachte van dat onderdeel partieel worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ruim negen kilo cocaïne aanwezig gehad. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug, die schadelijk is voor de volksgezondheid. Handel in en gebruik van drugs leiden, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, en mr. H.C. Wiersinga en mr. E.C. van Veen, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.I.G. Ondracek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2025.
Inleiding
Rolnummer: 22-001345-24
Parketnummer: 10-338396-23
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ruim negen kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Voorwaardelijk opzet
Het hof is van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg gaat het hof uit van het navolgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij een opdracht heeft geaccepteerd om vanuit Frankrijk heen en weer naar Nederland te rijden om daar drugs op te halen. De verdachte heeft voor deze klus op voorhand een geldbedrag van € 3.000,00 gekregen. De verdachte is naar een opgegeven adres in Nederland gereden en heeft daar van een andere man een tas gekregen, die de verdachte in zijn auto heeft gezet.
Op 20 december 2023 is de verdachte door de politie aangehouden. In de auto van de verdachte werden in totaal tien blokken met verdovende middelen aangetroffen. Een deel daarvan werd in een in de auto van de verdachte professioneel aangebrachte verborgen ruimte gevonden.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om het aanwezig hebben van harddrugs ging. Dat het niet ging om softdrugs, maar dat hij rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat het (ook) om harddrugs als cocaïne zou gaan leidt het hof voorts af uit het geldbedrag dat hem is beloofd en de omvang van de aangetroffen pakketten.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aanwezig hebben van die drugs uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.
Nu het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de verdachte van dat onderdeel partieel worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ruim negen kilo cocaïne aanwezig gehad. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug, die schadelijk is voor de volksgezondheid. Handel in en gebruik van drugs leiden, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, en mr. H.C. Wiersinga en mr. E.C. van Veen, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.I.G. Ondracek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2025.
Inleiding
Rolnummer: 22-001345-24
Parketnummer: 10-338396-23
Datum uitspraak: 28 augustus 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.818,5 gram (bruto), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende ruim negen kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Voorwaardelijk opzet
Het hof is van oordeel dat de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde feit ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg gaat het hof uit van het navolgende.
De verdachte heeft verklaard dat hij een opdracht heeft geaccepteerd om vanuit Frankrijk heen en weer naar Nederland te rijden om daar drugs op te halen. De verdachte heeft voor deze klus op voorhand een geldbedrag van € 3.000,00 gekregen. De verdachte is naar een opgegeven adres in Nederland gereden en heeft daar van een andere man een tas gekregen, die de verdachte in zijn auto heeft gezet.
Op 20 december 2023 is de verdachte door de politie aangehouden. In de auto van de verdachte werden in totaal tien blokken met verdovende middelen aangetroffen. Een deel daarvan werd in een in de auto van de verdachte professioneel aangebrachte verborgen ruimte gevonden.
Het hof is van oordeel dat de verdachte onder deze omstandigheden op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om het aanwezig hebben van harddrugs ging. Dat het niet ging om softdrugs, maar dat hij rekening heeft moeten houden met de mogelijkheid dat het (ook) om harddrugs als cocaïne zou gaan leidt het hof voorts af uit het geldbedrag dat hem is beloofd en de omvang van de aangetroffen pakketten.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aanwezig hebben van die drugs uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen.
Nu het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de verdachte van dat onderdeel partieel worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft ruim negen kilo cocaïne aanwezig gehad. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug, die schadelijk is voor de volksgezondheid. Handel in en gebruik van drugs leiden, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Personenauto.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, als voorzitter, en mr. H.C. Wiersinga en mr. E.C. van Veen, leden, in bijzijn van de griffier mr. L.R.I.G. Ondracek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2025.