Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-06-10
ECLI:NL:GHDHA:2025:1306
Civiel recht
Hoger beroep
4,870 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.336.157/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/645215 / GA ZA 23-293
Arrest van 10 juni 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. A. Ramsaroep, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.M.C. van Graafeiland, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en de Staat.
1De zaak in het kort
1.1
In 2013 heeft de Staat op verzoek van De Nederlandsche Bank N.V. (hierna: DNB) justitiële informatie over [appellant] aan DNB verstrekt. [appellant] stelt dat hij hierdoor zijn baan is kwijtgeraakt en financiële en psychische problemen heeft gekregen. [appellant] voert aan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de informatie te verstrekken en dat de Staat daarom zijn schade moet vergoeden. De rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de vordering van [appellant] is verjaard en het hof is het daarmee eens.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 14 augustus 2023, met bijlagen, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 september 2023;
de memorie van grieven van [appellant], met bijlagen;
de memorie van antwoord van de Staat, met bijlagen;
de bijlagen (3 tot en met 6) die [appellant] Staat ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.
2.2
Op 15 mei 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Feiten
3.1
In 2012 heeft DNB een traject ingezet dat tot doel had te komen tot realistische waarderingen van commercieel vastgoed door onder toezicht van DNB staande banken. In dat kader is onder meer onderzoek gedaan naar de vastgoed(leningen)portefeuilles van de banken om een scherper beeld te krijgen van de waarde van het commercieel vastgoed dat tot zekerheid strekt van door banken verstrekte leningen (hierna: het project).
3.2
[appellant] was van 1 oktober 2013 tot 1 maart 2014 werkzaam bij Mazars Paardekooper Hoffman N.V. (hierna: Mazars) in de functie van junior manager financial audit.
3.3
Voor de uitvoering van het project heeft DNB de Amerikaanse firma BlackRock Solutions (hierna: BlackRock) gecontracteerd. BlackRock heeft op haar beurt onder andere Mazars als “onderaannemer" ingeschakeld.
3.4
Mazars heeft ten behoeve van het project 56 personen ingezet. Deze personen werden door DNB (strafrechtelijk) gescreend. Een van de door Mazars ingezette personeelsleden was [appellant].
3.5
Op 17 oktober 2013 heeft [appellant] het screeningsformulier ontvangen en ondertekend teruggestuurd. Hij heeft daarmee aan DNB toestemming verleend om justitiële gegevens van hem op te vragen op grond van de artikelen 26 en 28 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Bjsg).
3.6
Bij aangetekende brief van 22 oktober 2013 heeft DNB onder verwijzing naar dit screeningsformulier aan [appellant] bericht dat zij op grond van de beschikbare informatie het voornemen had om hem geen toestemming te geven om de (beoogde) werkzaamheden voor DNB uit te voeren.
3.7
Op 7 november 2013 heeft er op verzoek van [appellant] een gesprek plaatsgevonden tussen twee medewerkers van DNB enerzijds en [appellant] anderzijds. DNB heeft [appellant] op dezelfde dag telefonisch medegedeeld dat het gesprek voor DNB geen aanleiding was om terug te komen op het eerder kenbaar gemaakte voornemen.
3.8
Op 8 november 2013 heeft DNB Mazars telefonisch ingelicht dat [appellant] niet door de screening was gekomen en dat hij daarom van het project was gehaald.
3.9
Op 5 december 2013 moest [appellant] het kantoor van Mazars verlaten.
3.10
Op 19 december 2013 heeft DNB desgevraagd schriftelijk bevestigd dat zij heeft besloten [appellant] geen toestemming te geven om werkzaamheden voor haar te verrichten. DNB schrijft in deze brief dat dit definitieve besluit telefonisch al op 7 november 2013 aan [appellant] is medegedeeld, na het gesprek met [appellant] eerder die dag, waarbij [appellant] in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze te geven.
3.11
Bij beschikking van 29 januari 2014 heeft de kantonrechter te Amsterdam de arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en Mazars ontbonden met ingang van 1 maart 2014.
3.12
In augustus 2014 heeft [appellant] onder de Klokkenluidersregeling van DNB melding gedaan van misstanden. Hij heeft zijn melding gericht tot de voorzitter van de Raad van Commissarissen van DNB. In deze procedure is [appellant] bijgestaan door een advocaat. [appellant] is ontvankelijk verklaard in drie van de vier meldingen.
3.13
Op 15 september 2014 heeft [appellant] DNB gedagvaard in een civiele procedure. Hij werd in deze procedure ook bijgestaan door een advocaat. [appellant] vorderde in die procedure een schadevergoeding van DNB wegens onrechtmatig handelen bij de screeningsprocedure. Bij vonnis 22 juli 2015 heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen afgewezen.
3.14
In een mail van 23 juli 2015 van [appellant] aan het Ministerie van Financiën staat onder meer het volgende:
“(…) en zijn mijns inziens deze wet- en regelgeving, etc. geschonden door DNB en dat mijns inziens de ministerie van veiligheid en justitie/college van procureurs generaals ten onrechte justitiële gegevens blijft verstrekken van tijdelijke inhuurkrachten bij DNB aan DNB, zonder een zorgvuldige beoordeling uit te voeren, dan wel dat DNB deze verkrijgt op onwetmatige wijze (…)
3) MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE
1) Op basis waarvan heeft deze justitiële gegevens verstrekt aan DNB. DNB had namelijk geen wettelijke grondslag om te screenen en gegevens op te vragen, tevens de screeningsformulier onjuist informatie bevat (dit is namelijk een formulier voor pre- employment screening en niet parallelle screening.”
3.15
In een brief aan de Commissie meldingen DNB van 2 oktober 2015 heeft de toenmalige advocaat van [appellant] onder meer toegelicht waarom [appellant] van mening is dat DNB zonder wettelijke grondslag zijn justitiële gegevens heeft aangevraagd, en meer in het bijzonder dat de artikelen 26 en 28 Bjsg (zie ook alinea 3.5 hierboven) hiervoor geen grondslag boden.
3.16
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de onder 3.13 genoemde uitspraak. Begin 2016 heeft [appellant] een regeling getroffen met DNB waarna de procedure in hoger beroep en ook de procedure onder de Klokkenluidersregeling is geëindigd. Onderdeel van die regeling was een door DNB aan [appellant] te betalen schadevergoeding van € 250.000,-.
3.17
Op 10 november 2022 heeft [appellant] de dagvaarding aan de Staat laten betekenen die heeft geleid tot deze procedure.
4Procedure bij de rechtbank
4.1
[appellant] heeft de Staat gedagvaard en gevorderd:
een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en dientengevolge aansprakelijk is voor de daardoor door [appellant] geleden schade;
de veroordeling van de Staat tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat,
met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
4.2
[appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de aangevraagde justitiële gegevens zonder wettelijke grondslag aan DNB te verstrekken. Volgens [appellant] heeft de Staat daarmee zijn recht op bescherming van zijn privéleven geschonden. Meer concreet voert [appellant] onder meer aan dat de verstrekking niet kon worden gebaseerd op artikel 26 Bjsg, omdat niet voldaan was aan het vereiste dat [appellant] in dienst zou treden bij DNB of werkzaamheden zou gaan verrichten gedurende een zodanig lange periode dat zijn positie gelijkgesteld zou kunnen worden met die van een werknemer in dienstverband.
4.3
De Staat heeft zich op verjaring beroepen en heeft subsidiair betwist dat het verstrekken van de gegevens van [appellant] aan DNB onrechtmatig was. Ook heeft hij betwist dat aan de overige vereisten voor aansprakelijkheid, waaronder het vereiste van causaal verband tussen de door [appellant] gestelde schade en de aan de Staat verweten onrechtmatige gedraging, is voldaan.
4.4
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen. De vijfjarige verjaringstermijn is aangevangen op 22 oktober 2013, de datum van de hierboven (alinea 3.6.) vermelde brief van DNB, omdat [appellant] uit die brief had moeten afleiden dat de Staat zijn justitiële gegevens aan DNB had verstrekt. [appellant] was daarom volgens de rechtbank op dat moment bekend met zijn schade en de aansprakelijke persoon. Hij had tot en met 23 oktober 2018 de tijd om de Staat aansprakelijk te stellen of de verjaring te stuiten maar heeft dat niet gedaan. Het beroep van de Staat op verjaring is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [appellant] heeft geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht, omdat de vordering tot schadevergoeding is verjaard en een ander belang – dus los van de beoogde schadevergoeding – niet is gesteld of gebleken.
Beoordeling
Verjaring - juridisch kader
6.1
Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Dit houdt niet in dat is vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend is. Het houdt evenmin in dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn is vereist dat de benadeelde – behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon – daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden. Wel is het zo dat de rechter bij de beoordeling of de benadeelde daadwerkelijk bekend was met het tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon moet betrekken of de benadeelde over de kennis en het inzicht beschikte om de deugdelijkheid van het handelen te kunnen beoordelen.
6.2
Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle relevante feiten en omstandigheden. Het is aan degene die zich op verjaring beroept, in dit geval dus de Staat, om de feiten te stellen en zo nodig te bewijzen die nodig zijn voor verjaring. Het is vervolgens aan de wederpartij, in dit geval [appellant], om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de verjaring is gestuit.
Toegepast op deze zaak: sprake van voltooide verjaring
6.3
In het midden kan blijven of de verjaring in deze zaak al op 22 oktober 2013, 7 november 2013 of 19 december 2013 (zie alinea’s 3.6, 3.7 en 3.10 hierboven) is gaan lopen. Het hof is namelijk van oordeel dat de verjaringstermijn in elk geval niet later is aangevangen dan in 2015, het jaar waarin [appellant] zijn mail van 23 mei 2015 schreef en diens toenmalige advocaat de brief van 2 oktober 2015 verstuurde (zie alinea’s 3.14 en 3.15). Uit deze stukken blijkt dat [appellant] destijds wist dat zijn justitiële gegevens door de Staat aan DNB waren verstrekt en dat hij toen al van mening was dat de Staat daarmee onrechtmatig had gehandeld. Ook wist hij dat zijn justitiële gegevens (mede) ten grondslag lagen aan het weigeringsbesluit van DNB en dat die beslissing weer (mede) ten grondslag lag aan de beslissing van Mazars om het dienstverband op te zeggen, met alle verdere negatieve gevolgen van dien. Daarmee is voldaan aan het vereiste dat [appellant] daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Zoals hiervoor al is overwogen, is niet vereist dat [appellant] op dat moment ook al bekend was met de precieze omvang van zijn schade. Evenmin is vereist dat hij bekend was met de precieze gang van zaken bij de verstrekking door de Staat van justitiële gegevens en met de (volgens een overgelegd rapport bestaande) fouten in de programmatuur van de Staat, zoals [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft betoogd.
6.4
Dit betekent dat de verjaring uiterlijk 2 oktober 2020 was voltooid, nu niet is gesteld of gebleken dat [appellant] de verjaring in de tussentijd heeft gestuit.
Beroep op verjaring is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar
6.5
[appellant] stelt dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hij voert daartoe aan dat van de Staat een bijzondere zorgvuldigheid mag worden verwacht bij het verstrekken van gegevens, helemaal wanneer het om (zeer) privacygevoelige gegevens gaat zoals de onderhavige justitiële gegevens, en dat het handelen van de Staat zeer vergaande negatieve gevolgen voor hem heeft gehad.
6.6
Dit standpunt slaagt niet. Voorop staat dat alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden aangenomen dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat terughoudendheid dus is vereist. Aan het instituut van bevrijdende verjaring liggen zwaarwegende argumenten ten grondslag, waaronder de rechtszekerheid. De Staat wijst er terecht op dat de Hoge Raad in het algemeen strikt de hand houdt aan de verjaringsregels, ook als dat “uit het oogpunt van individuele gerechtigheid” soms moeilijk te begrijpen is. Dat de verstrekking van de justitiële gegevens veel negatieve gevolgen voor [appellant] heeft gehad is dus niet voldoende en ook de volgens [appellant] grote mate van verwijtbaarheid van het handelen van de Staat legt onvoldoende gewicht in de schaal. Dat klemt temeer nu [appellant] ook al in het verleden werd bijgestaan door een advocaat en [appellant] onvoldoende heeft toegelicht waarom hij niet eerder actie had kunnen ondernemen; zo had hij minstgenomen de verjaring kunnen stuiten.
Gevorderde verklaring voor recht
6.7
De vordering tot schadevergoeding is dus verjaard. De rechtbank heeft (vonnis 5.9.) overwogen dat dit betekent dat ook de gevraagde verklaring voor recht niet toewijsbaar is, omdat deze strekt tot het verkrijgen van een schadevergoeding, de vordering tot schadevergoeding is verjaard en niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een ander belang bij de gevorderde verklaring voor recht, los van de beoogde schadevergoeding. [appellant] heeft weliswaar een grief gericht tegen de bewuste alinea van het vonnis (grief 3), maar hij heeft in de toelichting op deze grief volstaan met een verwijzing naar de toelichting op grieven 1 en 2 (die beide zien op de verjaringsvraag). Hij heeft geen concrete klacht geformuleerd tegen de inhoudelijke motivering van de rechtbank en heeft ook in hoger beroep niet gesteld, laat staan onderbouwd, welk ander belang hij zou kunnen hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. Ook het hof komt daarom tot de conclusie dat de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is.
Conclusie
6.8
De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt. Aan een inhoudelijke beoordeling komt het hof niet toe en dat betekent ook dat het hof niet toekomt aan een bespreking van grieven 4 en 5, die zich richten tegen overwegingen ten overvloede. Grief 6 is gericht tegen het dictum van het bestreden vonnis en faalt dus net als grieven 1 tot en met 3. Het hof zal het vonnis bekrachtigen en zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.9
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 1.716,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.677,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 september 2023;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 2.677,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. E.M. Dousma-Valk, mr. S.A. Boele en mr. R.J.J. Aerts en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2025 in aanwezigheid van de griffier.
HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168 (Saelman).
HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739, Bosman/G, HR 4 mei 2012 ECLI:NL:HR:2012:BV6769 (Huisman q.q./Hoskens) en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552 (Mispelhoef).
HR 9 oktober 2020 ECLI:NL:HR:2020:1603 en HR 12 januari 2024 ECLI:NL:HR:2024:18 en 19.
HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3240, NJ 2015/207.
HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2047.
HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1867