Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-06-23
ECLI:NL:GHDHA:2025:1681
Civiel recht
Wraking
6,510 tokens
Dictum
op het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met het hiervoor genoemde zaaknummer van:
[verzoeker]
wonend in [woonplaats],
verzoeker,hierna te noemen: [verzoeker].
Het verloop van de procedure
1. [verzoeker] is als verzoeker betrokken in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01. In deze procedure werd [verzoeker] bijgestaan door mr. J.G. Galama, deze heeft zich op 11 december 2024 onttrokken. Er heeft zich nadien geen nieuwe advocaat gesteld namens verzoeker.
2. Op 13 mei 2025 heeft het hof eindarrest gewezen in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01.
3. Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] bij de Centrale Balie in het Paleis van Justitie een brief met een wrakingsverzoek voorzien van bijlagen afgegeven. [verzoeker] schrijft:
“Hiermee doe ik mijn wrakingsverzoek aan U toekomen van de raadsheren die straks mijn arrest in de bovengenoemde zaak zullen uitspreken zonder aan mijn eisen van de
procesverbaal te voldoen.”
4. Bij e-mail van 21 mei 2025 heeft de plaatsvervangend coördinator van de wrakingskamer de ontvangst van het wrakingsverzoek bevestigd aan [verzoeker].
Beoordeling
5. Bij de beoordeling van de ontvankelijk van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer voorop dat in de hoofdzaak de eis van verplichte procesvertegenwoordiging geldt. In zaken waarin een partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, moet een schriftelijk verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ondertekend en ingediend door een advocaat (zie HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2997, NJ 1999, 271).
6. Bij brief van 21 mei 2025 heeft de wrakingskamer [verzoeker] medegedeeld dat zijn schriftelijke wrakingsverzoek vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen omdat een schriftelijk wrakingsverzoek moet worden ondertekend en ingediend door een advocaat. De wrakingskamer heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, door uiterlijk 4 juni 2025 alsnog een advocaat het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen. Daarbij is tevens vermeld dat als dat niet gebeurt, verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast is [verzoeker] erop gewezen dat hij zijn wrakingsverzoek heeft ingediend nadat einduitspraak is gedaan.
7. Op 22 mei 2025 heeft [verzoeker] de wrakingskamer per e-mail verzocht om ontheffing van de plicht om het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen door een advocaat, dan wel hem een advocaat ter beschikking te stellen die hem kan bijstaan. De wet en de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad bieden geen grond voor behandeling van dergelijke verzoeken door de wrakingskamer. De wrakingskamer laat deze verzoeken daarom buiten behandeling.
8. [verzoeker] heeft van de hem geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim geen gebruik gemaakt.
9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek. Het hof heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting met toepassing van het bepaalde in paragraaf 4, lid 2, aanhef en onder c, Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.
10. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan (HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926, r.o. 2.3.1). [verzoeker] heeft op 14 mei 2025 een schriftelijk verzoek gedaan tot wraking van de raadsheren die het arrest hebben gewezen. Dat is één dag nadat het eindarrest in het openbaar is uitgesproken. Dit betekent dat het (schriftelijke) wrakingsverzoek sowieso te laat is gedaan.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker], de raadsheren in de hoofdzaak en aan de advocaat van verweerders in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.C. van Veen, M.E. Honée en M.J. van Cleef-Metsaars en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2025, in aanwezigheid van de griffier.
Dictum
op het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met het hiervoor genoemde zaaknummer van:
[verzoeker]
wonend in [woonplaats],
verzoeker,hierna te noemen: [verzoeker].
Het verloop van de procedure
1. [verzoeker] is als verzoeker betrokken in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01. In deze procedure werd [verzoeker] bijgestaan door mr. J.G. Galama, deze heeft zich op 11 december 2024 onttrokken. Er heeft zich nadien geen nieuwe advocaat gesteld namens verzoeker.
2. Op 13 mei 2025 heeft het hof eindarrest gewezen in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01.
3. Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] bij de Centrale Balie in het Paleis van Justitie een brief met een wrakingsverzoek voorzien van bijlagen afgegeven. [verzoeker] schrijft:
“Hiermee doe ik mijn wrakingsverzoek aan U toekomen van de raadsheren die straks mijn arrest in de bovengenoemde zaak zullen uitspreken zonder aan mijn eisen van de
procesverbaal te voldoen.”
4. Bij e-mail van 21 mei 2025 heeft de plaatsvervangend coördinator van de wrakingskamer de ontvangst van het wrakingsverzoek bevestigd aan [verzoeker].
Beoordeling
5. Bij de beoordeling van de ontvankelijk van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer voorop dat in de hoofdzaak de eis van verplichte procesvertegenwoordiging geldt. In zaken waarin een partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, moet een schriftelijk verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ondertekend en ingediend door een advocaat (zie HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2997, NJ 1999, 271).
6. Bij brief van 21 mei 2025 heeft de wrakingskamer [verzoeker] medegedeeld dat zijn schriftelijke wrakingsverzoek vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen omdat een schriftelijk wrakingsverzoek moet worden ondertekend en ingediend door een advocaat. De wrakingskamer heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, door uiterlijk 4 juni 2025 alsnog een advocaat het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen. Daarbij is tevens vermeld dat als dat niet gebeurt, verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast is [verzoeker] erop gewezen dat hij zijn wrakingsverzoek heeft ingediend nadat einduitspraak is gedaan.
7. Op 22 mei 2025 heeft [verzoeker] de wrakingskamer per e-mail verzocht om ontheffing van de plicht om het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen door een advocaat, dan wel hem een advocaat ter beschikking te stellen die hem kan bijstaan. De wet en de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad bieden geen grond voor behandeling van dergelijke verzoeken door de wrakingskamer. De wrakingskamer laat deze verzoeken daarom buiten behandeling.
8. [verzoeker] heeft van de hem geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim geen gebruik gemaakt.
9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek. Het hof heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting met toepassing van het bepaalde in paragraaf 4, lid 2, aanhef en onder c, Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.
10. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan (HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926, r.o. 2.3.1). [verzoeker] heeft op 14 mei 2025 een schriftelijk verzoek gedaan tot wraking van de raadsheren die het arrest hebben gewezen. Dat is één dag nadat het eindarrest in het openbaar is uitgesproken. Dit betekent dat het (schriftelijke) wrakingsverzoek sowieso te laat is gedaan.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker], de raadsheren in de hoofdzaak en aan de advocaat van verweerders in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.C. van Veen, M.E. Honée en M.J. van Cleef-Metsaars en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2025, in aanwezigheid van de griffier.
Dictum
op het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met het hiervoor genoemde zaaknummer van:
[verzoeker]
wonend in [woonplaats],
verzoeker,hierna te noemen: [verzoeker].
Het verloop van de procedure
1. [verzoeker] is als verzoeker betrokken in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01. In deze procedure werd [verzoeker] bijgestaan door mr. J.G. Galama, deze heeft zich op 11 december 2024 onttrokken. Er heeft zich nadien geen nieuwe advocaat gesteld namens verzoeker.
2. Op 13 mei 2025 heeft het hof eindarrest gewezen in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01.
3. Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] bij de Centrale Balie in het Paleis van Justitie een brief met een wrakingsverzoek voorzien van bijlagen afgegeven. [verzoeker] schrijft:
“Hiermee doe ik mijn wrakingsverzoek aan U toekomen van de raadsheren die straks mijn arrest in de bovengenoemde zaak zullen uitspreken zonder aan mijn eisen van de
procesverbaal te voldoen.”
4. Bij e-mail van 21 mei 2025 heeft de plaatsvervangend coördinator van de wrakingskamer de ontvangst van het wrakingsverzoek bevestigd aan [verzoeker].
Beoordeling
5. Bij de beoordeling van de ontvankelijk van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer voorop dat in de hoofdzaak de eis van verplichte procesvertegenwoordiging geldt. In zaken waarin een partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, moet een schriftelijk verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ondertekend en ingediend door een advocaat (zie HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2997, NJ 1999, 271).
6. Bij brief van 21 mei 2025 heeft de wrakingskamer [verzoeker] medegedeeld dat zijn schriftelijke wrakingsverzoek vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen omdat een schriftelijk wrakingsverzoek moet worden ondertekend en ingediend door een advocaat. De wrakingskamer heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, door uiterlijk 4 juni 2025 alsnog een advocaat het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen. Daarbij is tevens vermeld dat als dat niet gebeurt, verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast is [verzoeker] erop gewezen dat hij zijn wrakingsverzoek heeft ingediend nadat einduitspraak is gedaan.
7. Op 22 mei 2025 heeft [verzoeker] de wrakingskamer per e-mail verzocht om ontheffing van de plicht om het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen door een advocaat, dan wel hem een advocaat ter beschikking te stellen die hem kan bijstaan. De wet en de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad bieden geen grond voor behandeling van dergelijke verzoeken door de wrakingskamer. De wrakingskamer laat deze verzoeken daarom buiten behandeling.
8. [verzoeker] heeft van de hem geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim geen gebruik gemaakt.
9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek. Het hof heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting met toepassing van het bepaalde in paragraaf 4, lid 2, aanhef en onder c, Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.
10. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan (HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926, r.o. 2.3.1). [verzoeker] heeft op 14 mei 2025 een schriftelijk verzoek gedaan tot wraking van de raadsheren die het arrest hebben gewezen. Dat is één dag nadat het eindarrest in het openbaar is uitgesproken. Dit betekent dat het (schriftelijke) wrakingsverzoek sowieso te laat is gedaan.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker], de raadsheren in de hoofdzaak en aan de advocaat van verweerders in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.C. van Veen, M.E. Honée en M.J. van Cleef-Metsaars en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2025, in aanwezigheid van de griffier.
Dictum
op het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met het hiervoor genoemde zaaknummer van:
[verzoeker]
wonend in [woonplaats],
verzoeker,hierna te noemen: [verzoeker].
Het verloop van de procedure
1. [verzoeker] is als verzoeker betrokken in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01. In deze procedure werd [verzoeker] bijgestaan door mr. J.G. Galama, deze heeft zich op 11 december 2024 onttrokken. Er heeft zich nadien geen nieuwe advocaat gesteld namens verzoeker.
2. Op 13 mei 2025 heeft het hof eindarrest gewezen in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01.
3. Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] bij de Centrale Balie in het Paleis van Justitie een brief met een wrakingsverzoek voorzien van bijlagen afgegeven. [verzoeker] schrijft:
“Hiermee doe ik mijn wrakingsverzoek aan U toekomen van de raadsheren die straks mijn arrest in de bovengenoemde zaak zullen uitspreken zonder aan mijn eisen van de
procesverbaal te voldoen.”
4. Bij e-mail van 21 mei 2025 heeft de plaatsvervangend coördinator van de wrakingskamer de ontvangst van het wrakingsverzoek bevestigd aan [verzoeker].
Beoordeling
5. Bij de beoordeling van de ontvankelijk van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer voorop dat in de hoofdzaak de eis van verplichte procesvertegenwoordiging geldt. In zaken waarin een partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, moet een schriftelijk verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ondertekend en ingediend door een advocaat (zie HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2997, NJ 1999, 271).
6. Bij brief van 21 mei 2025 heeft de wrakingskamer [verzoeker] medegedeeld dat zijn schriftelijke wrakingsverzoek vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen omdat een schriftelijk wrakingsverzoek moet worden ondertekend en ingediend door een advocaat. De wrakingskamer heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, door uiterlijk 4 juni 2025 alsnog een advocaat het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen. Daarbij is tevens vermeld dat als dat niet gebeurt, verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast is [verzoeker] erop gewezen dat hij zijn wrakingsverzoek heeft ingediend nadat einduitspraak is gedaan.
7. Op 22 mei 2025 heeft [verzoeker] de wrakingskamer per e-mail verzocht om ontheffing van de plicht om het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen door een advocaat, dan wel hem een advocaat ter beschikking te stellen die hem kan bijstaan. De wet en de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad bieden geen grond voor behandeling van dergelijke verzoeken door de wrakingskamer. De wrakingskamer laat deze verzoeken daarom buiten behandeling.
8. [verzoeker] heeft van de hem geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim geen gebruik gemaakt.
9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek. Het hof heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting met toepassing van het bepaalde in paragraaf 4, lid 2, aanhef en onder c, Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.
10. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan (HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926, r.o. 2.3.1). [verzoeker] heeft op 14 mei 2025 een schriftelijk verzoek gedaan tot wraking van de raadsheren die het arrest hebben gewezen. Dat is één dag nadat het eindarrest in het openbaar is uitgesproken. Dit betekent dat het (schriftelijke) wrakingsverzoek sowieso te laat is gedaan.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker], de raadsheren in de hoofdzaak en aan de advocaat van verweerders in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.C. van Veen, M.E. Honée en M.J. van Cleef-Metsaars en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2025, in aanwezigheid van de griffier.
Dictum
op het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met het hiervoor genoemde zaaknummer van:
[verzoeker]
wonend in [woonplaats],
verzoeker,hierna te noemen: [verzoeker].
Het verloop van de procedure
1. [verzoeker] is als verzoeker betrokken in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01. In deze procedure werd [verzoeker] bijgestaan door mr. J.G. Galama, deze heeft zich op 11 december 2024 onttrokken. Er heeft zich nadien geen nieuwe advocaat gesteld namens verzoeker.
2. Op 13 mei 2025 heeft het hof eindarrest gewezen in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01.
3. Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] bij de Centrale Balie in het Paleis van Justitie een brief met een wrakingsverzoek voorzien van bijlagen afgegeven. [verzoeker] schrijft:
“Hiermee doe ik mijn wrakingsverzoek aan U toekomen van de raadsheren die straks mijn arrest in de bovengenoemde zaak zullen uitspreken zonder aan mijn eisen van de
procesverbaal te voldoen.”
4. Bij e-mail van 21 mei 2025 heeft de plaatsvervangend coördinator van de wrakingskamer de ontvangst van het wrakingsverzoek bevestigd aan [verzoeker].
Beoordeling
5. Bij de beoordeling van de ontvankelijk van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer voorop dat in de hoofdzaak de eis van verplichte procesvertegenwoordiging geldt. In zaken waarin een partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, moet een schriftelijk verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ondertekend en ingediend door een advocaat (zie HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2997, NJ 1999, 271).
6. Bij brief van 21 mei 2025 heeft de wrakingskamer [verzoeker] medegedeeld dat zijn schriftelijke wrakingsverzoek vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen omdat een schriftelijk wrakingsverzoek moet worden ondertekend en ingediend door een advocaat. De wrakingskamer heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, door uiterlijk 4 juni 2025 alsnog een advocaat het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen. Daarbij is tevens vermeld dat als dat niet gebeurt, verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast is [verzoeker] erop gewezen dat hij zijn wrakingsverzoek heeft ingediend nadat einduitspraak is gedaan.
7. Op 22 mei 2025 heeft [verzoeker] de wrakingskamer per e-mail verzocht om ontheffing van de plicht om het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen door een advocaat, dan wel hem een advocaat ter beschikking te stellen die hem kan bijstaan. De wet en de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad bieden geen grond voor behandeling van dergelijke verzoeken door de wrakingskamer. De wrakingskamer laat deze verzoeken daarom buiten behandeling.
8. [verzoeker] heeft van de hem geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim geen gebruik gemaakt.
9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek. Het hof heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting met toepassing van het bepaalde in paragraaf 4, lid 2, aanhef en onder c, Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.
10. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan (HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926, r.o. 2.3.1). [verzoeker] heeft op 14 mei 2025 een schriftelijk verzoek gedaan tot wraking van de raadsheren die het arrest hebben gewezen. Dat is één dag nadat het eindarrest in het openbaar is uitgesproken. Dit betekent dat het (schriftelijke) wrakingsverzoek sowieso te laat is gedaan.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker], de raadsheren in de hoofdzaak en aan de advocaat van verweerders in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.C. van Veen, M.E. Honée en M.J. van Cleef-Metsaars en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2025, in aanwezigheid van de griffier.
Dictum
op het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de hoofdzaak met het hiervoor genoemde zaaknummer van:
[verzoeker]
wonend in [woonplaats],
verzoeker,hierna te noemen: [verzoeker].
Het verloop van de procedure
1. [verzoeker] is als verzoeker betrokken in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01. In deze procedure werd [verzoeker] bijgestaan door mr. J.G. Galama, deze heeft zich op 11 december 2024 onttrokken. Er heeft zich nadien geen nieuwe advocaat gesteld namens verzoeker.
2. Op 13 mei 2025 heeft het hof eindarrest gewezen in de procedure met zaaknummer 200.339.831/01.
3. Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] bij de Centrale Balie in het Paleis van Justitie een brief met een wrakingsverzoek voorzien van bijlagen afgegeven. [verzoeker] schrijft:
“Hiermee doe ik mijn wrakingsverzoek aan U toekomen van de raadsheren die straks mijn arrest in de bovengenoemde zaak zullen uitspreken zonder aan mijn eisen van de
procesverbaal te voldoen.”
4. Bij e-mail van 21 mei 2025 heeft de plaatsvervangend coördinator van de wrakingskamer de ontvangst van het wrakingsverzoek bevestigd aan [verzoeker].
Beoordeling
5. Bij de beoordeling van de ontvankelijk van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer voorop dat in de hoofdzaak de eis van verplichte procesvertegenwoordiging geldt. In zaken waarin een partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, moet een schriftelijk verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ondertekend en ingediend door een advocaat (zie HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2997, NJ 1999, 271).
6. Bij brief van 21 mei 2025 heeft de wrakingskamer [verzoeker] medegedeeld dat zijn schriftelijke wrakingsverzoek vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen omdat een schriftelijk wrakingsverzoek moet worden ondertekend en ingediend door een advocaat. De wrakingskamer heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen, door uiterlijk 4 juni 2025 alsnog een advocaat het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen. Daarbij is tevens vermeld dat als dat niet gebeurt, verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard. Daarnaast is [verzoeker] erop gewezen dat hij zijn wrakingsverzoek heeft ingediend nadat einduitspraak is gedaan.
7. Op 22 mei 2025 heeft [verzoeker] de wrakingskamer per e-mail verzocht om ontheffing van de plicht om het wrakingsverzoek te laten ondertekenen en indienen door een advocaat, dan wel hem een advocaat ter beschikking te stellen die hem kan bijstaan. De wet en de relevante jurisprudentie van de Hoge Raad bieden geen grond voor behandeling van dergelijke verzoeken door de wrakingskamer. De wrakingskamer laat deze verzoeken daarom buiten behandeling.
8. [verzoeker] heeft van de hem geboden gelegenheid tot herstel van het verzuim geen gebruik gemaakt.
9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het wrakingsverzoek. Het hof heeft afgezien van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting met toepassing van het bepaalde in paragraaf 4, lid 2, aanhef en onder c, Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag.
10. Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat een verzoek tot wraking van de zittingsrechters kan worden gedaan totdat einduitspraak is gedaan (HR 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926, r.o. 2.3.1). [verzoeker] heeft op 14 mei 2025 een schriftelijk verzoek gedaan tot wraking van de raadsheren die het arrest hebben gewezen. Dat is één dag nadat het eindarrest in het openbaar is uitgesproken. Dit betekent dat het (schriftelijke) wrakingsverzoek sowieso te laat is gedaan.
Dictum
De wrakingskamer:
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan [verzoeker], de raadsheren in de hoofdzaak en aan de advocaat van verweerders in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.C. van Veen, M.E. Honée en M.J. van Cleef-Metsaars en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2025, in aanwezigheid van de griffier.