Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-05-08
ECLI:NL:GHDHA:2025:1749
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
23,760 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1213
Uitspraak van 8 mei 2025
in het geding tussen:
de erven [X] te [Z] , de erven,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de erven tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer SGR 22/7706.
Procesverloop
1.1.
[A] heeft namens de erven een geschrift met daarop de vermelding “Bezwaarschrift” ingediend bij de Inspecteur. Dit geschrift met de bijbehorende bijlagen is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (de stukken van 23 juni 2022).
1.2
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 opgevat als een bezwaarschrift tegen de aan [erflaatster] (erflaatster) voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft hij de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de hiervoor vermelde aanslag en dit verzoek bij beschikking van 15 juli 2022 afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
1.3.
De erven hebben tegen de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
De erven zijn tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136.
1.5.
Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 13 juni 2024 heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het hoger beroep. Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft het Hof het verzet tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich voor de uitspraak van 13 juni 2024 bevond.
1.6.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2025. [A] en de Inspecteur zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.8.
Op 3 april 2025 heeft [A] machtigingen overgelegd van [B] , [C] en [D] .
Feiten
2.1.
Erflaatster heeft op 3 april 2014 een testament opgemaakt. Als erfgenamen zijn aangewezen [C] (gezamenlijk met [E] ), [A] , [D] en [F] (de erven). De erfdelen van de erven zijn vastgesteld op achtereenvolgens 10/100, 15/100, 60/100 en 15/100 deel. Voorts zijn in het testament diverse legaten opgenomen, onder meer ten gunste van [B] . Als executeurs-testamentair zijn benoemd [F] en [A] .
2.2.
Erflaatster is op [datum] 2014 overleden. Na haar overlijden heeft [Verzekeringsmaatschappij] nog tot eind 2015 lijfrente-uitkeringen op een rekening van erflaatster gedaan. Op deze uitkeringen zijn loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) ingehouden. Het brutobedrag van de uitkeringen was € 35.434,62 en het netto bedrag € 26.777,04.
2.3.
Blijkens het proces-verbaal van een comparitie bij de Rechtbank op 31 maart 2016 zijn de erven overeengekomen dat de nalatenschap zal worden verdeeld volgens een afwijkende verdeelsleutel, waarbij ook aan anderen dan de erven een deel van de nalatenschap is toegekend, namelijk aan [G] en [B] . De nader overeengekomen verdeling is als volgt:
[C] en [E] : 27,5/100 deel;
[G] : 10/100 deel;
[B] : 10/100 deel;
[A] : 10/100 deel;
[D] : 35/100 deel;
[F] : 7,5/100 deel.
Voorts is in het proces-verbaal vastgelegd dat [F] afzag van de executele en dat het legaat voor [B] niet zou worden uitbetaald.
2.4.
In de loop van 2016 heeft [A] de teveel uitbetaalde lijfrente-uitkeringen namens de erven bruto terugbetaald aan [Verzekeringsmaatschappij] , dus inclusief de loonheffingen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
2.5.
[A] heeft namens de erven op 31 december 2021 verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. In dat kader heeft hij de Inspecteur verzocht om de aan [Verzekeringsmaatschappij] terugbetaalde loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw bij de erven als negatief loon in aanmerking te nemen.
2.6.
[A] heeft op 10 juni 2022, met een begeleidende brief van dezelfde datum, op verzoek van de Inspecteur een brief van 18 april 2022 met documenten afgegeven aan de balie van het kantoor van de Belastingdienst Den Haag. De brief met de documenten is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (zijnde de eerder genoemde “stukken van 23 juni 2022”). De brief vermeldt het volgende:
“Betreft: Bezwaarschrift
Onderwerp: nasturen documenten
Kenmerk: […]
Cliënten: Erven [erflaatster]
Sofinummer: [burgerservicenummer erflaatster]
Geachte heer […] ,
Hierbij doe ik u de gevraagde documenten toekomen :
10 . Testament (Bijlage 10)
11 . Verklaring van erfrecht (Bijlage 11)
12 . Uitspraak Rechtbank ’s Gravenhage d.d. 01 april 2016 (Bijlage 12)”
2.7.
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als bezwaar tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Met dagtekening 15 juli 2022 is het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is tevens in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering van voornoemde aanslag. Dit verzoek is afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
2.8.
[A] heeft namens de erven bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 2.7 vermelde afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
2.9.
De erven procederen eveneens tegen de hiervoor onder 2.7 genoemde uitspraak op bezwaar van 15 juli 2022. Bij uitspraak van de Rechtbank van 17 februari 2023 is het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De erven hebben verzet gedaan tegen deze uitspraak. De Rechtbank Den Haag heeft op 9 augustus 2023 het verzet ongegrond verklaard. Bij arrest van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen die uitspraak gegrond verklaard, omdat de Rechtbank zonder toereikende motivering ervan had afgezien het beroep mede te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de hiervoor onder 2.5 vermelde verzoeken om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. Na verwijzing heeft de rechtbank Noord-Holland op 18 november 2024 uitspraak gedaan in deze zaak (ECLI:NL:RBNHO:2024:11778). Tijdens de procedure bij de rechtbank Noord-Holland heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV 2016 van de erven ambtshalve verminderd met de door [A] opgegeven bedragen. [A] heeft namens de erven hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Het kenmerk van die hogerberoepszaak is 25/128.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij de erven zijn aangeduid als eisers en de Inspecteur als verweerder:
“Geschil
4. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat het verzoek ambtshalve vermindering geen betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2014, maar dat het verzoek ambtshalve vermindering betrekking heeft op de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016. Tevens is komen vast te staan dat (nog) geen aanslag IB/PVV 2016 is opgelegd. Gelet hierop zijn partijen het er over eens dat er dan ook geen verzoek ambtshalve vermindering van de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016 mogelijk is.
5. Tevens is ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen alleen (nog) de proceskostenvergoeding in geschil is. Eisers hebben gesteld dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft dit weersproken.
Overwegingen
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op 28 september 2022 en 17 oktober 2022 telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van eisers. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de gemachtigde van eisers heeft aangegeven af te zien van zijn hoorrecht en heeft verzocht direct uitspraak op bezwaar te doen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van verweerder te twijfelen. In zoverre is dan ook het hoorrecht van eisers niet geschonden en zijn eisers niet in hun belangen geschaad, waardoor eisers geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de beslissing van de Rechtbank juist is.
4.2.
De erven concluderen tot betaling door de Inspecteur van de loonbelasting, die aan [Verzekeringsmaatschappij] is terugbetaald, aan de boedel.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
5.1.
Met de onderhavige procedure willen de erven – naar het Hof begrijpt – bewerkstelligen dat zij volledig worden gecompenseerd voor de hiervoor onder 2.2 vermelde loonheffingen en inkomensafhankelijke premie Zvw die ten laste van de nalatenschap zijn gekomen als gevolg van de hiervoor onder 2.4 beschreven bruto terugbetaling. Hoewel de Inspecteur hen inmiddels is tegemoetgekomen, zijn zij nog niet volledig gecompenseerd. Dit geldt in de eerste plaats voor [G] , die woonachtig is in [buitenland] en bij wie het in aanmerking nemen van negatief loon niet heeft geresulteerd in een teruggaaf. In de tweede plaats wijzen de erven erop dat het negatief loon bij erflaatster tegen een hoger tarief in aanmerking zou zijn genomen dan bij de individuele erven het geval zou zijn geweest. De erven betogen dat het systeem van negatief ontvangen loon niet dient te gelden wanneer sprake is van een overlijden. Wanneer overduidelijk sprake is van onrecht heeft een ambtenaar wel degelijk handvatten om hier iets aan te doen. Als de desbetreffende ambtenaar deze bevoegdheid niet heeft, dient hij of zij dit aanhangig te maken bij de functionaris die wel deze bevoegdheid heeft, aldus de erven.
5.2.
Hetgeen de erven in hoger beroep hebben aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Het primaire besluit dat in deze procedure ter beoordeling voorligt betreft de hiervoor onder 1.2 en 2.7 vermelde beschikking van 15 juli 2022, waarin de Inspecteur heeft besloten af te zien van een ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Het kan echter in deze procedure nooit de bedoeling zijn geweest om rechtsmiddelen aan te wenden tegen die aanslag en de hogerberoepsgronden die de erven hebben aangevoerd hebben dan ook betrekking op de aan de individuele erven opgelegde aanslagen IB/PVV voor het jaar 2016, waarin de terugbetaling heeft plaatsgevonden. Om die reden kunnen de gronden niet slagen.
5.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat – naar tussen partijen niet in geschil is – de Inspecteur ten onrechte de brief die is geregistreerd op 23 juni 2022 heeft aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Deze brief vormde immers slechts een nader stuk bij het verzoek van 31 december 2021. Tot vernietiging van het primaire besluit kan dat echter niet leiden. De Inspecteur is immers op grond van artikel 65, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ook zonder een zodanig verzoek bevoegd om aanslagen ambtshalve te verminderen.
5.4.
Dat de brief van 31 december 2021 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 bevatte, kan in deze procedure evenmin leiden tot een andere uitkomst. Het thans voorliggende primaire besluit van 15 juli 2022 vormt niet een besluit op de aanvraag van 31 december 2021. Het Hof kan over die aanvraag derhalve niet oordelen. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 18 november 2024 heeft wel betrekking op (het uitblijven van een beslissing op) die aanvraag. Het Hof begrijpt die uitspraak aldus dat de Inspecteur in de loop van die procedure alsnog op de aanvraag heeft beslist en dat de Rechtbank Noord-Holland die beslissing op de voet van artikel 6:20, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht heeft beoordeeld. De erven kunnen hun grieven met betrekking tot de ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 derhalve in hoger beroep voorleggen aan het Gerechtshof Amsterdam.
Conclusie
5.5.
Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep ongegrond is.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd C. Maas
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1213
Uitspraak van 8 mei 2025
in het geding tussen:
de erven [X] te [Z] , de erven,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de erven tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer SGR 22/7706.
Procesverloop
1.1.
[A] heeft namens de erven een geschrift met daarop de vermelding “Bezwaarschrift” ingediend bij de Inspecteur. Dit geschrift met de bijbehorende bijlagen is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (de stukken van 23 juni 2022).
1.2
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 opgevat als een bezwaarschrift tegen de aan [erflaatster] (erflaatster) voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft hij de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de hiervoor vermelde aanslag en dit verzoek bij beschikking van 15 juli 2022 afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
1.3.
De erven hebben tegen de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
De erven zijn tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136.
1.5.
Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 13 juni 2024 heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het hoger beroep. Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft het Hof het verzet tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich voor de uitspraak van 13 juni 2024 bevond.
1.6.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2025. [A] en de Inspecteur zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.8.
Op 3 april 2025 heeft [A] machtigingen overgelegd van [B] , [C] en [D] .
Feiten
2.1.
Erflaatster heeft op 3 april 2014 een testament opgemaakt. Als erfgenamen zijn aangewezen [C] (gezamenlijk met [E] ), [A] , [D] en [F] (de erven). De erfdelen van de erven zijn vastgesteld op achtereenvolgens 10/100, 15/100, 60/100 en 15/100 deel. Voorts zijn in het testament diverse legaten opgenomen, onder meer ten gunste van [B] . Als executeurs-testamentair zijn benoemd [F] en [A] .
2.2.
Erflaatster is op [datum] 2014 overleden. Na haar overlijden heeft [Verzekeringsmaatschappij] nog tot eind 2015 lijfrente-uitkeringen op een rekening van erflaatster gedaan. Op deze uitkeringen zijn loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) ingehouden. Het brutobedrag van de uitkeringen was € 35.434,62 en het netto bedrag € 26.777,04.
2.3.
Blijkens het proces-verbaal van een comparitie bij de Rechtbank op 31 maart 2016 zijn de erven overeengekomen dat de nalatenschap zal worden verdeeld volgens een afwijkende verdeelsleutel, waarbij ook aan anderen dan de erven een deel van de nalatenschap is toegekend, namelijk aan [G] en [B] . De nader overeengekomen verdeling is als volgt:
[C] en [E] : 27,5/100 deel;
[G] : 10/100 deel;
[B] : 10/100 deel;
[A] : 10/100 deel;
[D] : 35/100 deel;
[F] : 7,5/100 deel.
Voorts is in het proces-verbaal vastgelegd dat [F] afzag van de executele en dat het legaat voor [B] niet zou worden uitbetaald.
2.4.
In de loop van 2016 heeft [A] de teveel uitbetaalde lijfrente-uitkeringen namens de erven bruto terugbetaald aan [Verzekeringsmaatschappij] , dus inclusief de loonheffingen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
2.5.
[A] heeft namens de erven op 31 december 2021 verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. In dat kader heeft hij de Inspecteur verzocht om de aan [Verzekeringsmaatschappij] terugbetaalde loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw bij de erven als negatief loon in aanmerking te nemen.
2.6.
[A] heeft op 10 juni 2022, met een begeleidende brief van dezelfde datum, op verzoek van de Inspecteur een brief van 18 april 2022 met documenten afgegeven aan de balie van het kantoor van de Belastingdienst Den Haag. De brief met de documenten is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (zijnde de eerder genoemde “stukken van 23 juni 2022”). De brief vermeldt het volgende:
“Betreft: Bezwaarschrift
Onderwerp: nasturen documenten
Kenmerk: […]
Cliënten: Erven [erflaatster]
Sofinummer: [burgerservicenummer erflaatster]
Geachte heer […] ,
Hierbij doe ik u de gevraagde documenten toekomen :
10 . Testament (Bijlage 10)
11 . Verklaring van erfrecht (Bijlage 11)
12 . Uitspraak Rechtbank ’s Gravenhage d.d. 01 april 2016 (Bijlage 12)”
2.7.
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als bezwaar tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Met dagtekening 15 juli 2022 is het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is tevens in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering van voornoemde aanslag. Dit verzoek is afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
2.8.
[A] heeft namens de erven bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 2.7 vermelde afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
2.9.
De erven procederen eveneens tegen de hiervoor onder 2.7 genoemde uitspraak op bezwaar van 15 juli 2022. Bij uitspraak van de Rechtbank van 17 februari 2023 is het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De erven hebben verzet gedaan tegen deze uitspraak. De Rechtbank Den Haag heeft op 9 augustus 2023 het verzet ongegrond verklaard. Bij arrest van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen die uitspraak gegrond verklaard, omdat de Rechtbank zonder toereikende motivering ervan had afgezien het beroep mede te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de hiervoor onder 2.5 vermelde verzoeken om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. Na verwijzing heeft de rechtbank Noord-Holland op 18 november 2024 uitspraak gedaan in deze zaak (ECLI:NL:RBNHO:2024:11778). Tijdens de procedure bij de rechtbank Noord-Holland heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV 2016 van de erven ambtshalve verminderd met de door [A] opgegeven bedragen. [A] heeft namens de erven hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Het kenmerk van die hogerberoepszaak is 25/128.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij de erven zijn aangeduid als eisers en de Inspecteur als verweerder:
“Geschil
4. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat het verzoek ambtshalve vermindering geen betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2014, maar dat het verzoek ambtshalve vermindering betrekking heeft op de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016. Tevens is komen vast te staan dat (nog) geen aanslag IB/PVV 2016 is opgelegd. Gelet hierop zijn partijen het er over eens dat er dan ook geen verzoek ambtshalve vermindering van de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016 mogelijk is.
5. Tevens is ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen alleen (nog) de proceskostenvergoeding in geschil is. Eisers hebben gesteld dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft dit weersproken.
Overwegingen
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op 28 september 2022 en 17 oktober 2022 telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van eisers. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de gemachtigde van eisers heeft aangegeven af te zien van zijn hoorrecht en heeft verzocht direct uitspraak op bezwaar te doen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van verweerder te twijfelen. In zoverre is dan ook het hoorrecht van eisers niet geschonden en zijn eisers niet in hun belangen geschaad, waardoor eisers geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de beslissing van de Rechtbank juist is.
4.2.
De erven concluderen tot betaling door de Inspecteur van de loonbelasting, die aan [Verzekeringsmaatschappij] is terugbetaald, aan de boedel.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
5.1.
Met de onderhavige procedure willen de erven – naar het Hof begrijpt – bewerkstelligen dat zij volledig worden gecompenseerd voor de hiervoor onder 2.2 vermelde loonheffingen en inkomensafhankelijke premie Zvw die ten laste van de nalatenschap zijn gekomen als gevolg van de hiervoor onder 2.4 beschreven bruto terugbetaling. Hoewel de Inspecteur hen inmiddels is tegemoetgekomen, zijn zij nog niet volledig gecompenseerd. Dit geldt in de eerste plaats voor [G] , die woonachtig is in [buitenland] en bij wie het in aanmerking nemen van negatief loon niet heeft geresulteerd in een teruggaaf. In de tweede plaats wijzen de erven erop dat het negatief loon bij erflaatster tegen een hoger tarief in aanmerking zou zijn genomen dan bij de individuele erven het geval zou zijn geweest. De erven betogen dat het systeem van negatief ontvangen loon niet dient te gelden wanneer sprake is van een overlijden. Wanneer overduidelijk sprake is van onrecht heeft een ambtenaar wel degelijk handvatten om hier iets aan te doen. Als de desbetreffende ambtenaar deze bevoegdheid niet heeft, dient hij of zij dit aanhangig te maken bij de functionaris die wel deze bevoegdheid heeft, aldus de erven.
5.2.
Hetgeen de erven in hoger beroep hebben aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Het primaire besluit dat in deze procedure ter beoordeling voorligt betreft de hiervoor onder 1.2 en 2.7 vermelde beschikking van 15 juli 2022, waarin de Inspecteur heeft besloten af te zien van een ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Het kan echter in deze procedure nooit de bedoeling zijn geweest om rechtsmiddelen aan te wenden tegen die aanslag en de hogerberoepsgronden die de erven hebben aangevoerd hebben dan ook betrekking op de aan de individuele erven opgelegde aanslagen IB/PVV voor het jaar 2016, waarin de terugbetaling heeft plaatsgevonden. Om die reden kunnen de gronden niet slagen.
5.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat – naar tussen partijen niet in geschil is – de Inspecteur ten onrechte de brief die is geregistreerd op 23 juni 2022 heeft aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Deze brief vormde immers slechts een nader stuk bij het verzoek van 31 december 2021. Tot vernietiging van het primaire besluit kan dat echter niet leiden. De Inspecteur is immers op grond van artikel 65, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ook zonder een zodanig verzoek bevoegd om aanslagen ambtshalve te verminderen.
5.4.
Dat de brief van 31 december 2021 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 bevatte, kan in deze procedure evenmin leiden tot een andere uitkomst. Het thans voorliggende primaire besluit van 15 juli 2022 vormt niet een besluit op de aanvraag van 31 december 2021. Het Hof kan over die aanvraag derhalve niet oordelen. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 18 november 2024 heeft wel betrekking op (het uitblijven van een beslissing op) die aanvraag. Het Hof begrijpt die uitspraak aldus dat de Inspecteur in de loop van die procedure alsnog op de aanvraag heeft beslist en dat de Rechtbank Noord-Holland die beslissing op de voet van artikel 6:20, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht heeft beoordeeld. De erven kunnen hun grieven met betrekking tot de ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 derhalve in hoger beroep voorleggen aan het Gerechtshof Amsterdam.
Conclusie
5.5.
Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep ongegrond is.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd C. Maas
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1213
Uitspraak van 8 mei 2025
in het geding tussen:
de erven [X] te [Z] , de erven,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de erven tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer SGR 22/7706.
Procesverloop
1.1.
[A] heeft namens de erven een geschrift met daarop de vermelding “Bezwaarschrift” ingediend bij de Inspecteur. Dit geschrift met de bijbehorende bijlagen is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (de stukken van 23 juni 2022).
1.2
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 opgevat als een bezwaarschrift tegen de aan [erflaatster] (erflaatster) voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft hij de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de hiervoor vermelde aanslag en dit verzoek bij beschikking van 15 juli 2022 afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
1.3.
De erven hebben tegen de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
De erven zijn tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136.
1.5.
Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 13 juni 2024 heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het hoger beroep. Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft het Hof het verzet tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich voor de uitspraak van 13 juni 2024 bevond.
1.6.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2025. [A] en de Inspecteur zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.8.
Op 3 april 2025 heeft [A] machtigingen overgelegd van [B] , [C] en [D] .
Feiten
2.1.
Erflaatster heeft op 3 april 2014 een testament opgemaakt. Als erfgenamen zijn aangewezen [C] (gezamenlijk met [E] ), [A] , [D] en [F] (de erven). De erfdelen van de erven zijn vastgesteld op achtereenvolgens 10/100, 15/100, 60/100 en 15/100 deel. Voorts zijn in het testament diverse legaten opgenomen, onder meer ten gunste van [B] . Als executeurs-testamentair zijn benoemd [F] en [A] .
2.2.
Erflaatster is op [datum] 2014 overleden. Na haar overlijden heeft [Verzekeringsmaatschappij] nog tot eind 2015 lijfrente-uitkeringen op een rekening van erflaatster gedaan. Op deze uitkeringen zijn loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) ingehouden. Het brutobedrag van de uitkeringen was € 35.434,62 en het netto bedrag € 26.777,04.
2.3.
Blijkens het proces-verbaal van een comparitie bij de Rechtbank op 31 maart 2016 zijn de erven overeengekomen dat de nalatenschap zal worden verdeeld volgens een afwijkende verdeelsleutel, waarbij ook aan anderen dan de erven een deel van de nalatenschap is toegekend, namelijk aan [G] en [B] . De nader overeengekomen verdeling is als volgt:
[C] en [E] : 27,5/100 deel;
[G] : 10/100 deel;
[B] : 10/100 deel;
[A] : 10/100 deel;
[D] : 35/100 deel;
[F] : 7,5/100 deel.
Voorts is in het proces-verbaal vastgelegd dat [F] afzag van de executele en dat het legaat voor [B] niet zou worden uitbetaald.
2.4.
In de loop van 2016 heeft [A] de teveel uitbetaalde lijfrente-uitkeringen namens de erven bruto terugbetaald aan [Verzekeringsmaatschappij] , dus inclusief de loonheffingen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
2.5.
[A] heeft namens de erven op 31 december 2021 verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. In dat kader heeft hij de Inspecteur verzocht om de aan [Verzekeringsmaatschappij] terugbetaalde loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw bij de erven als negatief loon in aanmerking te nemen.
2.6.
[A] heeft op 10 juni 2022, met een begeleidende brief van dezelfde datum, op verzoek van de Inspecteur een brief van 18 april 2022 met documenten afgegeven aan de balie van het kantoor van de Belastingdienst Den Haag. De brief met de documenten is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (zijnde de eerder genoemde “stukken van 23 juni 2022”). De brief vermeldt het volgende:
“Betreft: Bezwaarschrift
Onderwerp: nasturen documenten
Kenmerk: […]
Cliënten: Erven [erflaatster]
Sofinummer: [burgerservicenummer erflaatster]
Geachte heer […] ,
Hierbij doe ik u de gevraagde documenten toekomen :
10 . Testament (Bijlage 10)
11 . Verklaring van erfrecht (Bijlage 11)
12 . Uitspraak Rechtbank ’s Gravenhage d.d. 01 april 2016 (Bijlage 12)”
2.7.
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als bezwaar tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Met dagtekening 15 juli 2022 is het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is tevens in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering van voornoemde aanslag. Dit verzoek is afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
2.8.
[A] heeft namens de erven bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 2.7 vermelde afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
2.9.
De erven procederen eveneens tegen de hiervoor onder 2.7 genoemde uitspraak op bezwaar van 15 juli 2022. Bij uitspraak van de Rechtbank van 17 februari 2023 is het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De erven hebben verzet gedaan tegen deze uitspraak. De Rechtbank Den Haag heeft op 9 augustus 2023 het verzet ongegrond verklaard. Bij arrest van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen die uitspraak gegrond verklaard, omdat de Rechtbank zonder toereikende motivering ervan had afgezien het beroep mede te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de hiervoor onder 2.5 vermelde verzoeken om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. Na verwijzing heeft de rechtbank Noord-Holland op 18 november 2024 uitspraak gedaan in deze zaak (ECLI:NL:RBNHO:2024:11778). Tijdens de procedure bij de rechtbank Noord-Holland heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV 2016 van de erven ambtshalve verminderd met de door [A] opgegeven bedragen. [A] heeft namens de erven hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Het kenmerk van die hogerberoepszaak is 25/128.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij de erven zijn aangeduid als eisers en de Inspecteur als verweerder:
“Geschil
4. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat het verzoek ambtshalve vermindering geen betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2014, maar dat het verzoek ambtshalve vermindering betrekking heeft op de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016. Tevens is komen vast te staan dat (nog) geen aanslag IB/PVV 2016 is opgelegd. Gelet hierop zijn partijen het er over eens dat er dan ook geen verzoek ambtshalve vermindering van de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016 mogelijk is.
5. Tevens is ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen alleen (nog) de proceskostenvergoeding in geschil is. Eisers hebben gesteld dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft dit weersproken.
Overwegingen
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op 28 september 2022 en 17 oktober 2022 telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van eisers. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de gemachtigde van eisers heeft aangegeven af te zien van zijn hoorrecht en heeft verzocht direct uitspraak op bezwaar te doen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van verweerder te twijfelen. In zoverre is dan ook het hoorrecht van eisers niet geschonden en zijn eisers niet in hun belangen geschaad, waardoor eisers geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de beslissing van de Rechtbank juist is.
4.2.
De erven concluderen tot betaling door de Inspecteur van de loonbelasting, die aan [Verzekeringsmaatschappij] is terugbetaald, aan de boedel.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
5.1.
Met de onderhavige procedure willen de erven – naar het Hof begrijpt – bewerkstelligen dat zij volledig worden gecompenseerd voor de hiervoor onder 2.2 vermelde loonheffingen en inkomensafhankelijke premie Zvw die ten laste van de nalatenschap zijn gekomen als gevolg van de hiervoor onder 2.4 beschreven bruto terugbetaling. Hoewel de Inspecteur hen inmiddels is tegemoetgekomen, zijn zij nog niet volledig gecompenseerd. Dit geldt in de eerste plaats voor [G] , die woonachtig is in [buitenland] en bij wie het in aanmerking nemen van negatief loon niet heeft geresulteerd in een teruggaaf. In de tweede plaats wijzen de erven erop dat het negatief loon bij erflaatster tegen een hoger tarief in aanmerking zou zijn genomen dan bij de individuele erven het geval zou zijn geweest. De erven betogen dat het systeem van negatief ontvangen loon niet dient te gelden wanneer sprake is van een overlijden. Wanneer overduidelijk sprake is van onrecht heeft een ambtenaar wel degelijk handvatten om hier iets aan te doen. Als de desbetreffende ambtenaar deze bevoegdheid niet heeft, dient hij of zij dit aanhangig te maken bij de functionaris die wel deze bevoegdheid heeft, aldus de erven.
5.2.
Hetgeen de erven in hoger beroep hebben aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Het primaire besluit dat in deze procedure ter beoordeling voorligt betreft de hiervoor onder 1.2 en 2.7 vermelde beschikking van 15 juli 2022, waarin de Inspecteur heeft besloten af te zien van een ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Het kan echter in deze procedure nooit de bedoeling zijn geweest om rechtsmiddelen aan te wenden tegen die aanslag en de hogerberoepsgronden die de erven hebben aangevoerd hebben dan ook betrekking op de aan de individuele erven opgelegde aanslagen IB/PVV voor het jaar 2016, waarin de terugbetaling heeft plaatsgevonden. Om die reden kunnen de gronden niet slagen.
5.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat – naar tussen partijen niet in geschil is – de Inspecteur ten onrechte de brief die is geregistreerd op 23 juni 2022 heeft aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Deze brief vormde immers slechts een nader stuk bij het verzoek van 31 december 2021. Tot vernietiging van het primaire besluit kan dat echter niet leiden. De Inspecteur is immers op grond van artikel 65, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ook zonder een zodanig verzoek bevoegd om aanslagen ambtshalve te verminderen.
5.4.
Dat de brief van 31 december 2021 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 bevatte, kan in deze procedure evenmin leiden tot een andere uitkomst. Het thans voorliggende primaire besluit van 15 juli 2022 vormt niet een besluit op de aanvraag van 31 december 2021. Het Hof kan over die aanvraag derhalve niet oordelen. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 18 november 2024 heeft wel betrekking op (het uitblijven van een beslissing op) die aanvraag. Het Hof begrijpt die uitspraak aldus dat de Inspecteur in de loop van die procedure alsnog op de aanvraag heeft beslist en dat de Rechtbank Noord-Holland die beslissing op de voet van artikel 6:20, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht heeft beoordeeld. De erven kunnen hun grieven met betrekking tot de ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 derhalve in hoger beroep voorleggen aan het Gerechtshof Amsterdam.
Conclusie
5.5.
Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep ongegrond is.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd C. Maas
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1213
Uitspraak van 8 mei 2025
in het geding tussen:
de erven [X] te [Z] , de erven,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de erven tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer SGR 22/7706.
Procesverloop
1.1.
[A] heeft namens de erven een geschrift met daarop de vermelding “Bezwaarschrift” ingediend bij de Inspecteur. Dit geschrift met de bijbehorende bijlagen is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (de stukken van 23 juni 2022).
1.2
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 opgevat als een bezwaarschrift tegen de aan [erflaatster] (erflaatster) voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft hij de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de hiervoor vermelde aanslag en dit verzoek bij beschikking van 15 juli 2022 afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
1.3.
De erven hebben tegen de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
De erven zijn tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136.
1.5.
Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 13 juni 2024 heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het hoger beroep. Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft het Hof het verzet tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich voor de uitspraak van 13 juni 2024 bevond.
1.6.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2025. [A] en de Inspecteur zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.8.
Op 3 april 2025 heeft [A] machtigingen overgelegd van [B] , [C] en [D] .
Feiten
2.1.
Erflaatster heeft op 3 april 2014 een testament opgemaakt. Als erfgenamen zijn aangewezen [C] (gezamenlijk met [E] ), [A] , [D] en [F] (de erven). De erfdelen van de erven zijn vastgesteld op achtereenvolgens 10/100, 15/100, 60/100 en 15/100 deel. Voorts zijn in het testament diverse legaten opgenomen, onder meer ten gunste van [B] . Als executeurs-testamentair zijn benoemd [F] en [A] .
2.2.
Erflaatster is op [datum] 2014 overleden. Na haar overlijden heeft [Verzekeringsmaatschappij] nog tot eind 2015 lijfrente-uitkeringen op een rekening van erflaatster gedaan. Op deze uitkeringen zijn loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) ingehouden. Het brutobedrag van de uitkeringen was € 35.434,62 en het netto bedrag € 26.777,04.
2.3.
Blijkens het proces-verbaal van een comparitie bij de Rechtbank op 31 maart 2016 zijn de erven overeengekomen dat de nalatenschap zal worden verdeeld volgens een afwijkende verdeelsleutel, waarbij ook aan anderen dan de erven een deel van de nalatenschap is toegekend, namelijk aan [G] en [B] . De nader overeengekomen verdeling is als volgt:
[C] en [E] : 27,5/100 deel;
[G] : 10/100 deel;
[B] : 10/100 deel;
[A] : 10/100 deel;
[D] : 35/100 deel;
[F] : 7,5/100 deel.
Voorts is in het proces-verbaal vastgelegd dat [F] afzag van de executele en dat het legaat voor [B] niet zou worden uitbetaald.
2.4.
In de loop van 2016 heeft [A] de teveel uitbetaalde lijfrente-uitkeringen namens de erven bruto terugbetaald aan [Verzekeringsmaatschappij] , dus inclusief de loonheffingen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
2.5.
[A] heeft namens de erven op 31 december 2021 verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. In dat kader heeft hij de Inspecteur verzocht om de aan [Verzekeringsmaatschappij] terugbetaalde loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw bij de erven als negatief loon in aanmerking te nemen.
2.6.
[A] heeft op 10 juni 2022, met een begeleidende brief van dezelfde datum, op verzoek van de Inspecteur een brief van 18 april 2022 met documenten afgegeven aan de balie van het kantoor van de Belastingdienst Den Haag. De brief met de documenten is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (zijnde de eerder genoemde “stukken van 23 juni 2022”). De brief vermeldt het volgende:
“Betreft: Bezwaarschrift
Onderwerp: nasturen documenten
Kenmerk: […]
Cliënten: Erven [erflaatster]
Sofinummer: [burgerservicenummer erflaatster]
Geachte heer […] ,
Hierbij doe ik u de gevraagde documenten toekomen :
10 . Testament (Bijlage 10)
11 . Verklaring van erfrecht (Bijlage 11)
12 . Uitspraak Rechtbank ’s Gravenhage d.d. 01 april 2016 (Bijlage 12)”
2.7.
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als bezwaar tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Met dagtekening 15 juli 2022 is het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is tevens in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering van voornoemde aanslag. Dit verzoek is afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
2.8.
[A] heeft namens de erven bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 2.7 vermelde afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
2.9.
De erven procederen eveneens tegen de hiervoor onder 2.7 genoemde uitspraak op bezwaar van 15 juli 2022. Bij uitspraak van de Rechtbank van 17 februari 2023 is het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De erven hebben verzet gedaan tegen deze uitspraak. De Rechtbank Den Haag heeft op 9 augustus 2023 het verzet ongegrond verklaard. Bij arrest van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen die uitspraak gegrond verklaard, omdat de Rechtbank zonder toereikende motivering ervan had afgezien het beroep mede te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de hiervoor onder 2.5 vermelde verzoeken om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. Na verwijzing heeft de rechtbank Noord-Holland op 18 november 2024 uitspraak gedaan in deze zaak (ECLI:NL:RBNHO:2024:11778). Tijdens de procedure bij de rechtbank Noord-Holland heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV 2016 van de erven ambtshalve verminderd met de door [A] opgegeven bedragen. [A] heeft namens de erven hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Het kenmerk van die hogerberoepszaak is 25/128.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij de erven zijn aangeduid als eisers en de Inspecteur als verweerder:
“Geschil
4. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat het verzoek ambtshalve vermindering geen betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2014, maar dat het verzoek ambtshalve vermindering betrekking heeft op de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016. Tevens is komen vast te staan dat (nog) geen aanslag IB/PVV 2016 is opgelegd. Gelet hierop zijn partijen het er over eens dat er dan ook geen verzoek ambtshalve vermindering van de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016 mogelijk is.
5. Tevens is ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen alleen (nog) de proceskostenvergoeding in geschil is. Eisers hebben gesteld dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft dit weersproken.
Overwegingen
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op 28 september 2022 en 17 oktober 2022 telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van eisers. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de gemachtigde van eisers heeft aangegeven af te zien van zijn hoorrecht en heeft verzocht direct uitspraak op bezwaar te doen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van verweerder te twijfelen. In zoverre is dan ook het hoorrecht van eisers niet geschonden en zijn eisers niet in hun belangen geschaad, waardoor eisers geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de beslissing van de Rechtbank juist is.
4.2.
De erven concluderen tot betaling door de Inspecteur van de loonbelasting, die aan [Verzekeringsmaatschappij] is terugbetaald, aan de boedel.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
5.1.
Met de onderhavige procedure willen de erven – naar het Hof begrijpt – bewerkstelligen dat zij volledig worden gecompenseerd voor de hiervoor onder 2.2 vermelde loonheffingen en inkomensafhankelijke premie Zvw die ten laste van de nalatenschap zijn gekomen als gevolg van de hiervoor onder 2.4 beschreven bruto terugbetaling. Hoewel de Inspecteur hen inmiddels is tegemoetgekomen, zijn zij nog niet volledig gecompenseerd. Dit geldt in de eerste plaats voor [G] , die woonachtig is in [buitenland] en bij wie het in aanmerking nemen van negatief loon niet heeft geresulteerd in een teruggaaf. In de tweede plaats wijzen de erven erop dat het negatief loon bij erflaatster tegen een hoger tarief in aanmerking zou zijn genomen dan bij de individuele erven het geval zou zijn geweest. De erven betogen dat het systeem van negatief ontvangen loon niet dient te gelden wanneer sprake is van een overlijden. Wanneer overduidelijk sprake is van onrecht heeft een ambtenaar wel degelijk handvatten om hier iets aan te doen. Als de desbetreffende ambtenaar deze bevoegdheid niet heeft, dient hij of zij dit aanhangig te maken bij de functionaris die wel deze bevoegdheid heeft, aldus de erven.
5.2.
Hetgeen de erven in hoger beroep hebben aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Het primaire besluit dat in deze procedure ter beoordeling voorligt betreft de hiervoor onder 1.2 en 2.7 vermelde beschikking van 15 juli 2022, waarin de Inspecteur heeft besloten af te zien van een ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Het kan echter in deze procedure nooit de bedoeling zijn geweest om rechtsmiddelen aan te wenden tegen die aanslag en de hogerberoepsgronden die de erven hebben aangevoerd hebben dan ook betrekking op de aan de individuele erven opgelegde aanslagen IB/PVV voor het jaar 2016, waarin de terugbetaling heeft plaatsgevonden. Om die reden kunnen de gronden niet slagen.
5.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat – naar tussen partijen niet in geschil is – de Inspecteur ten onrechte de brief die is geregistreerd op 23 juni 2022 heeft aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Deze brief vormde immers slechts een nader stuk bij het verzoek van 31 december 2021. Tot vernietiging van het primaire besluit kan dat echter niet leiden. De Inspecteur is immers op grond van artikel 65, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ook zonder een zodanig verzoek bevoegd om aanslagen ambtshalve te verminderen.
5.4.
Dat de brief van 31 december 2021 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 bevatte, kan in deze procedure evenmin leiden tot een andere uitkomst. Het thans voorliggende primaire besluit van 15 juli 2022 vormt niet een besluit op de aanvraag van 31 december 2021. Het Hof kan over die aanvraag derhalve niet oordelen. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 18 november 2024 heeft wel betrekking op (het uitblijven van een beslissing op) die aanvraag. Het Hof begrijpt die uitspraak aldus dat de Inspecteur in de loop van die procedure alsnog op de aanvraag heeft beslist en dat de Rechtbank Noord-Holland die beslissing op de voet van artikel 6:20, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht heeft beoordeeld. De erven kunnen hun grieven met betrekking tot de ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 derhalve in hoger beroep voorleggen aan het Gerechtshof Amsterdam.
Conclusie
5.5.
Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep ongegrond is.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd C. Maas
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1213
Uitspraak van 8 mei 2025
in het geding tussen:
de erven [X] te [Z] , de erven,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de erven tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer SGR 22/7706.
Procesverloop
1.1.
[A] heeft namens de erven een geschrift met daarop de vermelding “Bezwaarschrift” ingediend bij de Inspecteur. Dit geschrift met de bijbehorende bijlagen is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (de stukken van 23 juni 2022).
1.2
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 opgevat als een bezwaarschrift tegen de aan [erflaatster] (erflaatster) voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft hij de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de hiervoor vermelde aanslag en dit verzoek bij beschikking van 15 juli 2022 afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
1.3.
De erven hebben tegen de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
De erven zijn tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136.
1.5.
Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 13 juni 2024 heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het hoger beroep. Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft het Hof het verzet tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich voor de uitspraak van 13 juni 2024 bevond.
1.6.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2025. [A] en de Inspecteur zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.8.
Op 3 april 2025 heeft [A] machtigingen overgelegd van [B] , [C] en [D] .
Feiten
2.1.
Erflaatster heeft op 3 april 2014 een testament opgemaakt. Als erfgenamen zijn aangewezen [C] (gezamenlijk met [E] ), [A] , [D] en [F] (de erven). De erfdelen van de erven zijn vastgesteld op achtereenvolgens 10/100, 15/100, 60/100 en 15/100 deel. Voorts zijn in het testament diverse legaten opgenomen, onder meer ten gunste van [B] . Als executeurs-testamentair zijn benoemd [F] en [A] .
2.2.
Erflaatster is op [datum] 2014 overleden. Na haar overlijden heeft [Verzekeringsmaatschappij] nog tot eind 2015 lijfrente-uitkeringen op een rekening van erflaatster gedaan. Op deze uitkeringen zijn loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) ingehouden. Het brutobedrag van de uitkeringen was € 35.434,62 en het netto bedrag € 26.777,04.
2.3.
Blijkens het proces-verbaal van een comparitie bij de Rechtbank op 31 maart 2016 zijn de erven overeengekomen dat de nalatenschap zal worden verdeeld volgens een afwijkende verdeelsleutel, waarbij ook aan anderen dan de erven een deel van de nalatenschap is toegekend, namelijk aan [G] en [B] . De nader overeengekomen verdeling is als volgt:
[C] en [E] : 27,5/100 deel;
[G] : 10/100 deel;
[B] : 10/100 deel;
[A] : 10/100 deel;
[D] : 35/100 deel;
[F] : 7,5/100 deel.
Voorts is in het proces-verbaal vastgelegd dat [F] afzag van de executele en dat het legaat voor [B] niet zou worden uitbetaald.
2.4.
In de loop van 2016 heeft [A] de teveel uitbetaalde lijfrente-uitkeringen namens de erven bruto terugbetaald aan [Verzekeringsmaatschappij] , dus inclusief de loonheffingen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
2.5.
[A] heeft namens de erven op 31 december 2021 verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. In dat kader heeft hij de Inspecteur verzocht om de aan [Verzekeringsmaatschappij] terugbetaalde loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw bij de erven als negatief loon in aanmerking te nemen.
2.6.
[A] heeft op 10 juni 2022, met een begeleidende brief van dezelfde datum, op verzoek van de Inspecteur een brief van 18 april 2022 met documenten afgegeven aan de balie van het kantoor van de Belastingdienst Den Haag. De brief met de documenten is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (zijnde de eerder genoemde “stukken van 23 juni 2022”). De brief vermeldt het volgende:
“Betreft: Bezwaarschrift
Onderwerp: nasturen documenten
Kenmerk: […]
Cliënten: Erven [erflaatster]
Sofinummer: [burgerservicenummer erflaatster]
Geachte heer […] ,
Hierbij doe ik u de gevraagde documenten toekomen :
10 . Testament (Bijlage 10)
11 . Verklaring van erfrecht (Bijlage 11)
12 . Uitspraak Rechtbank ’s Gravenhage d.d. 01 april 2016 (Bijlage 12)”
2.7.
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als bezwaar tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Met dagtekening 15 juli 2022 is het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is tevens in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering van voornoemde aanslag. Dit verzoek is afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
2.8.
[A] heeft namens de erven bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 2.7 vermelde afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
2.9.
De erven procederen eveneens tegen de hiervoor onder 2.7 genoemde uitspraak op bezwaar van 15 juli 2022. Bij uitspraak van de Rechtbank van 17 februari 2023 is het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De erven hebben verzet gedaan tegen deze uitspraak. De Rechtbank Den Haag heeft op 9 augustus 2023 het verzet ongegrond verklaard. Bij arrest van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen die uitspraak gegrond verklaard, omdat de Rechtbank zonder toereikende motivering ervan had afgezien het beroep mede te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de hiervoor onder 2.5 vermelde verzoeken om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. Na verwijzing heeft de rechtbank Noord-Holland op 18 november 2024 uitspraak gedaan in deze zaak (ECLI:NL:RBNHO:2024:11778). Tijdens de procedure bij de rechtbank Noord-Holland heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV 2016 van de erven ambtshalve verminderd met de door [A] opgegeven bedragen. [A] heeft namens de erven hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Het kenmerk van die hogerberoepszaak is 25/128.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij de erven zijn aangeduid als eisers en de Inspecteur als verweerder:
“Geschil
4. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat het verzoek ambtshalve vermindering geen betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2014, maar dat het verzoek ambtshalve vermindering betrekking heeft op de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016. Tevens is komen vast te staan dat (nog) geen aanslag IB/PVV 2016 is opgelegd. Gelet hierop zijn partijen het er over eens dat er dan ook geen verzoek ambtshalve vermindering van de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016 mogelijk is.
5. Tevens is ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen alleen (nog) de proceskostenvergoeding in geschil is. Eisers hebben gesteld dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft dit weersproken.
Overwegingen
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op 28 september 2022 en 17 oktober 2022 telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van eisers. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de gemachtigde van eisers heeft aangegeven af te zien van zijn hoorrecht en heeft verzocht direct uitspraak op bezwaar te doen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van verweerder te twijfelen. In zoverre is dan ook het hoorrecht van eisers niet geschonden en zijn eisers niet in hun belangen geschaad, waardoor eisers geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de beslissing van de Rechtbank juist is.
4.2.
De erven concluderen tot betaling door de Inspecteur van de loonbelasting, die aan [Verzekeringsmaatschappij] is terugbetaald, aan de boedel.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Overwegingen
5.1.
Met de onderhavige procedure willen de erven – naar het Hof begrijpt – bewerkstelligen dat zij volledig worden gecompenseerd voor de hiervoor onder 2.2 vermelde loonheffingen en inkomensafhankelijke premie Zvw die ten laste van de nalatenschap zijn gekomen als gevolg van de hiervoor onder 2.4 beschreven bruto terugbetaling. Hoewel de Inspecteur hen inmiddels is tegemoetgekomen, zijn zij nog niet volledig gecompenseerd. Dit geldt in de eerste plaats voor [G] , die woonachtig is in [buitenland] en bij wie het in aanmerking nemen van negatief loon niet heeft geresulteerd in een teruggaaf. In de tweede plaats wijzen de erven erop dat het negatief loon bij erflaatster tegen een hoger tarief in aanmerking zou zijn genomen dan bij de individuele erven het geval zou zijn geweest. De erven betogen dat het systeem van negatief ontvangen loon niet dient te gelden wanneer sprake is van een overlijden. Wanneer overduidelijk sprake is van onrecht heeft een ambtenaar wel degelijk handvatten om hier iets aan te doen. Als de desbetreffende ambtenaar deze bevoegdheid niet heeft, dient hij of zij dit aanhangig te maken bij de functionaris die wel deze bevoegdheid heeft, aldus de erven.
5.2.
Hetgeen de erven in hoger beroep hebben aangevoerd kan naar het oordeel van het Hof niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Het primaire besluit dat in deze procedure ter beoordeling voorligt betreft de hiervoor onder 1.2 en 2.7 vermelde beschikking van 15 juli 2022, waarin de Inspecteur heeft besloten af te zien van een ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Het kan echter in deze procedure nooit de bedoeling zijn geweest om rechtsmiddelen aan te wenden tegen die aanslag en de hogerberoepsgronden die de erven hebben aangevoerd hebben dan ook betrekking op de aan de individuele erven opgelegde aanslagen IB/PVV voor het jaar 2016, waarin de terugbetaling heeft plaatsgevonden. Om die reden kunnen de gronden niet slagen.
5.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat – naar tussen partijen niet in geschil is – de Inspecteur ten onrechte de brief die is geregistreerd op 23 juni 2022 heeft aangemerkt als verzoek om ambtshalve vermindering van de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Deze brief vormde immers slechts een nader stuk bij het verzoek van 31 december 2021. Tot vernietiging van het primaire besluit kan dat echter niet leiden. De Inspecteur is immers op grond van artikel 65, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ook zonder een zodanig verzoek bevoegd om aanslagen ambtshalve te verminderen.
5.4.
Dat de brief van 31 december 2021 een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 bevatte, kan in deze procedure evenmin leiden tot een andere uitkomst. Het thans voorliggende primaire besluit van 15 juli 2022 vormt niet een besluit op de aanvraag van 31 december 2021. Het Hof kan over die aanvraag derhalve niet oordelen. De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 18 november 2024 heeft wel betrekking op (het uitblijven van een beslissing op) die aanvraag. Het Hof begrijpt die uitspraak aldus dat de Inspecteur in de loop van die procedure alsnog op de aanvraag heeft beslist en dat de Rechtbank Noord-Holland die beslissing op de voet van artikel 6:20, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht heeft beoordeeld. De erven kunnen hun grieven met betrekking tot de ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016 derhalve in hoger beroep voorleggen aan het Gerechtshof Amsterdam.
Conclusie
5.5.
Het voorgaande brengt met zich dat het hoger beroep ongegrond is.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, Chr.Th.P.M. Zandhuis en R.M. Hermans, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd C. Maas
Dictum
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/1213
Uitspraak van 8 mei 2025
in het geding tussen:
de erven [X] te [Z] , de erven,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de erven tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 november 2023, nummer SGR 22/7706.
Procesverloop
1.1.
[A] heeft namens de erven een geschrift met daarop de vermelding “Bezwaarschrift” ingediend bij de Inspecteur. Dit geschrift met de bijbehorende bijlagen is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (de stukken van 23 juni 2022).
1.2
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 opgevat als een bezwaarschrift tegen de aan [erflaatster] (erflaatster) voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De Inspecteur heeft het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft hij de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering van de hiervoor vermelde aanslag en dit verzoek bij beschikking van 15 juli 2022 afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
1.3.
De erven hebben tegen de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
De erven zijn tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 136.
1.5.
Bij uitspraak na vereenvoudigde behandeling van 13 juni 2024 heeft het Hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het hoger beroep. Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft het Hof het verzet tegen de uitspraak na vereenvoudigde behandeling gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich voor de uitspraak van 13 juni 2024 bevond.
1.6.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.7.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 6 maart 2025. [A] en de Inspecteur zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
1.8.
Op 3 april 2025 heeft [A] machtigingen overgelegd van [B] , [C] en [D] .
Feiten
2.1.
Erflaatster heeft op 3 april 2014 een testament opgemaakt. Als erfgenamen zijn aangewezen [C] (gezamenlijk met [E] ), [A] , [D] en [F] (de erven). De erfdelen van de erven zijn vastgesteld op achtereenvolgens 10/100, 15/100, 60/100 en 15/100 deel. Voorts zijn in het testament diverse legaten opgenomen, onder meer ten gunste van [B] . Als executeurs-testamentair zijn benoemd [F] en [A] .
2.2.
Erflaatster is op [datum] 2014 overleden. Na haar overlijden heeft [Verzekeringsmaatschappij] nog tot eind 2015 lijfrente-uitkeringen op een rekening van erflaatster gedaan. Op deze uitkeringen zijn loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) ingehouden. Het brutobedrag van de uitkeringen was € 35.434,62 en het netto bedrag € 26.777,04.
2.3.
Blijkens het proces-verbaal van een comparitie bij de Rechtbank op 31 maart 2016 zijn de erven overeengekomen dat de nalatenschap zal worden verdeeld volgens een afwijkende verdeelsleutel, waarbij ook aan anderen dan de erven een deel van de nalatenschap is toegekend, namelijk aan [G] en [B] . De nader overeengekomen verdeling is als volgt:
[C] en [E] : 27,5/100 deel;
[G] : 10/100 deel;
[B] : 10/100 deel;
[A] : 10/100 deel;
[D] : 35/100 deel;
[F] : 7,5/100 deel.
Voorts is in het proces-verbaal vastgelegd dat [F] afzag van de executele en dat het legaat voor [B] niet zou worden uitbetaald.
2.4.
In de loop van 2016 heeft [A] de teveel uitbetaalde lijfrente-uitkeringen namens de erven bruto terugbetaald aan [Verzekeringsmaatschappij] , dus inclusief de loonheffingen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
2.5.
[A] heeft namens de erven op 31 december 2021 verzoeken gedaan om ambtshalve vermindering van de aan hen opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. In dat kader heeft hij de Inspecteur verzocht om de aan [Verzekeringsmaatschappij] terugbetaalde loonheffingen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw bij de erven als negatief loon in aanmerking te nemen.
2.6.
[A] heeft op 10 juni 2022, met een begeleidende brief van dezelfde datum, op verzoek van de Inspecteur een brief van 18 april 2022 met documenten afgegeven aan de balie van het kantoor van de Belastingdienst Den Haag. De brief met de documenten is op 23 juni 2022 ingeboekt bij de afdeling Documentaire Informatie Voorzieningen van de Belastingdienst (zijnde de eerder genoemde “stukken van 23 juni 2022”). De brief vermeldt het volgende:
“Betreft: Bezwaarschrift
Onderwerp: nasturen documenten
Kenmerk: […]
Cliënten: Erven [erflaatster]
Sofinummer: [burgerservicenummer erflaatster]
Geachte heer […] ,
Hierbij doe ik u de gevraagde documenten toekomen :
10 . Testament (Bijlage 10)
11 . Verklaring van erfrecht (Bijlage 11)
12 . Uitspraak Rechtbank ’s Gravenhage d.d. 01 april 2016 (Bijlage 12)”
2.7.
De Inspecteur heeft de stukken van 23 juni 2022 in behandeling genomen als bezwaar tegen de aan erflaatster opgelegde aanslag IB/PVV 2014. Met dagtekening 15 juli 2022 is het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar is tevens in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering van voornoemde aanslag. Dit verzoek is afgewezen wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, letter a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.
2.8.
[A] heeft namens de erven bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 2.7 vermelde afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2022 is het bezwaar ongegrond verklaard. Bij de thans bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.
2.9.
De erven procederen eveneens tegen de hiervoor onder 2.7 genoemde uitspraak op bezwaar van 15 juli 2022. Bij uitspraak van de Rechtbank van 17 februari 2023 is het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De erven hebben verzet gedaan tegen deze uitspraak. De Rechtbank Den Haag heeft op 9 augustus 2023 het verzet ongegrond verklaard. Bij arrest van 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:668, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie tegen die uitspraak gegrond verklaard, omdat de Rechtbank zonder toereikende motivering ervan had afgezien het beroep mede te beschouwen als een beroep tegen het uitblijven van een beslissing op de hiervoor onder 2.5 vermelde verzoeken om ambtshalve vermindering van de aan de erven opgelegde aanslagen IB/PVV 2016. Na verwijzing heeft de rechtbank Noord-Holland op 18 november 2024 uitspraak gedaan in deze zaak (ECLI:NL:RBNHO:2024:11778). Tijdens de procedure bij de rechtbank Noord-Holland heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV 2016 van de erven ambtshalve verminderd met de door [A] opgegeven bedragen. [A] heeft namens de erven hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland. Het kenmerk van die hogerberoepszaak is 25/128.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij de erven zijn aangeduid als eisers en de Inspecteur als verweerder:
“Geschil
4. Ter zitting is tussen partijen komen vast te staan dat het verzoek ambtshalve vermindering geen betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2014, maar dat het verzoek ambtshalve vermindering betrekking heeft op de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016. Tevens is komen vast te staan dat (nog) geen aanslag IB/PVV 2016 is opgelegd. Gelet hierop zijn partijen het er over eens dat er dan ook geen verzoek ambtshalve vermindering van de (niet opgelegde) aanslag IB/PVV 2016 mogelijk is.
5. Tevens is ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen alleen (nog) de proceskostenvergoeding in geschil is. Eisers hebben gesteld dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft dit weersproken.
Overwegingen
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat zij recht hebben op een proceskostenvergoeding, omdat zij in de bezwaarfase niet zijn gehoord. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat op 28 september 2022 en 17 oktober 2022 telefonisch contact heeft plaatsgevonden met de gemachtigde van eisers. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de gemachtigde van eisers heeft aangegeven af te zien van zijn hoorrecht en heeft verzocht direct uitspraak op bezwaar te doen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze verklaring van verweerder te twijfelen. In zoverre is dan ook het hoorrecht van eisers niet geschonden en zijn eisers niet in hun belangen geschaad, waardoor eisers geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Geschil
4.1.
In hoger beroep is in geschil of de beslissing van de Rechtbank juist is.
4.2.
De erven concluderen tot betaling door de Inspecteur van de loonbelasting, die aan [Verzekeringsmaatschappij] is terugbetaald, aan de boedel.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.